Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Procedure - Interventie - Ontvankelijkheid - Nieuw onderzoek na eerdere beschikking waarbij interventie ontvankelijk is verklaard
('s Hofs Statuut-EG, art. 37, tweede alinea)
2 Procedure - Interventie - Verzoekschrift ter ondersteuning van conclusies van een van partijen, maar met andere argumenten - Ontvankelijkheid
('s Hofs Statuut-EG, art. 37, vierde alinea)
3 Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Toetsing door Hof van beoordeling van bewijs - Uitgesloten behoudens geval van verkeerde opvatting - Weigering om mondelinge behandeling te heropenen - Onderzoek door Hof - Grenzen
[EG-Verdrag, art. 168 A (thans art. 225 EG);'s Hofs Statuut-EG, art. 51, eerste alinea]
4 Procedure - Maatregelen tot organisatie van procesgang - Verzoek ingediend na sluiting van mondelinge behandeling - Voorwaarden
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 64)
5 Procedure - Verzoek om instructiemaatregelen - Indiening na sluiting van mondelinge behandeling - Verzoek om heropening van mondelinge behandeling - Voorwaarden voor ontvankelijkheid
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 62)
6 Procedure - Mondelinge behandeling - Heropening - Verplichting om ambtshalve middelen inzake regelmatigheid van procedure voor vaststelling van bestreden beschikking te onderzoeken - Geen
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 62)
7 Handelingen van de instellingen - Vermoeden van geldigheid - Non-existente handeling - Begrip
[EG-Verdrag, art. 189 (thans art. 249 EG)]
8 Hogere voorziening - Bevoegdheid van Hof - Instructiemaatregelen - Daarvan uitgesloten
('s Hofs Statuut-EG, art. 54, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 113, lid 2)
Samenvatting
1 Het feit dat het Hof bij een eerdere beschikking een persoon heeft toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van een partij, verzet zich er niet tegen, dat de ontvankelijkheid van zijn interventie opnieuw wordt onderzocht.
2 Artikel 37, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG verzet zich er niet tegen, dat de interveniënt andere argumenten aanvoert dan de door hem ondersteunde partij, zolang die argumenten maar strekken tot ondersteuning van de conclusies van deze partij.
3 Volgens artikel 168 A EG-Verdrag (thans 225 EG) en artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG kan hogere voorziening slechts gebaseerd zijn op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van elke feitelijke waardering. De beoordeling door het Gerecht van het aan hem voorgelegde bewijs levert geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs.
Hieruit volgt dat de grieven van een rekwirant, voor zover zij opkomen tegen de waardering van het in verband met het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling overgelegde bewijsmateriaal, in hogere voorziening niet kunnen worden onderzocht.
Het Hof dient daarentegen wel na te gaan, of het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te weigeren, de mondelinge behandeling te heropenen en instructiemaatregelen te gelasten, waar een partij om had verzocht.
4 Een partij kan het Gerecht verzoeken, bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang de tegenpartij te gelasten stukken die zij in haar bezit heeft, over te leggen. Wanneer een dergelijk verzoek echter na sluiting van de mondelinge behandeling wordt ingediend, moet het Gerecht op een dergelijk verzoek enkel beslissen, indien het besluit de mondelinge behandeling te heropenen.
5 Aan een verzoek om instructiemaatregelen dat na de sluiting van de mondelinge behandeling wordt ingediend, kan slechts gevolg worden gegeven, indien het betrekking heeft op feiten die van beslissende invloed kunnen zijn op de beslechting van het geschil en die de betrokkene vóór de sluiting van de mondelinge behandeling niet heeft kunnen aanvoeren. Ditzelfde geldt voor het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling. Ingevolge artikel 62 van zijn Reglement voor de procesvoering beschikt het Gerecht weliswaar over een discretionaire bevoegdheid op dit gebied, doch het is slechts verplicht een dergelijk verzoek in te willigen, indien de betrokkene zich baseert op feiten die van beslissende invloed kunnen zijn en die hij voor de sluiting van de mondelinge behandeling niet heeft kunnen aanvoeren.
6 Het Gerecht is niet tot heropening van de mondelinge behandeling gehouden krachtens een vermeende verplichting om ambtshalve middelen betreffende de regelmatigheid van de totstandkomingsprocedure van een beschikking van de Commissie te onderzoeken. Een eventuele verplichting tot ambtshalve onderzoek van middelen van openbare orde kan slechts bestaan op grond van de feitelijke gegevens van het dossier.
7 Handelingen van de gemeenschapsinstellingen worden, zelfs indien zij onregelmatig zijn, in beginsel vermoed rechtsgeldig te zijn en roepen bijgevolg rechtsgevolgen in het leven, zolang zij niet nietig zijn verklaard of zijn ingetrokken.
Als uitzondering op dit beginsel moeten evenwel handelingen waaraan een onregelmatigheid kleeft die van een zo klaarblijkelijke ernst is, dat zij door de communautaire rechtsorde niet kan worden getolereerd, worden geacht geen enkel - ook geen voorlopig - rechtsgevolg in het leven te hebben geroepen, dat wil zeggen zij moeten als juridisch non-existent worden beschouwd. Deze uitzondering beoogt een evenwicht te bewaren tussen twee fundamentele, zij het soms tegenstrijdige, vereisten waaraan een rechtsorde moet voldoen, te weten de stabiliteit van de rechtsverhoudingen en de eerbiediging van de legaliteit.
Gelet op de ernst van de consequenties die zijn verbonden aan de vaststelling dat een handeling van een gemeenschapsinstelling non-existent is, dient deze vaststelling om redenen van rechtszekerheid beperkt te blijven tot uiterst extreme gevallen.
8 Het verzoek van een partij aan het Hof om instructiemaatregelen te gelasten ter opheldering van de omstandigheden waaronder de Commissie de beschikking heeft gegeven die het voorwerp van het bestreden arrest vormt, valt buiten het kader van een hogere voorziening, die is beperkt tot rechtsvragen.
Instructiemaatregelen houden immers noodzakelijkerwijs in, dat het Hof zich uitspreekt over feitelijke vragen, en zouden het voorwerp van het geding voor het Gerecht wijzigen, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 113, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
Voorts gaat het in de hogere voorziening enkel om het bestreden arrest en kan het Hof uitsluitend in geval van vernietiging van dit arrest zelf uitspraak doen, overeenkomstig artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG, en dus kennis nemen van eventuele gebreken van de voor het Gerecht bestreden beschikking.
Partijen
In zaak C-245/92 P,
Chemie Linz GmbH, gevestigd te Linz (Oostenrijk), vertegenwoordigd door O. Lieberknecht, advocaat te Düsseldorf, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Bonn, advocaat aldaar, Côte d'Eich 22,
rekwirante,
ondersteund door
DSM NV, gevestigd te Heerlen (Nederland), vertegenwoordigd door I. G. F. Cath, advocaat te 's-Gravenhage, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Dupong, advocaat aldaar, Rue des Bains 14A,
interveniënte in hogere voorziening,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Eerste kamer) van 10 maart 1992, Chemie Linz/Commissie (T-15/89, Jurispr. blz. II-1275), strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. zur Hausen, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Zesde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, G. Hirsch, G. F. Mancini (rapporteur), J. L. Murray en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffiers: H. von Holstein, adjunct-griffier, en D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 12 maart 1997, waarbij Chemie Linz GmbH was vertegenwoordigd door O. Lieberknecht en M. Klusmann, advocaat te Düsseldorf, DSM NV door I. G. F. Cath en de Commissie door G. zur Hausen,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juli 1997,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 26 mei 1992 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft Chemie Linz GmbH krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 maart 1992, Chemie Linz/Commissie (T-15/89, Jurispr. blz. II-1275; hierna: "bestreden arrest").
De feiten en de procedure voor het Gerecht
2 Blijkens het bestreden arrest zijn de feiten die aan de hogere voorziening ten grondslag liggen, de volgende.
3 Verschillende ondernemingen uit de Europese petrochemische industrie hebben bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen beschikking 86/398/EEG van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen) (PB L 230, blz. 1; hierna: "polypropyleenbeschikking").
4 Volgens de door het Gerecht bevestigde bevindingen van de Commissie werd de markt van polypropyleen vóór 1977 bevoorraad door tien producenten, waarvan er vier [Montedison SpA (hierna: "Monte"), Hoechst AG, Imperial Chemical Industries plc en Shell International Chemical Company Ltd] tezamen 64 % van de markt vertegenwoordigden. Nadat de hoofdoctrooien van Monte waren verstreken, dienden zich in 1977 nieuwe producenten op de markt aan, hetgeen een aanzienlijke toename van de reële productiecapaciteit tot gevolg had, die evenwel niet gepaard ging met een overeenkomstige stijging van de vraag. Dit leidde tot een bezettingsgraad van de productiecapaciteit tussen 60 % in 1977 en 90 % in 1983. Elk van de destijds in de Gemeenschap gevestigde producenten verkocht in alle of nagenoeg alle lidstaten.
