Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Fiscale bepalingen ° Binnenlandse belastingen ° Heffing als Italiaanse verbruiksbelasting op audiovisuele en foto-optische produkten ° Kwalificatie als binnenlandse belasting en niet als heffing van gelijke werking als douanerecht ° Inning over rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten ° Niet-toepasselijkheid van artikel 95 van Verdrag
(EEG-Verdrag, art. 9, 12 en 95)
2. Gemeenschappelijke handelspolitiek ° Inning door Lid-Staat van binnenlandse belasting over rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten ° Toelaatbaarheid wat verdragsbepalingen betreft, onverminderd toepassing van internationale overeenkomsten tussen Gemeenschap en derde landen
(EEG-Verdrag, art. 113)
Samenvatting
1. Een heffing als de nationale verbruiksbelasting op audiovisuele en foto-optische produkten, die in het Italiaanse recht is ingevoerd bij artikel 13 van wetsdecreet nr. 953 van 30 december 1982, later artikel 4 van wet nr. 53 van 28 februari 1983 moet, aangezien
° zij behoort tot een stelsel van verbruiksbelastingen die worden geregeld door gemeenschappelijke fiscale bepalingen en bepaalde groepen produkten treffen volgens een objectief, onafhankelijk van de oorsprong van het betrokken produkt toegepast criterium, namelijk het behoren tot een bepaalde categorie van goederen;
° de omstandigheid dat deze produkten in eigen land dan wel in het buitenland zijn geproduceerd, niet van invloed lijkt te zijn voor het tarief, de grondslag en de wijze van inning;
° de opbrengst van die belastingen geen specifieke bestemming heeft, nu zij een belastingontvangst als alle andere is en evenals deze op algemene wijze bijdraagt aan de financiering van de overheidsuitgaven in alle sectoren,
worden geacht deel uit te maken van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen in de zin van artikel 95 van het Verdrag; de verenigbaarheid van deze verbruiksbelasting met het gemeenschapsrecht moet in het kader van dat artikel en niet in het kader van de artikelen 9 en 12 van het Verdrag worden getoetst. Een dergelijke belasting is dus geen heffing van gelijke werking als een invoerrecht in de zin van artikel 12 van het Verdrag.
Artikel 95 van het Verdrag is alleen van toepassing op uit andere Lid-Staten afkomstige produkten en, in voorkomend geval, op produkten welke van oorsprong zijn uit derde landen en zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden. De betrokken belasting valt dus niet onder deze bepaling, daar zij over rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten wordt geheven.
2. Een heffing als de nationale verbruiksbelasting op audiovisuele en foto-optische produkten, die in het Italiaanse recht is ingevoerd bij artikel 13 van wetsdecreet nr. 953 van 30 december 1982, later artikel 4 van wet nr. 53 van 28 februari 1983, is, voor zover zij van toepassing is op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde goederen, niet onverenigbaar met de verdragsbepalingen inzake de toepassing van de gemeenschappelijke handelspolitiek, in het bijzonder artikel 113, zulks evenwel onverminderd eventueel bestaande regelingen tussen de Gemeenschap en het land van oorsprong van de betrokken goederen.
Partijen
In zaak C-130/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Corte suprema di cassazione, in het aldaar aanhangig geding tussen
OTO SpA
en
Ministero delle Finanze,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 12 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: J.-G. Giraud
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° OTO SpA, vertegenwoordigd door C. Monaco, advocaat bij de Corte di cassazione,
° de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Aresu, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 mei 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 19 februari 1992, ingekomen bij het Hof op 22 april daaraanvolgend, heeft de Corte suprema di cassazione krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 12 van het Verdrag, teneinde de verenigbaarheid met die bepaling te kunnen beoordelen van een nationale verbruiksbelasting ("imposta erariale di consumo") op audiovisuele en foto-optische produkten, voor zover die belasting wordt geheven over de invoer van deze produkten die rechtstreeks uit derde landen afkomstig zijn.
