Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Eigenaar van in loop van referentiejaar verkregen bedrijf, die melkproduktie hervat op tijdstip van inwerkingtreding van heffingregeling - Toekenning van referentiehoeveelheid overeenkomend met melkproduktie van vorige exploitant gedurende referentiejaar - Voorwaarde - Gebruik door betrokken Lid-Staat van mogelijkheid om referentiehoeveelheid toe te kennen aan nieuwe eigenaars in geval van volledige of gedeeltelijke overdracht van bedrijf door verkoop, verhuur of vererving
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 7, lid 1, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85; verordening nr. 1371/84 van de Commissie, art. 5, tweede alinea)
2. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Extra heffing op melk - Vaststelling van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Eigenaar, tevens nieuw producent, die melkleveringen is begonnen na datum van inwerkingtreding van heffingregeling - Berekening van referentiehoeveelheid op basis van leveringen van vorige exploitant gedurende gedeelte van referentiejaar voorafgaand aan stopzetting van activiteit - Inaanmerkingneming van ander referentiejaar - Uitsluiting
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 3, 3 bis, 4 en 4 bis; verordening nr. 1371/84 van de Commissie, art. 3)
Samenvatting
1. In het kader van de regeling inzake de extra heffing op melk, ingevoerd bij artikel 5 quater van verordening nr. 804/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 856/84, heeft de eigenaar die in de loop van het referentiejaar door verkoop, verhuur of overdracht door vererving een bedrijf in zijn geheel dan wel gedeeltelijk heeft verkregen en die de melkproduktie heeft hervat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, aanspraak op een referentiehoeveelheid uit hoofde van de door de vorige exploitant tijdens een gedeelte van het referentiejaar geproduceerde hoeveelheid melk, wanneer de betrokken Lid-Staat, gebruik makend van de machtiging hem verleend bij artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van bedoelde heffing, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85 en bij artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 1371/84 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van die heffing, heeft besloten een referentiehoeveelheid toe te kennen aan producenten die in een dergelijke situatie verkeren.
2. De artikelen 3, 3 bis, 4 en 4 bis van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd, en artikel 3 van verordening nr. 1371/84 geven een limitatieve opsomming van de bijzondere situaties waarin referentiehoeveelheden of individuele hoeveelheden kunnen worden toegekend, met nauwkeurige regels voor de vaststelling van die hoeveelheden. Nu geen van de bepalingen van de regeling erin voorziet, dat een eigenaar, tevens nieuw producent, die zijn melkleveringen is begonnen op de dag van inwerkingtreding van de regeling inzake de extra heffing, en wiens referentiehoeveelheid is berekend op basis van de leveringen van de vorige exploitant gedurende slechts een gedeelte van het referentiejaar voorafgaand aan de stopzetting van zijn activiteit, kan verlangen dat om die reden een ander dan het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar in aanmerking wordt genomen, is deze mogelijkheid ook dan als uitgesloten te beschouwen, wanneer tijdens het referentiejaar niet het leveringsniveau is bereikt dat representatief is voor de produktiecapaciteit van het bedrijf tijdens dit jaar.
Partijen
In zaak C-189/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Cour d' appel de Rennes (Frankrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
B. Le Nan
en
Coopérative laitière de Ploudaniel,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van een aantal bepalingen van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), zoals gewijzigd en aangevuld bij verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 (PB 1985, L 68, blz. 1) en verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1984, L 132, blz. 11),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, F. Grévisse en M. Zuleeg (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: J.-G. Giraud
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- B. Le Nan, vertegenwoordigd door C. Hilaire, advocaat te Parijs,
- Coopérative laitière de Ploudaniel, vertegenwoordigd door J.-P. Cuiec, advocaat te Brest,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door P. Pouzoulet, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en J.-L. Falconi, secretaris buitenlandse zaken bij hetzelfde ministerie, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Rozet als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 mei 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 28 april 1992, binnengekomen bij het Hof op 12 mei daaraanvolgend, heeft de Cour d' appel de Rennes (Frankrijk) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van een aantal bepalingen van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), zoals gewijzigd en aangevuld bij verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 (PB 1985, L 68, blz. 1) en verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1984, L 132, blz. 11).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen B. Le Nan, appellant in het hoofdgeding, en de Coopérative laitière de Ploudaniel, geïntimeerde, betreffende de toekenning van een referentiehoeveelheid in het kader van de regeling inzake de extra heffing op melk.
3 Le Nan, die in oktober 1983 een landbouwbedrijf van ongeveer 30 ha had gekocht, heeft om toekenning van een referentiehoeveelheid verzocht. Het bedrijf was voor de melkproduktie gebruikt tot het einde van het eerste semester van 1983, tijdens hetwelk de vorige exploitant 140 612 liter melk had geproduceerd, alvorens bij het verstrijken van zijn pachtovereenkomst de melkproduktie te staken.
4 Appellant in het hoofdgeding richtte vervolgens te zamen met zijn vader, F. Le Nan, de GAEC de Messioual (groupement agricole d' exploitation en commun) op, waarin vader en zoon hun respectieve landbouwgronden inbrachten. De samenvoeging ging in op 1 april 1984.
5 De Coopérative laitière de Ploudaniel kende aan de GAEC slechts de referentiehoeveelheden van Le Nan senior toe. Vanaf het melkprijsjaar 1985/1986 bleken deze echter onvoldoende. Daarop verzocht Le Nan junior de Coopérative de referentiehoeveelheden van de GAEC te verhogen met die waarop hij uit hoofde van de in oktober 1983 gekochte 30 ha aanspraak meende te hebben. Toen de Coopérative dit verzoek afwees, wendde hij zich eerst tot het Tribunal administratif de Rennes en vervolgens tot het Tribunal de grande instance de Brest. Toen dit laatste zijn vorderingen afwees op grond dat hij niet kon aantonen dat de leveringen na de stopzetting van de werkzaamheden van de pachter midden 1983 waren voortgezet, stelde Le Nan junior hoger beroep in tegen deze uitspraak.
6 Van oordeel dat zij bij ontbreken van rechtspraak ter zake onvoldoende was voorgelicht, heeft de Cour d' appel de Rennes, die van het geschil kennis nam, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende twee prejudiciële vragen voorgelegd:
"Kan een zuivelfabriek [een referentiehoeveelheid] weigeren aan een jonge producent die in 1983 een bedrijf heeft overgenomen, waarop in de loop van dat jaar een zekere hoeveelheid melk was geproduceerd en geleverd, en die pas vanaf 1 april 1984 de leveringen van melk heeft hervat, onder het voorwendsel dat de levering van melk wegens de wijziging van exploitant tijdelijk is geschorst?
Indien dit niet het geval kan zijn, welke referentiehoeveelheid moet de zuivelfabriek dan aan de nieuwe exploitant toekennen: de referentiehoeveelheid die is berekend over de leveringen van 1982, of die welke is berekend over het eerste halfjaar van 1983?"
7 Er zij aan herinnerd, dat ingevolge artikel 5 quater, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1968, L 148, blz. 13), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, blz. 10), de heffing in elk gebied van de Lid-Staten wordt toegepast volgens formule A (formule producenten) dan wel formule B (formule kopers), en dat Frankrijk deze laatste formule heeft gekozen en als referentiejaar het jaar 1983 heeft genomen.
De eerste vraag
8 Met haar eerste vraag wenst de Cour d' appel de Rennes in wezen te vernemen, of in het kader van de bij artikel 5 quater van verordening nr. 804/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 856/84, ingevoerde extra heffing, de eigenaar van een in de loop van het referentiejaar gekocht bedrijf, die op het tijdstip van inwerkingtreding van die regeling de melkproduktie heeft hervat, aanspraak heeft op een referentiehoeveelheid uit hoofde van de melkproduktie van de vorige exploitant tijdens een deel van het referentiejaar.
9 Blijkens het dossier heeft deze vraag geen betrekking op de eventuele toekenning, overeenkomstig artikel 3, eerste alinea, punt 2, van verordening nr. 857/84, van een specifieke referentiehoeveelheid aan een jonge landbouwer. Evenmin gaat het om de eventuele toekenning van een referentiehoeveelheid overeenkomstig artikel 6, lid 2, van verordening nr. 1371/84 aan heffingplichtigen die hun werkzaamheid eerst na het begin van de referentieperiode hebben opgenomen. De vraag kan dus alleen betrekking hebben op de overgang van het recht op een referentiehoeveelheid berekend op basis van de melkproduktie van een vorige exploitant in de loop van een deel van het referentiejaar.
