Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Ouderdoms- en overlijdensverzekering - Berekening van uitkeringen - Bepaling van theoretisch bedrag - Inaanmerkingneming van alle verzekeringstijdvakken die onder wettelijke regelingen van verschillende Lid-Staten zijn vervuld - Autonome uitkering gelijk aan volledig pensioen zoals dat door wettelijke regeling van Lid-Staat van bevoegde orgaan wordt toegekend - Gevolgen
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 46, leden 1 en 2, sub a)
2 Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Ouderdoms- en overlijdensverzekering - Berekening van uitkeringen - Bepaling van werkelijk bedrag - Inaanmerkingneming van alle verzekeringstijdvakken die onder wettelijke regelingen van verschillende Lid-Staten zijn vervuld, zonder toepassing van nationale anti-cumulatieregels
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 46, lid 2, sub b)
3 Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Uitkeringen - Nationale anti-cumulatieregels - Nationale bepaling die totale loopbaan van werknemers beperkt tot 45 dienstjaren, als gevolg waarvan door migrerende werknemer vervuld verzekeringstijdvak wordt gekort wegens in andere Lid-Staat vervulde jaren - Toelaatbaarheid - Voorwaarden
(EEG-Verdrag, art. 48 en 51; verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 12, lid 2, en 46)
Samenvatting
4 Voor de berekening van het bedrag van de uitkering volgens artikel 46, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 moet het bevoegde orgaan van een Lid-Staat alle tijdvakken samentellen die zijn vervuld onder de wettelijke regelingen van de Lid-Staten waaraan de werknemer onderworpen is geweest, in het bijzonder de door hem vervulde tijdvakken van militaire dienst die door de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat als verzekeringstijdvakken in de zin van deze bepaling worden erkend, zelfs indien deze tijdvakken volgens het recht van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan niet in aanmerking zouden behoeven te worden genomen.
Heeft de werknemer echter reeds krachtens artikel 46, lid 1, van de verordening aanspraak op een autonome uitkering ten belope van het volledige pensioen dat door de wettelijke regeling van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan wordt toegekend, zonder meetelling van de tijdvakken die onder de wettelijke regeling van andere Lid-Staten zijn vervuld waaraan de betrokkene onderworpen is geweest, dan behoeven die tijdvakken niet in aanmerking te worden genomen om de onder de wettelijke regeling van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan vervulde tijdvakken aan te vullen voor het verkrijgen van recht op uitkering.
5 Bij de berekening van het werkelijke uitkeringsbedrag in de zin van artikel 46, lid 2, sub b, van verordening nr. 1408/71 dient het bevoegde orgaan rekening te houden met alle vervulde tijdvakken van verzekering die door de wettelijke regelingen van alle Lid-Staten als zodanig worden erkend, met inbegrip van de door de toepasselijke nationale wettelijke regeling erkende fictieve tijdvakken vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis, en mag het bij de vaststelling van dit werkelijke bedrag niet zijn eigen externe anti-cumulatieregels toepassen. In het bijzonder mag het die regels niet toepassen om het door een werknemer in een andere Lid-Staat vervulde tijdvak van arbeid af te trekken van de fictieve jaren die krachtens de wetgeving van zijn Lid-Staat bij de jaren van werkelijke tewerkstelling zijn opgeteld.
6 Noch de artikelen 12, lid 2, en 46 van verordening nr. 1408/71, noch de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag verzetten zich tegen toepassing van een nationale anti-cumulatiebepaling die de totale loopbaan van werknemers beperkt tot 45 dienstjaren en die, los van hun nationaliteit en van de Lid-Staat die bevoegd is ter zake van de pensioenregeling waaronder de verzekeringstijdvakken zijn vervuld die de totale loopbaan overschrijden, tot gevolg heeft, dat het verzekeringstijdvak dat door een migrerende werknemer in de Lid-Staat van het orgaan dat de uitkering vaststelt werkelijk is vervuld, wordt gekort wegens in een tweede Lid-Staat vervulde verzekeringsjaren, voor zover de korting van de rechten van de migrerende werknemer die zijn ontstaan in de Lid-Staat van het orgaan dat de uitkering vaststelt, wordt gecompenseerd door rechten op een rustpensioen waarop hij ingevolge de verordening in de tweede Lid-Staat aanspraak heeft.
Partijen
In de gevoegde zaken C-113/92, C-114/92 en C-156/92,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Charleroi (België), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
E. Fabrizii (C-113/92)
P. Neri (C-114/92)
en
Rijksdienst voor Werknemerspensioenen (RWP),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 46, lid 2, sub a en b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
en
een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Brussel, in het aldaar aanhangig geding tussen
A. Del Grosso (C-156/92)
en
Rijksdienst voor Werknemerspensioenen (RWP),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 7, 48 en 51 EEG-Verdrag en van de artikelen 12 en 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Tweede kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, F. A. Schockweiler en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- E. Fabrizii, P. Neri en A. Del Grosso, vertegenwoordigd door D. Rossini, vakbondsafgevaardigde van de Federatie van Christelijke Vakbonden,
- de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen, vertegenwoordigd door R. Masyn, administrateur-generaal van deze Rijksdienst,
- de Belgische regering, uitsluitend in zaak C-156/92, vertegenwoordigd door J. Devadder, bestuursdirecteur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, en T. Margellos, een bij de juridische dienst gedetacheerde nationale ambtenaar,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen, vertegenwoordigd door J.-P. Lheureux, bestuurssecretaris van die Rijksdienst, als gemachtigde, en van de Commissie ter terechtzitting van 1 april 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 mei 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij twee vonnissen van 2 april 1992, ingekomen bij het Hof op 10 en 13 april daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Charleroi krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 46, lid 2, sub a en b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6; hierna: "verordening").
2 Bij vonnis van 30 april 1992, ingekomen bij het Hof op 7 mei daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 7, 48 en 51 EEG-Verdrag alsmede van de artikelen 12 en 46 van de verordening.
3 Deze vragen zijn gerezen in geschillen tussen drie Italiaanse migrerende werknemers en de Belgische Rijksdienst voor Werknemerspensioenen (hierna "RWP") over de berekening van hun rustpensioen.
4 Fabrizii, verzoeker in het hoofdgeding in zaak C-113/92, was gedurende 26 jaar ondergronds mijnwerker in België; ter zake van dit tijdvak van arbeid heeft hij in deze Lid-Staat recht op vier extra fictieve verzekeringsjaren. Aanvankelijk kende de RWP derhalve Fabrizii het volgens de Belgische wetgeving voor mijnwerkers voorziene rustpensioen toe, berekend op basis van een volledige loopbaan van 30 jaar.
5 Naderhand kreeg Fabrizii een Italiaans rustpensioen op grond van de militaire dienstplicht die hij in Italië had vervuld van 1940 tot 1945, welk tijdvak overeenkomt met vier jaar van de Belgische wettelijke regeling voor mijnwerkers.
6 De RWP heeft vervolgens de rechten van de betrokkene opnieuw onderzocht en de duur van zijn Belgische loopbaan verminderd tot 26 jaar met toepassing van artikel 10, § 2, 1_, vierde alinea van het Belgisch koninklijk besluit nr. 50 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers van 24 oktober 1967 (Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1967, blz. 1125, hierna: "koninklijk besluit"), zoals gewijzigd.
7 Ingevolge deze bepaling wordt het aantal extra fictieve verzekeringsjaren namelijk verminderd met het aantal jaren waarvoor de werknemer aanspraak kan maken op een rustpensioen krachtens een andere Belgische regeling, met uitzondering van de regeling voor zelfstandigen, of een regeling van een vreemd land.
8 Neri, verzoeker in het hoofdgeding in zaak C-114/92, was gedurende 34 jaar arbeider in België. Aanvankelijk werd hem door de RWP een Belgisch rustpensioen op basis van een loopbaan van 39 jaar toegekend, met inbegrip van vijf extra fictieve jaren.
9 In het definitieve vaststellingsbesluit kende de RWP hem nog slechts een pensioen toe dat overeenkwam met 38 verzekeringsjaren. Een fictief jaar werd geschrapt, omdat hij intussen een Italiaans rustpensioen had gekregen wegens de in Italië vervulde militaire dienst, die overeenkwam met zeven Belgische verzekeringsjaren. De som van de jaren die aanvankelijk in België (39) en vervolgens in Italië (7) in aanmerking waren genomen, overschreed namelijk met een jaar de totale loopbaan, die naar Belgisch recht overeenkomstig artikel 11 ter van het koninklijk besluit is beperkt tot 45 dienstjaren.
