Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Procedure - Interventie - Ontvankelijkheid - Nieuw onderzoek na eerdere beschikking waarbij interventie ontvankelijk is verklaard
('s Hofs Statuut-EG, art. 37, tweede alinea)
2 Procedure - Interventie - Verzoekschrift ter ondersteuning van conclusies van een van partijen, maar met andere argumenten - Ontvankelijkheid
('s Hofs Statuut-EG, art. 37, vierde alinea)
3 Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs - Uitgesloten behoudens geval van verkeerde opvatting - Weigering om mondelinge behandeling te heropenen - Onderzoek door Hof - Grenzen
[EG-Verdrag, art. 168 A (thans art. 225 EG); 's Hofs Statuut-EG, art. 51, eerste alinea]
4 Handelingen van de instellingen - Vermoeden van geldigheid - Non-existente handeling - Begrip
[EG-Verdrag, art. 189 (thans art. 249 EG)]
5 Handelingen van de instellingen - Kennisgeving - Beschikking - Onregelmatigheden - Gevolgen
[EG-Verdrag, art. 191, lid 3 (thans art. 254, lid 3, EG)]
6 Hogere voorziening - Bevoegdheid van Hof - Instructiemaatregelen - Daarvan uitgesloten
('s Hofs Statuut-EG, art. 54, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 113, lid 2)
7 Procedure - Maatregelen tot organisatie van procesgang - Verzoek ingediend na sluiting van mondelinge behandeling - Voorwaarden
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 64)
8 Procedure - Verzoek om instructiemaatregelen - Indiening na sluiting van mondelinge behandeling - Verzoek om heropening van mondelinge behandeling - Voorwaarden voor ontvankelijkheid
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 62)
9 Procedure - Mondelinge behandeling - Heropening - Verplichting om ambtshalve middelen inzake regelmatigheid van procedure voor vaststelling van bestreden beschikking te onderzoeken - Geen
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 62)
Samenvatting
1 Het feit dat het Hof bij een eerdere beschikking een persoon heeft toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van een partij, verzet zich er niet tegen, dat de ontvankelijkheid van zijn interventie opnieuw wordt onderzocht.
2 Artikel 37, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG verzet zich er niet tegen, dat de interveniënt andere argumenten aanvoert dan de door hem ondersteunde partij, zolang die argumenten maar strekken tot ondersteuning van de conclusies van deze partij.
3 Volgens artikel 168 A EG-Verdrag (thans 225 EG) en artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG kan hogere voorziening slechts gebaseerd zijn op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van elke feitelijke waardering. De beoordeling door het Gerecht van het aan hem voorgelegde bewijs levert geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs.
Hieruit volgt dat de grieven van een rekwirant, voor zover zij opkomen tegen de waardering van het in verband met het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling overgelegde bewijsmateriaal, in hogere voorziening niet kunnen worden onderzocht.
Het Hof dient daarentegen wel na te gaan, of het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te weigeren, de mondelinge behandeling te heropenen en instructiemaatregelen te gelasten, waar een partij om had verzocht.
4 Handelingen van de gemeenschapsinstellingen worden, zelfs indien zij onregelmatig zijn, in beginsel vermoed rechtsgeldig te zijn en roepen bijgevolg rechtsgevolgen in het leven, zolang zij niet nietig zijn verklaard of zijn ingetrokken.
Als uitzondering op dit beginsel moeten evenwel handelingen waaraan een onregelmatigheid kleeft die van een zo klaarblijkelijke ernst is, dat zij door de communautaire rechtsorde niet kan worden getolereerd, worden geacht geen enkel - ook geen voorlopig - rechtsgevolg in het leven te hebben geroepen, dat wil zeggen zij moeten als juridisch non-existent worden beschouwd. Deze uitzondering beoogt een evenwicht te bewaren tussen twee fundamentele, zij het soms tegenstrijdige, vereisten waaraan een rechtsorde moet voldoen, te weten de stabiliteit van de rechtsverhoudingen en de eerbiediging van de legaliteit.
Het gemeenschapsrecht kent derhalve geen situatie die het midden houdt tussen non-existentverklaring van een handeling en nietigverklaring ervan.
5 Volgens artikel 191, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 254, lid 3, EG) worden beschikkingen van kracht door de kennisgeving ervan. Men kan niet stellen, dat een beschikking bij gebreke van kennisgeving geen enkel gevolg heeft. Zoals bij ieder ander wezenlijk vormvoorschrift is in het geval van de kennisgeving van een handeling ofwel de onregelmatigheid zo ernstig en klaarblijkelijk, dat zij de non-existentie van de bestreden handeling meebrengt, ofwel levert zij een schending van wezenlijke vormvoorschriften op, die tot de nietigverklaring ervan kan leiden.
6 Het verzoek van een partij aan het Hof om instructiemaatregelen te gelasten ter opheldering van de omstandigheden waaronder de Commissie de beschikking heeft gegeven die het voorwerp van het bestreden arrest vormt, valt buiten het kader van een hogere voorziening, die is beperkt tot rechtsvragen.
Instructiemaatregelen houden immers noodzakelijkerwijs in, dat het Hof zich uitspreekt over feitelijke vragen, en zouden het voorwerp van het geding voor het Gerecht wijzigen, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 113, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
Voorts gaat het in de hogere voorziening enkel om het bestreden arrest en kan het Hof uitsluitend in geval van vernietiging van dit arrest, overeenkomstig artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG, zelf uitspraak doen over het geding en dus kennis nemen van eventuele gebreken van de voor het Gerecht bestreden beschikking.
7 Een partij kan het Gerecht verzoeken, bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang de tegenpartij te gelasten stukken die zij in haar bezit heeft, over te leggen. Wordt een dergelijk verzoek echter na sluiting van de mondelinge behandeling ingediend, dan behoeft het Gerecht daarop slechts te beslissen, indien het besluit de mondelinge behandeling te heropenen.
8 Aan een verzoek om instructiemaatregelen dat na de sluiting van de mondelinge behandeling wordt ingediend, kan slechts gevolg worden gegeven, indien het betrekking heeft op feiten die van beslissende invloed kunnen zijn op de beslechting van het geschil en die de betrokkene vóór de sluiting van de mondelinge behandeling niet heeft kunnen aanvoeren. Ditzelfde geldt voor het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling. Ingevolge artikel 62 van zijn Reglement voor de procesvoering beschikt het Gerecht weliswaar over een discretionaire bevoegdheid op dit gebied, doch het is slechts verplicht een dergelijk verzoek in te willigen, indien de betrokkene zich baseert op feiten die van beslissende invloed kunnen zijn en die hij voor de sluiting van de mondelinge behandeling niet heeft kunnen aanvoeren.
9 Het Gerecht is niet tot heropening van de mondelinge behandeling gehouden krachtens een vermeende verplichting om ambtshalve middelen betreffende de regelmatigheid van de totstandkomingsprocedure van een beschikking van de Commissie te onderzoeken. Een eventuele verplichting tot ambtshalve onderzoek van middelen van openbare orde kan slechts bestaan op grond van de feitelijke gegevens van het dossier.
Partijen
In zaak C-227/92 P,
Hoechst AG, gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland), vertegenwoordigd door H. Hellmann, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Loesch & Wolter, advocaten aldaar, Rue Zithe 8,
rekwirante,
ondersteund door
DSM NV, gevestigd te Heerlen (Nederland), vertegenwoordigd door I. G. F. Cath, advocaat te 's-Gravenhage, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij L. Dupong, advocaat aldaar, Rue des Bains 14A,
interveniënte in hogere voorziening,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Eerste kamer) van 10 maart 1992, Hoechst/Commissie (T-10/89, Jurispr. blz. II-629), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. zur Hausen als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, G. Hirsch, G. F. Mancini (rapporteur), J. L. Murray en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffiers: H. von Holstein, adjunct-griffier, en D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 12 maart 1997, waarbij Hoechst AG was vertegenwoordigd door O. Lieberknecht en M. Klusmann, advocaten te Düsseldorf, DSM NV door I. G. F. Cath en de Commissie door G. zur Hausen,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juli 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 18 mei 1992 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft Hoechst AG (hierna: "Hoechst") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 maart 1992, Hoechst/Commissie (T-10/89, Jurispr. blz. II-629; hierna: "bestreden arrest").
De feiten en de procedure voor het Gerecht
2 Blijkens het bestreden arrest zijn de feiten die aan de hogere voorziening ten grondslag liggen, de volgende.
3 Verschillende ondernemingen uit de Europese petrochemische industrie hebben bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen beschikking 86/398/EEG van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen) (PB L 230, blz. 1; hierna: "polypropyleenbeschikking").
