Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Sociale politiek ° Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid ° Richtlijn 79/7 ° Handhaving van verschil naar geslacht in wijze van berekening van ouderdomspensioen in weerwil van vaststelling van gelijke pensioenleeftijd ° Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 4, lid 1, en 7, lid 1)
2. Sociale politiek ° Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid ° Richtlijn 79/7 ° Artikel 4, lid 1 ° Rechtstreekse werking ° Draagwijdte
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 4, lid 1)
Samenvatting
1. De artikelen 4, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, verzetten zich ertegen, dat een nationale wettelijke regeling die mannelijke en vrouwelijke werknemers toestaat vanaf dezelfde leeftijd met pensioen te gaan, in de berekeningswijze van het pensioen een verschil naar gelang van het geslacht handhaaft, dat verband houdt met het vroeger bestaande verschil in pensioenleeftijd.
2. Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, kan, zolang aan de richtlijn geen uitvoering is gegeven, sedert 23 december 1984 door particulieren voor de nationale rechter worden ingeroepen om de toepassing van elke met dat artikel strijdige nationale bepaling te beletten.
In geval van schending van artikel 4, lid 1, van de richtlijn heeft de benadeelde groep recht op toepassing van dezelfde regeling als de bevoordeelde groep die in een gelijke situatie verkeert, waarbij die regeling, zolang aan de richtlijn niet op de juiste wijze uitvoering wordt gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft.
Partijen
In zaak C-154/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
R. Van Cant
en
Rijksdienst voor pensioenen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Rijksdienst voor pensioenen, vertegenwoordigd door haar adjunct-administrateur-generaal W. De Meyer,
° de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder, directeur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks en P. van Nuffel, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Rijksdienst voor pensioenen, vertegenwoordigd door J. C. A. De Clerk, adjunct-adviseur, als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. van Nuffel, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, ter terechtzitting van 18 maart 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 mei 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 23 april 1992, ingekomen bij het Hof op 6 mei daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Antwerpen het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen R. Van Cant en de Rijksdienst voor pensioenen (hierna: "de Rijksdienst") over de berekening van het door de Rijksdienst aan hem betaalde pensioen.
3 In België was bij koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1967, blz. 11258) de normale pensioenleeftijd vastgesteld op 65 jaar voor mannen en 60 jaar voor vrouwen. Het recht op het rustpensioen werd per kalenderjaar verkregen naar rato van een breuk van de lonen, waarvan de noemer niet groter mocht zijn dan 45 voor mannen en 40 voor vrouwen.
4 Ingevolge de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn (Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1990, blz. 15875) kunnen alle werknemers, zowel mannen als vrouwen, vanaf de leeftijd van 60 jaar met pensioen gaan. Wat de berekening van het pensioenbedrag betreft, handhaaft deze wet evenwel de bij koninklijk besluit nr. 50 ingevoerde regeling.
5 R. Van Cant, die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, geniet sinds 1 juni 1991 een rustpensioen dat door de Rijksdienst is berekend op basis van de 45 gunstigste kalenderjaren van zijn loopbaan.
6 Met het betoog, dat hij volgens de voor vrouwen geldende methode voor de berekening van het pensioen, die de 40 gunstigste arbeidsjaren van de werknemer in aanmerking neemt, een hoger pensioen zou krijgen, verzocht Van Cant de Arbeidsrechtbank te Antwerpen om nietigverklaring van het besluit waarbij de Rijksdienst zijn pensioen had vastgesteld.
7 In het kader van dit beroep heeft de Arbeidsrechtbank de behandeling van de zaak geschorst totdat het Hof antwoord zal hebben gegeven op de volgende prejudiciële vragen:
"1) Vormt de berekeningswijze van het rustpensioen van mannelijke gerechtigden een discriminatie op grond van het geslacht in de zin van artikel 4 van richtlijn 79/7/EEG wanneer een andere berekeningswijze werd voorzien voor het rustpensioen van vrouwelijke gerechtigden die kan resulteren in de toekenning van een hoger rustpensioen voor een identieke beroepsloopbaan doordat, inzonderheid, het rustpensioen van een man wordt berekend a rato van 1/45 x 60 % of 75 % van de forfaitaire/fictieve/reële lonen van elk in aanmerking te nemen kalenderjaar van de beroepsloopbaan terwijl dit voor vrouwen berekend wordt a rato van 1/40 x 60 % of 75 % van diezelfde lonen en doordat ° in voorkomend geval ° rekening wordt gehouden met de 45 meest gunstige jaren uit de beroepsloopbaan als het een man betreft en met de 40 meest gunstige jaren als het een vrouw betreft, dit alles rekening houdend met het feit dat het rustpensioen van mannen én vrouwen naar keuze kan ingaan vanaf de eerste dag van de maand volgend op de 60e verjaardag?
2) In de hypothese dat de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, bezit het voornoemd artikel 4, lid 1, van de richtlijn 79/7/EEG in de omstandigheden van de onderhavige betwisting rechtstreekse werking?
3) Zo ja, impliceert dit dat het rustpensioen van de mannelijke gerechtigden moet worden berekend op basis van de gunstiger berekeningsregels welke thans conform het bepaalde van het artikel 3 van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn uitsluitend van toepassing zijn op vrouwelijke gerechtigden?"
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De eerste vraag
9 Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of de artikelen 4, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 79/7 zich ertegen verzetten, dat een nationale wettelijke regeling die mannelijke en vrouwelijke werknemers toestaat vanaf dezelfde leeftijd met pensioen te gaan, in de berekeningswijze van het pensioen een verschil naar gelang van het geslacht handhaaft, dat verband houdt met het verschil in pensioenleeftijd dat in de vroegere wettelijke regeling bestond.