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen OTO SpA (hierna: "OTO") en de Ministero delle Finanze betreffende de grondslag van de nationale verbruiksbelasting die verschuldigd is bij de invoer van uit Japan afkomstige goederen.
3 Bij artikel 13 van wetsdecreet nr. 953 van 30 december 1982 (GURI nr. 359 van 31.12.1982), dat nadien is vervangen door artikel 4 van wet nr. 53 van 28 februari 1983 (GURI, gewoon supplement bij nr. 58 van 1.3.1983, in een geconsolideerde versie gepubliceerd in GURI nr. 65 van 8.3.1983, blz. 1798, hierna: "wet nr. 53"), is in Italië per 1 januari 1983 een verbruiksbelasting op audiovisuele en foto-optische produkten ingevoerd. Deze belasting wordt zowel over in Italië vervaardigde produkten als over ingevoerde produkten geheven. Bij nationale produkten is de belastinggrondslag de waarde af-fabriek ("valore franco fabbrica"), terwijl deze voor ingevoerde produkten de douanewaarde franco nationale grens ("valore in dogana franco frontiera nazionale") is.
4 Op 23 maart 1983 stelde de ministero delle finanze, verweerder in het hoofdgeding (hierna: "verweerder"), een decreet tot uitvoering van wet nr. 53 vast (GURI nr. 83 van 25.3.1983, blz. 2326, hierna: het "uitvoeringsdecreet"). Artikel 2, zevende alinea, daarvan bepaalt, dat bij in Italië ingevoerde goederen de douanewaarde franco nationale grens wordt bepaald op basis van de douanewaarde in de zin van verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (PB 1980, L 134, blz. 1), vermeerderd met de eventuele kosten en lasten voor de afhandeling aan de Italiaanse grens, met inbegrip van de heffingen voor het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap, en in voorkomend geval verminderd met die bestanddelen van de betaalde of te betalen prijs, welke betrekking hebben op het vervoer en de verhandeling op het nationale douanegebied.
5 Anders dan wet nr. 53 bepaalt het uitvoeringsdecreet, dat bij de berekening van de douanewaarde franco nationale grens mede rekening wordt gehouden met de heffingen voor het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen van de goederen, waardoor de belastbare waarde van produkten die rechtstreeks uit derde landen worden ingevoerd, hoger is dan die van produkten die in het vrije verkeer zijn gebracht.
6 Op 18 oktober 1984 betekende de hoofdontvanger van de douane te Rome OTO een dwangbevel tot betaling van de nationale verbruiksbelasting betreffende tussen 2 februari en 4 september 1983 uit Japan ingevoerde goederen.
7 OTO daagde verweerder voor het Tribunale di Roma en betoogde, dat de nationale verbruiksbelasting op basis van het uitvoeringsdecreet was berekend, dat haars inziens onwettig is omdat het afwijkt van wet nr. 53. Het Tribunale di Roma wees OTO' s vordering tot terugbetaling van de bedragen die ten gevolge van deze onjuist geachte berekening onverschuldigd waren betaald, toe.
8 Tegen dit vonnis stelde verweerder hoger beroep in, met het betoog dat artikel 4 van wet nr. 53 in strijd is met het gemeenschapsrecht, daar het tot gevolg heeft dat goederen die in andere Lid-Staten in het vrije verkeer zijn gebracht en vervolgens naar Italië worden uitgevoerd, ongunstiger worden behandeld dan goederen die rechtstreeks uit derde landen in Italië worden ingevoerd. De Corte d' appello di Roma was het daarmee eens en kwam tot de conclusie dat artikel 4 van wet nr. 53 buiten toepassing moest blijven. Aangezien dus niets meer in de weg stond aan de toepassing van de bepalingen van het uitvoeringsdecreet, verwierp de Corte d' appello het beroep bij arrest van 12 juni 1989.