4 Volgens de door het Gerecht bevestigde bevindingen van de Commissie werd de markt van polypropyleen vóór 1977 bevoorraad door tien producenten, waarvan er vier [Montedison SpA (hierna: "Monte"), Hoechst, Imperial Chemical Industries plc en Shell International Chemical Company Ltd (hierna: "grote vier")] tezamen 64 % van de markt vertegenwoordigden. Nadat de hoofdoctrooien van Monte waren verstreken, dienden zich in 1977 nieuwe producenten op de markt aan, hetgeen een aanzienlijke toename van de reële productiecapaciteit tot gevolg had, die evenwel niet gepaard ging met een overeenkomstige stijging van de vraag. Dit leidde tot een bezettingsgraad van de productiecapaciteit tussen 60 % in 1977 en 90 % in 1983. Elk van de destijds in de Gemeenschap gevestigde producenten verkocht in alle of nagenoeg alle lidstaten.
5 Hoechst behoorde tot de producenten die in 1977 de markt bevoorraadden en was één van de grote vier. Haar aandeel op de West-Europese markt lag tussen de 10,5 en 12,6 %.
6 Na verificaties die gelijktijdig bij verschillende ondernemingen van de sector plaatsvonden, verzocht de Commissie een aantal polypropyleenproducenten om inlichtingen krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204). Blijkens punt 6 van het bestreden arrest kwam de Commissie op grond van de verkregen inlichtingen tot de conclusie, dat de betrokken producenten tussen 1977 en 1983 in strijd met artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) in het kader van een reeks prijsinitiatieven regelmatig richtprijzen hadden vastgesteld en een jaarlijks controlesysteem hadden opgezet voor de verkochte hoeveelheden, teneinde de beschikbare markt op basis van overeengekomen percentages of hoeveelheden onder elkaar te verdelen. Dit was voor de Commissie aanleiding de procedure van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 in te leiden en een aantal ondernemingen, waaronder Hoechst, een schriftelijke mededeling van punten van bezwaar toe te zenden.
7 Aan het einde van deze procedure gaf de Commissie de polypropyleenbeschikking, waarin zij vaststelde dat Hoechst inbreuk had gemaakt op artikel 85, lid 1, EG, door vanaf medio 1977 tot ten minste november 1983 samen met andere ondernemingen deel te nemen aan een medio 1977 gesloten overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedraging, krachtens welke de producenten die polypropyleen op de gemeenschappelijke markt aanboden:
- met elkaar in contact traden en regelmatig (vanaf begin 1981, tweemaal per maand) in een reeks geheime vergaderingen bijeenkwamen om hun commercieel beleid te bespreken en te bepalen;
- van tijd tot tijd voor de verkoop van het product in elke lidstaat van de Gemeenschap "richt"- (of minimum)prijzen bepaalden;
- verschillende maatregelen overeenkwamen waarmede de toepassing van dergelijke richtprijzen moest worden vergemakkelijkt, met inbegrip van (hoofdzakelijk) tijdelijke beperkingen van de productie, de uitwisseling van gedetailleerde informatie over hun leveringen, het houden van plaatselijke vergaderingen, en tegen het einde van 1982 een systeem van "account management" bedoeld om prijsverhogingen voor individuele klanten toe te passen;
- gelijktijdig hun prijzen verhoogden met het oog op de toepassing van de genoemde richtprijzen;
- de markt verdeelden door aan elke producent een jaarlijks doel of "quotum" voor de verkoop toe te kennen (1979, 1980 en voor ten minste een gedeelte van 1983) of bij gebreke van een definitieve zich over het gehele jaar uitstrekkende overeenkomst door van de producenten een beperking te eisen van hun verkoop in elke maand in vergelijking met een voorafgaande periode (1981, 1982) (artikel 1 van de polypropyleenbeschikking).
8 De Commissie gelastte de verschillende betrokken ondernemingen, die inbreuken onmiddellijk te beëindigen en zich voortaan te onthouden van elke overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg kon hebben. De Commissie gelastte hun eveneens, een einde te maken aan enigerlei uitwisseling van informatie van het type dat gewoonlijk onder het zakengeheim valt, en elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie (zoals het Fides-systeem) zo toe te passen, dat daarvan elke informatie was uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kon worden afgeleid (artikel 2 van de polypropyleenbeschikking).
9 Hoechst kreeg een geldboete opgelegd van 9 000 000 ECU, ofwel 19 304 010 DM (artikel 3 van de polypropyleenbeschikking).
10 Op 2 augustus 1986 stelde Hoechst bij het Hof beroep tot nietigverklaring in tegen deze beschikking. Bij beschikking van 15 november 1989 verwees het Hof de zaak naar het Gerecht krachtens besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1).
11 Hoechst concludeerde voor het Gerecht tot nietigverklaring van de polypropyleenbeschikking voor zover zij haar betrof, subsidiair, tot verlaging van de haar opgelegde geldboete, en, in elk geval, tot verwijzing van de Commissie in de kosten.
12 De Commissie concludeerde tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van rekwirante in de kosten.
13 Bij op 2 maart 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke memorie heeft Hoechst het Gerecht verzocht, de uitspraak van het arrest uit te stellen, de mondelinge behandeling te heropenen en overeenkomstig de artikelen 62, 64, 65 en 66 van het Reglement voor de procesvoering maatregelen tot organisatie van de procesgang te treffen en instructiemaatregelen te gelasten in verband met hetgeen de Commissie had verklaard tijdens de terechtzitting voor het Gerecht in de zaak BASF e.a./Commissie (arrest van 27 februari 1992, zaken T-79/89, T-84/89, T-85/89, T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-102/89 en T-104/89, Jurispr. blz. II-315; hierna: "PVC-arrest van het Gerecht").
Het bestreden arrest
14 Op het in punt 372 ter sprake gebrachte verzoek om heropening van de mondelinge behandeling besliste het Gerecht, na de advocaat-generaal opnieuw te hebben gehoord, in punt 373, dat er geen termen aanwezig waren om overeenkomstig artikel 62 van zijn Reglement voor de procesvoering de heropening van de mondelinge behandeling te bevelen, noch om de door Hoechst gevraagde instructiemaatregelen te gelasten.
15 In punt 374 verklaarde het Gerecht:
"Allereerst moet worden opgemerkt, dat het reeds aangehaalde arrest van 27 februari 1992 op zichzelf de heropening van de mondelinge behandeling in de onderhavige zaak niet rechtvaardigt. Bovendien heeft verzoekster er in de onderhavige zaak - anders dan in haar in rechtsoverweging 14 van het reeds aangehaalde arrest van 27 februari 1992 weergegeven betoog - er tot op het einde van de mondelinge behandeling zelfs niet op gezinspeeld, dat de bestreden beschikking wegens de gestelde gebreken non-existent is. De vraag is dus, of verzoekster wel voldoende rechtvaardigingsgronden heeft aangevoerd voor de omstandigheid dat zij zich in de onderhavige zaak, anders dan in de zaken T-79/89 e.a., niet eerder heeft beroepen op die gebreken, die in ieder geval reeds vóór de indiening van het beroep bestonden. Al is de gemeenschapsrechter in het kader van een krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag ingesteld beroep tot nietigverklaring ambtshalve bevoegd om te onderzoeken, of de bestreden handeling wel bestaat, dit betekent nog niet, dat in elk op artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag gebaseerd beroep ambtshalve moet worden onderzocht, of de bestreden handeling bestaat. De rechter is slechts verplicht dit punt ambtshalve te onderzoeken wanneer partijen voldoende indiciën voor een eventuele non-existentie van de bestreden handeling verstrekken. In het onderhavige geval bevat het door verzoekster gevoerde betoog niet voldoende indiciën om aan de existentie van de beschikking te gaan twijfelen. In punt III van haar memorie van 2 maart 1992 stelt verzoekster enkel, dat er een $redelijke grond' is om aan te nemen dat de Commissie bepaalde procedureregels heeft geschonden. De gestelde schending van de in het Reglement van orde van de Commissie neergelegde taalregeling kan evenwel niet tot gevolg hebben dat de bestreden handeling non-existent is, maar enkel - indien die schending tijdig wordt ingeroepen - dat de handeling wordt nietig verklaard. Verzoekster legt bovendien niet uit, waarom de Commissie in 1986 - dat wil zeggen in een normale situatie, die aanzienlijk verschilt van de bijzondere situatie in de PVC-zaken, waar het mandaat van de Commissie in januari 1988 verstreek - achteraf wijzigingen zou hebben aangebracht in de beschikking. Het door verzoekster dienaangaande aangevoerde algemene vermoeden is geen voldoende reden om de mondelinge behandeling te heropenen teneinde maatregelen van instructie te treffen."
