Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Invaliditeitsverzekering ° Uitkeringen ° Uitkeringen berekend volgens artikel 46 van verordening nr. 1408/71 ° Begrip ° Aanpassing ° Herberekening ° Beperking tot gevallen bedoeld in gemeenschapsregeling
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 40, 46 en 51)
Samenvatting
Een door een Lid-Staat aan een migrerend werknemer betaalde invaliditeitsuitkering moet ook dan worden geacht overeenkomstig artikel 46 van verordening nr. 1408/71 te zijn vastgesteld, wanneer het volgens het nationale recht, met inbegrip van de anti-cumulatieregels ervan, berekende bedrag van die uitkering gelijk is aan het bedrag berekend volgens artikel 46 van genoemde verordening, met inbegrip van de anti-cumulatieregel van lid 3 van genoemd artikel.
Bijgevolg zijn op de aanpassing van een dergelijke uitkering de regels van artikel 51 van genoemde verordening van toepassing, welk artikel een herberekening slechts toelaat in geval van een wijziging van de wijze van vaststelling of van de regels voor de berekening van de uitkeringen, en niet de bepalingen van het nationale recht, wanneer deze laatste bepalen dat de nationale uitkering moet worden herberekend om rekening te houden met de wijzigingen die een door een andere Lid-Staat betaalde uitkering ondergaat met name als gevolg van wijzigingen in de gemiddelde wisselkoersen of de algemene ontwikkeling van de sociaal-economische situatie in die staat.
Partijen
In zaak C-193/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Brussel, in het aldaar aanhangig geding tussen
F. L. Bogana
en
Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten,
interveniërende partij voor de nationale rechter:
Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 51 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de geconsolideerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: M. Zuleeg, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en F. Grévisse, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° F. L. Bogana, vertegenwoordigd door F. Agostini, advocaat te Rome,
° het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, vertegenwoordigd door E. Degrez, advocaat te Brussel,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur, D. Gouloussis, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Bogana en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 17 december 1992,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 januari 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 5 mei 1992, ingekomen bij het Hof op 14 mei daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 51 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de geconsolideerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen Bogana, verzoeker in het hoofdgeding, en het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten (hierna: "NVSM"), het met de betaling van de uitkeringen belaste Belgische orgaan, en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna: "RIZIV"), het bevoegde Belgische orgaan ter zake van de toekenning van invaliditeitsuitkeringen, verweerders in het hoofdgeding.
3 Blijkens het dossier heeft Bogana, van Italiaanse nationaliteit, werkzaamheden in loondienst verricht in Italië en in België. Nadat hij arbeidsongeschikt was geworden, werd hem in beide staten recht toegekend op een invaliditeitsuitkering met ingang van 1 november 1981.
4 De Italiaanse invaliditeitsuitkering werd berekend volgens het stelsel van samentelling en proratisering voorzien in artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71.
5 De Belgische invaliditeitsuitkering werd vastgesteld volgens de nationale wetgeving. Met inachtneming van de anti-cumulatieregels van artikel 76 quater, lid 2, van de Belgische wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, in de versie van het koninklijk besluit nr. 19 van 4 december 1978, bepaalde het bevoegde Belgische orgaan de uitkering van Bogana op een bedrag gelijk aan dat van de volledige Belgische uitkering verminderd met de geproratiseerde Italiaanse uitkering.
6 Wegens de anti-cumulatieregeling van artikel 46, lid 3, van verordening nr. 1408/71 zou het uitkeringsbedrag, indien vastgesteld overeenkomstig de berekeningswijze van dit artikel, gelijk zijn geweest aan het uitsluitend volgens de regels van het nationale recht vastgestelde bedrag.
7 De Belgische invaliditeitsuitkering is meermaals herzien wegens de ontwikkeling van de Italiaanse uitkering, overeenkomstig de bepalingen van artikel 241 bis, lid 2, sub a en b, van het koninklijk besluit van 4 november 1963 tot uitvoering van de wet van 9 augustus 1963, in de versie van het koninklijk besluit van 30 juli 1981.
8 Luidens dit artikel dient de berekening van het bedrag van de uitkering, bij toepassing van artikel 76 quater, lid 2, van de wet van 9 augustus 1963, te worden herzien:
"a) wanneer het bedrag van de voorziening [toegekend krachtens een buitenlandse wettelijke regeling] (...) met 2 pct. gewijzigd wordt ten opzichte van het bedrag dat in aanmerking is genomen bij de eerste of de vorige berekening; de nieuwe berekening geschiedt tegen de wisselkoers die gelding heeft over het kwartaal waarin de dag valt van de wijziging van het bedrag van de voorziening (...);
b) wanneer de middenkoers van de vreemde munteenheid met 2 pct. verandert ten opzichte van die welke in aanmerking is genomen bij de eerste of de vorige berekening; de herziening geschiedt met uitwerking vanaf de eerste dag van het kwartaal waarin de met 2 pct. gewijzigde middenkoers van toepassing is;
(...)"