10 Del Grosso, verzoeker in het hoofdgeding in zaak C-156/92, heeft in België een werkelijke loopbaan van 41 jaar als werknemer vervuld. De RWP kende hem in eerste instantie enkel krachtens de Belgische wettelijke regeling een jaarlijks rustpensioen toe, dat was berekend op basis van 44 verzekeringsjaren, waarbij drie fictieve verzekeringsjaren waren toegevoegd aan de werkelijke verzekeringsjaren.
11 Nadat aan de betrokkene een Italiaans rustpensioen wegens zeven in Italië vervulde verzekeringsjaren was toegekend, schrapte de RWP de fictieve verzekeringsjaren, verminderde de overige 48 jaren met drie werkelijke jaren krachtens artikel 10 bis van het koninklijk besluit, waardoor een totale loopbaan van 45/45 resulteerde, en berekende vervolgens het Belgische pensioen op basis van een loopbaan van 38 jaar (45 - 7), teneinde rekening te houden met het Italiaanse pensioen.
12 Artikel 10 bis van voornoemd koninklijk besluit bepaalt, dat wanneer een werknemer aanspraak kan maken op een rustpensioen krachtens het besluit en op een rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel krachtens een of meer andere regelingen, en de som van de breuken die voor elk van die pensioenen de belangrijkheid ervan uitdrukken, de eenheid overschrijdt, de beroepsloopbaan die in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen als werknemer, met zoveel jaren wordt verminderd als nodig is om deze som te herleiden tot de eenheid. Voor de toepassing van het onderhavige artikel moet onder "andere regeling" worden verstaan iedere andere Belgische regeling inzake rust- en overlevingspensioenen, uitgezonderd die voor zelfstandigen en iedere andere vergelijkbare regeling van een vreemd land of een regeling voor het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
13 Op grond van de in Italië vervulde tijdvakken van verzekering alleen zouden de drie betrokkenen geen recht hebben gehad op een rustpensioen in deze Lid-Staat. Het Italiaanse orgaan kon hun evenwel een rustpensioen toekennen door op grond van artikel 46 van de verordening de totale duur van de tijdvakken van verzekering die in Italië en in België waren vervuld, in aanmerking te nemen.
14 Voor de verwijzende rechter hebben Fabrizii en Neri toekenning van een ongekort Belgisch pensioen gevorderd. Del Grosso maakt aanspraak op een Belgisch rustpensioen dat overeenkomt met de 41 werkelijke verzekeringsjaren die hij in België heeft vervuld.
15 Van oordeel dat deze geschillen vragen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht opwierpen, hebben de twee nationale rechterlijke instanties het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
In de zaken C-113/92 en C-114/92
"1) Dient het voor de vaststelling van het theoretische bedrag van het pensioen bevoegde orgaan, gelet op de bewoordingen van artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71, niet zijn eigen wettelijke regeling toe te passen, zoals inzonderheid de bepalingen inzake de voorwaarden voor de erkenning of gelijkstelling van de tijdvakken waarop voor de berekening van het pensioen een beroep wordt gedaan, om vast te stellen, of de krachtens de wettelijke regeling van de andere Lid-Staten vervulde en als zodanig erkende tijdvakken van verzekering of van wonen in aanmerking kunnen komen voor de berekening van de betrokken uitkering?
2) Zo ja, wordt dan niet het beginsel van samentelling geschonden wanneer het bevoegde orgaan vaststelt, dat bepaalde in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen niet in aanmerking kunnen komen voor de berekening van het theoretische bedrag van het pensioen?
3) Dient het bevoegde orgaan, gelet op de bewoordingen van artikel 46, lid 2, sub b, van verordening nr. 1408/71, en meer in het bijzonder bij de vaststelling van de totale duur van de vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen, niet alle vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen in aanmerking te nemen die als zodanig worden erkend door de wettelijke regelingen van alle Lid-Staten?