5 Chemie Linz AG, voorheen Chemische Werke Linz AG, verzoekster in eerste aanleg, waarvan Chemie Linz GmbH (hierna: "Chemie Linz") de rechtsopvolgster is, behoorde tot de producenten die in 1977 de markt bevoorraadden. Haar marktaandeel op de West-Europese markt lag tussen de 3,2 en 3,9 %.
6 Na verificaties die gelijktijdig bij verschillende ondernemingen van de sector plaatsvonden, verzocht de Commissie een aantal polypropyleenproducenten om inlichtingen krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204). Blijkens punt 6 van het bestreden arrest kwam de Commissie op grond van de verkregen inlichtingen tot de conclusie, dat de betrokken producenten tussen 1977 en 1983 in strijd met artikel 85 EG-Verdrag (thans artikel 81 EG) in het kader van een reeks prijsinitiatieven regelmatig richtprijzen hadden vastgesteld en een jaarlijks controlesysteem hadden opgezet voor de verkochte hoeveelheden, teneinde de beschikbare markt op basis van overeengekomen percentages of hoeveelheden onder elkaar te verdelen. Dit was voor de Commissie aanleiding de procedure van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 in te leiden en een aantal ondernemingen, waaronder Chemie Linz, een schriftelijke mededeling van punten van bezwaar toe te zenden.
7 Aan het einde van deze procedure gaf de Commissie de polypropyleenbeschikking, waarin zij vaststelde dat Chemie Linz inbreuk had gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, door vanaf omstreeks november 1977 tot ten minste november 1983 samen met andere ondernemingen deel te nemen aan een medio 1977 gesloten overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedraging, krachtens welke de producenten die polypropyleen op de gemeenschappelijke markt aanboden:
- met elkaar in contact traden en regelmatig (vanaf begin 1981, tweemaal per maand) in een reeks geheime vergaderingen bijeenkwamen om hun commercieel beleid te bespreken en te bepalen;
- van tijd tot tijd voor de verkoop van het product in elke lidstaat van de Gemeenschap "richt"- (of minimum)prijzen bepaalden;
- verschillende maatregelen overeenkwamen waarmede de toepassing van dergelijke richtprijzen moest worden vergemakkelijkt, met inbegrip van (hoofdzakelijk) tijdelijke beperkingen van de productie, de uitwisseling van gedetailleerde informatie over hun leveringen, het houden van plaatselijke vergaderingen, en tegen het einde van 1982 een systeem van "account management" bedoeld om prijsverhogingen voor individuele klanten toe te passen;
- gelijktijdig hun prijzen verhoogden met het oog op de toepassing van de genoemde richtprijzen;
- de markt verdeelden door aan elke producent een jaarlijks doel of "quotum" voor de verkoop toe te kennen (1979, 1980 en voor ten minste een gedeelte van 1983) of bij gebreke van een definitieve zich over het gehele jaar uitstrekkende overeenkomst door van de producenten een beperking te eisen van hun verkoop in elke maand in vergelijking met een voorafgaande periode (1981, 1982) (artikel 1 van de polypropyleenbeschikking).
8 De Commissie gelastte de verschillende betrokken ondernemingen, die inbreuken onmiddellijk te beëindigen en zich voortaan te onthouden van elke overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg kon hebben. De Commissie gelastte hun eveneens, een einde te maken aan enigerlei uitwisseling van informatie van het type dat gewoonlijk onder het zakengeheim valt, en elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie (zoals het Fides-systeem) zo toe te passen, dat daarvan elke informatie was uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kon worden afgeleid (artikel 2 van de polypropyleenbeschikking).
9 Chemie Linz kreeg een geldboete opgelegd van 1 000 000 ECU, ofwel 1 471 590 000 LIT (artikel 3 van de polypropyleenbeschikking).
10 Op 11 augustus 1986 stelde Chemie Linz bij het Hof beroep tot nietigverklaring in tegen deze beschikking. Bij beschikking van 15 november 1989 verwees het Hof de zaak naar het Gerecht krachtens besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1).
11 Chemie Linz concludeerde voor het Gerecht tot nietigverklaring van de polypropyleenbeschikking voor zover zij haar betrof, en, subsidiair, tot nietigverklaring van artikel 3 van deze beschikking voor zover de daarbij aan haar opgelegde geldboete het bedrag van een - door het Gerecht te bepalen - redelijke geldboete overschreed, met verwijzing van de Commissie in de kosten.
12 De Commissie concludeerde tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van rekwirante in de kosten.
13 Bij afzonderlijke memorie van 28 februari 1992 heeft Chemie Linz het Gerecht verzocht, overeenkomstig de artikelen 62, 64, 65 en 66 van zijn Reglement voor de procesvoering, de uitspraak van het arrest uit te stellen, de mondelinge behandeling te heropenen en instructiemaatregelen te gelasten in verband met hetgeen de Commissie had verklaard tijdens de terechtzitting voor het Gerecht in de zaak BASF e.a./Commissie (arrest van 27 februari 1992, zaken T-79/89, T-84/89-T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-102/89 en T-104/89, Jurispr. blz. II-315; hierna: "PVC-arrest van het Gerecht").
Het bestreden arrest
14 Op het in punt 393 ter sprake gebrachte verzoek om heropening van de mondelinge behandeling besliste het Gerecht, na de advocaat-generaal opnieuw te hebben gehoord, in punt 394, dat er geen termen aanwezig waren om overeenkomstig artikel 62 van zijn Reglement voor de procesvoering de heropening van de mondelinge behandeling te bevelen, noch om de door Chemie Linz gevraagde instructiemaatregelen te gelasten.
15 In punt 395 verklaarde het Gerecht:
"Allereerst moet worden opgemerkt, dat het arrest van 27 februari 1992, reeds aangehaald, op zichzelf de heropening van de mondelinge behandeling in de onderhavige zaak niet rechtvaardigt. Bovendien heeft verzoekster er in de onderhavige zaak tot op het einde van de mondelinge behandeling zelfs niet op gezinspeeld, dat de bestreden beschikking non-existent is wegens de in het reeds genoemde arrest van 27 februari 1992 vastgestelde gebreken. Een eerste vraag is dus, of verzoekster wel voldoende rechtvaardigingsgronden heeft aangevoerd voor de omstandigheid dat zij zich niet eerder heeft beroepen op die gebreken, die in ieder geval reeds vóór de indiening van het beroep bestonden. Al is de gemeenschapsrechter in het kader van een krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag ingesteld beroep tot nietigverklaring ambtshalve bevoegd om te onderzoeken of de bestreden handeling wel bestaat, dit betekent nog niet, dat in elk op artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag gebaseerd beroep ambtshalve moet worden onderzocht of de bestreden handeling bestaat. De rechter is slechts verplicht dit punt ambtshalve te onderzoeken wanneer partijen voldoende indiciën voor een eventuele non-existentie van de bestreden handeling verstrekken. In het onderhavige geval bevat het door verzoekster gevoerde betoog niet voldoende indiciën om aan de existentie van de beschikking te gaan twijfelen. Uit de verklaring die de gemachtigden van de Commissie tijdens de mondelinge behandeling van de gevoegde zaken T-79/89, T-84/89-T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89 hebben afgelegd en waarop verzoekster zich beroept, zou blijken dat er ook in het onderhavige geval geen volgens de regels ondertekend origineel van de bestreden beschikking bestaat. Zelfs al zou dit inderdaad het geval zijn, dan volgt uit dit feit alleen nog niet dat de bestreden beschikking non-existent is. Verzoekster noemt immers geen enkele reden waarom de Commissie in 1986 - dat wil zeggen in een normale situatie, die aanzienlijk verschilt van de bijzondere situatie in de PVC-zaken, waar het mandaat van de Commissie eind januari 1988 verstreek - achteraf wijzigingen zou hebben aangebracht in de beschikking. Het volstaat in dit verband niet, zich het recht voor te behouden later middelen dienaangaande aan te voeren. In die omstandigheden zijn er geen redenen om aan te nemen, dat het beginsel van de onaantastbaarheid van de vastgestelde handeling na het geven van de bestreden beschikking zou zijn geschonden, en dat deze beschikking daardoor ten gunste van verzoekster het uiterlijke vermoeden van geldigheid zou hebben verloren. De enkele omstandigheid dat een volgens de regels voor echt verklaard origineel ontbreekt, brengt dus op zichzelf niet mee dat de bestreden handeling non-existent is. Er zijn derhalve geen termen aanwezig om de mondelinge behandeling te heropenen teneinde nieuwe maatregelen van instructie te treffen. Daar verzoeksters betoog een verzoek om herziening niet kan rechtvaardigen, dient geen gevolg te worden gegeven aan de suggestie om de mondelinge behandeling te heropenen."