10 Naar luid van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, wordt "in geval van verkoop, verhuur of overdracht door vererving van een bedrijf de overeenkomstige referentiehoeveelheid volgens nog vast te stellen bepalingen geheel of gedeeltelijk aan de koper, de huurder of de erfgenaam overgedragen".
11 Bedoelde bepalingen zijn vastgesteld bij artikel 5 van verordening nr. 1371/84 van de Commissie. Volgens de eerste alinea, punt 1, ervan wordt "in geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving van het gehele bedrijf de betrokken referentiehoeveelheid overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt". Punt 2 behelst de regels voor de verdeling van de referentiehoeveelheid voor het geval dat slechts een gedeelte van het bedrijf wordt overgedragen.
12 Blijkens verscheidene arresten van het Hof (arresten van 13 juli 1989, zaak 5/88, Wachauf, Jurispr. 1989, blz. 2609, 10 januari 1992, zaak C-177/90, Kuehn, Jurispr. 1992, blz. I-35, en 19 mei 1993, zaak C-81/91, Twijnstra, Jurispr. 1993, blz. I-2455, r.o. 25) is in deze bepalingen het beginsel neergelegd, dat de referentiehoeveelheid te zamen met de landbouwgronden waarvoor zij werd toegekend, wordt overgedragen.
13 Deze bepalingen gelden blijkens hun formulering echter enkel voor het geval dat aan een rechthebbende reeds een referentiehoeveelheid is toegekend, dat wil zeggen wanneer de bedrijfsovergang ná de inwerkingtreding van de regeling inzake de extra heffing heeft plaatsgevonden (arrest Kuehn, reeds aangehaald, r.o. 22).
14 Wanneer de overdracht van landbouwgronden zoals in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden tijdens de referentieperiode, dat wil zeggen vóór de inwerkingtreding van de regeling inzake de extra heffing, geldt het bepaalde in artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 1371/84, dat luidt: "De Lid-Staten kunnen het bepaalde in de punten 1 en 2 toepassen ten aanzien van overgangen die hebben plaatsgevonden tijdens en sinds de referentieperiode." Deze bepaling machtigt de Lid-Staten dus, de overdracht van een referentiehoeveelheid te koppelen aan een bedrijfsovergang, precies voor het geval dat deze plaatsvindt tijdens of na de referentieperiode. Het Hof heeft te dezen gepreciseerd (arrest Kuehn, reeds aangehaald, r.o. 24), dat bij vergelijking van de aangehaalde bepalingen in hun geheel beschouwd blijkt, dat bedrijfsovergangen die vóór de inwerkingtreding van de regeling inzake de extra heffing hebben plaatsgevonden, enkel dan leiden tot overdracht van de desbetreffende referentiehoeveelheden, indien de betrokken Lid-Staat dit heeft bepaald krachtens de bij artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 1371/84 verleende machtiging.
15 Evenwel moet worden gepreciseerd, dat deze machtiging aldus is geformuleerd, dat zij alleen geldt voor overgangen als bedoeld in de punten 1 en 2 van de eerste alinea, dit wil zeggen volledige of gedeeltelijke bedrijfsovergangen door verkoop, verhuur of overgang door vererving. Alleen dan kunnen de melkleveranties van de vorige exploitant gedurende het referentiejaar in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van de aan de nieuwe eigenaar toekomende referentiehoeveelheid.
16 Het staat aan de nationale rechter, die zich over de bepalingen van het interne recht heeft uit te spreken, na te gaan of een verkrijger in de situatie van Le Nan junior, op een referentiehoeveelheid aanspraak kan maken.
17 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat in het kader van de regeling inzake de extra heffing op melk, ingevoerd bij artikel 5 quater van verordening nr. 804/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 856/84, de eigenaar van een in de loop van het referentiejaar gekocht bedrijf, die de produktie heeft hervat op het tijdstip van inwerkingtreding van die regeling, aanspraak heeft op een referentiehoeveelheid uit hoofde van de door de vorige exploitant tijdens een gedeelte van het referentiejaar geproduceerde hoeveelheid melk, wanneer de betrokken Lid-Staat, gebruik makend van de machtiging hem verleend bij artikel 7, lid 1, van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd bij verordening nr. 590/85, en bij artikel 5, tweede alinea, van verordening nr. 1371/84, heeft besloten een referentiehoeveelheid toe te kennen aan producenten die in een dergelijke situatie verkeren.