9 Bij een van die herzieningen stelde het NVSM vast, dat de ontwikkeling van Bogana' s Italiaanse pensioen niet in aanmerking was genomen zoals dat had moeten gebeuren, en dat artikel 241 bis, lid 2, sub a en b, van het koninklijk besluit van 4 november 1963 niet juist op hem was toegepast. Bijgevolg vorderde het bedragen van 4 572 BFR en 39 093 BFR terug, die Bogana in de periode van 1 januari 1987 tot 28 februari 1991 ten onrechte zou hebben ontvangen.
10 Bogana is van deze besluiten in beroep gekomen bij de Arbeidsrechtbank te Brussel, stellende dat de toepassing van artikel 241 bis, lid 2, sub a en b, van het koninklijk besluit van 4 november 1963 in strijd was met het bepaalde in artikel 51 van verordening nr. 1408/71.
11 Van oordeel dat de beslissing in het geding afhing van de uitlegging van gemeenschapsrecht, besloot de Arbeidsrechtbank te Brussel krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof de volgende vraag te stellen:
"Wanneer de berekening van een uitkering volgens de nationale wettelijke regeling (artikel 76 quater, lid 2, van de wet van 9 augustus 1963) en volgens artikel 46, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1408/71 hetzelfde resultaat oplevert, moet die uitkering dan na de datum van ingang van het recht worden aangepast overeenkomstig artikel 51 van verordening (EEG) nr. 1408/71 dan wel overeenkomstig een bepaling van nationaal recht (artikel 241 bis van het koninklijk besluit van 4 november 1963), volgens welke een naar nationaal recht verschuldigde uitkering moet worden herberekend naar gelang van de wijzigingen die de buitenlandse uitkering met name als gevolg van wisselkoersschommelingen en de economische ontwikkeling (herwaardering) ondergaat?"
12 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijk opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
13 Met zijn prejudiciële vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of een invaliditeitsuitkering van een Lid-Staat aan een migrerend werknemer, waarvan het bedrag, berekend volgens enkel het nationale recht, met inbegrip van de anti-cumulatieregels daarvan, gelijk is aan het bedrag berekend volgens artikel 46 van verordening nr. 1408/71, met inbegrip van de anti-cumulatieregel van lid 3 van dit artikel, moet worden aangepast overeenkomstig artikel 51 van verordening nr. 1408/71, dan wel overeenkomstig de bepalingen van nationaal recht, die een herberekening van de nationale uitkering voorschrijven om rekening te houden met wijzigingen van een uitkering van een andere Lid-Staat, met name als gevolg van de sociaal-economische situatie in die staat.
14 Bogana en de Commissie stellen voor te antwoorden, dat de bepalingen van artikel 51 van verordening nr. 1408/71 toepassing moeten vinden. Volgens hen wordt een uitkering als hier in geding vastgesteld overeenkomstig artikel 46 van verordening nr. 1408/71 en zijn derhalve de bepalingen van artikel 51 van de verordening erop van toepassing. Deze bepalingen zouden zich verzetten tegen enige nieuwe berekening in verband met een herwaardering van een buitenlandse uitkering van dezelfde aard, anders dan die welke het gevolg zijn van een wijziging in de individuele situatie van de betrokkene.
15 Het RIZIV stelt daarentegen voor te antwoorden, dat de in de prejudiciële vraag genoemde bepalingen van de nationale wetgeving toepassing moeten vinden. Indien het volgens de regels van nationaal recht vastgestelde bedrag van de uitkering gelijk is aan het volgens de regels van artikel 46 van verordening nr. 1408/71 berekende bedrag, moet de toepassing van de regels van nationaal recht in feite gunstiger worden geacht dan de toepassing van het gemeenschapsrecht en moet derhalve het nationaal recht integraal worden toegepast, dat wil zeggen met inbegrip van de anti-cumulatieregels ervan, waartoe in casu artikel 241 bis van het koninklijk besluit van 4 november 1963 behoort.
16 Het betoog van het RIZIV kan niet worden aanvaard.
17 Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie, naar analogie, arrest van 11 juni 1992, gevoegde zaken C-90/91 en C-91/91, Di Crescenzo en Casagrande, Jurispr. 1992, blz. I-3851, r.o. 17) dient voor de berekening van het bedrag van een invaliditeitsuitkering die volgens het gemeenschapsrecht verschuldigd is aan een werknemer die aan de wetgeving van twee of meer Lid-Staten onderworpen is geweest, het bevoegde orgaan van elk dier staten het verschuldigde bedrag krachtens enkel de nationale wetgeving, met inbegrip van de anti-cumulatieregels, te vergelijken met het bedrag verkregen bij toepassing van artikel 46 van verordening nr. 1408/71, met inbegrip van de anti-cumulatieregel van lid 3. Voor de vaststelling van de uitkering dient het voor de werknemer gunstigste van deze beide stelsels op hem te worden toegepast.