4) Mag het bevoegde orgaan bij de vaststelling van de pro rata duur van de volgens zijn nationale wettelijke regeling vervulde tijdvakken zijn eigen externe anti-cumulatieregels toepassen?"
In zaak C-156/92
"Staat het gemeenschapsrecht, gelet op de artikelen 7, 48 en 51 EEG-Verdrag, de artikelen 12 en 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71, de doelstellingen en beginselen die aan deze bepalingen ten grondslag liggen, en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, de Belgische staat toe, een voor een werkelijke loopbaan in deze staat verschuldigd pensioen te verlagen, op grond dat het totale aantal jaren in België en in een andere Lid-Staat hoger is dan de totale loopbaan (45 jaar voor mannen en 40 jaar voor vrouwen), ingesteld bij artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 205 van 29 augustus 1983 (dat in het koninklijk besluit nr. 50 een 10 bis heeft ingevoegd), wanneer enerzijds de loopbaan in België minder dan 45 jaar bedraagt en anderzijds geen fictieve jaren in rekening zijn gebracht?"
16 Bij beschikking van 30 april 1992 heeft de president van het Hof de zaken C-113/92 en C-114/92 voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd.
17 Bij beschikking van 28 januari 1993 is zaak C-156/92 met deze eerste twee zaken gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
18 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de hoofdgedingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
Toepasselijke wetgeving voor het bepalen van de tijdvakken van verzekering die in aanmerking dienen te worden genomen voor de vaststelling van de uitkeringen krachtens artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening
19 Met haar eerste vraag wil de Arbeidsrechtbank te Charleroi, waarbij de zaken C-113/92 en C-114/92 aanhangig zijn, allereerst vernemen, volgens welke wetgeving de militaire dienst die migrerende werknemers hebben vervuld onder vigeur van de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat dan die van het orgaan dat het pensioen vaststelt, moet worden gekwalificeerd als verzekeringstijdvak voor de berekening van het uitkeringsbedrag overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening.
20 Ingevolge artikel 13, lid 2, sub e, van de verordening is degene die voor het eerst of opnieuw onder de wapenen wordt geroepen in een Lid-Staat, onderworpen aan de wettelijke regeling van die staat.
21 Voorts bepaalt artikel 1, sub r, van de verordening, dat voor de toepassing van deze verordening onder tijdvakken van verzekering worden verstaan de tijdvakken van premiebetaling of van arbeid, welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld.
22 Hieruit volgt, dat de tijdvakken van verzekering die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van het theoretische bedrag van de uitkering als bedoeld in artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening, moeten worden vastgesteld volgens de wettelijke regeling waaronder zij zijn vervuld, zonder dat deze tijdvakken door de wettelijke regeling van de staat van het bevoegde orgaan behoeven te zijn erkend als tijdvakken van verzekering.
23 Deze uitlegging wordt bevestigd door de tekst van artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening. Volgens deze bepaling moet het bevoegde orgaan het werkelijke uitkeringsbedrag vaststellen op basis van het in sub a bedoelde theoretische bedrag en naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld (arrest van 18 februari 1992, C-5/91, Di Prinzio, Jurispr. 1992, blz. I-897, r.o. 49).
24 Zoals de Arbeidsrechtbank te Charleroi trouwens zelf heeft opgemerkt in haar tweede vraag, zou de toepassing van de samentellings- en proratisatieregels van artikel 46, lid 2, sub a en b, worden verhinderd, wanneer bij de berekening van het theoretische pensioenbedrag enkel de door de wettelijke regeling van de Lid-Staat van het bevoegd orgaan als zodanig erkende tijdvakken van verzekering in aanmerking werden genomen.
25 Hieruit volgt, dat het bevoegde orgaan bij de berekening van het theoretische bedrag van de uitkering overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening de door de werknemer vervulde tijdvakken van militaire dienst die door de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat als verzekeringstijdvakken worden erkend, ook dan als tijdvakken van verzekering in de zin van deze bepaling dient te beschouwen, wanneer deze tijdvakken in de Lid-Staat van het bevoegde orgaan niet als zodanig in aanmerking behoeven te worden genomen.
26 Er zij echter aan herinnerd, dat in een geval als dat van Fabrizii de migrerende werknemer reeds ingevolge artikel 46, lid 1, van de verordening aanspraak heeft op een autonome uitkering ten belope van het volledige pensioen volgens de wettelijke regeling van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan, en wel uitsluitend op grond van die wettelijke regeling, zonder meetelling van tijdvakken die onder de wettelijke regeling van andere Lid-Staten zijn vervuld waaraan de betrokkene onderworpen is geweest. Meetelling van die tijdvakken is klaarblijkelijk niet noodzakelijk om de onder de wettelijke regeling van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan vervulde tijdvakken aan te vullen voor het verkrijgen van recht op uitkering. Het theoretische uitkeringsbedrag als bedoeld in artikel 46, lid 2, sub a, is immers volgens het bepaalde sub c in ieder geval gelijk aan het bedrag van de autonome uitkering als bedoeld in artikel 46, lid 1, eerste alinea, zodat het resultaat van de toepassing van artikel 46, lid 2, van de verordening nooit gunstiger kan zijn (zie arrest Di Prinzio, reeds aangehaald).
27 Hieruit volgt, dat het bevoegde orgaan waarvan de wettelijke regeling recht geeft op het volledige pensioen, het theoretische pensioenbedrag in een dergelijk geval dient te bepalen zonder inaanmerkingneming van de door de werknemer in een andere Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken.
28 Aan de Arbeidsrechtbank te Charleroi dient derhalve te worden geantwoord, dat voor de berekening van het bedrag van de uitkering volgens artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening, het bevoegde orgaan alle tijdvakken moet samentellen die zijn vervuld onder de wettelijke regelingen van de Lid-Staten waaraan de werknemer onderworpen is geweest, zelfs indien deze tijdvakken volgens het recht van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan niet in aanmerking zouden behoeven te worden genomen. Heeft de werknemer echter reeds krachtens artikel 46, lid 1, van de verordening aanspraak op een autonome uitkering ten belope van het volledige pensioen volgens de wettelijke regeling van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan, zonder meetelling van de tijdvakken die onder de wettelijke regeling van ander Lid-Staten zijn vervuld waaraan de betrokkene onderworpen is geweest, dan behoeven die tijdvakken niet in aanmerking te worden genomen om de onder de wettelijke regeling van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan vervulde tijdvakken aan te vullen voor het verkrijgen van recht op uitkering.
29 Gelet op het antwoord op de eerste vraag van de Arbeidsrechtbank te Charleroi behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
De berekening van het werkelijke bedrag van de uitkering als bedoeld in artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening
30 Met de laatste twee vragen vraagt de Arbeidsrechtbank te Charleroi, of het bevoegde orgaan ter bepaling van het werkelijke bedrag van de uitkering als bedoeld in artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening, enerzijds met alle tijdvakken rekening dient te houden die door de nationale wettelijke regelingen waaraan de migrerende werknemer onderworpen is geweest als verzekeringstijdvakken worden erkend, en anderzijds zijn eigen externe anti-cumulatieregels mag toepassen met het oog op de vaststelling van dit werkelijke bedrag krachtens artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening.
31 Volgens de rechtspraak van het Hof worden de verzekeringstijdvakken aldus in aanmerking genomen, dat het bevoegde orgaan het werkelijke bedrag van de uitkering overeenkomstig artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening berekent op basis van het theoretische bedrag en naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld.
32 Wat de toepassing van de externe anti-cumulatieregels van het bevoegde orgaan betreft, vormt volgens vaste rechtspraak (zie de arresten van 4 juni 1985 in zaak 58/84, Romano, Jurispr. 1985, blz. 1679, r.o. 15, en in zaak 117/84, Ruzzu, ibid., blz. 1697, r.o. 16) een nationale regel die het aantal bijkomende fictieve jaren van tewerkstelling die aan een werknemer zouden kunnen worden toegekend, vermindert met het aantal jaren waarvoor de betrokkene aanspraak kan maken op een pensioen in een andere Lid-Staat dan die van het bevoegde orgaan, een verminderingsclausule als bedoeld in artikel 12, lid 2, van de verordening.