16 Ten slotte luidt punt 375:
"In punt II van haar memorie heeft verzoekster evenwel concreet gesteld, dat er van de bestreden beschikking niet in alle authentieke taalversies een door de handtekening van de voorzitter en de algemeen secretaris van de Commissie gewaarmerkt origineel bestaat. Zelfs al zou dit zo zijn, dit is nog geen voldoende grond om te concluderen dat de bestreden beschikking non-existent is. Anders dan in de meermaals genoemde PVC-zaken heeft verzoekster in het onderhavige geval geen enkel concreet element verstrekt dat erop wijst, dat het beginsel van de onaantastbaarheid van de vastgestelde handeling na het geven van de bestreden beschikking zou zijn geschonden, en dat die beschikking daardoor ten gunste van verzoekster het uiterlijke vermoeden van geldigheid zou hebben verloren. In dat geval brengt de enkele omstandigheid dat een volgens de regels gewaarmerkt origineel ontbreekt, op zichzelf niet mee dat de bestreden handeling non-existent is. Ook om deze redenen zijn er geen termen aanwezig om de mondelinge behandeling te heropenen teneinde nieuwe maatregelen van instructie te treffen. Daar verzoeksters betoog een verzoek om herziening niet kan rechtvaardigen, dient geen gevolg te worden gegeven aan de suggestie om de mondelinge behandeling te heropenen."
17 Het Gerecht verwierp het beroep en verwees Hoechst in de kosten.
De hogere voorziening
18 In haar hogere voorziening concludeert Hoechst dat het het Hof behage:
- het bestreden arrest te vernietigen voor zover het haar betreft, en de zaak definitief af te doen door te beslissen als volgt:
- de polypropyleenbeschikking heeft bij gebreke van kennisgeving geen gevolgen;
- subsidiair, de polypropyleenbeschikking is van nul en gener waarde;
- de Commissie in de kosten te verwijzen;
- meer subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen voor zover het haar betreft, en de zaak ter beslissing terug te verwijzen naar het Gerecht.
19 Hoechst verzoekt het Hof eveneens, de Commissie te gelasten, de tijdens haar vergadering van 23 april 1986 goedgekeurde en door het Commissielid Sutherland ondertekende teksten van de polypropyleenbeschikking in de talen waarin deze is goedgekeurd, alsmede het desbetreffende uittreksel uit de notulen en de bijbehorende bijlagen over te leggen.
20 Bij beschikking van het Hof van 30 september 1992 is DSM NV (hierna: "DSM") toegelaten tot interventie aan de zijde van Hoechst. DSM concludeert dat het het Hof behage:
- het bestreden arrest te vernietigen;
- de polypropyleenbeschikking non-existent dan wel nietig te verklaren;
- de polypropyleenbeschikking voor alle adressaten, althans voor DSM, non-existent of nietig te verklaren, ongeacht of zij hogere voorziening tegen het voor hen relevante arrest hebben ingesteld en of hun hogere voorziening is afgewezen;
- subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht ter beslissing van de vraag, of de polypropyleenbeschikking non-existent is of nietig moet worden verklaard;
- in elk geval de Commissie te verwijzen in de kosten van zowel de procedure voor het Hof als die voor het Gerecht, daaronder begrepen de kosten gevallen op DSM's interventie.
21 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
- de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair, af te wijzen;
- Hoechst in de kosten te verwijzen; - de interventie in haar geheel niet-ontvankelijk te verklaren;
- subsidiair, niet-ontvankelijk te verklaren de petita van de interventie die ertoe strekken, dat het Hof de polypropyleenbeschikking voor al haar adressaten, althans DSM, non-existent of nietig verklaart, ongeacht of de adressaten van die beschikking hogere voorziening tegen het voor hen relevante arrest hebben ingesteld en of hun hogere voorziening is afgewezen, en de interventie voor het overige ongegrond te verklaren;
- meer subsidiair, de interventie ongegrond te verklaren;
- in elk geval DSM te verwijzen in de kosten van de interventie.
22 De middelen die Hoechst aan haar hogere voorziening ten grondslag heeft gelegd, zijn: procedurefouten en schending van het gemeenschapsrecht. Zij houden alle verband met de weigering van het Gerecht om, enerzijds, de gebreken vast te stellen die aan de totstandkomingsprocedure van de polypropyleenbeschikking kleefden en, anderzijds, de mondelinge behandeling te heropenen en instructiemaatregelen en maatregelen tot organisatie van de procesgang te gelasten.
23 Op verzoek van de Commissie en met instemming van Hoechst is de behandeling van de zaak bij beschikking van de president van het Hof van 27 juli 1992 geschorst tot 15 september 1994, teneinde de eventuele consequenties te onderzoeken van het arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555; hierna: "PVC-arrest van het Hof"), gewezen op de hogere voorziening tegen het PVC-arrest van het Gerecht.
De ontvankelijkheid van de interventie
24 De Commissie is van mening, dat het interventieverzoek van DSM niet-ontvankelijk moet worden verklaard. DSM betoogt namelijk, dat zij als interveniënte belang heeft bij de vernietiging van het arrest in het geval van Hoechst. Volgens de Commissie kan een nietigverklaring echter niet voor alle individuele adressaten van een beschikking gelden, maar uitsluitend voor hen die een beroep in die zin hebben ingesteld; dit is nu juist een van de verschillen tussen nietigverklaring en non-existentie. Ontkenning van dit onderscheid komt erop neer, dat elke dwingende kracht wordt ontzegd aan de termijn waarbinnen beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld. DSM kan zich daarom niet op een eventuele nietigverklaring beroepen, aangezien zij het arrest van het Gerecht van 17 december 1991, DSM/Commissie (T-8/89, Jurispr. blz. II-1833), dat haar betrof, niet voor het Hof heeft betwist. Met haar interventie tracht DSM dus enkel te ontkomen aan een verval van recht.
25 Toen de interventie van DSM bij de reeds genoemde beschikking van 30 september 1992 werd toegestaan, was het PVC-arrest van het Hof, waarin het zich heeft uitgesproken over het vraagstuk van de nietigverklaring en de non-existentie, nog niet gewezen. Als de gestelde gebreken al gefundeerd zijn, kunnen deze volgens de Commissie, gezien dat arrest, uitsluitend tot de nietigverklaring van de polypropyleenbeschikking en niet tot de vaststelling van de non-existentie ervan leiden. Zo gezien zou DSM dus geen belang meer hebben bij de interventie.
26 De Commissie verzet zich met name tegen de ontvankelijkheid van DSM's vordering, de polypropyleenbeschikking voor al haar adressaten, althans voor DSM, non-existent of nietig te verklaren, ongeacht of die adressaten hogere voorziening tegen het voor hen relevante arrest hebben ingesteld en of hun hogere voorziening is afgewezen. Deze vordering is niet-ontvankelijk, aangezien DSM een kwestie wil aansnijden die uitsluitend haar betreft, terwijl zij het geding alleen kan aanvaarden in de stand waarin het zich bevindt. Krachtens artikel 37, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG kan een interveniënt alleen de conclusies van een andere partij ondersteunen en geen eigen conclusies indienen. Deze vordering van DSM bevestigt, dat zij de interventie wil gebruiken om te ontkomen aan de consequenties van het verstrijken van de termijn voor het instellen van hogere voorziening tegen het arrest DSM/Commissie (reeds aangehaald), dat haar betrof.
27 Met betrekking tot de exceptie van niet-ontvankelijkheid die tegen de gehele interventie is opgeworpen, moet om te beginnen worden opgemerkt, dat de beschikking van 30 september 1992, waarbij het Hof DSM heeft toegelaten tot interventie aan de zijde van Hoechst, zich niet ertegen verzet, dat de ontvankelijkheid van haar interventie opnieuw wordt onderzocht (zie in die zin arrest van 29 oktober 1980, Roquette Frères/Raad, 138/79, Jurispr. blz. 3333).
28 In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat het recht om zich te voegen in een voor het Hof aanhangig rechtsgeding krachtens artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG toekomt aan eenieder die aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van dat geding. Op grond van de vierde alinea van deze bepaling kunnen de conclusies van het verzoek tot voeging slechts strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen.
