Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Gemeenschappelijk douanetarief - Stelsel van algemene tariefpreferenties voor ontwikkelingslanden - Schorsing van douanerechten ingevolge verordening nr. 3563/84 - Voorwaarde - Vermelding van Nimexe-code van betrokken produkt - Linnen windjakken - Bevoegdheid van Hof om gestelde onoplettendheid van gemeenschapswetgever door middel van uitlegging te herstellen - Afwezigheid - Latere wijziging van regeling - Irrelevantie
(EEG-Verdrag, art. 28; verordening nr. 3563/84 van de Raad)
Samenvatting
De schorsing van de douanerechten ingevolge verordening nr. 3563/84 houdende toepassing van algemene tariefpreferenties voor 1985 voor textielprodukten van oorsprong uit ontwikkelingslanden, is afhankelijk van de vermelding, in een van beide bijlagen bij die verordening, van de Nimexe-code voor het ingevoerde produkt. Daar de uit China en Zuid-Korea ingevoerde linnen herenwindjakken niet kunnen vallen onder bijlage I van de verordening, die betrekking heeft op produkten van wol, katoen of synthetische vezels, en hun code in bijlage II niet wordt vermeld, komen die produkten niet voor bedoelde schorsing in aanmerking.
Hiertegen kan niet worden ingebracht, dat het ontbreken van die code als een aan een onoplettendheid van de Raad te wijten lacune moet worden beschouwd, die het Hof zou moeten opvullen. Volgens artikel 28 van het Verdrag is het immers de Raad die beslist over de autonome wijzigingen of schorsingen van het gemeenschappelijk douanetarief. Het is derhalve de taak van de Raad, en niet van het Hof, om op basis van door hem geformuleerde criteria te bepalen, welke produkten voor schorsing van rechten in aanmerking komen.
Evenmin kan men zich beroepen op de omstandigheid, dat bedoelde code voor latere jaren wel is vermeld. De wijziging van een bepaling van een verordening houdt immers niet in, dat de vroegere versies van die bepaling overeenkomstig die wijziging moeten worden uitgelegd.
Partijen
In zaak C-304/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesfinanzhof (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Lloyd-Textil Handelsgesellschaft mbH & Co. KG.
en
Hauptzollamt Bremen-Freihafen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van bijlage II, categorie 161, van verordening (EEG) nr. 3563/84 van de Raad van 18 december 1984 houdende toepassing van algemene tariefpreferenties voor 1985 voor textielprodukten van oorsprong uit ontwikkelingslanden (PB 1984, L 338, blz. 98),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Tweede kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, F. A. Schockweiler en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Röder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Bardenhewer en B. Rodríguez Galindo, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door H. J. Rabe, advocaat te Brussel,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Commissie ter terechtzitting van 1 april 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 mei 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 25 juni 1992, ingekomen ten Hove op 20 juli daaraanvolgend, heeft het Bundesfinanzhof (Bondsrepubliek Duitsland) het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van bijlage II, categorie 161, van verordening (EEG) nr. 3563/84 van de Raad van 18 december 1984 houdende toepassing van algemene tariefpreferenties voor 1985 voor textielprodukten van oorsprong uit ontwikkelingslanden (PB 1984, L 338, blz. 98; hierna: "verordening").
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen Lloyd-Textil Handelsgesellschaft (hierna: "Lloyd-Textil") en Hauptzollamt Bremen-Freihafen (hierna: "Hauptzollamt") over de invoer van een partij linnen herenwindjakken uit China en Zuid-Korea door die vennootschap in 1985. Het Hauptzollamt was van mening, dat bij de invoer van die produkten invoerrechten verschuldigd waren, terwijl Lloyd-Textil stelde, dat de ingevoerde windjakken krachtens genoemde gemeenschapsverordening in aanmerking kwamen voor schorsing van de douanerechten.
3 Artikel 1 van de verordening bepaalt, dat de douanerechten worden geschorst voor textielprodukten uit ontwikkelingslanden, die in 1985 in de Gemeenschap worden ingevoerd.
4 De textielprodukten die voor de schorsing in aanmerking komen, worden opgesomd in de bijlagen van de verordening, onder de Nimexe-code waarmee zij worden aangeduid in de gemeenschappelijke tariefnomenclatuur. Voor 1985 is deze nomenclatuur vastgelegd in verordening (EEG) nr. 3529/84 van de Commissie van 14 december 1984 houdende wijziging van de goederennomenclatuur voor de statistieken van de buitenlandse handel van de Gemeenschap en van de handel tussen de Lid-Staten (Nimexe) (PB 1984, L 337, blz. 1).
5 In de verordening worden die produkten in twee groepen verdeeld, volgens het materiaal waarvan zij zijn vervaardigd:
- textielprodukten van wol, katoen of synthetische vezels, opgesomd in bijlage I van de verordening, die in aanmerking komen voor een schorsing van rechten voor een hoeveelheid die per land van oorsprong is vastgesteld;
- andere produkten vermeld in bijlage II van de verordening, waarvoor de schorsing slechts is toegestaan voor een hoeveelheid die voor alle landen van oorsprong te zamen is vastgesteld.
6 Lloyd-Textil verlangt, dat de door haar uit China en Zuid-Korea ingevoerde windjakken worden ingedeeld in categorie 161 van bijlage II van de verordening, omschreven als "bovenkleding vervaardigd uit weefsels, voor heren".
7 Volgens het Hauptzollamt vallen de linnen herenwindjakken onder Nimexe-code 61.01-32 van de gemeenschappelijke douanenomenclatuur en wordt deze code noch in de door Lloyd-Textil genoemde categorie 161 noch in enige andere categorie van bijlage II vermeld. Het Hauptzollamt merkt voorts op, dat de door Lloyd-Textil ingevoerde windjakken niet kunnen vallen onder bijlage I, die betrekking heeft op textielprodukten van wol, katoen of synthetische vezels, aangezien zij van linnen zijn. Op grond hiervan komt het tot de slotsom, dat voor de ingevoerde windjakken geen schorsing van rechten kan worden toegestaan.
8 In deze omstandigheden heeft het Bundesfinanzhof het Hof de navolgende prejudiciële vraag gesteld:
"Moet bijlage II, categorie 161, van verordening (EEG) nr. 3563/84 van de Raad houdende toepassing van algemene tariefpreferenties voor 1985 voor textielprodukten van oorsprong uit ontwikkelingslanden, aldus worden uitgelegd, dat zij van toepassing is op $linnen herenwindjakken' (ingevoerd uit China en Zuid-Korea), ofschoon deze textielprodukten aldaar niet uitdrukkelijk worden genoemd?"
9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
10 Wat het antwoord op de prejudiciële vraag betreft, moet allereerst worden opgemerkt, dat in de procedure voor het Hof unaniem is vastgesteld, dat de door Lloyd-Textil ingevoerde windjakken niet kunnen vallen onder bijlage I van de verordening, aangezien deze windjakken van linnen zijn en genoemde bijlage betrekking heeft op textielprodukten van wol, katoen of synthetische vezels.
11 De verwijzende rechter heeft erop gewezen - en dit is in de procedure voor het Hof niet betwist -, dat linnen windjakken onder Nimexe-code 61.01-32 van de in 1985 in de Gemeenschap toepasselijke tariefnomenclatuur vallen, welke code, gelijk het Hauptzollamt heeft opgemerkt, onder geen enkele categorie van bijlage II van de verordening wordt vermeld; zij staat met name niet onder categorie 161, waaronder Lloyd-Textil de windjakken ingedeeld wenst te zien.
12 Luidens voetnoot (a) van de bijlagen I en II van de verordening is de schorsing van de douanerechten afhankelijk van het feit of de Nimexe-code waarmee de ingevoerde produkten worden aangeduid, in één van deze bijlagen wordt vermeld. Deze voetnoot luidt als volgt:
"(...) wordt de omschrijving van de goederen slechts geacht een indicatieve waarde te hebben, aangezien het preferentiële regime wordt bepaald door de draagwijdte van de nummers van de NIMEXE".
13 Daaruit volgt, dat deze produkten in beginsel niet in aanmerking kunnen komen voor schorsing van de douanerechten, aangezien linnen windjakken van oorsprong uit ontwikkelingslanden niet vallen onder bijlage I van de verordening en hun code ook niet wordt vermeld in bijlage II.
14 De Duitse regering werpt tegen, dat de schorsing wordt toegestaan voor alle textielprodukten van oorsprong uit ontwikkelingslanden, dat het ontbreken van de code voor de in geding zijnde produkten in bijlage II te wijten is aan een onoplettendheid van de Raad, en dat het Hof in deze leemte zou moeten voorzien.
15 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat krachtens artikel 28 EEG-Verdrag de Raad beslist over de autonome wijzigingen of schorsingen van het gemeenschappelijk douanetarief. Het is derhalve de taak van de Raad, en niet van het Hof, om op basis van door hem geformuleerde criteria te bepalen, welke produkten voor schorsing van rechten in aanmerking komen.
16 De Duitse regering brengt voorts naar voren, dat de douanerechten zijn geschorst voor in de jaren na 1985 ingevoerde linnen windjakken; daaruit zou volgen, dat de Raad steeds van plan is geweest de gevraagde schorsing toe te staan.
17 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie arrest van 18 maart 1986, zaak 58/85, Ethicon, Jurispr. 1986, blz. 1141) de wijziging van een bepaling van een verordening niet inhoudt, dat de vroegere versies van die bepaling overeenkomstig de wijziging moeten worden uitgelegd. Zo heeft de schorsing van de douanerechten voor een produkt gedurende een aantal jaren niet tot gevolg, dat de schorsing voor dat produkt ook gedurende het voorgaande jaar of de voorgaande jaren moet worden toegestaan.
18 Evenals de Raad de taak heeft te bepalen welke produkten in aanmerking komen voor schorsing van rechten, heeft hij de taak fouten te herstellen die eventueel bij de aanwijzing van die produkten gemaakt zijn, of te voorzien in mogelijke leemten in de verordening.
19 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat reeds op 7 mei 1985 een verzoek is ingediend om linnen windjakken in bijlage II van de verordening op te nemen. De Raad heeft dit verzoek weliswaar ingewilligd, maar alleen voor de jaren na 1985 zonder de in dat jaar ingevoerde produkten in aanmerking te nemen.
20 Mitsdien moet het antwoord op de prejudiciële vraag luiden, dat uit China en Zuid-Korea ingevoerde linnen windjakken voor heren niet vallen onder bijlage II, categorie 161, van verordening (EEG) nr. 3563/84 van de Raad van 18 december 1984 houdende toepassing van algemene tariefpreferenties voor 1985 voor textielprodukten van oorsprong uit ontwikkelingslanden.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
21 De kosten door de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 25 juni 1992 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Uit China en Zuid-Korea ingevoerde linnen windjakken voor heren vallen niet onder bijlage II, categorie 161, van verordening (EEG) nr. 3563/84 van de Raad van 18 december 1984 houdende toepassing van algemene tariefpreferenties voor 1985 voor textielprodukten van oorsprong uit ontwikkelingslanden.
Full & Egal Universal Law Academy