Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Suiker - Produktiequota - Betrekkingen tussen suikerfabrikanten en bietenproducenten - Aanbod van fabrikant tot aankoop van hoeveelheden suikerbieten bestemd ter vervaardiging van suiker binnen A- en B-quotum - Wijze van verdeling van te leveren hoeveelheden tussen verkopers - Bevoegdheid van Gemeenschap - Stilzitten van gemeenschapswetgever - Toepassing van nationaal recht - Grenzen
(Verordening nr. 1785/81 van de Raad)
Samenvatting
Zolang de gemeenschapswetgever geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid krachtens verordening nr. 1785/81 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker, om de modaliteiten vast te stellen voor de verdeling tussen de verkopers van de hoeveelheden suikerbieten die de fabrikant vóór de uitzaai aanbiedt te kopen voor de produktie van suiker binnen het A- en het B-quotum, staat genoemde verordening niet eraan in de weg, dat bij deze verdeling toepassing wordt gegeven aan het beginsel van gelijke behandeling van leveranciers ingevolge het nationale kartelrecht, en van gelijke behandeling van de aandeelhouders van een "Nebenleistungsaktiengesellschaft" naar Duits recht. Maar ook al mogen de Lid-Staten hun nationaal recht toepassen, zij zijn daardoor niet ontslagen van de verplichting de beginselen en algemene regels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in acht te nemen.
Partijen
In zaak C-134/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Landgericht Braunschweig, in het aldaar aanhangig geding tussen
B. Mörlins
en
Zuckerfabrik Königslutter-Twülpstedt AG,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 1981, L 177, blz. 4),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, M. Diez de Velasco, C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Rühl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door
- B. Mörlins, vertegenwoordigd door B. Tammen, advocaat te Braunschweig,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en C. D. Quassowski, Regierungsdirektor bij dat ministerie, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Wölker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door R. Winkler, advocaat te Brussel,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Zuckerfabrik Königslutter-Twülpstedt AG, vertegenwoordigd door B. Huck, advocaat te Braunschweig, en de Commissie ter terechtzitting van 27 mei 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 september 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 7 april 1992, ingekomen bij het Hof op 27 april daaraanvolgend, heeft het Landgericht Braunschweig krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 1981, L 177, blz. 4; hierna: "verordening nr. 1785/81").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen B. Mörlins en Zuckerfabrik Königslutter-Twülpstedt (hierna: "suikerfabriek") over de toekenning van te leveren hoeveelheden suikerbieten in het kader van jaarlijkse contracten.
3 Mörlins is een in Duitsland gevestigde suikerbietenproducent en aandeelhouder van de suikerfabriek. Ingevolge de statuten van de vennootschap zijn de aandeelhouders verplicht de door hen verbouwde bieten aan de suikerfabriek te leveren.
4 Verordening nr. 1785/81 bevat onder meer een quotaregeling voor de produktie van suiker. Volgens deze regeling wordt de suiker verdeeld in drie categorieën A, B en C, waarbij voor de eerste twee een quotum is bepaald. De hoeveelheden A- en B-suiker komen in aanmerking voor prijsgaranties, waarbij de minimumprijs van B-suiker lager is dan de minimumprijs van A- suiker.
5 Artikel 30 van verordening nr. 1785/81 maakt met betrekking tot de contracten voor de levering van suikerbieten bestemd voor de suikerproduktie, onderscheid al naargelang de suikerbieten bestemd zijn voor de vervaardiging van suiker van het A-quotum dan wel van het B-quotum.
6 Blijkens het dossier heeft de suikerfabriek overeenkomstig deze bepaling aan Mörlins hoeveelheden suikerbieten toegekend uit hoofde van zowel het A-quotum als het B-quotum. Van oordeel dat de onderlinge verdeling van deze hoeveelheden moet worden herzien door verhoging van de hoeveelheden uit hoofde van het A-quotum, heeft Mörlins de suikerfabriek gedagvaard voor het Landgericht Braunschweig teneinde haar te horen veroordelen tot het sluiten van een nieuw leveringscontract.
7 Van oordeel, dat de zaak problemen met betrekking tot de uitlegging van het gemeenschapsrecht deed rijzen, heeft het Landgericht besloten de volgende prejudiciële vragen te stellen:
"1. In hoeverre staan in het bijzonder de artikelen 7 en 30 van verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 in de weg aan de toepassing van het Duitse kartelrecht en aan de ten aanzien van bijkomende verplichtingen geldende regels van het Duitse vennootschapsrecht, bij de beoordeling van de criteria waaraan de suikerfabrikanten zich moeten houden bij de verdeling tussen de verkopers van de hoeveelheden suikerbieten die zij aanbieden vóór de uitzaai te kopen ter vervaardiging van suiker binnen het A- en het B-quotum?
2. Welke criteria legt de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker als rechtstreeks toepasselijk recht vast voor het nationale verbintenissenrecht bij het afsluiten van contracten over de aan- en verkoop van suikerbieten met het oog op de verdeling van de hoeveelheden suikerbieten die de fabrikant aanbiedt vóór de uitzaai te kopen ter vervaardiging van suiker binnen het A- en het B-quotum?"
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de nationale regeling, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
9 Met de eerste vraag wil de nationale rechter in wezen vernemen, in hoeverre verordening nr. 1785/81 in de weg staat aan de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van leveranciers ingevolge het Duitse kartelrecht, en van gelijke behandeling van de met bijkomende verplichtingen belaste aandeelhouders van een "Nebenleistungsaktiengesellschaft" naar Duits recht, bij de verdeling van hoeveelheden suikerbieten tussen de verkopers. Met de tweede vraag verzoekt de nationale rechter het Hof, aan te geven welke criteria de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker voor die verdeling aanreikt. Wegens de nauwe samenhang tussen deze vragen moeten zij te zamen worden onderzocht.