9 Tegen dit arrest stelde OTO beroep in cassatie in.
10 De Corte suprema di cassazione heeft de behandeling van de zaak geschorst tot dat het Hof bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak heeft gedaan over de navolgende vraag:
"Moeten op grond van artikel 12 EEG-Verdrag ° betreffende het verbod op het invoeren tussen de Lid-Staten onderling van heffingen van gelijke werking als douanerechten ° onder heffingen van gelijke werking als douanerechten enkel worden verstaan heffingen die door een Lid-Staat worden toegepast op produkten uit andere Lid-Staten, of zijn daaronder ook te verstaan heffingen die weliswaar niet rechtstreeks op de invoer drukken, maar toch een produkt uit een derde land economisch aantrekkelijker maken dan een soortgelijk produkt uit een Lid-Staat, een en ander speciaal in het geval dat een dergelijke voor een Lid-Staat ongunstige behandeling voortvloeit uit het feit dat bij de toepassing van die nieuwe heffing de belastbare waarde van het produkt dat door een Lid-Staat op de gemeenschappelijke markt is gebracht, wanneer het gaat om een uit een derde land ingevoerd produkt, wordt vermeerderd (in tegenstelling tot de belastbare waarde van uit derde landen afkomstige produkten) met de kosten voor het in het vrije verkeer brengen van dat produkt?"
11 Alvorens die vraag te beantwoorden, zij eraan herinnerd, dat het Hof reeds voor recht heeft verklaard, dat een heffing als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale verbruiksbelasting moet worden geacht deel uit te maken van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen in de zin van artikel 95 van het Verdrag en dat de verenigbaarheid ervan met het gemeenschapsrecht aan dat artikel en niet aan de artikelen 9 en 12 van het Verdrag dient te worden getoetst (zie laatstelijk het arrest van 9 juni 1992, gevoegde zaken C-228/90 tot en met C-234/90, C-339/90 en C-353/90, Simba e.a., Jurispr. 1992, blz. I-3713, r.o. 7).
12 Het Hof heeft namelijk erkend dat belastingen, zoals de in Italië geldende verbruiksbelastingen, worden geregeld door gemeenschappelijke fiscale bepalingen en bepaalde groepen produkten treffen volgens een objectief, onafhankelijk van de oorsprong van het betrokken produkt toegepast criterium, namelijk het behoren tot een bepaalde categorie van goederen. Voorts heeft het Hof beklemtoond, dat de omstandigheid dat deze produkten in eigen land dan wel in het buitenland zijn geproduceerd, niet van invloed lijkt te zijn voor het tarief, de grondslag en de wijze van inning. Ten slotte heeft het Hof gepreciseerd, dat de opbrengst van die belastingen geen specifieke bestemming heeft, dat zij een belastingontvangst als alle andere is en evenals deze op algemene wijze bijdraagt aan de financiering van de overheidsuitgaven in alle sectoren (arrest Simba, reeds aangehaald, r.o. 8).
13 Op de voorgelegde vraag moet dus worden geantwoord, dat een belasting als de bij artikel 13 van wetsdecreet nr. 953 van 30 december 1982 ° later artikel 4 van wet nr. 53 van 28 februari 1983 ° in het Italiaanse recht ingevoerde nationale verbruiksbelasting geen heffing van gelijke werking als een invoerrecht in de zin van artikel 12 van het Verdrag is.
14 Niettemin dient het Hof in het kader van de bij artikel 177 van het Verdrag ingestelde gerechtelijke samenwerking alle bepalingen van gemeenschapsrecht uit te leggen die de nationale rechter nodig heeft om de hem voorgelegde geschillen te beslechten, ook al zijn deze bepalingen niet uitdrukkelijk in de door deze rechters aan het Hof voorgelegde vragen vermeld (arrest van 18 maart 1993, zaak C-280/91, Viessmann, Jurispr. 1993, blz. I-971, r.o. 17).
15 Derhalve moet de vraag van de verwijzende rechter worden onderzocht met inachtneming van de verdragsbepalingen die op de feiten van het hoofdgeding van toepassing kunnen zijn, in het bijzonder de artikelen 95 en 113.