10 Voor de beantwoording van deze vraag moet er meteen aan worden herinnerd, dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 elke vorm van discriminatie op grond van geslacht met betrekking tot de berekening van de prestaties, waaronder de prestaties wegens ouderdom, verbiedt.
11 Voorts is een nationale wettelijke regeling als door de verwijzende rechter beschreven, die een naar gelang van het geslacht van de werknemer verschillende wijze van berekening van de rustpensioenen voorschrijft, discriminerend in de zin van richtlijn 79/7.
12 Ten slotte kan voor een dergelijke discriminatie slechts een rechtvaardiging worden gevonden in artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7, volgens hetwelk de richtlijn geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om van haar werkingssfeer uit te sluiten de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties.
13 Ingeval een nationale wettelijke regeling het verschil in pensioenleeftijd tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers heeft opgeheven ° een feitelijke kwestie die ter beoordeling van de nationale rechter staat °, kan artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 niet meer worden ingeroepen ter rechtvaardiging van de handhaving van een verschil in de berekeningswijze van het rustpensioen, dat samenhing met dat verschil in pensioenleeftijd.
14 Mitsdien moet op de eerste vraag van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen worden geantwoord, dat de artikelen 4, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 79/7 zich ertegen verzetten, dat een nationale wettelijke regeling die mannelijke en vrouwelijke werknemers toestaat vanaf dezelfde leeftijd met pensioen te gaan, in de berekeningswijze van het pensioen een verschil naar gelang van het geslacht handhaaft, dat verband houdt met het vroeger bestaande verschil in pensioenleeftijd.
De tweede vraag
15 Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of particulieren sedert het verstrijken van de omzettingstermijn van richtlijn 79/7 artikel 4, lid 1, van die richtlijn voor de nationale rechter kunnen inroepen om de toepassing van elke met dat artikel strijdige nationale bepaling te beletten.
16 Voor de beantwoording van deze vraag moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak particulieren, steeds wanneer de bepalingen van een richtlijn naar hun inhoud onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig blijken te zijn en uitvoeringsmaatregelen niet tijdig zijn getroffen, zich op die bepalingen kunnen beroepen tegenover elk nationaal voorschrift dat niet met de richtlijn in overeenstemming is (zie met name arrest van 4 december 1986, zaak 71/85, Federatie Nederlandse Vakbeweging, Jurispr. 1986, blz. 3855, r.o. 13).
17 Met betrekking tot artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 heeft het Hof reeds geoordeeld, dat deze tekst de Lid-Staten geenszins de bevoegdheid geeft de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling binnen zijn eigen werkingssfeer aan voorwaarden of beperkingen te binden, en dat deze bepaling voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om vanaf 23 december 1984, de datum waarop de richtlijn in het recht van de Lid-Staten moest zijn omgezet, door particulieren voor de nationale rechter te kunnen worden ingeroepen teneinde de toepassing van iedere met dat artikel strijdige bepaling te beletten (zie arrest Federatie Nederlandse Vakbeweging, reeds aangehaald, r.o. 21, alsook de arresten van 24 maart 1987, zaak 286/85, McDermott en Cotter, Jurispr. 1987, blz. 1453, r.o. 14, en 24 juni 1987, zaak 384/85, Borrie Clarke, Jurispr. 1987, blz. 2865, r.o. 9).
18 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat particulieren sedert 23 december 1984 artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 voor de nationale rechter kunnen inroepen om de toepassing van elke met dat artikel strijdige nationale bepaling te beletten.
De derde vraag
19 Met de derde vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of in geval van schending van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 de benadeelde groep recht heeft op toepassing van dezelfde regeling als de bevoordeelde groep.
20 Voor de beantwoording van deze vraag moet eraan worden herinnerd, dat het Hof reeds in het genoemde arrest McDermott en Cotter heeft geoordeeld, dat tot het tijdstip waarop de Lid-Staat de nodige uitvoeringsmaatregelen treft, vrouwen recht hebben op toepassing van dezelfde regeling als mannen die in een gelijke situatie verkeren, waarbij die regeling, zolang aan de richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft.
21 Deze vaststelling, die het Hof heeft gedaan in een geval waarin vrouwelijke werknemers werden benadeeld ten opzichte van mannelijke werknemers, geldt ongeacht welke groep op grond van geslacht benadeeld is.
22 Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat in geval van schending van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 de benadeelde groep recht heeft op toepassing van dezelfde regeling als de bevoordeelde groep die in een gelijke situatie verkeert, waarbij die regeling, zolang aan de richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Belgische regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen bij vonnis van 23 april 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De artikelen 4, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, verzetten zich ertegen, dat een nationale wettelijke regeling die mannelijke en vrouwelijke werknemers toestaat vanaf dezelfde leeftijd met pensioen te gaan, in de berekeningswijze van het pensioen een verschil naar gelang van het geslacht handhaaft, dat verband houdt met het in de vroegere wettelijke regeling bestaande verschil in pensioenleeftijd.
2) Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG kan sedert 23 december 1984 door particulieren voor de nationale rechter worden ingeroepen om de toepassing van elke met dat artikel strijdige nationale bepaling te beletten.
3) In geval van schending van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG heeft de benadeelde groep recht op toepassing van dezelfde regeling als de bevoordeelde groep die in een gelijke situatie verkeert, waarbij die regeling, zolang aan de richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft.
Full & Egal Universal Law Academy