33 Voorts moet de verordening bij de communautaire berekening van de uitkeringen in haar geheel worden toegepast, zodat het bevoegde orgaan tevens de bepalingen van artikel 12, lid 2, van de verordening in aanmerking moet nemen (zie arrest Di Prinzio, reeds aangehaald, r.o. 46).
34 Krachtens deze bepaling zijn de bepalingen inzake vermindering waarin de wetgeving van een Lid-Staat voorziet in geval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen van sociale zekerheid die op grond van de wetgeving van een andere Lid-Staat dan die van het bevoegde orgaan zijn verkregen, niet van toepassing indien de betrokkene gelijksoortige uitkeringen geniet, met name ouderdomsuitkeringen, die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 46 van deze verordening (zie arrest van 11 juni 1992, gevoegde zaken C-90/91 en C-91/91, Di Crescenzo en Casagrande, Jurispr. 1992, blz. I-3851, r.o. 18).
35 Bijgevolg moeten in gevallen als die in de gevoegde zaken C-113/92 en C-114/92, waarin de door de toepasselijke nationale wettelijke regeling erkende fictieve tijdvakken vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis als bedoeld in artikel 46, lid 2, sub b, van verordening nr. 1408/71 liggen, deze tijdvakken worden betrokken bij de berekening van het werkelijke uitkeringsbedrag en mag het bevoegde orgaan het door de werknemer in een andere Lid-Staat vervulde tijdvak van tewerkstelling niet aftrekken van de fictieve jaren die krachtens de wetgeving van zijn Lid-Staat bij de jaren van werkelijke tewerkstelling worden opgeteld.
36 Bijgevolg moet bij de berekening van het geproratiseerde werkelijke pensioenbedrag rekening worden gehouden met alle fictieve tijdvakken vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis, die overeenkomstig de wettelijke regeling van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan bij de tijdvakken van daadwerkelijke arbeid of daarmee gelijkgestelde jaren worden opgeteld (zie arrest Di Prinzio, reeds aangehaald, r.o. 54 tot en met 56).
37 Ten slotte moet worden benadrukt, dat aangezien de bepalingen van artikel 46 van de verordening integraal dienen te worden toegepast, het werkelijke geproratiseerde bedrag van de uitkering altijd dient te worden berekend, zelfs in een situatie als die van Fabrizii, waarin de betrokkene aanspraak kan maken op een volledig pensioen in een Lid-Staat, zonder dat in andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering behoeven te worden meegeteld (zie arrest Di Prinzio, reeds aangehaald, r.o. 50 en 51).
38 Aan de Arbeidsrechtbank te Charleroi dient derhalve te worden geantwoord, dat het bevoegde orgaan bij de berekening van het werkelijke uitkeringsbedrag in de zin van artikel 46, lid 2, sub b, van de verordening rekening dient te houden met alle vervulde tijdvakken van verzekering die als zodanig worden erkend door de wettelijke regelingen van alle Lid-Staten, en niet zijn eigen externe anti-cumulatieregels mag toepassen bij de vaststelling van dit werkelijke bedrag.
De vraag betreffende de totale loopbaan
39 Blijkens de motivering van het verwijzingsvonnis wenst de Arbeidsrechtbank te Brussel in wezen te vernemen, of de artikelen 12, lid 2, en 46 van de verordening en de artikelen 7, 48 en 51 EEG-Verdrag zich verzetten tegen de toepassing van een nationale bepaling als artikel 10 bis van het koninklijk besluit, dat de totale loopbaan van werknemers beperkt tot 45 dienstjaren, voor zover de toepassing van een dergelijke bepaling tot gevolg heeft, dat het door een migrerende werknemer in de betrokken Lid-Staat vervulde werkelijke verzekeringstijdvak wordt gekort wegens het aantal onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervulde jaren, wanneer de som van de door de werknemer in beide staten vervulde verzekeringsjaren meer bedraagt dan de betrokken totale loopbaan.
40 Voor de beantwoording van deze vraag dient eerst te worden vastgesteld, dat een nationale bepaling als die welke voor de Arbeidsrechtbank te Brussel aan de orde is, een bepaling inzake vermindering is als bedoeld in artikel 12, lid 2, van de verordening.
41 Vervolgens dient te worden nagegaan, welke de voorwaarden zijn waaronder artikel 12 juncto artikel 46 van de verordening de toepassing van een nationale anti-cumulatiebepaling als de voor de Arbeidsrechtbank te Brussel in geding zijnde toestaan.