16 Het is vaste rechtspraak, dat artikel 95 van het Verdrag tot doel heeft, het vrije goederenverkeer tussen de Lid-Staten onder normale mededingingsvoorwaarden te verzekeren door elke vorm van bescherming uit te sluiten die het resultaat kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn voor produkten uit andere Lid-Staten. Met betrekking tot het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap heeft het Hof verklaard, dat produkten in het vrije verkeer definitief en volledig zijn gelijkgesteld met produkten van oorsprong uit de Lid-Staten. Daaruit volgt, dat artikel 95 betrekking heeft op alle produkten uit de Lid-Staten, daaronder begrepen produkten van oorsprong uit derde landen, die zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden (arrest van 7 mei 1987, zaak 193/85, Co-Frutta, Jurispr. 1987, blz. 2085, r.o. 25, 26 en 29).
17 Uit het dossier blijkt, dat goederen uit derde landen, welke zich in een andere Lid-Staat dan Italië in het vrije verkeer bevinden, wat de heffing van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale verbruiksbelasting betreft, krachtens artikel 4, lid 2, van wet nr. 53 op dezelfde wijze worden behandeld als in een van die Lid-Staten vervaardigde vergelijkbare produkten.
18 Ook is het vaste rechtspraak, dat artikel 95 van het Verdrag alleen van toepassing is op uit andere Lid-Staten afkomstige produkten en, in voorkomend geval, op produkten welke van oorsprong zijn uit derde landen en zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden. Daaruit volgt, dat die bepaling niet van toepassing is op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten (arrest Simba, reeds aangehaald, r.o. 14).
19 Een belasting als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, valt dus niet onder artikel 95 van het Verdrag, voor zover zij van toepassing is op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten.
20 Aangaande de eventuele toepassing van artikel 113 van het Verdrag zij enerzijds opgemerkt, dat het Verdrag, wat de binnenlandse belastingen betreft, met betrekking tot het handelsverkeer met derde landen niet een soortgelijke bepaling bevat als artikel 95, zulks onverminderd eventueel bestaande regelingen tussen de Gemeenschap en het land van oorsprong van een bepaald produkt (arrest van 10 oktober 1978, zaak 148/77, Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787, r.o. 24), en anderzijds, dat artikel 113 de Gemeenschap weliswaar de bevoegdheid geeft om alle passende maatregelen op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek te treffen, doch dat deze bepaling als zodanig geen voldoende nauwkeurige juridische maatstaf bevat waaraan de litigieuze nationale rechtsorden kunnen worden getoetst (arrest van 16 maart 1983, zaak 266/81, SIOT, Jurispr. 1983, blz. 731, r.o. 29).
21 Mitsdien moet de verwijzende rechter worden geantwoord, dat een belasting als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voor zover zij van toepassing is op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde goederen, niet onverenigbaar is met de verdragsbepalingen inzake de toepassing van de gemeenschappelijke handelspolitiek, in het bijzonder artikel 113, zulks evenwel onverminderd eventueel bestaande regelingen tussen de Gemeenschap en het land van oorsprong van de betrokken goederen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Corte suprema di cassazione bij beschikking van 19 februari 1992 gestelde vraag, verklaart voor recht:
1) Een belasting als de bij artikel 13 van wetsdecreet nr. 953 van 30 december 1982 ° later artikel 4 van wet nr. 53 van 28 februari 1983 ° in het Italiaanse recht ingevoerde nationale verbruiksbelasting is geen heffing van gelijke werking als een invoerrecht in de zin van artikel 12 van het Verdrag.
2) Een dergelijke belasting valt niet onder artikel 95 van het Verdrag, voor zover zij van toepassing is op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten.
3) Voor zover zij van toepassing is op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde goederen, is een dergelijke belasting niet onverenigbaar met de verdragsbepalingen inzake de toepassing van de gemeenschappelijke handelspolitiek, in het bijzonder artikel 113, zulks evenwel onverminderd eventueel bestaande regelingen tussen de Gemeenschap en het land van oorsprong van de betrokken goederen.
Full & Egal Universal Law Academy