29 Hoechst vordert in hogere voorziening de vernietiging van het bestreden arrest echter met name op grond dat het Gerecht niet de non-existentie van de polypropyleenbeschikking heeft vastgesteld. Uit punt 49 van het PVC-arrest van het Hof blijkt, dat als uitzondering op het vermoeden van rechtsgeldigheid dat handelingen van instellingen genieten, handelingen waaraan een onregelmatigheid kleeft die van een zo klaarblijkelijke ernst is, dat zij door de communautaire rechtsorde niet kan worden getolereerd, worden geacht geen enkel - ook geen voorlopig - rechtsgevolg in het leven te hebben geroepen, dat wil zeggen dat zij als juridisch non-existent moeten worden beschouwd.
30 Anders dan door de Commissie gesteld, is het belang van DSM niet verdwenen na het arrest waarbij het Hof het PVC-arrest van het Gerecht vernietigde en oordeelde, dat de door het Gerecht vastgestelde gebreken niet van dien aard waren, dat zij de non-existentie van de in de PVC-zaken bestreden beschikking konden meebrengen. Het PVC-arrest van het Hof betrof immers niet de non-existentie van de polypropyleenbeschikking en heeft daarom niet tot gevolg, dat het belang van DSM bij vaststelling van die non-existentie is tenietgegaan.
31 Het is juist, dat Hoechst na het PVC-arrest van het Hof bij repliek alle middelen en vorderingen betreffende de vaststelling van de non-existentie van de polypropyleenbeschikking heeft ingetrokken.
32 Daar Hoechst echter nog steeds de vernietiging van het bestreden arrest vordert op de grond, dat die beschikking niet op regelmatige wijze is tot stand gekomen en het Gerecht het nodige onderzoek had moeten verrichten om die gebreken vast te stellen, kan DSM die vordering in het kader van haar interventie ondersteunen met het betoog, dat diezelfde gebreken voor het Gerecht aanleiding hadden moeten zijn, de non-existentie van die beschikking vast te stellen.
33 Het is immers vaste rechtspraak (zie met name arrest van 19 november 1998, Verenigd Koninkrijk/Raad, C-150/94, Jurispr. blz. I-7235, punt 36), dat artikel 37, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG zich er niet tegen verzet, dat een interveniënt andere argumenten aanvoert dan de door hem ondersteunde partij, zolang die argumenten maar strekken tot ondersteuning van de conclusies van deze partij.
34 DSM's stellingen inzake de non-existentie van de polypropyleenbeschikking strekken er met name toe aan te tonen, dat het Gerecht met zijn afwijzing van het verzoek van Hoechst om heropening van de mondelinge behandeling en instructiemaatregelen te bevelen, heeft verzuimd te onderzoeken, of die beschikking non-existent was, en dus het gemeenschapsrecht heeft geschonden. Ofschoon haar betoog andere argumenten dan die van Hoechst omvat, heeft het dus betrekking op de middelen die laatstgenoemde in hogere voorziening heeft aangevoerd en strekt het tot ondersteuning van haar vordering tot vernietiging van het bestreden arrest, zodat het moet worden onderzocht.
35 Met betrekking tot de exceptie die de Commissie heeft opgeworpen tegen het petitumonderdeel waarin DSM non-existent- dan wel nietigverklaring van de polypropyleenbeschikking voor alle adressaten ervan, althans voor DSM, vordert, moet worden vastgesteld, dat dit onderdeel DSM in het bijzonder betreft en niet aansluit bij de vorderingen van Hoechst. Het voldoet daarom niet aan de voorwaarden van artikel 37, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG en moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
De ontvankelijkheid van de hogere voorziening
36 De Commissie stelt, dat de hogere voorziening in haar geheel niet-ontvankelijk is. Hoechst verwijt het Gerecht nergens, dat het van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan. Wel voert zij een groot aantal feiten en argumenten aan, die niet voor het Gerecht aan de orde zijn geweest en waarvan sommige - zoals de hogere voorziening van de Commissie in de PVC-zaken en de procedures voor het Gerecht in de zogenoemde "polyethyleen van lage dichtheid"-zaken (arrest van 6 april 1995, BASF e.a./Commissie, T-80/89, T-81/89, T-83/89, T-87/89, T-88/89, T-90/89, T-93/89, T-95/89, T-97/89, T-99/89, T-100/89, T-101/89, T-103/89, T-105/89, T-107/89 en T-112/89, Jurispr. blz. II-729; hierna: "polyethyleenzaken") - zich in tussentijd hebben voorgedaan. Voor het eerst stelt Hoechst, dat de polypropyleenbeschikking niet in het Nederlands en het Italiaans is goedgekeurd, en verstrekt zij gegevens die zouden moeten aantonen, dat in de door de Commissie goedgekeurde teksten achteraf wijzigingen zijn aangebracht. Ditzelfde zou gelden voor de opmerkingen over de vraag, welke teksten van de beschikking door het bevoegde lid van de Commissie zijn ondertekend.
37 De Commissie beklemtoont, dat in hogere voorziening het voorwerp van het geding niet kan worden gewijzigd en dat nieuwe middelen derhalve niet-ontvankelijk zijn. Daar de hogere voorziening ertoe strekt, het in eerste aanleg gewezen arrest vanuit juridisch oogpunt te controleren, moet zij betrekking hebben op de stand van het geding op het moment waarop het Gerecht zijn arrest heeft gewezen (arrest Hof van 19 juni 1992, V./Parlement, C-18/91 P, Jurispr. blz. I-3997).
38 Volgens artikel 168 A EG-Verdrag (thans artikel 225 EG) en artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG kan hogere voorziening slechts gebaseerd zijn op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van elke feitelijke waardering. De beoordeling door het Gerecht van het aan hem voorgelegde bewijs levert geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs (zie met name arrest van 2 maart 1994, Hilti/Commissie, C-53/92 P, Jurispr. blz. I-667, punten 10 en 42).
39 Voorts mag in hogere voorziening het voorwerp van het geding voor het Gerecht niet worden gewijzigd, aldus artikel 113, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
40 Hieruit volgt dat rekwirantes grieven, voor zover zij opkomen tegen de waardering van het in verband met het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling overgelegde bewijsmateriaal, in hogere voorziening niet kunnen worden onderzocht. Ook de middelen die voor het eerst in hogere voorziening worden aangevoerd, zijn niet-ontvankelijk.
41 Het Hof dient daarentegen wel na te gaan, of het Gerecht blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting door voorbij te gaan aan de vermeende gebreken in de polypropyleenbeschikking of door te weigeren, de mondelinge behandeling te heropenen en maatregelen tot organisatie van de procesgang en instructiemaatregelen te gelasten, zoals rekwirante had verzocht.
42 Hieruit volgt, dat de hogere voorziening niet in haar geheel niet-ontvankelijk is, maar dat van geval tot geval moet worden nagegaan, of de grieven en vorderingen van Hoechst in hogere voorziening ontvankelijk zijn.
De tot staving van de hogere voorziening aangevoerde middelen: procedurefouten en schending van het gemeenschapsrecht
43 Onder verwijzing naar de punten 372 tot en met 375 van het bestreden arrest stelt Hoechst, dat voor zover het Gerecht daarin, in de eerste plaats, de polypropyleenbeschikking niet wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften nietig heeft verklaard en niet heeft beslist dat die beschikking, bij gebreke van kennisgeving, iedere werking mist, en, in de tweede plaats, haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling en gelasting van de nodige instructiemaatregelen en maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft afgewezen, het het gemeenschapsrecht heeft geschonden en procedurefouten heeft gemaakt waardoor haar belangen zijn geschaad in de zin van artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG.
De niet-inaanmerkingneming van gebreken in de polypropyleenbeschikking
44 Met het eerste onderdeel van het middel inzake schending van het gemeenschapsrecht verwijt Hoechst het Gerecht, niet te hebben beslist, dat de polypropyleenbeschikking elke werking mist dan wel wegens de gebreken in de totstandkomingsprocedure en de kennisgeving ervan nietig moet worden verklaard.
45 Hoechst betoogt, dat ook al erkent het Hof blijkens zijn PVC-arrest de gebreken in de polypropyleenbeschikking niet als zo bijzonder ernstig, dat zij tot de non-existentie ervan moeten leiden, het Hof deze dan toch als een schending van wezenlijke vormvoorschriften dient te beschouwen op grond waarvan de polypropyleenbeschikking overeenkomstig artikel 174, eerste alinea, EG-Verdrag (thans artikel 231, eerste alinea, EG) nietig moet worden verklaard.
