Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Gelijke behandeling - Nederlandse regeling die op grond van bilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid voor ouderdomsverzekering rekening houdt met tijdvakken die Nederlandse onderdanen als dwangarbeider in Duitsland hebben vervuld - Nederlandse uitkering lager dan uitkering die in Duitsland wordt verstrekt aan Duitse onderdanen die dezelfde behandeling hebben ondergaan - Discriminatie op grond van nationaliteit - Geen
(EEG-Verdrag, art. 7, eerste alinea; verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 3, lid 1, 7, lid 2, sub c, en bijlage III)
Samenvatting
Het gemeenschapsrecht, en meer in het bijzonder artikel 7, eerste alinea, van het Verdrag en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71, verzetten zich er niet tegen, dat door toepassing van artikel 2 van de Vierde Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale verzekering betreffende de regeling van aanspraken, die door Nederlandse werknemers tussen 13 mei 1940 en 1 september 1945 op grond van de Duitse sociale verzekering zijn verkregen, die in bijlage III bij de verordening wordt genoemd onder de internationale verdragen die, op grond van artikel 7, lid 2, sub c, ongeacht de bepalingen van de verordening van toepassing blijven, de door Nederlandse onderdanen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Duitsland verrichte dwangarbeid geen recht geeft op een uitkering ten laste van de Duitse ouderdomsverzekering, maar in de Nederlandse regeling in aanmerking wordt genomen als ware deze arbeid in Nederland verricht.
De verschillende pensioenbedragen waarop Nederlandse en Duitse onderdanen die dwangarbeid hebben verricht ten laste van hun respectieve ouderdomsverzekeringen recht hebben, vloeit immers niet voort uit de overeenkomst zelf, die slechts de op de betrokken werknemers toepasselijke wetgeving aangeeft, zonder de grootte van de uitkeringen te preciseren, maar is eerder een gevolg van het feit, dat de Nederlandse wetgever voor de pensioenen die op grond van de overeenkomst te zijnen laste komen, een ander bedrag heeft vastgesteld dan de Duitse ouderdomsverzekering voor de door haar te betalen pensioenen heeft gedaan. Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht bepaalt elke Lid-Staat evenwel vrijelijk het bedrag van de door hem te betalen pensioenen, op voorwaarde dat dit bedrag geen discriminatie op grond van nationaliteit inhoudt. Aangezien de Nederlandse wetgeving verschillende categorieën van gemeenschapsburgers die dwangarbeid hebben verricht, niet verschillend behandelt op grond van hun nationaliteit, kan men niet stellen, dat zij discriminatie op grond van nationaliteit teweegbrengt.
Partijen
In zaak C-305/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Sozialgericht Muenster (Bondsrepubliek Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
A. Hoorn
en
Landesversicherungsanstalt Westfalen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het gemeenschapsrecht in samenhang met artikel 2 van de Vierde Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale verzekering, betreffende de regeling van aanspraken, die door Nederlandse werknemers tussen 13 mei 1940 en 1 september 1945 op grond van de Duitse sociale verzekering zijn verkregen, ondertekend te 's-Gravenhage op 21 december 1956 (United Nations Treaty Series, vol. 591, blz. 374),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, waarnemend voor de kamerpresident, F. A. Schockweiler en J. L. Murray (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° A. Hoorn, in eigen persoon en vertegenwoordigd door Ch. Schaeder, advocaat te Moers (Bondsrepubliek Duitsland),
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bundesministerium fuer Wirtschaft, als gemachtigde,
° de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door A. Bos, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, juridisch adviseur, en R. Hayder, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. Hoorn, de Duitse regering, de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door T. Heukels, adjunct juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, bijgestaan door H. Kreppel, Duits ambtenaar gedetacheerd bij de juridische dienst van de Commissie, als gemachtigden, ter terechtzitting van 24 juni 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 juli 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 19 juni 1992, ingekomen bij het Hof op 20 juli daaraanvolgend, heeft het Sozialgericht Muenster (Bondsrepubliek Duitsland; hierna: "Sozialgericht") krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van het gemeenschapsrecht in samenhang met artikel 2 van de Vierde Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale verzekering, betreffende de regeling van aanspraken, die door Nederlandse werknemers tussen 13 mei 1940 en 1 september 1945 op grond van de Duitse sociale verzekering zijn verkregen, ondertekend te 's-Gravenhage op 21 december 1956 (United Nations Treaty Series, vol. 591, blz. 374; hierna: de "overeenkomst").
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Hoorn, een Nederlands onderdaan, en de Landesversicherungsanstalt, een publiekrechtelijk verzekeringsorgaan van het Land Westfalen, Bondsrepubliek Duitsland, bij wie Hoorn een aanvraag om uitkering van een ouderdomspensioen uit hoofde van tijdens de Tweede Wereldoorlog in dat land verrichte dwangarbeid had ingediend.
3 Die aanvraag werd afgewezen op basis van artikel 2, leden 1 en 3, van de overeenkomst, die luiden als volgt:
"1. Verzekeringstijdvakken, die door Nederlandse onderdanen tussen 13 mei 1940 en 1 september 1945 op grond van een tewerkstelling tegen beloning in de Duitse rentenverzekering voor arbeiders of de Duitse rentenverzekering voor bedienden vervuld zijn, gelden als vervuld voor de Nederlandse verzekering tegen geldelijke gevolgen van invaliditeit, ouderdom en overlijden, indien de werknemer vóór 1 september 1945 zijn werkzaamheden beëindigd heeft en uiterlijk 31 december 1945 in Nederland teruggekeerd is.
(...)
3. Op grond van verzekeringstijdvakken, die ingevolge het eerste lid als vervuld gelden voor de Nederlandse verzekering tegen geldelijke gevolgen van invaliditeit, ouderdom en overlijden kunnen geen aanspraken worden ontleend aan de Duitse rentenverzekering voor arbeiders en de Duitse rentenverzekering voor bedienden (...)."
4 Hoorn stelde tegen het afwijzingsbesluit beroep in bij het Sozialgericht, dat het Hof de navolgende prejudiciële vraag heeft voorgelegd:
"Is artikel 2 van de Vierde Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale verzekering van 29 maart 1951 betreffende de regeling van aanspraken, die door Nederlandse werknemers tussen 13 mei 1940 en 1 september 1945 op grond van de Duitse sociale verzekering zijn verkregen, geldig, zodat vóór 31 december 1945 in Nederland teruggekeerde Nederlandse dwangarbeiders, zoals verzoeker, die tussen 13 mei 1940 en 1 september 1945 in Duitsland werkzaam zijn geweest en naar Duits recht verzekerd waren tegen invaliditeit, voor deze verzekeringstijdvakken geen aanspraak kunnen ontlenen aan de Duitse rentenverzekering voor arbeiders?"
5 Met zijn vraag wenst het Sozialgericht te vernemen, of het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet, dat door de toepassing van artikel 2 van de overeenkomst de door Nederlandse onderdanen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Duitsland verrichte dwangarbeid geen recht geeft op een uitkering ten laste van de Duitse ouderdomsverzekering, maar in de Nederlandse regeling in aanmerking wordt genomen als ware deze arbeid in Nederland verricht.
6 Hoorn is van mening, dat de overeenkomst, in strijd met het gemeenschapsrecht, een niet ter zake doend onderscheid maakt tussen Nederlandse en Duitse onderdanen die dwangarbeid hebben verricht, en tussen twee specifieke categorieën Nederlandse werknemers. Voorts is hij van mening, dat de overeenkomst in strijd is met artikel 8 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1983, L 230, blz. 6, en PB 1992, C 325, blz. 1 ° geconsolideerde versie °), dat de voorwaarden vastlegt waaronder de Lid-Staten onderling overeenkomsten kunnen sluiten op het gebied van de sociale zekerheid.
Discriminatie tussen Nederlandse en Duitse onderdanen die dwangarbeid hebben verricht
7 Volgens Hoorn discrimineert de overeenkomst Nederlandse onderdanen, omdat het pensioen dat dezen krachtens de Nederlandse wetgeving ontvangen, lager is dan het pensioen dat de Duitse ouderdomsverzekering uitkeert aan haar eigen onderdanen die gedurende de Tweede Wereldoorlog in Duitsland dwangarbeid hebben verricht. Dit onderscheid zou in strijd zijn met artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat bepaalt:
"Personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening."
8 In dit verband zij erop gewezen, dat het in artikel 3 geformuleerde discriminatieverbod volgens de bewoordingen zelf van dat artikel van toepassing is "behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening".
9 Voorts moet worden vastgesteld, dat volgens artikel 7, lid 2, sub c, van diezelfde verordening, de in bijlage III vermelde bepalingen van verdragen inzake sociale zekerheid van toepassing blijven, ondanks de bepalingen van de verordening. Welnu, voormelde overeenkomst komt voor onder de in die bijlage genoemde verdragen.
"Artikel 7
2. Ongeacht het bepaalde in artikel 6 blijven van toepassing:
c) de in bijlage III vermelde bepalingen van verdragen inzake sociale zekerheid.
Bijlage III
A. Bepalingen van verdragen inzake sociale zekerheid welke van toepassing blijven ongeacht het bepaalde in artikel 6 van de verordening (artikel 7, lid 2, sub c)
28. DUITSLAND - NEDERLAND
b) De artikelen 2 en 3 van de vierde Aanvullende Overeenkomst van 21 december 1956 bij het Verdrag van 29 maart 1951 (regeling van aanspraken, die door Nederlandse werknemers tussen 13 mei 1940 en 1 september 1945 op grond van de Duitse sociale verzekering zijn verkregen)."
10 Uit het samenstel van deze bepalingen blijkt, dat de overeenkomst ondanks de vaststelling van verordening nr. 1408/71 volledig van toepassing blijft en gevolgen blijft sorteren voor alle daarin bedoelde situaties, waaronder met name die van verzoeker in het hoofdgeding.
11 Hoorn betoogt eveneens, dat het verschil tussen de pensioenbedragen waarop Nederlandse en Duitse onderdanen die dwangarbeid hebben verricht, ten laste van hun respectieve ouderdomsverzekeringen recht hebben, een discriminatie oplevert die in strijd is met artikel 7, lid 1, EEG-Verdrag, dat luidt als volgt:
"Binnen de werkingssfeer van dit Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden."
12 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat het gestelde verschil in behandeling niet voortvloeit uit de overeenkomst zelf, die slechts de op de betrokken werknemers toepasselijke wetgeving aangeeft, zonder de grootte van de uitkeringen te preciseren. Het verschil in behandeling is eerder een gevolg van het feit, dat de Nederlandse wetgever voor de pensioenen die op grond van de overeenkomst te zijnen laste komen, een ander bedrag heeft vastgesteld dan de Duitse ouderdomsverzekering voor de door haar te betalen pensioenen heeft gedaan.
13 Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht bepaalt elke Lid-Staat evenwel vrijelijk het bedrag van de door hem te betalen pensioenen, op voorwaarde dat dit bedrag geen discriminatie op grond van nationaliteit inhoudt. In het onderhavige geval behandelt de Nederlandse wetgeving verschillende categorieën gemeenschapsburgers die dwangarbeid hebben verricht, niet verschillend op grond van hun nationaliteit. Men kan derhalve niet stellen, dat zij discriminatie op grond van nationaliteit toepast.
Discriminatie tussen twee categorieën Nederlandse onderdanen
14 Hoorn stelt voorts, dat de overeenkomst, in strijd met de voormelde bepalingen, een niet ter zake doend onderscheid maakt tussen twee categorieën Nederlandse werknemers die dwangarbeid hebben verricht, namelijk:
° de onder artikel 2 van de overeenkomst vallende werknemers, wier pensioen ten laste van de Nederlandse ouderdomsverzekering komt, en
° de werknemers die na 1 september 1945 hun beroepsactiviteiten in Duitsland hebben voortgezet of na 31 december 1945 in dat land zijn gebleven.
15 Hij beklemtoont, dat laatstgenoemde werknemers krachtens artikel 2, lid 1, in fine, van de overeenkomst (zie r.o. 3 hierboven) van de werkingssfeer van de overeenkomst zijn uitgesloten en dus, anders dan werknemers van de eerste categorie, aanspraak kunnen maken op een pensioen ten laste van de Duitse ouderdomsverzekering.
16 Gelijk de Commissie terecht heeft betoogd, behoeft in dit verband slechts te worden opgemerkt, dat het de Lid-Staten bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht niet verboden is, in het kader van hun wetgeving of van de met andere Lid-Staten gesloten overeenkomsten, voor verschillende bevolkingsgroepen verschillende pensioenregelingen te treffen. Een dergelijk verschil in behandeling valt niet onder het verbod van artikel 7 EEG-Verdrag, dat specifiek tot doel heeft discriminatie op grond van nationaliteit te verbieden.
Artikel 8 van verordening nr. 1408/71
17 Hoorn betoogt eveneens, dat de overeenkomst in strijd is met artikel 8 van verordening nr. 1408/71, dat luidt als volgt:
"1. Twee of meer Lid-Staten kunnen onderling, voor zover daaraan behoefte bestaat, overeenkomsten sluiten welke op de beginselen en de geest van deze verordening berusten.
2. Door iedere Lid-Staat wordt, overeenkomstig artikel 97, lid 1, kennisgeving gedaan van elke overeenkomst welke op grond van lid 1 tussen hem en een andere Lid-Staat is gesloten."
18 In de onderhavige zaak zou de strijdigheid met artikel 8 voortvloeien uit het feit, dat werkzaamheden die in de ene Lid-Staat zijn verricht, volgens de overeenkomst in een andere Lid-Staat in aanmerking worden genomen, terwijl de verordening berust op het beginsel, dat recht op pensioen ontstaat in elke Lid-Staat waar de betrokkene heeft gewerkt.
19 Dienaangaande behoeft slechts te worden opgemerkt, dat blijkens het samenstel van de artikelen 6, 7 en 8 van verordening nr. 1408/71 en de rechtspraak van het Hof (arrest van 2 augustus 1993, zaak C-23/92, Grana-Novoa, Jurispr. 1993, blz. I-4505, r.o. 22), artikel 8 slechts betrekking heeft op na de inwerkingtreding van de verordening tussen de Lid-Staten gesloten overeenkomsten en derhalve niet van toepassing is op de overeenkomst.
20 Gelet op het voorgaande moet op de vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet, dat door toepassing van artikel 2 van de overeenkomst de door Nederlandse onderdanen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Duitsland verrichte dwangarbeid geen recht geeft op een uitkering ten laste van de Duitse ouderdomsverzekering, maar in de Nederlandse regeling in aanmerking wordt genomen als ware deze arbeid in Nederland verricht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
21 De kosten door de Duitse en Nederlandse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Sozialgericht Muenster bij beschikking van 19 juni 1992 gestelde prejudiciële vraag, verklaart voor recht:
Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen, dat door toepassing van artikel 2 van de Vierde Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake sociale verzekering, betreffende de regeling van aanspraken, die door Nederlandse werknemers tussen 13 mei 1940 en 1 september 1945 op grond van de Duitse sociale verzekering zijn verkregen, ondertekend te 's-Gravenhage op 21 december 1956, de door Nederlandse onderdanen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Duitsland verrichte dwangarbeid geen recht geeft op een uitkering ten laste van de Duitse ouderdomsverzekering, maar in de Nederlandse regeling in aanmerking wordt genomen als ware deze arbeid in Nederland verricht.
Full & Egal Universal Law Academy