16 Het Gerecht verwierp het beroep en verwees Chemie Linz in de kosten.
De hogere voorziening
17 In haar hogere voorziening concludeert Chemie Linz dat het het Hof behage:
- primair:
- het bestreden arrest te vernietigen en de polypropyleenbeschikking nietig te verklaren voor zover deze haar betreft;
- de Commissie te verwijzen in de kosten;
- subsidiair:
- het bestreden arrest te vernietigen en de zaak voor hernieuwde beslissing terug te verwijzen naar het Gerecht.
18 Chemie Linz verzoekt het Hof eveneens, de Commissie te gelasten, de ten tijde van de goedkeuring voorliggende versies van de polypropyleenbeschikking, de gewaarmerkte originelen van die beschikking en de notulen van de vergadering van de Commissie van 23 april 1986 betreffende die beschikking over te leggen.
19 Bij beschikking van het Hof van 30 september 1992 is DSM NV (hierna: "DSM") toegelaten tot interventie aan de zijde van Chemie Linz. DSM concludeert dat het het Hof behage:
- het bestreden arrest te vernietigen;
- de polypropyleenbeschikking non-existent dan wel nietig te verklaren;
- de polypropyleenbeschikking voor alle adressaten, althans voor DSM, non-existent of nietig te verklaren, ongeacht of zij hogere voorziening tegen het voor hen relevante arrest hebben ingesteld en of hun hogere voorziening is afgewezen;
- subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht ter beslissing van de vraag, of de polypropyleenbeschikking non-existent is of nietig moet worden verklaard;
- in elk geval de Commissie te verwijzen in de kosten van zowel de procedure voor het Hof als die voor het Gerecht, daaronder begrepen de kosten gevallen op DSM's interventie.
20 De Commissie concludeert dat het het Hof behage:
- de hogere voorziening niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair, af te wijzen;
- Chemie Linz in de kosten te verwijzen;
- de interventie in haar geheel niet-ontvankelijk te verklaren;
- subsidiair, niet-ontvankelijk te verklaren de petita van de interventie die ertoe strekken, dat het Hof de polypropyleenbeschikking voor al haar adressaten, althans DSM, non-existent of nietig verklaart, ongeacht of de adressaten van die beschikking hogere voorziening tegen het voor hen relevante arrest hebben ingesteld en of hun hogere voorziening is afgewezen, en de interventie voor het overige ongegrond te verklaren;
- meer subsidiair, de interventie ongegrond te verklaren;
- in elk geval DSM te verwijzen in de kosten van de interventie.
21 De middelen die Chemie Linz aan haar hogere voorziening ten grondslag heeft gelegd, zijn: procedurefouten en schending van het gemeenschapsrecht in de zin van artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG. Zij houden alle verband met de weigering van het Gerecht om de mondelinge behandeling te heropenen en instructiemaatregelen te gelasten.
22 Op verzoek van de Commissie en ondanks bezwaar van Chemie Linz is de behandeling van de zaak bij beschikking van de president van het Hof van 27 juli 1992 geschorst tot 15 september 1994, teneinde de eventuele consequenties te onderzoeken van het arrest van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a. (C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555; hierna: "PVC-arrest van het Hof"), gewezen op de hogere voorziening tegen het PVC-arrest van het Gerecht.
De ontvankelijkheid van de hogere voorziening
23 De Commissie is van mening, dat het interventieverzoek van DSM niet-ontvankelijk moet worden verklaard. DSM betoogt namelijk, dat zij als interveniënte belang heeft bij de vernietiging van het arrest in het geval van Chemie Linz. Volgens de Commissie kan een nietigverklaring echter niet voor alle individuele adressaten van een beschikking gelden, maar uitsluitend voor hen die een beroep in die zin hebben ingesteld; dit is nu juist een van de verschillen tussen nietigverklaring en non-existentie. Ontkenning van dit onderscheid komt erop neer, dat elke dwingende kracht wordt ontzegd aan de termijn waarbinnen beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld. DSM kan zich daarom niet op een eventuele nietigverklaring beroepen, aangezien zij het arrest van het Gerecht van 17 december 1991, DSM/Commissie (T-8/89, Jurispr. blz. II-1833), dat haar betrof, niet voor het Hof heeft betwist. Met haar interventie tracht DSM dus enkel te ontkomen aan een verval van recht.
24 Toen de interventie van DSM bij de reeds genoemde beschikking van 30 september 1992 werd toegestaan, was het PVC-arrest van het Hof, waarin het zich heeft uitgesproken over het vraagstuk van de nietigverklaring en de non-existentie, nog niet gewezen. Als de gestelde gebreken al gefundeerd zijn, kunnen deze volgens de Commissie, gezien dat arrest, uitsluitend tot de nietigverklaring van de polypropyleenbeschikking en niet tot de vaststelling van de non-existentie ervan leiden. Zo gezien zou DSM dus geen belang meer hebben bij de interventie.
25 De Commissie verzet zich met name tegen de ontvankelijkheid van DSM's vordering, de polypropyleenbeschikking voor al haar adressaten, althans voor DSM, non-existent of nietig te verklaren, ongeacht of die adressaten hogere voorziening tegen het voor hen relevante arrest hebben ingesteld en of hun hogere voorziening is afgewezen. Deze vordering is niet-ontvankelijk, aangezien DSM een kwestie wil aansnijden die uitsluitend haar betreft, terwijl zij het geding alleen kan aanvaarden in de stand waarin het zich bevindt. Krachtens artikel 37, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG kan een interveniënt alleen de conclusies van een andere partij ondersteunen en geen eigen conclusies indienen. Deze vordering van DSM bevestigt, dat zij de interventie wil gebruiken om te ontkomen aan de consequenties van het verstrijken van de termijn voor het instellen van hogere voorziening tegen het arrest DSM/Commissie (reeds aangehaald), dat haar betrof.
26 Met betrekking tot de exceptie van niet-ontvankelijkheid die tegen de gehele interventie is opgeworpen, moet om te beginnen worden opgemerkt, dat de beschikking van 30 september 1992, waarbij het Hof DSM heeft toegelaten tot interventie aan de zijde van Chemie Linz, zich niet ertegen verzet, dat de ontvankelijkheid van haar interventie opnieuw wordt onderzocht (zie in die zin arrest van 29 oktober 1980, Roquette Frères/Raad, 138/79, Jurispr. blz. 3333).
27 In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat het recht om zich te voegen in een voor het Hof aanhangig rechtsgeding krachtens artikel 37, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG toekomt aan eenieder die aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van dat geding. Op grond van de vierde alinea van deze bepaling kunnen de conclusies van het verzoek tot voeging slechts strekken tot ondersteuning van de conclusies van een der partijen.
28 Chemie Linz vordert in hogere voorziening de vernietiging van het bestreden arrest echter met name op grond dat het Gerecht niet de non-existentie van de polypropyleenbeschikking heeft vastgesteld. Uit punt 49 van het PVC-arrest van het Hof blijkt, dat als uitzondering op het vermoeden van rechtsgeldigheid dat handelingen van instellingen genieten, handelingen waaraan een onregelmatigheid kleeft die van een zo klaarblijkelijke ernst is, dat zij door de communautaire rechtsorde niet kan worden getolereerd, worden geacht geen enkel - ook geen voorlopig - rechtsgevolg in het leven te hebben geroepen, dat wil zeggen dat zij als juridisch non-existent moeten worden beschouwd.
29 Anders dan door de Commissie gesteld, is het belang van DSM niet verdwenen na het arrest waarbij het Hof het PVC-arrest van het Gerecht vernietigde en oordeelde, dat de door het Gerecht vastgestelde gebreken niet van dien aard waren, dat zij de non-existentie van de in de PVC-zaken bestreden beschikking konden meebrengen. Het PVC-arrest van het Hof betrof immers niet de non-existentie van de polypropyleenbeschikking en heeft daarom niet tot gevolg, dat het belang van DSM bij vaststelling van die non-existentie is tenietgegaan.
30 Het is juist, dat Chemie Linz bij repliek een deel van haar middelen heeft ingetrokken in verband met hetgeen het Hof in het PVC-arrest heeft beslist inzake het non-existentievraagstuk.
31 Daar Chemie Linz echter nog steeds de vernietiging van het bestreden arrest vordert op de grond, dat die beschikking niet op regelmatige wijze is tot stand gekomen en het Gerecht het nodige onderzoek had moeten verrichten om die gebreken vast te stellen, kan DSM die vordering in het kader van haar interventie ondersteunen met het betoog, dat diezelfde gebreken voor het Gerecht aanleiding hadden moeten zijn, de non-existentie van die beschikking vast te stellen.
32 Het is immers vaste rechtspraak (zie met name arrest van 19 november 1998, Verenigd Koninkrijk/Raad, C-150/94, Jurispr. blz. I-7235, punt 36), dat artikel 37, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG zich er niet tegen verzet, dat een interveniënt andere argumenten aanvoert dan de door hem ondersteunde partij, zolang die argumenten maar strekken tot ondersteuning van de conclusies van deze partij.
33 DSM's stellingen inzake de non-existentie van de polypropyleenbeschikking strekken er met name toe aan te tonen, dat het Gerecht met zijn afwijzing van het verzoek van Chemie Linz om heropening van de mondelinge behandeling en instructiemaatregelen te bevelen, heeft verzuimd te onderzoeken, of die beschikking non-existent was, en dus het gemeenschapsrecht heeft geschonden. Ofschoon haar betoog andere argumenten dan die van Chemie Linz omvat, heeft het dus betrekking op de middelen die laatstgenoemde in hogere voorziening heeft aangevoerd en strekt het tot ondersteuning van haar vordering tot vernietiging van het bestreden arrest, zodat het moet worden onderzocht.
34 Met betrekking tot de exceptie die de Commissie heeft opgeworpen tegen het petitumonderdeel waarin DSM non-existent- dan wel nietigverklaring van de polypropyleenbeschikking voor alle adressaten ervan, althans voor DSM, vordert, moet worden vastgesteld, dat dit onderdeel DSM in het bijzonder betreft en niet aansluit bij de vorderingen van Chemie Linz. Deze vordering voldoet daarom niet aan de voorwaarden van artikel 37, vierde alinea, van 's Hofs Statuut-EG en moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
De ontvankelijkheid van de hogere voorziening
35 De Commissie stelt, dat de hogere voorziening in haar geheel niet-ontvankelijk is. Chemie Linz voert voor het eerst een groot aantal feiten en argumenten aan, die voor het Gerecht niet aan de orde zijn geweest. Rekwirante verwijst zelf naar nieuwe omstandigheden, zoals de hogere voorziening van de Commissie in de PVC-zaken en de procedures voor het Gerecht in de zogenoemde "polyethyleen van lage dichtheid"-zaken (arrest van 6 april 1995, BASF e.a./Commissie, T-80/89, T-81/89, T-83/89, T-87/89, T-88/89, T-90/89, T-93/89, T-95/89, T-97/89, T-99/89, T-100/89, T-101/89, T-103/89, T-105/89, T-107/89 en T-112/89, Jurispr. blz. II-729; hierna: "polyethyleenzaken"). Voor het eerst stelt Chemie Linz, dat de polypropyleenbeschikking niet in het Nederlands en het Italiaans is goedgekeurd, en verstrekt zij gegevens die zouden moeten aantonen, dat in de door de Commissie goedgekeurde teksten achteraf wijzigingen zijn aangebracht.
36 De Commissie beklemtoont, dat in hogere voorziening het voorwerp van het geding niet kan worden gewijzigd en dat nieuwe middelen derhalve niet-ontvankelijk zijn. Daar de hogere voorziening ertoe strekt, het in eerste aanleg gewezen arrest vanuit juridisch oogpunt te controleren, moet zij betrekking hebben op de stand van het geding op het moment waarop het Gerecht zijn arrest heeft gewezen (arrest Hof van 19 juni 1992, V./Parlement, C-18/91 P, Jurispr. blz. I-3997).
37 Volgens artikel 168 A (thans artikel 225 EG) en artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG kan hogere voorziening slechts gebaseerd zijn op middelen inzake schending van rechtsregels, met uitsluiting van elke feitelijke waardering. De beoordeling door het Gerecht van het aan hem voorgelegde bewijs levert geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in geval van een verkeerde opvatting van dit bewijs (zie met name arrest van 2 maart 1994, Hilti/Commissie, C-53/92 P, Jurispr. blz. I-667, punten 10 en 42).
38 Voorts mag in hogere voorziening het voorwerp van het geding voor het Gerecht niet worden gewijzigd, aldus artikel 113, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
39 Hieruit volgt, dat rekwirantes grieven, voor zover zij opkomen tegen de waardering van het in verband met het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling overgelegde bewijsmateriaal, in hogere voorziening niet kunnen worden onderzocht. Ook de middelen die voor het eerst in hogere voorziening worden aangevoerd, zijn niet-ontvankelijk.
40 Het Hof dient daarentegen wel na te gaan, of het Gerecht blijk heeft gegeven van een verkeerde rechtsopvatting door voorbij te gaan aan de vermeende gebreken in de polypropyleenbeschikking of door te weigeren, de mondelinge behandeling te heropenen en maatregelen tot organisatie van de procesgang en instructiemaatregelen te gelasten, zoals rekwirante had verzocht.
41 Hieruit volgt, dat de hogere voorziening niet in haar geheel niet-ontvankelijk is, maar dat van geval tot geval moet worden nagegaan, of de grieven en vorderingen van Chemie Linz in hogere voorziening ontvankelijk zijn.
De tot staving van de hogere voorziening aangevoerde middelen: procedurefouten en schending van het gemeenschapsrecht
42 Onder verwijzing naar de punten 393 tot en met 395 van het bestreden arrest stelt Chemie Linz, dat voor zover het Gerecht daarin haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling en gelasting van de nodige instructiemaatregelen en maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft afgewezen, het procedurefouten heeft gemaakt waardoor haar belangen zijn geschaad, alsmede het gemeenschapsrecht heeft geschonden, in het bijzonder de artikelen 164 EG-Verdrag (thans artikel 220 EG) en 173 van het Verdrag en de artikelen 48, lid 2, 49, 62, 64 en 65 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
43 Chemie Linz bekritiseert in de eerste plaats de afwijzing van haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling en gelasting van instructiemaatregelen. Ook al bieden de artikelen 62, 64 en volgende van zijn Reglement voor de procesvoering het Gerecht slechts de mogelijkheid dergelijke maatregelen te treffen, brengt de in artikel 164 van het Verdrag vastgelegde plicht om de eerbiediging van het recht te verzekeren niettemin mee, dat ter zake van die maatregelen geen sprake is van een vrije beoordelingsbevoegdheid van het Gerecht, maar eerder van een gebonden bevoegdheid. Het Gerecht moet de mondelinge behandeling heropenen, zodra een partij zich op nieuwe, voor de beslissing doorslaggevende feiten beroept, waarop zij zich voor de sluiting van de mondelinge behandeling niet heeft kunnen beroepen. Ook moet het Gerecht een onderzoek instellen zodra er precieze aanwijzingen bestaan voor beslissende omstandigheden die door de partij die zich daarop beroept, niet kunnen worden aangetoond.
44 De gronden waarop het Gerecht het verzoek van 28 februari 1992 heeft afgewezen, kunnen een onderzoek in rechte niet doorstaan. De gestelde gebreken zijn dermate ernstig, dat zij de nietigverklaring van de polypropyleenbeschikking meebrengen en voor het Gerecht aanleiding hadden moeten zijn instructiemaatregelen te gelasten. Gaat men er evenals de Commissie van uit, dat de gemeenschapsrechter met het oog op instructiemaatregelen de mondelinge behandeling moet heropenen, zowel wanneer voor de beslissing belangrijke feiten ambtshalve moeten worden opgehelderd, als wanneer de partijen het niet eens zijn over een voor de beslissing belangrijk feit dat binnen de gestelde termijn is aangevoerd, dan moet worden vastgesteld, dat aan die eerste voorwaarde in casu zonder meer is voldaan.
45 Volgens Chemie Linz kon zij haar verzoek niet eerder indienen. Het is niet juist om, gelijk de Commissie doet, zich op artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te beroepen of te concluderen, dat als gevolg van het tijdsverloop tussen 10 december 1991 en 28 februari 1992 het verzoek te laat was. Om te beginnen verwijst het Gerecht niet naar deze bepaling. Voorts vormt een arrest waaruit blijkt dat een in een andere zaak betwiste beschikking gebreken vertoont die tot dan toe onbekend waren en die tot de nietigheid ervan leiden, in een andere procedure een juridische of feitelijke omstandigheid in de zin van artikel 48, lid 2, indien dit rechtstreekse gevolgen voor laatstgenoemde procedure heeft. Ten slotte heeft Chemie Linz zich niet primair op het PVC-arrest van het Gerecht beroepen, maar op het feit dat tijdens de procedure in de polyethyleenzaken was gebleken, dat daar eveneens een origineel van de bestreden beschikking ontbrak.
46 Evenmin kan naar analogie van het voor de herzieningsprocedure geldende artikel 125 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht worden gesteld, dat het heropeningsverzoek te laat is ingediend. Een analoge toepassing van vervaltermijnen is reeds op grond van algemene rechtsbeginselen uitgesloten. Ook de reden waarom in het kader van een herzieningsprocedure een vervaltermijn is voorzien, verzet zich ertegen, deze op overeenkomstige wijze toe te passen op het geval bedoeld in artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht: die reden is gelegen in het behoud van de juridische stabiliteit die uit een in kracht van gewijsde gegaan arrest voortvloeit en een rechtszekerheid waarborgt, die alleen onder strikte voorwaarden en binnen zeer korte termijnen in geding kan worden gebracht. In situaties als de onderhavige is er geen vergelijkbare reden voor beperking van de mogelijkheid om nieuwe middelen voor te dragen of om de heropening van de mondelinge behandeling te vragen. Integendeel, het vereiste van een volledig onderzoek van relevante feiten zou, behoudens in geval van opzettelijke vertraging, aanleiding moeten zijn voor een ruime uitlegging van de rechten die door het Reglement voor de procesvoering worden toegekend.
47 Chemie Linz beklemtoont, dat het Gerecht haar nieuwe feitelijke stellingen heeft toegelaten en niet als tardief heeft afgewezen. Het Hof zou in dit opzicht aan het oordeel van het Gerecht gebonden zijn, afgezien van het feit dat het moet nagaan, of het Gerecht zijn beoordelingsbevoegdheid niet onjuist heeft gebruikt.
48 Chemie Linz betwist overigens de stelling van de Commissie, dat zij kort na de mondelinge behandeling in de PVC-zaken kennis had gekregen van de verklaringen van de gemachtigden van deze instelling. Chemie Linz, die geen partij in die zaken was en ter terechtzitting niet was vertegenwoordigd, was pas op een later, thans niet meer te bepalen tijdstip op de hoogte gesteld van de verklaringen die de gemachtigde van de Commissie tijdens die terechtzitting had afgelegd en had pas op 27 februari 1992, de datum van uitspraak van het PVC-arrest van het Gerecht, precieze kennis van die informatie gekregen. Vóór die datum had zij geen enkele reden om aan de rechtmatigheid van het besluitvormingsproces binnen de Commissie te twijfelen. Chemie Linz kan daarom niet worden verweten, dat zij het PVC-arrest van het Gerecht heeft afgewacht alvorens haar verzoek in te dienen.
49 Het argument van de Commissie, dat Chemie Linz in haar verzoek onvoldoende aanwijzingen voor een schending van artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie heeft aangevoerd, moet worden afgewezen. De aangevoerde feiten waren voldoende nauwkeurig om het Gerecht tot heropening van de mondelinge behandeling te verplichten. Op dat tijdstip had zij hoe dan ook geen nauwkeuriger aanwijzingen kunnen geven. Daar de Commissie in algemene zin heeft toegegeven, dat artikel 12 niet in acht was genomen, stond deze nietigheidsgrond los van de bijzondere omstandigheden van de PVC-zaken, verband houdend met het aantreden van een nieuwe Commissie.
50 De uitlegging van de Commissie, dat de eerbiediging van de regel inzake de waarmerking van de polypropyleenbeschikking alleen van belang is, indien precieze aanwijzingen worden gegeven die twijfel zaaien over de exacte bewoordingen van de vastgestelde handeling, heeft tot gevolg, dat een schending van het wezenlijke vormvoorschrift van artikel 12 van het reglement van orde juridisch zonder consequenties blijft zolang in het betrokken geval niet kan worden aangetoond, dat er na de definitieve vaststelling een wijziging heeft plaatsgevonden. Deze uitlegging is bovendien in strijd met punt 76 van het PVC-arrest van het Hof, volgens hetwelk de waarmerking van handelingen een wezenlijk vormvoorschrift in de zin van artikel 173 van het Verdrag is. Daarom behoort in elk afzonderlijk geval te worden gegarandeerd, dat de definitieve tekst van een besluit vaststelbaar is en is voorzien van de handtekeningen van de voorzitter van de Commissie en haar secretaris-generaal.
51 Aangezien de latere kennisneming van een nietigheidsgrond een reden voor herziening vormt, had het verzoek om heropening moeten worden ingewilligd, daar het nieuwe feit, indien het later bekend was geworden, ook een reden voor herziening was geweest. Bij de heropening van de mondelinge behandeling zal om redenen van proceseconomie weliswaar met meer feiten rekening moeten worden gehouden dan bij de herzieningsprocedure het geval is. Omgekeerd zal echter een grond voor herziening altijd een reden voor heropening van de mondelinge behandeling moeten zijn. De ontdekking van de schending van artikel 12 van het reglement van orde is een grond voor herziening en moet daarom a fortiori reden voor de heropening van de mondelinge behandeling zijn.
52 Chemie Linz klaagt verder, dat het Gerecht is tekortgeschoten in zijn verplichting tot opheldering van de feiten, die besloten ligt in artikel 64, lid 3, sub d, van zijn Reglement voor de procesvoering, volgens hetwelk het Gerecht om overlegging kan vragen van documenten of stukken die betrekking hebben op de zaak. De Commissie heeft in dit verband ten onrechte gesteld, dat Chemie Linz uit artikel 173 van het Verdrag een algemene onderzoeksplicht afleidt voor feiten die te laat en op onnauwkeurige wijze zijn aangevoerd. Zij heeft de feiten noch te laat, noch onvoldoende nauwkeurig aangevoerd en het Gerecht had de nodige maatregelen tot organisatie van de procesgang moeten gelasten om de relevante feiten op te helderen.
53 Alleen na een dergelijk onderzoek was zij in staat geweest, argumenten aan te voeren die voldoende nauwkeurig waren om de schending van wezenlijke vormvoorschriften door de Commissie precies te omschrijven. Iedere andere opvatting komt neer op weigering van rechtsbescherming. Waren namelijk voor ontvankelijkheid van een heropeningsverzoek reeds precieze bewijzen nodig, ofschoon het feiten binnen de Commissie betreft die dus in beginsel niet toegankelijk zijn voor de betrokkenen, dan zouden de regels inzake het bewijsaanbod iedere betekenis verliezen en zou de Commissie een vrijbrief krijgen om de procedureregels te omzeilen, waaraan zij nochtans onderworpen is.
54 Het Gerecht behoeft niet systematisch te controleren, of de Commissie daadwerkelijk alle formaliteiten in acht heeft genomen, maar uitsluitend indien er voldoende aanwijzingen zijn. De eisen moeten echter niet te streng zijn, aangezien het interne documenten van de Commissie betreft, die voor de door haar beschikkingen getroffen personen niet toegankelijk zijn. Onder deze omstandigheden hadden de verklaringen die de Commissie in de PVC-zaken voor het Gerecht had afgelegd, voldoende reden moeten zijn om na te gaan, of de Commissie bij de polypropyleenbeschikking op dezelfde wijze te werk was gegaan.
55 Overigens heeft dezelfde kamer van het Gerecht in andere procedures soortgelijke verzoeken om informatie wel ingewilligd, ofschoon zij waren gebaseerd op aanwijzingen die niet preciezer waren. Chemie Linz sluit zich op dit punt aan bij de uiteenzetting van DSM. Er is procedureel een zeer duidelijk verschil in behandeling met de zaken die tot de arresten van 29 juni 1995, Solvay/Commissie (T-30/91, Jurispr. blz. II-1775) en ICI/Commissie (T-36/91, Jurispr. blz. II-1847) (hierna: "natriumcarbonaatzaken"), hebben geleid, waarin het om een beschikking van de Commissie ging die was vastgesteld op een moment waarop zij geen haast had gehad. In die zaken achtte de Eerste kamer van het Gerecht de eveneens pas na het PVC-arrest van het Gerecht aangevoerde bezwaren belangrijk genoeg om overlegging van een gewaarmerkt origineel van de beschikking van de Commissie te verlangen. Aan de plicht tot opheldering van de feiten is door het Gerecht dus op twee verschillende en tegenstrijdige wijzen invulling gegeven.
56 Chemie Linz verzoekt het Hof in de tweede plaats, de schendingen van de vormvoorschriften door de Commissie te onderzoeken zonder de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen ter vaststelling van feiten die een grond voor de nietigheid van de polypropyleenbeschikking zouden kunnen opleveren. Overwegingen van procesrecht en proceseconomie pleiten voor een dergelijke aanpak. Het Hof kan ambtshalve maatregelen tot organisatie van de procesgang nemen en aldus tot de nodige vaststellingen komen. Mocht het Hof beslissen de zaak aan zich te houden, dan behoort het deze te behandelen als een rechter in eerste aanleg en kan het derhalve alle schendingen van vormvoorschriften door de Commissie beoordelen, op voorwaarde dat die schendingen na het arrest van het Gerecht bekend zijn geworden. Dit geldt eveneens voor omstandigheden die vóór de sluiting van de mondelinge behandeling hadden kunnen worden aangevoerd. Chemie Linz moet zich voor het Hof dus in dezelfde situatie bevinden als waarin zij zich zou hebben bevonden, indien de mondelinge behandeling was heropend. In een dergelijke situatie mogen partijen, onverminderd artikel 48 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, ook andere feiten aanvoeren die zij tot aan de terechtzitting hadden kunnen inroepen, voor zover die feiten verband houden met de vraag van de geldigheid van de aan het Hof voorgelegde beslissing. Volgens Chemie Linz mag het Hof op grond van artikel 60 van zijn Reglement voor de procesvoering zelfs in hogere voorziening instructiemaatregelen gelasten en feiten vaststellen.
57 DSM zet uiteen, dat zich nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan in andere zaken voor het Gerecht. Deze omstandigheden bevestigen, dat het aan de Commissie is aan te tonen, dat zij de zichzelf gestelde wezenlijke vormvoorschriften in acht heeft genomen, en dat het Gerecht, om over dit punt opheldering te verkrijgen, ambtshalve of op verzoek van een partij instructiemaatregelen behoorde te gelasten om het relevante schriftelijke bewijsmateriaal te onderzoeken. In de natriumcarbonaatzaken had de Commissie betoogd, dat de aanvullende repliek die Imperial Chemical Industries plc (hierna: "ICI") in die zaken na het PVC-arrest van het Gerecht had ingediend, geen bewijs bevatte van een schending van het reglement van orde van de Commissie en dat ICI's verzoek om instructiemaatregelen een nieuw middel vormde. Niettemin stelde het Gerecht de Commissie en ICI vragen over de consequenties die aan het PVC-arrest van het Hof moesten worden verbonden, en vroeg het de Commissie desondanks, of zij, gelet op punt 32 van het PVC-arrest van het Hof, afschriften van de notulen en de gewaarmerkte teksten van de bestreden beschikkingen kon overleggen. Na andere procedurele ontwikkelingen gaf de Commissie uiteindelijk toe, dat de als gewaarmerkte teksten overgelegde documenten pas waren gewaarmerkt, nadat het Gerecht de overlegging ervan had gevraagd.
58 Ook in de polyethyleenzaken gelastte het Gerecht de Commissie, een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de bestreden beschikking over te leggen. De Commissie gaf daarop toe, dat geen waarmerking had plaatsgevonden tijdens de vergadering waarop deze beschikking door het college van commissarissen was goedgekeurd. DSM meent daarom, dat de procedure van waarmerking van handelingen van de Commissie na maart 1992 moet zijn ingevoerd. Hieruit volgt, dat het gebrek bestaande in het ontbreken van waarmerking ook aan de polypropyleenbeschikking moet kleven.
59 DSM voegt hieraan toe, dat het Gerecht in de arresten van 27 oktober 1994, Fiatagri en New Holland Ford/Commissie (T-34/92, Jurispr. blz. II-905, punten 24-27), en Deere/Commissie (T-35/92, Jurispr. blz. II-957, punten 28-31), een soortgelijke redenering als in de polypropyleenzaken heeft gevolgd voor zijn beslissing, dat verzoeksters niets hadden aangevoerd wat het vermoeden van geldigheid van de door hen bestreden beschikking kon aantasten. In het arrest van het Gerecht van 7 juli 1994, Dunlop Slazenger/Commissie (T-43/92, Jurispr. blz. II-441), was het betoog van de verzoekster afgewezen, omdat de beschikking overeenkomstig het reglement van orde van de Commissie was vastgesteld en betekend. In geen van die zaken heeft het Gerecht de gestelde onregelmatigheden in de totstandkoming van de bestreden handeling op procedurele gronden afgewezen.
60 De enige uitzonderingen zijn de beschikkingen van 26 maart 1992, BASF/Commissie (T-4/89 Rev., Jurispr. blz. II-1591), en 4 november 1992, DSM/Commissie (T-8/89 Rev., Jurispr. blz. II-2399). Ook in die zaken was echter het PVC-arrest van het Gerecht niet als nieuw feit aangevoerd, maar waren andere feiten gesteld. In het arrest van 15 december 1994, Bayer/Commissie (C-195/91 P, Jurispr. blz. I-5619), heeft het Hof het argument betreffende schending door de Commissie van haar eigen reglement van orde afgewezen, omdat het niet voor het Gerecht was aangevoerd. In de polypropyleenprocedure is hetzelfde middel echter wel voor het Gerecht aangevoerd en afgewezen wegens het ontbreken van voldoende aanwijzingen.
61 DSM is van mening, dat het verweer van de Commissie in casu is gebaseerd op procedurele argumenten die, gelet op de inhoud van het bestreden arrest, dat in feite de vraag van de bewijslast betreft, irrelevant zijn. Indien de Commissie in de polypropyleenzaken niet zelf bewijs levert van de regelmatigheid van de procedures, dan is dit volgens DSM, omdat zij niet in staat is aan te tonen, dat zij haar eigen reglement van orde heeft geëerbiedigd.
62 De Commissie stelt, dat artikel 62 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet verplicht de mondelinge behandeling te heropenen, gelijk rekwirante beweert, maar enkel een bevoegdheid daartoe verleent. Het Gerecht heeft overtuigend uiteengezet, waarom er geen aanleiding bestond de procedure te heropenen of instructiemaatregelen te gelasten, aangezien er geen sprake was van voor de beslissing relevante feiten die ambtshalve moesten worden opgehelderd, of van een belangrijke feitelijke stelling die tijdig was aangevoerd en waarover partijen het oneens waren.
63 In de eerste plaats was een ambtshalve onderzoek enkel noodzakelijk geweest, indien partijen voldoende aanwijzingen voor de non-existentie van de polypropyleenbeschikking hadden gegeven. Chemie Linz stelt ten onrechte, dat het Gerecht heeft aangenomen dat een origineel ontbrak; het heeft in feite enkel herhaald wat zij had gesteld, zonder daarover een oordeel te geven. Het Gerecht, dat in beginsel de noodzaak van instructiemaatregelen dient te beoordelen, had zelfs in het kader van een ambtshalve onderzoek de vraag open kunnen laten, of er een naar behoren ondertekend origineel bestond, aangezien een dergelijk gebrek hoe dan ook niet relevant was. Sinds het PVC-arrest van het Hof staat vast, dat het ontbreken van waarmerking van een beschikking overeenkomstig artikel 12 van het reglement van orde van de Commissie kan leiden tot nietigverklaring van de beschikking, maar niet tot non-existentie ervan. Chemie Linz heeft echter niet tijdig en voldoende concreet over schending van deze bepaling geklaagd, zodat het Gerecht de vraag, of er een volgens de regels ondertekend origineel bestond, niet behoefde te onderzoeken, ook niet vanuit het oogpunt van de nietigverklaring van de polypropyleenbeschikking.
64 Het verzoek van Chemie Linz van 28 februari 1992 was gebaseerd op de non-existentie van de polypropyleenbeschikking en niet op de nietigheid ervan. Zelfs al zou dit verzoek als een nietigheidsgrond worden opgevat, dan nog was het onvoldoende concreet en gemotiveerd alsmede tardief. Chemie Linz had voor haar stelling aanwijzingen moeten geven, gelijk het Gerecht oordeelde in vergelijkbare gevallen na het PVC-arrest van het Hof (arresten Gerecht Dunlop Slazenger/Commissie; Fiatagri en New Holland Ford/Commissie, en Deere/Commissie, reeds aangehaald). De blote bewering, dat er geen naar behoren ondertekend origineel van de beschikking bestaat, is echter onvoldoende gemotiveerd en kan daarom niet het vermoeden van geldigheid van het besluit aantasten. Met betrekking tot de in andere zaken door het Gerecht gelaste maatregelen merkt de Commissie op, dat er telkens concrete aanwijzingen bestonden die tegen het vermoeden van geldigheid pleitten. In de PVC-zaken hebben de verzoeksters nauwkeurige aanwijzingen gegeven die verband hielden met die procedures. In andere zaken was dit ook het geval geweest (zie beschikkingen van 25 oktober 1994, Solvay en ICI/Commissie, T-30/91 en T-36/91, en 10 maart 1992, BASF e.a./Commissie, T-80/89, T-81/89, T-83/89, T-87/89, T-88/89, T-90/89, T-93/89, T-95/89, T-97/89, T-99/89, T-100/89, T-101/89, T-103/89, T-105/89, T-107/89 en T-112/89, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, die duidelijk naar de bijzondere omstandigheden van het geval verwijzen). Tijdens de procedure die tot het bestreden arrest heeft geleid, is van iets dergelijks echter geen sprake geweest.
65 Voorts heeft het Gerecht het verzoek van Chemie Linz van 28 februari 1992 weliswaar onderzocht, doch is het tot de conclusie gekomen, dat rekwirante geen relevante feitelijke gegevens binnen de gestelde termijn had aangevoerd. Het Gerecht heeft terecht betwijfeld, of de vermeende gebreken in de polypropyleenbeschikking tijdig waren aangevoerd, gelet op de regel van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat na de beëindiging van de schriftelijke procedure nieuwe middelen enkel mogen worden voorgedragen, indien zij steunen op gegevens rechtens of feitelijk waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
66 Het PVC-arrest van het Gerecht kan geen gegeven vormen waarvan tijdens de behandeling is gebleken, aangezien de rechtspraak inzake de herzieningsprocedure van artikel 41, lid 1, van 's Hofs Statuut-EG eveneens geldt voor artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering. Volgens die rechtspraak (beschikking Gerecht BASF/Commissie, reeds aangehaald, punt 12, en arrest Hof van 19 maart 1991, Ferrandi/Commissie, C-403/85 Rev., Jurispr. blz. I-1215) kan een in een andere instantie gewezen arrest geen reden opleveren voor herziening van een arrest.
67 Wat de verklaringen van de gemachtigden van de Commissie tijdens de mondelinge behandeling in de PVC-zaken in november 1991 betreft, merkt de Commissie op, dat Chemie Linz daarbij vertegenwoordigd was en dat men dus moet aannemen, dat zij kort na de mondelinge behandeling in die zaken kennis heeft gekregen van de uitleg van de gemachtigden van de Commissie. De stelling van Chemie Linz, dat zij pas door het PVC-arrest van het Gerecht zekerheid had over wat de gemachtigde van de Commissie in de PVC-zaken had gezegd, is in tegenspraak met haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling van 28 februari 1992, waarin zij verwees naar de verklaringen van degenen die aan de mondelinge behandeling in de PVC-zaken hadden deelgenomen. Chemie Linz heeft de nietigheidsgrond dus niet tijdig aangevoerd, maar meer dan drie maanden te laat. In het analoge geval van de herziening van een arrest geldt volgens artikel 125 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop het door de verzoeker aangevoerde feit hem ter kennis is gekomen.
68 De klacht over het ontbreken van een origineel van de polypropyleenbeschikking behoefde voor het Gerecht noch vanuit het in het bestreden arrest behandelde oogpunt van de non-existentie, noch vanuit dat van een eventuele nietigheid van die beschikking aanleiding te zijn instructiemaatregelen te gelasten. Het Gerecht heeft vastgesteld, dat Chemie Linz een schending van het beginsel van onaantastbaarheid van de vastgestelde handeling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien is deze klacht buiten de in artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalde termijn aangevoerd. Anders dan Chemie Linz stelt, heeft het Gerecht geenszins erkend, dat haar betoog tijdig was aangevoerd. Integendeel, het heeft zijn twijfels hierover uitgesproken, maar dit punt opengelaten, aangezien het de vraag van de non-existentie van de polypropyleenbeschikking ambtshalve heeft onderzocht.
69 Aangaande het argument van Chemie Linz, dat er eveneens een grond voor herziening was en dat derhalve de mondelinge behandeling had moeten worden heropend, stelt de Commissie, dat de verklaring van haar gemachtigde in de PVC-procedure op zich niet tot een andere beslissing in de polypropyleenzaak zou hebben geleid. Overeenkomstig artikel 41 van 's Hofs Statuut-EG kunnen alleen feiten die van beslissende invloed kunnen zijn, een reden voor herziening vormen.
70 Aangaande de vermeende schending door het Gerecht van een verplichting tot opheldering van de feiten merkt de Commissie op, dat noch artikel 49 noch artikel 64, lid 3, sub d, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de voorwaarden regelt waaronder maatregelen tot organisatie van de procesgang kunnen worden gevraagd. Het Gerecht heeft de door Chemie Linz gevraagde maatregelen tot organisatie van de procesgang dan ook terecht om dezelfde redenen afgewezen, als waarom het het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling heeft afgewezen. Volgens artikel 64, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht beogen de maatregelen tot organisatie van de procesgang immers het voldingen van de zaken en het procesverloop zo veel mogelijk te bespoedigen, en zijn zij niet bedoeld om tekortkomingen van de verzoeker bij de indiening van zijn middelen te ondervangen.
71 Ten slotte vraagt de Commissie zich af, in hoeverre het Gerecht artikel 65 van zijn Reglement voor de procesvoering zou hebben geschonden, aangezien dit artikel alleen de in een procedure toegelaten bewijsmiddelen opsomt.
72 Met betrekking tot de argumenten van DSM stelt de Commissie, dat zij een fundamentele fout bevatten, aangezien zij geen rekening houden met de verschillen tussen de PVC-zaken en de onderhavige zaak en op een verkeerd begrip van het PVC-arrest van het Hof berusten.
73 De Commissie blijft overigens bij haar standpunt, dat de verzoeksters in de natriumcarbonaatzaken onvoldoende aanwijzingen hadden aangevoerd om het bevel van het Gerecht aan de Commissie tot het overleggen van stukken te kunnen rechtvaardigen. Zowel in die zaken als in de polyethyleenzaken, waarop DSM zich eveneens heeft beroepen, heeft het Gerecht beslist met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het bij hem aanhangig geding. In de polypropyleenprocedure hadden de gestelde gebreken in de polypropyleenbeschikking al in 1986 kunnen worden gesignaleerd, doch niemand heeft dit gedaan.
74 Wanneer het Gerecht in de arresten Fiatagri en New Holland Ford/Commissie en Deere/Commissie (reeds aangehaald) de door de verzoeksters tijdig aangevoerde argumenten wegens gebrek aan bewijs heeft afgewezen, dan is voor een dergelijke afwijzing des te meer reden in de onderhavige zaak, waarin de vermeende formele onregelmatigheden in de polypropyleenbeschikking te laat en zonder bewijs zijn aangevoerd.
75 De middelen inzake procedurefouten en schending van het gemeenschapsrecht moeten tezamen worden onderzocht. De door Chemie Linz gestelde schending van het gemeenschapsrecht, of het nu gaat om de artikelen 164 en 173 van het Verdrag of om de diverse bepalingen van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht die in dit verband zijn aangevoerd, betreft immers in wezen de weigering van het Gerecht de mondelinge behandeling te heropenen en maatregelen tot organisatie van de procesgang en instructiemaatregelen te gelasten, zodat het samenvalt met het middel inzake procedurefouten.
76 Mitsdien moet worden nagegaan, of het Gerecht van een verkeerde rechtsopvatting is uitgegaan door te weigeren, de mondelinge behandeling te heropenen en maatregelen tot organisatie van de procesgang te gelasten.
77 Aangaande, in de eerste plaats, de maatregelen tot organisatie van de procesgang moet eraan worden herinnerd, dat het Hof krachtens artikel 21 van zijn Statuut-EG de partijen kan verzoeken alle stukken over te leggen en alle inlichtingen te verstrekken welke het wenselijk acht. Artikel 64, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt, dat de maatregelen tot organisatie van de procesgang tot doel hebben, het voldingen van de zaken, het procesverloop en de afdoening van de geschillen zo veel mogelijk te bespoedigen.
78 Volgens artikel 64, lid 2, sub a en b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht hebben de maatregelen tot organisatie van de procesgang in het bijzonder tot doel, het goede verloop van de schriftelijke en mondelinge behandeling te verzekeren en de bewijsvoering te vergemakkelijken, alsmede de punten te bepalen ten aanzien waarvan partijen hun vertogen moeten aanvullen of die instructie behoeven. Ingevolge artikel 64, lid 3, sub d, en lid 4, kunnen die maatregelen bestaan in het verzoeken om overlegging van documenten of stukken die betrekking hebben op de zaak en kunnen zij door de partijen in elke stand van het geding worden voorgesteld.
79 Gelijk het Hof heeft geoordeeld in het arrest van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie (C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417, punt 93), kan een partij het Gerecht verzoeken, bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang de tegenpartij te gelasten de stukken die zij in haar bezit heeft, over te leggen.
80 Blijkens het doel van de maatregelen tot organisatie van de procesgang, zoals uiteengezet in artikel 64, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, zijn deze maatregelen echter verbonden met de verschillende fases van de procedure voor het Gerecht, waarvan zij het verloop beogen te vergemakkelijken.
81 Hieruit volgt, dat een partij na de sluiting van de mondelinge behandeling nog slechts om maatregelen tot organisatie van de procesgang kan verzoeken, indien het Gerecht besluit de mondelinge behandeling te heropenen. Het Gerecht had dan ook slechts op een dergelijk verzoek behoren te beslissen, indien het het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling had ingewilligd. De grieven die Chemie Linz dienaangaande heeft aangevoerd, behoeven derhalve geen afzonderlijke bespreking.
82 Wat het verzoek om instructiemaatregelen betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof (zie met name arresten van 16 juni 1971, Prelle/Commissie, 77/70, Jurispr. blz. 561, punt 7, en 15 december 1995, Bosman, C-415/93, Jurispr. blz. I-4921, punt 53), dat aan een dergelijk verzoek, wanneer het wordt ingediend op een moment waarop de mondelinge behandeling reeds is gesloten, slechts gevolg kan worden gegeven, indien het betrekking heeft op feiten die van beslissende invloed kunnen zijn op de beslechting van het geschil en die de betrokkene voor de sluiting van de mondelinge behandeling niet heeft kunnen aanvoeren.
83 Ditzelfde geldt voor het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling. Ingevolge artikel 62 van zijn Reglement voor de procesvoering beschikt het Gerecht weliswaar over een discretionaire bevoegdheid op dit gebied. Het is evenwel slechts verplicht een dergelijk verzoek in te willigen, indien de betrokkene zich baseert op feiten die van beslissende invloed kunnen zijn en die hij voor de sluiting van de mondelinge behandeling niet heeft kunnen aanvoeren.
84 In casu was het bij het Gerecht ingediende verzoek om heropening van de mondelinge behandeling en maatregelen van instructie gebaseerd op het PVC-arrest van het Gerecht, op verklaringen van de gemachtigden van de Commissie tijdens de terechtzitting in de PVC-zaken en op feiten die in de loop van de polyethyleenprocedure waren gebleken.
85 Vastgesteld moet worden, dat algemene, uit een arrest in andere zaken of uit verklaringen naar aanleiding van andere procedures voortvloeiende aanwijzingen over een vermeende handelwijze van de Commissie op het gebied van de taalregeling of over achteraf aangebrachte wijzigingen als zodanig niet als beslissend voor de beslechting van het geschil voor het Gerecht konden worden aangemerkt.
86 Voor zover Chemie Linz stelt, dat de in haar verzoek van 28 februari 1992 genoemde feiten aanleiding hadden moeten zijn voor herziening van het arrest of althans voor inwilliging van dit verzoek door het Gerecht, volstaat de vaststelling, dat de aangevoerde feiten om de eerder genoemde redenen niet van beslissende invloed waren in de zin van artikel 41 van 's Hofs Statuut-EG en dus geen grond voor herziening van dit arrest opleverden.
87 Voorts had rekwirante - zoals sommige van de verzoeksters in de PVC- en de polyethyleenzaken, waarnaar Chemie Linz heeft verwezen, hebben gedaan - reeds in haar verzoekschrift het Gerecht ten minste een minimumaantal gegevens kunnen verstrekken die aannemelijk maakten, dat maatregelen tot organisatie van de procesgang of instructiemaatregelen voor de procedure van nut waren met het oog op het bewijs, dat de polypropyleenbeschikking in strijd met de geldende taalregeling was gegeven of na haar vaststelling door het college van commissarissen was gewijzigd, of ook dat de originelen ontbraken (zie in die zin arrest Baustahlgewebe/Commissie, reeds aangehaald, punten 93 en 94).
88 Zonder dat behoeft te worden onderzocht, of, gelijk de Commissie stelt, Chemie Linz reeds vóór de uitspraak van het PVC-arrest van het Gerecht kennis had gekregen van de feiten die zij in haar verzoek van 28 februari 1992 heeft genoemd, volgt hieruit, dat dit verzoek in elk geval te laat was ingediend.
89 In dit verband is het van belang erop te wijzen dat het Gerecht, anders dan Chemie Linz stelt, in het bestreden arrest niet heeft geoordeeld, dat de in haar verzoek van 28 februari 1992 genoemde feiten tijdig waren aangevoerd.
90 Hieraan moet worden toegevoegd, dat het Gerecht niet tot heropening van de mondelinge behandeling gehouden was krachtens een vermeende verplichting om ambtshalve middelen betreffende de regelmatigheid van de totstandkomingsprocedure van de polypropyleenbeschikking te onderzoeken. Een eventuele verplichting tot ambtshalve onderzoek van middelen van openbare orde kan immers slechts bestaan op grond van de feitelijke gegevens van het dossier.
91 Het Gerecht heeft bijgevolg niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door te weigeren de mondelinge behandeling te heropenen en maatregelen tot organisatie van de procesgang en instructiemaatregelen te gelasten.
92 Gelet op het betoog van Chemie Linz betreffende de gebreken die aan de polypropyleenbeschikking zouden kleven, en de door DSM verdedigde opvatting, dat deze tot de juridische non-existentie van die beschikking zouden leiden, moet nog worden onderzocht, of het Gerecht bij de uitlegging van de voorwaarden waaronder een handeling non-existent kan worden verklaard, het gemeenschapsrecht heeft geschonden.
93 Dienaangaande blijkt met name uit de punten 48 tot en met 50 van het PVC-arrest van het Hof, dat handelingen van de gemeenschapsinstellingen, zelfs indien zij onregelmatig zijn, in beginsel worden vermoed rechtsgeldig te zijn en, bijgevolg, rechtsgevolgen in het leven roepen, zolang zij niet nietig zijn verklaard of zijn ingetrokken.
94 Als uitzondering op dit beginsel moeten evenwel handelingen waaraan een onregelmatigheid kleeft die van een zo klaarblijkelijke ernst is, dat zij door de communautaire rechtsorde niet kan worden getolereerd, worden geacht geen enkel - ook geen voorlopig - rechtsgevolg in het leven te hebben geroepen, dat wil zeggen zij moeten als juridisch non-existent worden beschouwd. Deze uitzondering beoogt een evenwicht te bewaren tussen twee fundamentele, zij het soms tegenstrijdige, vereisten waaraan een rechtsorde moet voldoen, te weten de stabiliteit van de rechtsverhoudingen en de eerbiediging van de legaliteit.
95 Gelet op de ernst van de consequenties die zijn verbonden aan de vaststelling dat een handeling van een gemeenschapsinstelling non-existent is, dient deze vaststelling om redenen van rechtszekerheid beperkt te blijven tot uiterst extreme gevallen.
96 Evenals in de PVC-zaken zijn de thans door Chemie Linz aangevoerde vermeende onregelmatigheden in de totstandkomingsprocedure van de polypropyleenbeschikking noch op zichzelf, noch ook in hun totaliteit beschouwd, van een dermate klaarblijkelijke ernst, dat die beschikking als juridisch non-existent moet worden beschouwd.
97 Wat de voorwaarden betreft, waaronder een handeling non-existent kan worden verklaard, heeft het Gerecht dus niet het gemeenschapsrecht geschonden.
98 Voor zover rekwirante het Hof ten slotte vraagt, de rechtmatigheid van de polypropyleenbeschikking te toetsen en instructiemaatregelen te gelasten ter opheldering van de omstandigheden waaronder de Commissie deze beschikking heeft vastgesteld, volstaat de opmerking, dat dergelijke maatregelen buiten het kader van de hogere voorziening vallen, die is beperkt tot rechtsvragen.
99 Instructiemaatregelen houden immers noodzakelijkerwijs in, dat het Hof zich uitspreekt over feitelijke vragen, en zouden het voorwerp van het geding voor het Gerecht wijzigen, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 113, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
100 Voorts gaat het in de hogere voorziening enkel om het bestreden arrest en kan het Hof uitsluitend in geval van vernietiging van dit arrest zelf uitspraak doen, overeenkomstig artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG. Hieruit volgt, dat zolang het bestreden arrest niet is vernietigd, het Hof geen kennis kan nemen van eventuele gebreken van de polypropyleenbeschikking.
101 Uit het voorgaande volgt, dat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
102 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Daar Chemie Linz in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen. DSM zal haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst Chemie Linz GmbH in de kosten.
3) Verstaat dat DSM NV haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy