Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Invaliditeitsverzekering - Vaststelling van uitkeringen - Migrerende werknemer die op tijdstip waarop arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan, woonachtig was in staat van tewerkstelling - Recht op uitkeringen van staat van laatste tewerkstelling
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 39, leden 1 en 5, en 71, lid 1, sub b-ii)
2. Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Indiening en behandeling van aanvragen om uitkeringen - Aanvraag om invaliditeitsuitkering ingediend bij orgaan van woonstaat - Verplichting om aanvraag te doen toekomen aan orgaan van bevoegde staat - Verplichting voor orgaan van woonstaat om invaliditeitsuitkering aan aanvrager te betalen - Geen
(Verordeningen van de Raad nr. 1408/71, art. 86, en nr. 574/72, art. 35)
Samenvatting
1. Voor de toepassing van artikel 71 van verordening nr. 1408/71 in zijn geheel is beslissend, dat de betrokkene woonplaats heeft in een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat aan de wetgeving waarvan hij was onderworpen tijdens zijn laatste werkzaamheden. Artikel 71, lid 1, sub b-ii, eerste zin, is derhalve niet van toepassing op een werknemer die zich met zijn gezin heeft gevestigd in een Lid-Staat, waar hij heeft gewoond en gewerkt en vervolgens arbeidsongeschikt en invalide is geworden, daarna is verhuisd naar een andere Lid-Staat, waar hij niet heeft gewerkt, en ten slotte is gaan wonen in een derde Lid-Staat, waar hij - wegens zijn invaliditeit - noch werkt noch als werkzoekende staat ingeschreven.
Bijgevolg is op een dergelijke werknemer niet artikel 39, lid 5, van genoemde verordening van toepassing, maar de in lid 1 van dat artikel geformuleerde algemene regel, dat met betrekking tot invaliditeitsuitkeringen bevoegd is de Lid-Staat waarvan de wetgeving van toepassing was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan, in casu de staat van de laatste tewerkstelling.
2. Uit artikel 86 van verordening nr. 1408/71 en artikel 35 van verordening nr. 574/72 volgt, dat wanneer de belanghebbende zijn aanvraag om een invaliditeitsuitkering indient bij het orgaan van de woonstaat, deze gehouden is die aanvraag te doen toekomen aan het orgaan van de bevoegde Lid-Staat, dat wil zeggen de staat waarvan de wetgeving van toepassing was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan.
Anders dan de voor andere uitkeringen getroffen regeling, verplicht daarentegen geen enkele bepaling van verordening nr. 1408/71 de organen van de woonstaat om de aanvrager een invaliditeitsuitkering te betalen, ook niet indien de bevoegde staat deze dient te vergoeden, onverminderd de toepassing van artikel 114 van verordening nr. 574/72 in geval van een geschil tussen de organen. Het gemeenschapsrecht verbiedt het orgaan van de woonstaat echter in geen enkel opzicht, de aanvrager bij te staan wanneer hij bij het orgaan van de bevoegde staat een aanvraag indient.
Partijen
In zaak C-287/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Social Security Commissioner (Verenigd Koninkrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
A. M. Toosey
en
Chief Adjudication Officer,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening EEG nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, R. Joliet en G. C. Rodríguez Iglesias (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- A. M. Toosey, vertegenwoordigd door het Disability Law and Advisory Centre en M. Allan, Barrister,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, en N. Paines, Barrister,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Khan, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ter terechtzitting van 23 september 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 november 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 5 juni 1992, ingekomen bij het Hof op 30 juni 1992, heeft de Social Security Commissioner (Verenigd Koninkrijk) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag enkele prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
2 Deze vragen zijn gesteld in het kader van een geschil tussen A. M. Toosey en de Chief Adjudication Officer over haar recht op een invaliditeitsuitkering.
3 Toosey, van Britse nationaliteit, is gedurende de jaren 1964-1965 werkzaam geweest in het Verenigd Koninkrijk. Nadien heeft zij in dat land niet meer gewerkt. In 1973 vestigde zij zich in verband met het werk van haar echtgenoot met haar gezin in België, waar zij van eind 1974 tot 18 maart 1982 werkzaam is geweest.
4 In maart 1982 hield zij op met werken wegens een spastische hemiplegie, waardoor zij aan een rolstoel was gebonden. In oktober 1983 verhuisde het gezin van België naar Frankrijk. In juli 1985 keerde het terug naar het Verenigd Koninkrijk.
5 Op 19 december 1986 diende Toosey in het Verenigd Koninkrijk een aanvraag in om een uitkering wegens ernstige invaliditeit ("Severe Disablement Allowance"; hierna: "invaliditeitsuitkering") krachtens artikel 36 van de Social Security Act 1975.
6 Deze aanvraag werd door het King' s Lynn Social Security Appeal Tribunal afgewezen op grond dat Toosey weliswaar voldeed aan de voorwaarde van verblijf in het Verenigd Koninkrijk, maar niet aan de woonplaatsvoorwaarde in de zin van artikel 3 van de Social Security (Severe Disablement Allowance) Regulations 1984, aangezien zij in de twintig jaar voorafgaande aan de aanvraag van haar uitkering niet gedurende tien jaar op Brits grondgebied had gewoond.
7 Toosey stelt evenwel, dat zij krachtens het bepaalde in verordening nr. 1408/71 recht heeft op de invaliditeitsuitkering en dat haar geval valt onder artikel 39, lid 5, van deze verordening - in de versie die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB 1992, L 136, blz. 7) -, omdat zij behoort tot de personen op wie artikel 71, lid 1, sub b-ii, van toepassing is. Zij betoogt, dat zij geen grensarbeider is, maar een volledig werkloze werknemer die is teruggekeerd naar de Lid-Staat waar hij woont, en uit dien hoofde recht heeft op uitkeringen in het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de Britse wettelijke regeling.
8 In het door Toosey tegen de uitspraak van het King' s Lynn Social Security Appeal Tribunal ingestelde hoger beroep heeft de Social Security Commissioner het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Moet artikel 71, lid 1, sub b-ii, eerste zin, van verordening nr. 1408/71 aldus worden uitgelegd, dat deze bepaling van toepassing is op een werknemer die:
a) woont en werkt in Lid-Staat A (waarvan hij onderdaan is),
b) vervolgens met zijn gezin naar Lid-Staat B verhuist, alwaar hij tien jaar woont, werkt en vervolgens arbeidsongeschikt en invalide wordt,
c) daarna met zijn gezin naar Lid-Staat C verhuist, waar hij twee jaar woont, maar - wegens zijn invaliditeit - niet werkt, en
d) ten slotte weer in Lid-Staat A gaat wonen, waar hij - wegens zijn invaliditeit - noch werkt noch als werkzoekende staat ingeschreven?
Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt:
2) Hoe moet een nationale rechter bepalen of een aanvraag om een invaliditeitsuitkering van een werknemer in de onder vraag 1 omschreven omstandigheden (' de aanvrager' ) moet worden ingediend bij het bevoegd orgaan van de door artikel 39, lid 1, van de verordening aangewezen Lid-Staat, of bij het bevoegde orgaan van de Lid-Staat die wordt aangewezen door artikel 39, lid 5, van de verordening, gelezen in samenhang met de eerste zin van artikel 71, lid 1, sub b-ii?
a) Is artikel 39, lid 1, alleen van toepassing indien de aanvrager is blijven wonen op het grondgebied van de Lid-Staat waar hij laatstelijk werkzaamheden verrichtte?
b) Onder welke omstandigheden kan de aanvrager een uitkering van het bevoegde orgaan van de door artikel 39, lid 5, van de verordening aangewezen Lid-Staat aanvragen?
c) Kan de aanvrager vrij kiezen tot welk bevoegd orgaan hij zijn aanvraag zal richten?
3) Moeten de woorden 'overeenkomstig de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling' in artikel 39, lid 5, aldus worden uitgelegd, dat zij tevens zien op de in die wettelijke regeling opgenomen voorwaarden van verblijf of wonen in een Lid-Staat, waarvan het recht op een niet op premiebetaling berustende uitkering afhankelijk is?
4) Indien het antwoord op vraag 3 bevestigend luidt: moet artikel 38 van verordening nr. 1408/71 dan aldus worden uitgelegd, dat het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling het recht op een uitkering afhankelijk stelt van het vervullen van een tijdvak van wonen, verplicht is de tijdvakken van verblijf van de aanvrager in andere Lid-Staten te beschouwen als in eerstgenoemde Lid-Staat vervulde tijdvakken van wonen?
Indien het antwoord op vraag 1 ontkennend luidt:
5) Moet het bevoegde orgaan van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling het recht op een uitkering afhankelijk stelt van het vervullen van een tijdvak van wonen, in andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van wonen beschouwen als in eerstgenoemde Lid-Staat vervulde tijdvakken van wonen?
Indien de vragen 1 en 5 ontkennend worden beantwoord en de aanvrager verplicht is op grond van artikel 39, lid 1, een uitkeringsaanvraag bij Lid-Staat B in te dienen:
6) Heeft het bevoegde orgaan van Lid-Staat A dan enige verplichting jegens de aanvrager? Is het bevoegde orgaan van Lid-Staat A in het bijzonder verplicht,
a) een door de aanvrager overeenkomstig artikel 35, lid 1, van verordening nr. 574/72 ingediende aanvraag in te willigen; en/of
b) aan de aanvrager overeenkomstig zijn eigen voorschriften een uitkering te betalen en deze later te laten terugbetalen met door Lid-Staat B beschikbaar gestelde fondsen?"
De eerste vraag
9 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, dat volgens artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71 degenen op wie deze verordening van toepassing is, in beginsel slechts aan de wetgeving van één enkele Lid-Staat onderworpen zijn. Krachtens lid 2, sub a, van dit artikel is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die staat van toepassing.
10 Ter uitvoering van dit beginsel bepaalt artikel 39, lid 1, van verordening nr. 1408/71 met betrekking tot invaliditeitsuitkeringen, dat de Lid-Staat bevoegd is "waarvan de wetgeving van toepassing was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan".
11 Krachtens lid 5 van dit artikel is voor "de volledig werkloze werknemer op wie artikel 71, lid 1, onder a), ii), of onder b), ii), eerste zin, van toepassing is" evenwel de staat bevoegd, op het grondgebied waarvan hij woont.
12 Luidens artikel 71, lid 1, sub b-ii, eerste zin, heeft "een werknemer die geen grensarbeider is, volledig werkloos is en zich ter beschikking stelt van de diensten voor arbeidsbemiddeling op het grondgebied van de Lid-Staat waarop hij woont of die naar dit grondgebied terugkeert, (...) recht op uitkering volgens de wettelijke regeling van deze Staat, alsof hij zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied daarvan had uitgeoefend; deze uitkering wordt door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend (...)".
13 Uit zowel het opschrift van de afdeling van verordening nr. 1408/71, waarvan artikel 71 het enige artikel is, als de rechtspraak van het Hof blijkt, dat voor de toepassing van artikel 71 in zijn geheel beslissend is, dat de betrokkene woonplaats heeft in een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat aan de wetgeving waarvan hij was onderworpen tijdens zijn laatste werkzaamheden (zie arresten van 17 februari 1977, zaak 76/76, Di Paolo, Jurispr. 1977, blz. 315, r.o. 17 en 21, 11 oktober 1984, zaak 128/83, Guyot, Jurispr. 1984, blz. 3507, r.o. 9, en 22 september 1988, zaak 236/87, Bergemann, Jurispr. 1988, blz. 5125).
14 Artikel 71, lid 1, sub b-ii, eerste zin, is derhalve niet van toepassing op een werknemer die zich in de situatie bevindt van verzoekster in het hoofdgeding, die, naar reeds uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt, in de Lid-Staat van tewerkstelling woonde, namelijk België, op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan.
15 Anders dan verzoekster in het hoofdgeding stelt, heeft deze uitlegging van artikel 71 niet tot gevolg, dat de betrokken bepaling voor werknemers die geen grensarbeider zijn, zinledig wordt.
16 Uit vorenaangehaald arrest Di Paolo volgt immers, dat onder deze bepaling naast seizoenwerknemers ook andere werknemers vallen die, ofschoon werkzaam in een andere Lid-Staat, hun woonplaats behouden in het land waar zij gewoonlijk verblijven, waarmee zij nauwe banden behouden en waar zich ook het gewone centrum van hun belangen bevindt.
17 Mitsdien moet de eerste prejudiciële vraag ontkennend worden beantwoord.
De tweede, de derde, de vierde en de vijfde vraag
18 Daar de tweede, de derde en de vierde vraag enkel zijn gesteld voor het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, behoeven zij geen beantwoording.
19 De vijfde vraag is gesteld voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord. Niettemin blijkt uit de vraag, die inhoudelijk identiek is aan de vierde vraag, dat zij berust op de veronderstelling dat de vraag of in de Lid-Staat waar de betrokkene woont, in casu het Verenigd Koninkrijk, aanspraak kan worden gemaakt op een invaliditeitsuitkering, afhangt van de uitlegging van de wettelijke regeling van die staat.
20 Uit het antwoord op de eerste vraag volgt evenwel, dat krachtens de bepalingen van verordening nr. 1408/71 als Lid-Staat die bevoegd is voor de betaling van de invaliditeitsuitkeringen, moet worden aangemerkt de Lid-Staat waarvan de wetgeving van toepassing was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan (in casu België). Mitsdien behoeft de vijfde vraag geen beantwoording.
De zesde vraag
21 Met de zesde vraag beoogt de nationale rechter te vernemen, welke verplichtingen de organen van de woonstaat hebben jegens een aanvrager wiens invaliditeitsuitkering verschuldigd is door de Lid-Staat waar hij zijn laatste werkzaamheden heeft verricht.
22 Uit artikel 86 van verordening nr. 1408/71 en artikel 35 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6) volgt, dat wanneer de belanghebbende zijn aanvraag indient bij het orgaan van de woonstaat, deze gehouden is haar te doen toekomen aan het orgaan van de bevoegde Lid-Staat, dat wil zeggen de staat waarvan de wetgeving van toepassing was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan.
23 Anders dan de voor andere uitkeringen getroffen regeling (zie bij voorbeeld de artikelen 36 en 63 van verordening nr. 1408/71), verplicht daarentegen geen enkele bepaling van verordening nr. 1408/71 de organen van de woonstaat om de aanvrager een invaliditeitsuitkering te betalen, ook niet indien de bevoegde staat deze dient te vergoeden, onverminderd de toepassing van artikel 114 van verordening nr. 574/72 in geval van een geschil tussen de organen.
24 Opgemerkt zij evenwel, dat het gemeenschapsrecht het orgaan van de woonstaat in geen enkel opzicht verbiedt om de aanvrager bij te staan wanneer hij bij het orgaan van de bevoegde staat een aanvraag indient.
25 Mitsdien moet op de zesde vraag worden geantwoord, dat krachtens artikel 86 van verordening nr. 1408/71 en artikel 35 van verordening nr. 574/72 het orgaan van de woonstaat verplicht is de bij hem ingediende aanvraag om invaliditeitsuitkering te doen toekomen aan het bevoegde orgaan van de staat van de laatste tewerkstelling, maar daarentegen niet verplicht is een dergelijke uitkering aan de aanvrager te betalen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
26 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door de Social Security Commissioner bij beschikking van 5 juli 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 71, lid 1, sub b-ii, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, moet aldus worden uitgelegd, dat deze bepaling niet van toepassing is op een werknemer die:
a) woont en werkt in Lid-Staat A (waarvan hij onderdaan is),
b) vervolgens met zijn gezin naar Lid-Staat B verhuist, alwaar hij tien jaar woont, werkt en vervolgens arbeidsongeschikt en invalide wordt,
c) daarna met zijn gezin naar Lid-Staat C verhuist, waar hij twee jaar woont, maar - wegens zijn invaliditeit - niet werkt, en
d) ten slotte weer in Lid-Staat A gaat wonen, waar hij - wegens zijn invaliditeit - noch werkt noch als werkzoekende staat ingeschreven.
2) Krachtens artikel 86 van verordening (EEG) nr. 1408/71 en artikel 35 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83, is het orgaan van de woonstaat verplicht, de bij hem ingediende aanvraag om invaliditeitsuitkering te doen toekomen aan het bevoegde orgaan van de staat van de laatste tewerkstelling, maar is het niet verplicht een dergelijke uitkering aan de aanvrager te betalen.
Full & Egal Universal Law Academy