46 In repliek voert Hoechst echter een gebrek aan, waarvan de juridische consequenties verder zouden gaan dan de nietigverklaring alleen, ongeacht de vraag of er sprake is van een bijzonder ernstig en kennelijk gebrek; het betreft de kennisgeving, die in strijd met artikel 191, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 254, lid 3, EG) niet zou hebben plaatsgevonden.
47 Zij stelt ter zake, dat de op 23 april 1986 door de Commissie gegeven beschikking helemaal niet aan de adressaten is betekend en evenmin in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend is gemaakt. De betekende tekst is immers niet identiek aan de goedgekeurde versie en is pas drie of vier weken na de besluitvorming van de Commissie door haar diensten opgesteld. Er zijn dus redenen om aan te nemen, dat die tekst afwijkt van de door de Commissie vastgestelde tekst, gelet op de wijzigingen daarin, die verder gaan dan de door het Hof in het arrest van 23 februari 1988, Verenigd Koninkrijk/Raad (131/86, Jurispr. blz. 905), toegestane eenvoudige grammaticale of spellingscorrecties.
48 Inmiddels staat wel vast, dat beschikkingen van de Commissie de adressaten in beginsel niet bereiken in de redactie waarin zij zijn aangenomen. Na de besluitvorming van het college van Commissieleden volgt een tweede fase van omwerking van de tekst met het oog op de kennisgeving van de handeling. Deze tweede fase omvat met name de revisie van de tekst door juristen-linguïsten en de opstelling van het definitieve document door het algemeen secretariaat, waarbij rekening wordt gehouden met de aangebrachte wijzigingen.
49 Volgens Hoechst bestaan er ook in casu concrete aanwijzingen, dat de door de Commissie goedgekeurde tekst van de polypropyleenbeschikking in de Engelse, de Duitse en de Franse taal na de besluitvorming is gewijzigd. De betekende Duitse versie bijvoorbeeld bevat toevoegingen van een verschillend lettertype of met kleinere ruimten tussen de letters of regels, alsmede weglatingen; dit duidt erop, dat achteraf wijzigingen zijn aangebracht.
50 Aangezien er serieuze aanwijzingen zijn voor later aangebrachte wijzigingen en de draagwijdte en de aard van die wijzigingen alleen kan worden bepaald door de goedgekeurde en de betekende teksten met elkaar te vergelijken, vraagt Hoechst het Hof de Commissie te gelasten, de teksten van de polypropyleenbeschikking in de talen waarin zij is goedgekeurd, over te leggen met het desbetreffende uittreksel uit de notulen en de bijbehorende bijlagen.
51 Het voor copie conform gewaarmerkte afschrift van de polypropyleenbeschikking dat Hoechst op 27 mei 1986 werd betekend, bevatte onder de datum 23 april 1986 in getypte letters de ondertekening door de heer Sutherland, lid van de Commissie. Hoechst vraagt zich af, of de teksten van de beschikking daadwerkelijk door dit lid van de Commissie zijn ondertekend en, zo ja, welke versie van de beschikking de heer Sutherland kan hebben ondertekend: de door de Commissie goedgekeurde, maar niet betekende versie - zoals de datum suggereert -, of de betekende, maar niet goedgekeurde versie. In elk geval kan hij de betekende versie niet op 23 april 1986 hebben ondertekend, aangezien die versie op die dag niet beschikbaar was geweest. Hoechst vraagt het Hof daarom de Commissie te gelasten, de door de heer Sutherland ondertekende tekst van de beschikking in de verschillende procestalen over te leggen.
52 Ingevolge artikel 191, lid 3, EG-Verdrag worden beschikkingen van de Commissie pas van kracht, nadat daarvan is kennisgegeven. Ontbreekt die kennisgeving, zoals in casu, dan kan de handeling dus geen effect sorteren.
53 Voorts is Hoechst van mening, dat het Gerecht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gebreken in de polypropyleenbeschikking, die zij aan de orde had gesteld en die schending van wezenlijke vormvoorschriften opleveren; in de eerste plaats ontbreken de originelen van de polypropyleenbeschikking aan de hand waarvan de waarmerking en de regelmatige vaststelling ervan via de daartoe vereiste handtekeningen kan worden aangetoond; in de tweede plaats is de beschikking in twee authentieke talen, het Italiaans en het Nederlands, niet door het college van commissarissen goedgekeurd, en, in de derde plaats is de motivering na de goedkeuring van de beschikking gewijzigd.
54 Voor het geval die feiten zouden worden betwist, doet Hoechst een bewijsaanbod, namelijk overlegging van de ontwerpbeschikkingen die ter goedkeuring aan de Commissie zijn voorgelegd, de getuigenis van de gemachtigden die de Commissie tijdens de terechtzittingen in de PVC-zaken voor het Gerecht vertegenwoordigden, en de hogere voorziening van de Commissie in die zaken, waaruit zou blijken dat de Commissie ter terechtzitting van 22 november 1991 in de PVC-zaken heeft geantwoord, dat artikel 12 van haar reglement van orde reeds geruime tijd in onbruik was geraakt.
55 DSM zet uiteen, dat zich nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan in andere zaken voor het Gerecht. Deze omstandigheden bevestigen, dat het aan de Commissie is aan te tonen, dat zij de zichzelf gestelde wezenlijke vormvoorschriften in acht heeft genomen, en dat het Gerecht, om over dit punt opheldering te verkrijgen, ambtshalve of op verzoek van een partij instructiemaatregelen behoorde te gelasten om het relevante schriftelijke bewijsmateriaal te onderzoeken. In de zaken die tot de arresten van 29 juni 1995, Solvay/Commissie (T-30/91, Jurispr. blz. II-1775), en ICI/Commissie (T-36/91, Jurispr. blz. II-1847) (hierna: "natriumcarbonaatzaken"), hebben geleid, had de Commissie betoogd, dat de aanvullende repliek die Imperial Chemical Industries plc (hierna: "ICI") in die zaken na het PVC-arrest van het Gerecht had ingediend, geen bewijs bevatte van een schending van het reglement van orde van de Commissie en dat ICI's verzoek om instructiemaatregelen een nieuw middel vormde. Niettemin stelde het Gerecht de Commissie en ICI vragen over de consequenties die aan het PVC-arrest van het Hof moesten worden verbonden, en vroeg het de Commissie desondanks, of zij, gelet op punt 32 van het PVC-arrest van het Hof, afschriften van de notulen en de gewaarmerkte teksten van de bestreden beschikkingen kon overleggen. Na andere procedurele ontwikkelingen gaf de Commissie uiteindelijk toe, dat de als gewaarmerkte teksten overgelegde documenten pas waren gewaarmerkt, nadat het Gerecht de overlegging ervan had gevraagd.
56 Ook in de polyethyleenzaken gelastte het Gerecht de Commissie, een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de bestreden beschikking over te leggen. De Commissie gaf daarop toe, dat geen waarmerking had plaatsgevonden tijdens de vergadering waarop deze beschikking door het college van commissarissen was goedgekeurd. DSM meent daarom, dat de procedure van waarmerking van handelingen van de Commissie na maart 1992 moet zijn ingevoerd. Hieruit volgt, dat het gebrek bestaande in het ontbreken van waarmerking ook aan de polypropyleenbeschikking moet kleven.
57 DSM voegt hieraan toe, dat het Gerecht in de arresten van 27 oktober 1994, Fiatagri en New Holland Ford/Commissie (T-34/92, Jurispr. blz. II-905, punten 24-27), en Deere/Commissie (T-35/92, Jurispr. blz. II-957, punten 28-31), een soortgelijke redenering als in de polypropyleenzaken heeft gevolgd voor zijn beslissing, dat verzoeksters niets hadden aangevoerd wat het vermoeden van geldigheid van de door hen bestreden beschikking kon aantasten. In het arrest van het Gerecht van 7 juli 1994, Dunlop Slazenger/Commissie (T-43/92, Jurispr. blz. II-441), was het betoog van de verzoeksters afgewezen, omdat de beschikking overeenkomstig het reglement van orde van de Commissie was vastgesteld en betekend. In geen van die zaken heeft het Gerecht de gestelde onregelmatigheden in de totstandkoming van de bestreden handeling op procedurele gronden afgewezen.