10 In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat artikel 30 van verordening nr. 1785/81 bepalingen bevat over de verdeling tussen de verkopers van de hoeveelheden suikerbieten die voor de produktie van suiker zijn bestemd. Volgens lid 5 van dat artikel moesten de uitvoeringsbepalingen volgens de procedure van artikel 41 worden vastgesteld. Blijkens de formulering van lid 5 behoren tot die uitvoeringsbepalingen de criteria waaraan de suikerfabrikanten zich moeten houden bij de verdeling tussen de suikerbietenverkopers van de hoeveelheden suikerbieten waarvoor zij vóór de uitzaai contracten moeten sluiten. Die uitvoeringsbepalingen zijn evenwel nog steeds niet tot stand gekomen.
11 In de tweede plaats zij opgemerkt, dat artikel 7, lid 3, van dezelfde verordening de Raad de bevoegdheid geeft raamvoorschriften vast te stellen waaraan, volgens lid 1 van dat artikel, de overeenkomsten van het betrokken bedrijfsleven evenals de contracten tussen verkopers en kopers van suikerbieten moeten voldoen.
12 In dit verband moet erop worden gewezen, dat verordening (EEG) nr. 206/68 van de Raad van 20 februari 1968 houdende vaststelling van raamvoorschriften voor de contracten en overeenkomsten van het betrokken bedrijfsleven betreffende de aankoop van suikerbieten (PB 1968, L 47, blz. 1), die niet bij verordening nr. 1785/81 is ingetrokken, evenmin bepalingen over de verdeling tussen de verkopers van de hoeveelheden suikerbieten bevat.
13 In de derde plaats moet worden verwezen naar artikel 7, lid 5, van verordening nr. 1785/81, bepalende dat, bij gebreke van overeenkomsten van het betrokken bedrijfsleven, de desbetreffende Lid-Staat de nodige maatregelen kan treffen om de belangen van de betrokken partijen veilig te stellen.
14 Evenzo wordt in artikel 1, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 741/75 van de Raad van 18 maart 1975 houdende vaststelling van bijzondere regels betreffende de aankoop van suikerbieten (PB 1975, L 74, blz. 2), gepreciseerd:
"Wanneer het niet mogelijk is geweest om door middel van overeenkomsten van het betrokken bedrijfsleven overeenstemming te bereiken over de verdeling tussen de verkopers, van de hoeveelheden suikerbieten die de fabrikant aanbiedt vóór de uitzaai te kopen ter vervaardiging van suiker binnen het basisquotum, kan de betrokken Lid-Staat regels voor de verdeling vaststellen."
15 Uit het geheel van deze bepalingen blijkt allereerst, dat de gemeenschapswetgever bevoegd is de modaliteiten vast te stellen voor de verdeling tussen de verkopers van de hoeveelheden suikerbieten die de fabrikant aanbiedt vóór de uitzaai te kopen ter vervaardiging van suiker binnen het A- en het B-quotum, van welke bevoegdheid hij tot nu toe echter geen gebruik heeft gemaakt.
16 Vervolgens moet worden vastgesteld, dat volgens dezelfde verordeningen, bij gebreke van gemeenschapsvoorschriften of overeenkomsten die in het kader van een overeenkomst van het betrokken bedrijfsleven zijn gesloten, de Lid-Staten gerechtigd zijn volgens de regels van hun eigen nationaal recht tot die verdeling over te gaan.
17 Hieruit volgt, dat wat de verdeling tussen de verkopers van de hoeveelheden suikerbieten binnen het A- en het B-quotum betreft, verordening nr. 1785/81 niet in de weg staat aan de toepassing van het nationale kartel- en vennootschapsrecht. Deze machtiging om hun nationaal recht toe te passen, ontslaat de Lid-Staten echter niet van de verplichting de beginselen en de algemene regels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in acht te nemen.
18 Mitsdien moet op de gestelde prejudiciële vragen worden geantwoord, dat zolang het gemeenschapsrecht niet voorziet in de criteria voor de verdeling tussen de verkopers, van de hoeveelheden suikerbieten die de fabrikant vóór de uitzaai aanbiedt te kopen voor de produktie van suiker binnen het A- en het B-quotum, verordening nr. 1785/81 niet eraan in de weg staat, dat bij deze verdeling toepassing wordt gegeven aan het beginsel van gelijke behandeling van leveranciers ingevolge het nationale kartelrecht, en van het beginsel van gelijke behandeling van de met bijkomende verplichtingen belaste aandeelhouders van een "Nebenleistungsaktiengesellschaft" naar Duits recht, en dat de Lid-Staten, ook al mogen zij hun nationaal recht toepassen, daardoor niet ontslagen zijn van de verplichting de beginselen en algemene regels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in acht te nemen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 De kosten door de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Landgericht Braunschweig bij beschikking van 7 april 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Zolang het gemeenschapsrecht niet voorziet in de criteria voor de verdeling tussen de verkopers, van de hoeveelheden suikerbieten die de fabrikant vóór de uitzaai aanbiedt te kopen voor de produktie van suiker binnen het A- en het B-quotum, staat verordening nr. 1785/81 niet eraan in de weg, dat bij deze verdeling toepassing wordt gegeven aan het beginsel van gelijke behandeling van leveranciers ingevolge het nationale kartelrecht, en van het beginsel van gelijke behandeling van de met bijkomende verplichtingen belaste aandeelhouders van een "Nebenleistungsaktiengesellschaft" naar Duits recht. Maar ook al mogen de Lid-Staten hun nationaal recht toepassen, zij zijn daardoor niet ontslagen van de verplichting de beginselen en algemene regels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in acht te nemen.
Full & Egal Universal Law Academy