18 Dus zelfs wanneer de toepassing van enkel de nationale wetgeving, met inbegrip van de anti-cumulatieregels ervan, tot een even gunstig of gunstiger uitkomst voor de migrerende werknemer leidt als de toepassing van de regels van artikel 46 van verordening nr. 1408/71, met inbegrip van de anti-cumulatieregel van lid 3, wordt, zoals het RIZIV in zijn opmerkingen voor het Hof trouwens zelf zegt, het bedrag van de aan die werknemer toegekende invaliditeitsuitkering in feite bepaald volgens artikel 46 van verordening nr. 1408/71.
19 Derhalve zijn de bepalingen van artikel 51 van verordening nr. 1408/71, die volgens hun eigen bewoordingen betrekking hebben op de aanpassing en de herberekening van de "overeenkomstig artikel 46 vastgestelde" uitkeringen, op deze uitkeringen van toepassing.
20 Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie met name arrest van 20 maart 1991, zaak C-93/90, Cassamali, Jurispr. 1991, blz. I-1401) moet artikel 51 aldus worden uitgelegd, dat, om de administratieve belasting te beperken die een nieuw onderzoek van de situatie van de werknemer bij elke wijziging van de ontvangen uitkeringen zou meebrengen, het een herberekening van een overeenkomstig artikel 46 van verordening nr. 1408/71 vastgestelde uitkering teneinde rekening te houden met een herwaardering van een door een andere Lid-Staat toegekende uitkering van dezelfde aard, uitsluit wanneer die herwaardering het gevolg is van andere gebeurtenissen dan die genoemd in lid 2 van artikel 51, dat wil zeggen andere dan een wijziging van de wijze van vaststelling of de regels van de berekening van de uitkeringen.
21 Hieruit volgt, dat bepalingen zoals die van artikel 241 bis, lid 2, sub a en b, van het koninklijk besluit van 4 november 1963, die, zelfs wanneer zij ten doel hebben te allen tijde het maximum vastgesteld in de nationale anti-cumulatieregels ° in casu artikel 76 quater, lid 2, van de wet van 9 augustus 1963 ° te verzekeren, geen rol spelen bij de oorspronkelijke berekening van de invaliditeitsuitkering, doch de omstandigheden bepalen waaronder de maximumuitkering opnieuw moet worden berekend, evenals de bij deze herberekening op de buitenlandse uitkering toepasselijke wisselkoers, geen toepassing kunnen vinden op een reeds vastgestelde uitkering, zoals die in het hoofdgeding, zonder de bepalingen van artikel 51 van verordening nr. 1408/71 te miskennen.
22 Mitsdien moet op de gestelde prejudiciële vraag worden geantwoord, dat een door een Lid-Staat aan een migrerend werknemer betaalde invaliditeitsuitkering, die is vastgesteld overeenkomstig de artikelen 40 en 46 van verordening nr. 1408/71 en waarvan het bedrag, berekend volgens de regels van het nationale recht met inbegrip van de anti-cumulatieregels ervan, gelijk is aan het bedrag berekend volgens de regels van artikel 46 van die verordening met inbegrip van de anti-cumulatieregel van lid 3 van dat artikel, moet worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 51 van diezelfde verordening en niet overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht, wanneer deze laatste bepalen dat de nationale uitkering moet worden herberekend om rekening te houden met de wijzigingen die een door een andere Lid-Staat betaalde uitkering met name als gevolg van wijzigingen in de gemiddelde wisselkoersen of de algemene ontwikkeling van de sociaal-economische situatie in die staat ondergaat.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Brussel bij vonnis van 5 februari 1992 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Een door een Lid-Staat aan een migrerend werknemer betaalde invaliditeitsuitkering, die is vastgesteld overeenkomstig de artikelen 40 en 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en waarvan het bedrag, berekend volgens de regels van het nationale recht met inbegrip van de anti-cumulatieregels ervan, gelijk is aan het bedrag berekend volgens de regels van artikel 46 van die verordening met inbegrip van de anti-cumulatieregel van lid 3 van dat artikel, moet worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 51 van diezelfde verordening en niet overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht, wanneer deze laatste bepalen dat de nationale uitkering moet worden herberekend om rekening te houden met de wijzigingen die een door een andere Lid-Staat betaalde uitkering met name als gevolg van wijzigingen in de gemiddelde wisselkoersen of de algemene ontwikkeling van de sociaal-economische situatie in die staat ondergaat.
Full & Egal Universal Law Academy