58 De enige uitzonderingen zijn de beschikkingen van 26 maart 1992, BASF/Commissie (T-4/89 Rev., Jurispr. blz. II-1591), en 4 november 1992, DSM/Commissie (T-8/89 Rev., Jurispr. blz. II-2399). Ook in die zaken was echter het PVC-arrest van het Gerecht niet als nieuw feit aangevoerd, maar waren andere feiten gesteld. In het arrest van 15 december 1994, Bayer/Commissie (C-195/91 P, Jurispr. blz. I-5619), heeft het Hof het argument betreffende schending door de Commissie van haar eigen reglement van orde afgewezen, omdat het niet voor het Gerecht was aangevoerd. In de polypropyleenprocedure is hetzelfde middel echter wel voor het Gerecht aangevoerd en afgewezen wegens het ontbreken van voldoende aanwijzingen.
59 DSM is van mening, dat het verweer van de Commissie in casu is gebaseerd op procedurele argumenten die, gelet op de inhoud van het bestreden arrest, dat in feite de vraag van de bewijslast betreft, irrelevant zijn. Indien de Commissie in de polypropyleenzaken niet zelf bewijs levert van de regelmatigheid van de procedures, dan is dit volgens DSM, omdat zij niet in staat is aan te tonen, dat zij haar eigen reglement van orde heeft geëerbiedigd.
60 Volgens de Commissie heeft Hoechst in repliek een nieuw middel aangevoerd, daar zij stelt dat de polypropyleenbeschikking bij gebreke van kennisgeving geen effect heeft gesorteerd. Dit middel is, evenals de vordering tot nietigverklaring van de polypropyleenbeschikking, niet-ontvankelijk.
61 Met betrekking tot de argumenten van DSM stelt de Commissie, dat zij een fundamentele fout bevatten, aangezien zij geen rekening houden met de verschillen tussen de PVC-zaken en de onderhavige zaak en op een verkeerd begrip van het PVC-arrest van het Hof berusten.
62 De Commissie blijft overigens bij haar standpunt, dat de verzoeksters in de natriumcarbonaatzaken onvoldoende aanwijzingen hadden aangevoerd om een bevel van het Gerecht aan de Commissie tot het overleggen van stukken te kunnen rechtvaardigen. Zowel in die zaken als in de polyethyleenzaken, waarop DSM zich eveneens heeft beroepen, heeft het Gerecht beslist met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het bij hem aanhangig geding. In de polypropyleenprocedure hadden de gestelde gebreken in de polypropyleenbeschikking al in 1986 kunnen worden gesignaleerd, doch niemand heeft dit gedaan.
63 Wanneer het Gerecht in de arresten Fiatagri en New Holland Ford/Commissie en Deere/Commissie (reeds aangehaald) de door de verzoeksters tijdig aangevoerde argumenten wegens gebrek aan bewijs heeft afgewezen, dan is voor een dergelijke afwijzing des te meer reden in de onderhavige zaak, waarin de vermeende formele onregelmatigheden in de polypropyleenbeschikking te laat en zonder bewijs zijn aangevoerd.
64 Het bezwaar van de Commissie tegen de ontvankelijkheid van de grief betreffende de verzuimde kennisgeving van de polypropyleenbeschikking kan niet worden aanvaard.
65 In haar hogere voorziening heeft Hoechst betoogd, dat de polypropyleenbeschikking non-existent was. In repliek heeft zij de middelen en vorderingen inzake de non-existentie ingetrokken en gesteld, dat een van de in dit kader eerder aangevoerde gebreken, namelijk de verzuimde kennisgeving, tot gevolg heeft, dat de polypropyleenbeschikking geen effect heeft gesorteerd. Hiermee heeft Hoechst de draagwijdte van de in de hogere voorziening aangevoerde middelen beperkt en dus niet een nieuw middel aangevoerd.
66 Aangaande de vordering tot nietigverklaring van de polypropyleenbeschikking, waarvan de Commissie eveneens de ontvankelijkheid betwist, volstaat de vaststelling, dat indien het beroep tot nietigverklaring gegrond is, het Hof de betwiste handeling krachtens artikel 174 EG-Verdrag nietig verklaart. Overeenkomstig artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moeten de conclusies van de hogere voorziening strekken tot gehele of gedeeltelijke toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde. Hieruit volgt, dat de vorderingen van Hoechst niet verschillen van die van ieder ander beroep tot nietigverklaring en in een hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht waarbij een beroep tot nietigverklaring is verworpen, geldig kunnen worden ingediend.
67 Wat de inhoud van de door Hoechst aangevoerde grieven betreft volgt uit de punten 38 tot en met 42 van dit arrest, dat het Hof zich in het kader van de hogere voorziening moet beperken tot het onderzoek, of het Gerecht blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting door voorbij te gaan aan de gestelde gebreken in de polypropyleenbeschikking.
68 Aangaande in de eerste plaats de volgens Hoechst verzuimde kennisgeving van de polypropyleenbeschikking moet om te beginnen worden vastgesteld, dat deze enkel tot non-existent- of nietigverklaring van die handeling kan leiden.
69 Uit de punten 48 en 49 van het PVC-arrest van het Hof blijkt immers, dat handelingen van de gemeenschapsinstellingen, zelfs indien zij onregelmatig zijn, in beginsel worden vermoed rechtsgeldig te zijn en, bijgevolg, rechtsgevolgen in het leven roepen, zolang zij niet nietig zijn verklaard of zijn ingetrokken.
70 Als uitzondering op dit beginsel moeten evenwel handelingen waaraan een onregelmatigheid kleeft die van een zo klaarblijkelijke ernst is, dat zij door de communautaire rechtsorde niet kan worden getolereerd, worden geacht geen enkel - ook geen voorlopig - rechtsgevolg in het leven te hebben geroepen, dat wil zeggen zij moeten als juridisch non-existent worden beschouwd. Deze uitzondering beoogt een evenwicht te bewaren tussen twee fundamentele, zij het soms tegenstrijdige, vereisten waaraan een rechtsorde moet voldoen, te weten de stabiliteit van de rechtsverhoudingen en de eerbiediging van de legaliteit.
71 Anders dan Hoechst stelt, kent het gemeenschapsrecht derhalve geen situatie die het midden houdt tussen non-existentverklaring van een handeling en nietigverklaring ervan.
72 Tegen deze conclusie kan niet worden aangevoerd, dat beschikkingen volgens artikel 191, lid 3, EG van kracht worden door de kennisgeving ervan en bij gebreke van kennisgeving geen enkel gevolg hebben. Zoals bij ieder ander vormvoorschrift is in het geval van de kennisgeving van een handeling ofwel de onregelmatigheid zo ernstig en klaarblijkelijk, dat zij de non-existentie van de bestreden handeling meebrengt, ofwel levert zij een schending van wezenlijke vormvoorschriften op, die tot de nietigverklaring ervan kan leiden.
73 Hieruit volgt, dat het Gerecht niet blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting door niet vast te stellen, dat de polypropyleenbeschikking iedere werking miste.
74 Wat in de tweede plaats de weigering van het Gerecht betreft, gebreken in de totstandkoming en in de kennisgeving van de polypropyleenbeschikking vast te stellen die tot de nietigverklaring ervan konden leiden, volstaat de opmerking, dat dit middel voor het eerst in het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling en om maatregelen tot organisatie van de procesgang en instructiemaatregelen is aangevoerd. De vraag, of het Gerecht dit middel diende te onderzoeken, valt daarom samen met de vraag, of het Gerecht dit verzoek had moeten toewijzen, een vraag die het voorwerp van het middel inzake procedurefouten vormt.
75 Gelet op het betoog van Hoechst betreffende de gebreken die aan de polypropyleenbeschikking zouden kleven, en de door DSM verdedigde opvatting, dat deze tot de juridische non-existentie van die beschikking zouden leiden, moet in de derde plaats nog worden onderzocht, of het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden bij de uitlegging van de voorwaarden waaronder een handeling non-existent kan worden verklaard.
76 In punt 50 van zijn PVC-arrest heeft het Hof erop gewezen, dat gelet op de ernst van de consequenties die zijn verbonden aan de vaststelling dat een handeling van een gemeenschapsinstelling non-existent is, deze vaststelling om redenen van rechtszekerheid beperkt dient te blijven tot uiterst extreme gevallen.
77 Evenals in de PVC-zaken zijn de thans door Hoechst aangevoerde onregelmatigheden in de totstandkomingsprocedure van de polypropyleenbeschikking noch op zichzelf, noch ook in hun geheel beschouwd, van een dermate klaarblijkelijke ernst, dat die beschikking als juridisch non-existent moet worden beschouwd.