42 Er zij in dit verband aan herinnerd, dat voor de vaststelling van de ouderdomsuitkeringen van een werknemer die aan de wettelijke regeling van meerdere Lid-Staten onderworpen is geweest, het bevoegde orgaan de uitkeringen die verschuldigd zouden zijn krachtens het nationale recht alleen, met inbegrip van de anti-cumulatieregels daarvan, dient te vergelijken met de uitkeringen die krachtens het gemeenschapsrecht verschuldigd zouden zijn volgens de bepalingen van artikel 46 van de verordening, met inbegrip van de anti-cumulatieregel van het derde lid van die bepaling, en de migrerende werknemer de uitkering met het hoogste bedrag toe te kennen (zie met name het arrest van 11 juni 1992, Di Crescenzo en Casagrande, reeds aangehaald, r.o. 17).
43 Indien de belanghebbende gelijksoortige ouderdomsuitkeringen ontvangt die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 46 van de verordening, dienen de nationale anti-cumulatieregels krachtens artikel 12, lid 2, tweede volzin, van de verordening buiten toepassing te blijven. Wanneer daarentegen het rustpensioen uitsluitend krachtens de nationale wettelijke regeling wordt berekend, zijn op grond van artikel 12, lid 2, eerste volzin, van de verordening de nationale anti-cumulatieregels op de begunstigde toepasselijk.
44 De RWP stelt in zijn bij het Hof ingediende opmerkingen voor om Del Grosso krachtens de nationale regeling een Belgisch pensioen toe te kennen, dat voordeliger is dan het pensioen waarop hij krachtens artikel 46 van de verordening aanspraak kan maken.
45 Bijgevolg verzetten de artikelen 12, lid 2, en 46 van de verordening zich niet tegen de toepassing van een nationale bepaling inzake vermindering als die in de nationale procedure in geding is, wanneer, zoals in het hoofdgeding, het ouderdomspensioen bij samenloop met door de bevoegde organen van twee of meerdere Lid-Staten betaalde uitkeringen uitsluitend volgens de nationale wettelijke regeling wordt berekend.
46 Met betrekking tot de vraag, of de artikelen 7, 48 en 51 EEG-Verdrag zich verzetten tegen de toepassing van een bepaling inzake vermindering als die in de nationale procedure in geding is, zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak (zie arrest van 30 mei 1989, zaak 305/87, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1989, blz. 1461, r.o. 13) artikel 7 EEG-Verdrag slechts autonoom toepassing kan vinden in gevallen waarin het gemeenschapsrecht wel geldt, maar waarvoor het Verdrag niet in specifieke regels voorziet.
47 Op het gebied van het vrij verkeer van werknemers is deze bepaling ten uitvoer gelegd en geconcretiseerd in de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag.
48 In dit verband moet erop worden gewezen, dat een bepaling inzake vermindering als de onderhavige werkt los van zowel de nationaliteit van de werknemers als van de Lid-Staat die verantwoordelijk is voor de pensioenregeling waaronder de verzekeringstijdvakken die de totale loopbaan overschrijden, zijn vervuld.
49 Onder deze omstandigheden verzet het verbod van discriminatie op grond van de nationaliteit van de werknemers zich niet tegen een bepaling inzake vermindering als in het hoofdgeding aan de orde is.
50 De vraag van de Arbeidsrechtbank te Brussel houdt tevens in, of artikel 51 EEG-Verdrag zich niet verzet tegen de toepassing van een verminderingsregel als in het hoofdgeding aan de orde is, voor zover deze regel kan leiden tot een aantasting van bestaande of ontstaande rechten van migrerende werknemers op uitkeringen bij ouderdom en dientengevolge het vrije verkeer van deze werknemers zou belemmeren.
51 De toepassing van de anti-cumulatieregels van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan in een geval als dat van het hoofdgeding leidt ertoe, dat de pensioenrechten waarop de betrokkene aanspraak kan maken krachtens het nationale recht van dit orgaan, worden gekort in verhouding tot de pensioenrechten die in een andere Lid-Staat uitsluitend op grond van de toepassing van de verordening bestaan, zonder dat echter de som van de twee pensioenen die in de beide Lid-Staten worden uitgekeerd, lager is dan het pensioen dat uitsluitend krachtens het nationale recht van het bevoegde orgaan zou zijn verschuldigd indien de betrokkene zijn totale loopbaan in de Lid-Staat van dat orgaan had vervuld.
52 Onder deze omstandigheden verzet artikel 51 zich niet tegen de toepassing van een nationale bepaling inzake vermindering, wanneer de vermindering van het door het bevoegde orgaan uitgekeerde pensioen wordt gecompenseerd door de voordelen die het gemeenschapsrecht de betrokkene verschaft doordat hij zich gelijktijdig op de sociale-zekerheidsregelingen van meerdere Lid-Staten kan beroepen.
53 Uit al het voorgaande volgt, dat op de door de Arbeidsrechtbank te Brussel gestelde vraag dient te worden geantwoord, dat noch de artikelen 12, lid 2, en 46 van de verordening, noch de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag zich verzetten tegen de toepassing van een nationale anti-cumulatiebepaling die de totale loopbaan van werknemers beperkt tot 45 dienstjaren en die tot gevolg heeft, dat het verzekeringstijdvak dat door een migrerende werknemer in de Lid-Staat van het orgaan dat de uitkering vaststelt werkelijk is vervuld, wordt gekort wegens in een tweede Lid-Staat vervulde verzekeringsjaren, voor zover de korting van de rechten van de migrerende werknemer die zijn ontstaan in de Lid-Staat van het orgaan dat de uitkering vaststelt, wordt gecompenseerd door rechten op een rustpensioen waarop hij ingevolge de verordening in de tweede Lid-Staat aanspraak heeft.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
54 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Belgische regering wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instanties over de kosten hebben te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Charleroi en de Arbeidsrechtbank te Brussel bij vonnissen van 2 en 30 april 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Voor de berekening van het bedrag van de uitkering volgens artikel 46, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van 2 juni 1983, moet het bevoegde orgaan van een Lid-Staat alle tijdvakken samentellen die zijn vervuld onder de wettelijke regelingen van de Lid-Staten waaraan de werknemer onderworpen is geweest, zelfs indien deze tijdvakken volgens het recht van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan niet in aanmerking zouden behoeven te worden genomen. Heeft de werknemer echter reeds krachtens artikel 46, lid 1, van de verordening aanspraak op een autonome uitkering ten belope van het volledige pensioen volgens de wettelijke regeling van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan, zonder meetelling van de tijdvakken die onder de wettelijke regeling van andere Lid-Staten zijn vervuld waaraan de betrokkene onderworpen is geweest, dan behoeven die tijdvakken niet in aanmerking te worden genomen om de onder de wettelijke regeling van de Lid-Staat van het bevoegde orgaan vervulde tijdvakken aan te vullen voor het verkrijgen van recht op uitkering.
2) Bij de berekening van het werkelijke uitkeringsbedrag in de zin van artikel 46, lid 2, sub b, van verordening nr. 1408/71 dient het bevoegde orgaan rekening te houden met alle vervulde tijdvakken van verzekering die door de wettelijke regelingen van alle Lid-Staten als zodanig worden erkend, en mag het bij de vaststelling van dit werkelijke bedrag niet zijn eigen externe anti-cumulatieregels toepassen.
3) Noch de artikelen 12, lid 2, en 46 van verordening nr. 1408/71, noch de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag verzetten zich tegen toepassing van een nationale anti-cumulatiebepaling die de totale loopbaan van werknemers beperkt tot 45 dienstjaren en die tot gevolg heeft, dat het verzekeringstijdvak dat door een migrerende werknemer in de Lid-Staat van het orgaan dat de uitkering vaststelt werkelijk is vervuld, wordt gekort wegens in een tweede Lid-Staat vervulde verzekeringsjaren, voor zover de korting van de rechten van de migrerende werknemer die zijn ontstaan in de Lid-Staat van het orgaan dat de uitkering vaststelt, wordt gecompenseerd door rechten op een rustpensioen waarop hij ingevolge de verordening in de tweede Lid-Staat aanspraak heeft.
Full & Egal Universal Law Academy