De tweede vraag
18 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of een eigenaar, tevens nieuw producent, die zijn melkleveringen is begonnen op de dag van inwerkingtreding van de regeling inzake de extra heffing, en wiens referentiehoeveelheid is berekend op basis van de leveringen van de vorige exploitant gedurende slechts een gedeelte van dat jaar, kan verlangen dat krachtens de verordeningen nrs. 857/84 en 1371/84 een ander referentiejaar in aanmerking wordt genomen.
19 Vooraf zij eraan herinnerd, dat de referentiehoeveelheid die aan elke producent wordt toegekend in het kader van formule B van de regeling inzake de extra heffing, in beginsel gelijk is aan de door de producent geleverde dan wel door een koper gekochte hoeveelheid melk of melkequivalent gedurende een door de Lid -Staat binnen de periode 1981-1983 gekozen referentiejaar, op welke hoeveelheid een percentage wordt toegepast dat aldus is vastgesteld, dat de gegarandeerde hoeveelheid niet wordt overschreden. De artikelen 3, 3 bis, 4 en 4 bis van verordening nr. 857/84, zoals gewijzigd, en artikel 3 van verordening nr. 1371/84 staan de Lid-Staten toe, bij de vaststelling van referentiehoeveelheden rekening te houden met bepaalde bijzondere situaties en specifieke of extra referentiehoeveelheden toe te kennen.
20 Zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt, volgt uit het arrest van 27 juni 1989 (zaak 113/88, Leukhardt, Jurispr. 1989, blz. 1991), dat het is uitgesloten dat wegens een bedrijfsovergang een ander dan het gekozen jaar in aanmerking wordt genomen.
21 Het Hof heeft in dat arrest (r.o. 13) immers vastgesteld, dat de in geding zijnde regeling blijkens haar opzet en doel een limitatieve opsomming van de situaties geeft waarin referentiehoeveelheden of individuele hoeveelheden kunnen worden toegekend, met nauwkeurige regels voor de vaststelling van die hoeveelheden. Nu geen van de bepalingen van de regeling erin voorziet, dat producenten die verkeren in een situatie als in het hoofdgeding aan de orde is, kunnen verlangen dat om die reden een ander dan het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar in aanmerking wordt genomen, is deze mogelijkheid ook dan als uitgesloten te beschouwen, wanneer de betrokkenen niet het leveringsniveau bereiken dat representatief is voor de produktiecapaciteit van het bedrijf tijdens het referentiejaar.
22 Op de tweede vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat een eigenaar, tevens nieuw producent, die zijn melkleveringen is begonnen op de dag van inwerkingtreding van de regeling inzake de extra heffing, en wiens referentiehoeveelheid is berekend op basis van de leveringen van de vorige exploitant gedurende slechts een gedeelte van dat jaar, niet kan verlangen dat overeenkomstig de verordeningen nrs. 857/84 en 1371/84 een ander referentiejaar in aanmerking wordt genomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door de Cour d' appel de Rennes (Frankrijk) bij arrest van 28 april 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) In het kader van de regeling inzake de extra heffing op melk, ingevoerd bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984, heeft de eigenaar van een in de loop van het referentiejaar gekocht bedrijf, die de produktie heeft hervat op het tijdstip van inwerkingtreding van die regeling, aanspraak op een referentiehoeveelheid uit hoofde van de door de vorige exploitant tijdens een gedeelte van het referentiejaar geproduceerde hoeveelheid melk, wanneer de betrokken Lid-Staat, gebruik makend van de machtiging hem verleend bij artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 590/85 van de Raad van 26 februari 1985, en bij artikel 5, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing, heeft besloten een referentiehoeveelheid toe te kennen aan producenten die in een dergelijke situatie verkeren.
2) Een eigenaar, tevens nieuw producent, die zijn melkleveringen is begonnen op de dag van inwerkingtreding van de regeling inzake de extra heffing, en wiens referentiehoeveelheid is berekend op basis van de leveringen van de vorige exploitant gedurende slechts een gedeelte van dat jaar, kan niet verlangen dat overeenkomstig de verordeningen (EEG) nrs. 857/84 en 1371/84 een ander referentiejaar in aanmerking wordt genomen.
Full & Egal Universal Law Academy