78 Wat de voorwaarden betreft, waaronder een handeling non-existent kan worden verklaard, heeft het Gerecht dus niet het gemeenschapsrecht geschonden.
79 Voor zover rekwirante het Hof ten slotte vraagt, instructiemaatregelen te gelasten ter opheldering van de omstandigheden waaronder de Commissie de polypropyleenbeschikking heeft aangenomen, of ter zake bewijs aanbiedt, volstaat de opmerking, dat dergelijke maatregelen buiten het kader van de hogere voorziening vallen, die is beperkt tot rechtsvragen.
80 Instructiemaatregelen houden immers noodzakelijkerwijs in, dat het Hof zich uitspreekt over feitelijke vragen, en zouden het voorwerp van het geding voor het Gerecht wijzigen, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 113, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
81 Voorts gaat het in de hogere voorziening enkel om het bestreden arrest en kan het Hof uitsluitend in geval van vernietiging van dit arrest zelf uitspraak doen, overeenkomstig artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG. Hieruit volgt, dat zolang het bestreden arrest niet is vernietigd, het Hof geen kennis kan nemen van eventuele gebreken van de polypropyleenbeschikking.
82 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste onderdeel van het middel inzake schending van het gemeenschapsrecht moet worden afgewezen.
Het verzuim om de mondelinge behandeling te heropenen en maatregelen tot organisatie van de procesgang en instructiemaatregelen te gelasten
83 Het tweede onderdeel van het middel inzake schending van het gemeenschapsrecht en het middel inzake procedurefouten klaagt, dat het Gerecht de mondelinge behandeling niet heeft heropend en geen maatregelen tot organisatie van de procesgang en instructiemaatregelen heeft gelast.
84 Voor zover de door Hoechst aangevoerde schending van het gemeenschapsrecht de weigering van het Gerecht betreft om de mondelinge behandeling te heropenen en maatregelen tot organisatie van de procesgang en instructiemaatregelen te gelasten, valt dit onderdeel samen met het middel inzake procedurefouten, zodat zij tezamen moeten worden onderzocht.
85 Mitsdien moet worden nagegaan, of het Gerecht van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan door te weigeren, de mondelinge behandeling te heropenen en maatregelen tot organisatie van de procesgang te gelasten.
86 Volgens Hoechst zijn aan de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van het Gerecht ten aanzien van de heropening van de mondelinge behandeling grenzen gesteld, die verband houden met het doel van de gevraagde heropening, en is die uitoefening in hogere voorziening toetsbaar. Gaat het om instructiemaatregelen bedoeld om nieuwe feiten op te helderen en is een mondelinge behandeling in dit kader noodzakelijk, dan zijn alleen de juridische beginselen inzake de bewijsvoering van belang. Moet op grond van die beginselen tot instructiemaatregelen worden overgegaan, dan zou de beoordelingsmarge bij de beslissing over heropening van de mondelinge behandeling tot nul zijn gereduceerd.
87 In haar verzoek van 2 maart 1992 had Hoechst duidelijk gemaakt, dat instructiemaatregelen niet alleen noodzakelijk waren voor de eventuele vaststelling van de non-existentie van de polypropyleenbeschikking, maar eveneens om na te gaan, of bij de vaststelling ervan wezenlijke vormvoorschriften waren geschonden.
88 Hoechst beklemtoont eveneens, dat het Gerecht de nieuwe feiten en het desbetreffende bewijsaanbod niet als tardief heeft afgewezen, maar de vraag ten gronde heeft onderzocht, zij het dat het zich beperkte tot het middel inzake de non-existentie. Het Gerecht zou echter eraan voorbij hebben gezien, dat zij tevens schending van wezenlijke vormvoorschriften had gesteld en dat de aangevoerde feiten daarom vanuit dit juridische gezichtspunt hadden moeten worden opgehelderd.
89 Zelfs al zou de termijn van drie maanden die ingevolge artikel 125 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor herziening geldt, analoog van toepassing zijn - hetgeen in het algemeen wordt ontkend in geval van wettelijke regelingen inzake vervaltermijnen -, dan nog zou die analogie ten gunste van Hoechst werken, aangezien de termijn in acht is genomen. Zij had immers pas door de verklaringen die op 10 december 1991 in het kader van de PVC-procedure voor het Gerecht werden afgelegd, kennis gekregen van de feiten waaruit bleek, dat de in die procedure aan het licht gekomen gebreken van de administratieve handeling aan alle beschikkingen van de Commissie kleefden.
90 De Commissie stelt, dat artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet verplicht de mondelinge behandeling te heropenen, gelijk rekwirante beweert, maar enkel een bevoegdheid daartoe verleent. Het Gerecht heeft overtuigend uiteengezet, waarom er geen aanleiding bestond de procedure te heropenen of instructiemaatregelen te gelasten, aangezien er geen sprake was van voor de beslissing relevante feiten die ambtshalve moesten worden opgehelderd, of van een belangrijk feitelijke stelling die tijdig was aangevoerd en waarover partijen het oneens waren.
91 In de eerste plaats was een ambtshalve onderzoek enkel noodzakelijk geweest, indien partijen voldoende aanwijzingen voor de non-existentie van de polypropyleenbeschikking hadden aangevoerd. Het Gerecht heeft terecht beslist, dat een schending van de taalregeling, achteraf aangebrachte wijzigingen of het ontbreken van de vereiste handtekeningen niet tot de non-existentie van deze beschikking konden leiden, hetgeen het Hof in zijn PVC-arrest heeft bevestigd. Sinds het PVC-arrest van het Hof staat eveneens vast, dat het ontbreken van waarmerking van een beschikking overeenkomstig artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie kan leiden tot nietigverklaring van de beschikking, maar niet tot non-existentie. Hoechst heeft echter niet tijdig en voldoende concreet over schending van deze bepaling geklaagd, zodat het Gerecht de vraag, of er een volgens de regels ondertekend origineel bestond, niet behoefde te onderzoeken, ook niet vanuit het oogpunt van de nietigverklaring van de polypropyleenbeschikking.
92 In het verzoek van Hoechst van 2 maart 1992 werd niet uitdrukkelijk geklaagd over schending van vormvoorschriften; er werd hoofdzakelijk gesproken over de non-existentie en slechts op twee plaatsen zeer in het algemeen over de onwettigheid van de polypropyleenbeschikking. Zelfs al zou dit verzoek als een nietigheidsgrond worden opgevat, dan nog was het onvoldoende concreet en gemotiveerd alsmede tardief.
93 Voorts heeft het Gerecht het verzoek van 2 maart 1992 weliswaar onderzocht, doch is het tot de conclusie gekomen, dat rekwirante geen relevante feitelijke gegevens binnen de gestelde termijn had aangevoerd. Het Gerecht heeft terecht betwijfeld, of de vermeende gebreken in de polypropyleenbeschikking tijdig waren aangevoerd, gelet op de regel van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat na de beëindiging van de schriftelijke procedure nieuwe middelen enkel mogen worden voorgedragen, indien zij steunen op gegevens rechtens of feitelijk waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
94 Het PVC-arrest van het Gerecht kan geen gegeven vormen waarvan tijdens de behandeling is gebleken, aangezien de rechtspraak inzake de herzieningsprocedure van artikel 41, lid 1, van 's Hofs Statuut-EG eveneens geldt voor artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering. Volgens die rechtspraak (beschikking Gerecht BASF/Commissie, reeds aangehaald, punt 12, en arrest Hof van 19 maart 1991, Ferrandi/Commissie, C-403/85 Rev., Jurispr. blz. I-1215) kan een in een andere instantie gewezen arrest geen reden opleveren voor herziening van een arrest.
95 Wat de verklaringen van de gemachtigden van de Commissie tijdens de mondelinge behandeling in de PVC-zaken in november 1991 betreft, merkt de Commissie op, dat Hoechst daarbij vertegenwoordigd was en zich in de polypropyleenzaak dus veel eerder op die verklaringen had kunnen beroepen. Hoechst heeft de nietigheidsgrond dus niet tijdig aangevoerd, maar meer dan drie maanden te laat. In het analoge geval van de herziening van een arrest geldt volgens artikel 125 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop het door de verzoeker aangevoerde feit hem ter kennis is gekomen.
96 Ten aanzien van de door Hoechst aangevoerde onregelmatigheden op het gebied van de taalregeling heeft het Gerecht terecht vastgesteld, dat het louter algemene vermoedens betrof en dat rekwirante onvoldoende gegevens had verstrekt om de polypropyleenbeschikking non-existent te kunnen verklaren.
97 Het Gerecht heeft weliswaar erkend, dat rekwirante het ontbreken van een origineel concreet heeft aangevoerd. Maar ook deze concrete stelling behoefde, noch vanuit het in het bestreden arrest behandelde oogpunt van de non-existentie, noch vanuit het oogpunt van een eventuele nietigheid van de polypropyleenbeschikking, tot de gelasting van instructiemaatregelen te leiden. Het Gerecht nu heeft geoordeeld, dat Hoechst geen enkele concrete aanwijzing voor een schending van het beginsel van onaantastbaarheid van de vastgestelde handeling had verstrekt. Bovendien was dit middel buiten de in artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalde termijn voorgesteld. Anders dan Hoechst stelt, heeft het Gerecht geenszins erkend, dat het betoog tijdig was aangevoerd. Het heeft integendeel zijn twijfels hierover uitgesproken, maar dit punt opengelaten, aangezien het de vraag van de non-existentie van de polypropyleenbeschikking ambtshalve heeft onderzocht.
98 Aangaande de vermeende schending door het Gerecht van een verplichting tot opheldering van de feiten, die Hoechst in zeer algemene termen heeft aangevoerd, merkt de Commissie op, dat artikel 64, lid 3, sub d, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet de voorwaarden regelt waaronder maatregelen tot organisatie van de procesgang kunnen worden gevraagd. Het Gerecht heeft de door Hoechst gevraagde maatregelen tot organisatie van de procesgang dan ook terecht om dezelfde redenen afgewezen, als waarom het het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling heeft afgewezen. Volgens artikel 64, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht beogen de maatregelen tot organisatie van de procesgang immers het voldingen van de zaken en het procesverloop zoveel mogelijk te bespoedigen, en zijn zij niet bedoeld om tekortkomingen van de verzoeker bij de indiening van zijn middelen te ondervangen.
99 Aangaande, in de eerste plaats, de maatregelen tot organisatie van de procesgang moet eraan worden herinnerd, dat het Hof krachtens artikel 21 van zijn Statuut-EG de partijen kan verzoeken alle stukken over te leggen en alle inlichtingen te verstrekken welke het wenselijk acht. Artikel 64, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt, dat de maatregelen tot organisatie van de procesgang tot doel hebben, het voldingen van de zaken, het procesverloop en de afdoening van de geschillen zoveel mogelijk te bespoedigen.
100 Volgens artikel 64, lid 2, sub a en b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht hebben de maatregelen tot organisatie van de procesgang in het bijzonder tot doel, het goede verloop van de schriftelijke en mondelinge behandeling te verzekeren en de bewijsvoering te vergemakkelijken, alsmede de punten te bepalen ten aanzien waarvan partijen hun vertogen moeten aanvullen of die instructie behoeven. Ingevolge artikel 64, lid 3, sub d, en lid 4, kunnen die maatregelen bestaan in het verzoeken om overlegging van documenten of stukken die betrekking hebben op de zaak en kunnen zij door de partijen in elke stand van het geding worden voorgesteld.
101 Gelijk het Hof heeft geoordeeld in het arrest van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie (C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417, punt 93), kan een partij het Gerecht verzoeken, bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang de tegenpartij te gelasten de stukken die zij in haar bezit heeft, over te leggen.
102 Blijkens het doel van de maatregelen tot organisatie van de procesgang, zoals uiteengezet in artikel 64, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, zijn deze maatregelen echter verbonden met de verschillende fases van de procedure voor het Gerecht, waarvan zij het verloop beogen te vergemakkelijken.
103 Hieruit volgt, dat een partij na de sluiting van de mondelinge behandeling nog slechts om maatregelen tot organisatie van de procesgang kan verzoeken, indien het Gerecht besluit de mondelinge behandeling te heropenen. Het Gerecht had dan ook slechts op een dergelijk verzoek behoren te beslissen, indien het het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling had ingewilligd. De grieven die Hoechst dienaangaande heeft aangevoerd, behoeven derhalve geen afzonderlijke bespreking.
104 Wat het verzoek om instructiemaatregelen betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof (zie met name arresten van 16 juni 1971, Prelle/Commissie, 77/70, Jurispr. blz. 561, punt 7, en 15 december 1995, Bosman, C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 53), dat aan een dergelijk verzoek, wanneer het wordt ingediend op een moment waarop de mondelinge behandeling reeds is gesloten, slechts gevolg kan worden gegeven, indien het betrekking heeft op feiten die van beslissende invloed kunnen zijn op de beslechting van het geschil en die de betrokkene voor de sluiting van de mondelinge behandeling niet heeft kunnen aanvoeren.
105 Ditzelfde geldt voor het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling. Ingevolge artikel 62 van zijn Reglement voor de procesvoering beschikt het Gerecht weliswaar over een discretionaire bevoegdheid op dit gebied. Het is evenwel slechts verplicht een dergelijk verzoek in te willigen, indien de betrokkene zich baseert op feiten die van beslissende invloed kunnen zijn en die hij voor de sluiting van de mondelinge behandeling niet heeft kunnen aanvoeren.
106 In casu was het bij het Gerecht ingediende verzoek om heropening van de mondelinge behandeling en maatregelen van instructie gebaseerd op het PVC-arrest van het Gerecht alsmede op verklaringen van de gemachtigden van de Commissie tijdens de terechtzitting in de PVC-zaken of tijdens een persconferentie na de uitspraak van dit arrest.
107 Vastgesteld moet worden, dat algemene, uit een arrest in andere zaken of uit verklaringen naar aanleiding van andere procedures voortvloeiende aanwijzingen over een vermeende handelwijze van de Commissie op het gebied van de taalregeling of over achteraf aangebrachte wijzigingen als zodanig niet als beslissend voor de beslechting van het geschil voor het Gerecht konden worden aangemerkt.
108 Aangaande de klacht over het ontbreken van het door de handtekening van de voorzitter van de Commissie en de secretaris-generaal gewaarmerkte origineel van de polypropyleenbeschikking, en in alle authentieke talen, heeft het Gerecht weliswaar vastgesteld, dat Hoechst deze klacht in haar verzoek van 2 maart 1992 concreet heeft aangevoerd. Hoechst heeft echter geen beslissende en voor de polypropyleenbeschikking kenmerkende feiten aangevoerd, die heropening van de mondelinge behandeling hadden gerechtvaardigd.
109 Voorts had rekwirante - zoals sommige van de verzoeksters in de PVC-zaken hebben gedaan - reeds in haar verzoekschrift het Gerecht ten minste een minimumaantal gegevens kunnen verstrekken die aannemelijk maakten, dat maatregelen tot organisatie van de procesgang of instructiemaatregelen voor de procedure van nut waren met het oog op het bewijs, dat de polypropyleenbeschikking in strijd met de geldende taalregeling was gegeven of na haar vaststelling door het college van commissarissen was gewijzigd, of ook dat de originelen ontbraken (zie in die zin het arrest Baustahlgewebe/Commissie, reeds aangehaald, punten 93 en 94).
110 In dit verband is het van belang erop te wijzen dat het Gerecht, anders dan Hoechst stelt, in het bestreden arrest niet heeft geoordeeld, dat de in haar verzoek van 2 maart 1992 genoemde feiten tijdig waren aangevoerd.
111 Hieraan moet worden toegevoegd, dat het Gerecht niet tot heropening van de mondelinge behandeling gehouden was krachtens een vermeende verplichting om ambtshalve middelen betreffende de regelmatigheid van de totstandkomingsprocedure van de polypropyleenbeschikking te onderzoeken. Een eventuele verplichting tot ambtshalve onderzoek van middelen van openbare orde kan immers slechts bestaan op grond van de feitelijke gegevens van het dossier.
112 Het Gerecht heeft bijgevolg niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door te weigeren de mondelinge behandeling te heropenen en maatregelen tot organisatie van de procesgang en instructiemaatregelen te gelasten.
113 Uit het voorgaande volgt, dat het tweede onderdeel van het middel inzake schending van het gemeenschapsrecht en het middel inzake procedurefouten eveneens moeten worden afgewezen.
114 Mitsdien moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
115 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Daar Hoechst in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen. DSM zal haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Hoechst AG in de kosten.
3) Verstaat dat DSM NV haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy