Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Beoefenaars der tandheelkunde - Ziekenfondstandarts - Nationale bepaling op grond waarvan onderdaan van andere Lid-Staat, die is toegelaten tot uitoefening van beroep, maar slechts een door derde staat afgegeven diploma bezit, voorbereidende stage moet vervullen - Toelaatbaarheid - Erkenning van gelijkwaardigheid van diploma door andere Lid-Staat - Geen invloed
(Richtlijnen van de Raad, 78/686, art. 3 en 20, en 78/687, art. 1, lid 4)
2. Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Beoefenaars der tandheelkunde - Ziekenfondstandarts - Nationale bepaling op grond waarvan onderdaan van andere Lid-Staat, die slechts een door derde staat afgegeven diploma bezit, maar in verschillende Lid-Staten beroep heeft uitgeoefend, voorbereidende stage moet vervullen - Verplichting van bevoegde autoriteiten om overeenkomst tussen door nationaal recht vereiste beroepservaring en door betrokkene reeds verkregen beroepservaring te onderzoeken
(EEG-Verdrag, art. 52)
Samenvatting
1. Artikel 20 van richtlijn 78/686 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, verbiedt een Lid-Staat niet, een onderdaan van een andere Lid-Staat, die geen van de in artikel 3 van die richtlijn genoemde diploma' s bezit, te verplichten een voorbereidende stage te vervullen om als ziekenfondstandarts werkzaam te kunnen zijn, ook wanneer de betrokkene op het grondgebied van eerstgenoemde Lid-Staat tot de uitoefening van zijn beroep is toegelaten.
Genoemd artikel 20 stelt de onderdaan van een Lid-Staat, die houder is van een door een derde staat afgegeven diploma dat door een andere Lid-Staat als gelijkwaardig met een in artikel 3 van de richtlijn genoemd diploma is erkend, evenmin vrij van de voorbereidende stage.
Indien het voor vrijstelling van de voorbereidende stage volstond, dat men onderdaan van een Lid-Staat is en gedurende een bepaalde periode in een Lid-Staat van de Gemeenschap zijn beroep heeft uitgeoefend, zonder dat aan enige aanvullende voorwaarde betreffende de opleiding behoeft te worden voldaan, zou richtlijn 78/686 geen onderscheid hebben gemaakt tussen communautaire onderdanen die vóór afloop van een periode van acht jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van de richtlijn verzoeken om als ziekenfondstandarts werkzaam te kunnen zijn, en zij die dat later doen, dat wil zeggen op een moment waarop de waarborgen voortvloeiend uit de voorwaarden die richtlijn 78/687 ten aanzien van de theoretische en de praktische opleiding stelt, effect hebben. Gelijk volgt uit artikel 1, lid 4, van richtlijn 78/687, bindt de erkenning door een Lid-Staat van door derde staten afgegeven titels, zelfs indien deze in één of meer Lid-Staten als gelijkwaardig zijn erkend, de andere Lid-Staten niet.
2. Artikel 52 van het Verdrag staat de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat niet toe, een onderdaan van een andere Lid-Staat, die geen van de in artikel 3 van richtlijn 78/686 genoemde diploma' s bezit, maar zowel in de eerste als in de tweede Lid-Staat tot de beroepsuitoefening is toegelaten en zijn beroep heeft uitgeoefend, de toelating als ziekenfondstandarts te weigeren op grond dat hij niet de door de wettelijke regeling van eerstgenoemde Lid-Staat vereiste voorbereidende stage heeft vervuld, zonder dat wordt nagegaan of, en zo ja in hoeverre, de huidige beroepservaring waarover de betrokkene reeds beschikt, daaronder begrepen de ervaring die hij als ziekenfondstandarts in een andere Lid-Staat heeft opgedaan, beantwoordt aan de vereisten van deze wettelijke regeling.
Partijen
In zaak C-319/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundessozialgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen
S. Haim
en
Kassenzahnaerztliche Vereinigung Nordrhein,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 20 van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB 1978, L 233, blz. 1), en, subsidiair, van artikel 52 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, M. Díez de Velasco en D. A. O. Edward (rapporteur), kamerpresidenten, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. A. Schockweiler en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- S. Haim, vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat te Keulen,
- de Kassenzahnaerztliche Vereinigung Nordrhein, vertegenwoordigd door P. Scholich, advocaat te Keulen,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Grunwald, lid van de juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van S. Haim en van de Commissie ter terechtzitting van 6 oktober 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 november 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 20 mei 1992, ingekomen bij het Hof op 28 juli daaraanvolgend, heeft het Duitse Bundessozialgericht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 20 van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB 1978, L 233, blz. 1), en, subsidiair, van artikel 52 EEG-Verdrag.
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen S. Haim en de Kassenzahnaerztliche Vereinigung Nordrhein (hierna: de "KVN"), over de weigering van laatstgenoemde om Haim in te schrijven in het Duitse register van ziekenfondstandartsen.
3 Richtlijn 78/686 heeft betrekking op de onderlinge erkenning door de Lid-Staten van de in artikel 3 limitatief opgesomde tandartsdiploma' s die door de Lid-Staten zijn uitgereikt. De cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde wordt verzekerd door richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 (PB 1978, L 233, blz. 10). Volgens artikel 2 van richtlijn 78/686 worden de diploma' s die in een Lid-Staat zijn afgegeven overeenkomstig de in richtlijn 78/687 neergelegde minimumcriteria voor theoretische en praktische opleiding, in de andere Lid-Staten automatisch erkend.
4 Artikel 20 van richtlijn 78/686 luidt als volgt:
"De Lid-Staten die van hun eigen onderdanen eisen dat zij een voorbereidende stage hebben vervuld om werkzaam te kunnen zijn als ziekenfondstandarts, kunnen gedurende een periode van acht jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van deze richtlijn, dezelfde eis stellen aan de onderdanen van andere Lid-Staten. De duur van de stage mag evenwel niet langer zijn dan zes maanden."
5 Laatstgenoemde bepaling is in Duits recht omgezet bij § 3 van de Zulassungsverordnung fuer Kassenzahnaerzte (hierna: de "Duitse regeling"), die de inschrijving in het register van ziekenfondstandartsen afhankelijk stelt van de officiële erkenning als tandarts en de vervulling van een voorbereidende stage van twee jaar. Voor tandartsen die in een andere Lid-Staat een in het gemeenschapsrecht erkend diploma hebben verworven en na 30 juni 1986 om inschrijving hebben verzocht, geldt de voorwaarde van de voorbereidende stage echter niet. Zij die vóór die datum om inschrijving hebben verzocht, moeten een voorbereidende stage van zes maanden vervullen.
6 Haim is een Italiaans onderdaan, die in het bezit is van een in 1946 door de universiteit van Istanboel, Turkije, afgegeven diploma tandheelkunde. Op 18 september 1981 erkende de Regierungspraesident van Arnsberg zijn hoedanigheid als tandarts in de Bondsrepubliek Duitsland, waardoor hij daar in de privé-sector zijn beroep kon gaan uitoefenen.
7 In 1982 werd Haim' s Turkse diploma door de Belgische minister van Nationale opvoeding en Franse cultuur erkend als gelijkwaardig met het "diplôme légal belge de licencié en science dentaire". Dankzij die gelijkwaardigheid, werkte Haim gedurende acht jaar als ziekenfondstandarts in Brussel.
8 In 1988 verzocht Haim de KVN om inschrijving in het tandartsenregister ten einde werkzaam te kunnen zijn als ziekenfondstandarts. Op 10 augustus 1988 wees de KVN dit verzoek af op grond dat Haim niet de door de Duitse regeling vereiste voorbereidende stage van twee jaar had vervuld. De tegen dat besluit ingestelde beroepen werden achtereenvolgens verworpen door het Sozialgericht Duesseldorf, op 28 maart 1988, en het Landessozialgericht Nordrhein-Westfalen, op 24 oktober 1990.
9 Haim stelde daarop bij het Bundessozialgericht "Revision" in ten einde te doen vaststellen, dat hij krachtens artikel 20 van richtlijn 78/686 was vrijgesteld van de verplichting de in de Duitse regeling vastgelegde voorbereidende stage van twee jaar te vervullen. Omdat het Bundessozialgericht twijfels had over de uitlegging van het gemeenschapsrecht, heeft deze rechterlijke instantie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Moet artikel 20 van de richtlijn van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (richtlijn 78/686/EEG - PB 1978, L 233, blz. 1), aldus worden uitgelegd, dat Lid-Staten die van hun eigen onderdanen als voorwaarde voor toelating als ziekenfondstandarts eisen dat zij een voorbereidende stage hebben vervuld, deze voorwaarde na 1986 niet kunnen stellen aan onderdanen van andere Lid-Staten wanneer deze in de staat van vestiging reeds volgens het nationale recht tot de uitoefening van hun beroep zijn toegelaten, ook indien zij geen volgens de richtlijnen te erkennen titel bezitten?
2) Zo nee, komt dan het recht op toelating zonder vervulling van een voorbereidende stage ingevolge de genoemde bepaling in elk geval toe aan onderdanen van andere Lid-Staten die een diploma van een derde staat bezitten, dat door een andere Lid-Staat is erkend als gelijkwaardig met een volgens zijn voorschriften verworven en in de richtlijn genoemd diploma?
3) Zo nee, mag dan ingevolge artikel 52 EEG-Verdrag aan een onderdaan van een andere Lid-Staat die geen onder de richtlijn vallend diploma bezit, maar zowel in de andere Lid-Staat als in de Lid-Staat van vestiging tot de beroepsuitoefening is toegelaten, de toelating als ziekenfondstandarts wegens het ontbreken van de voorbereidende stage worden geweigerd, zonder dat wordt nagegaan of zijn huidige beroepservaring kan worden geacht geheel of gedeeltelijk aan dat vereiste te voldoen?"
De eerste vraag
10 Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of artikel 20 van richtlijn 78/686 het een Lid-Staat verbiedt, een onderdaan van een andere Lid-Staat, die geen van de in artikel 3 van die richtlijn genoemde diploma' s bezit, te verplichten een voorbereidende stage te vervullen om als ziekenfondstandarts werkzaam te kunnen zijn, ook wanneer betrokkene op het grondgebied van eerstgenoemde Lid-Staat tot de uitoefening van zijn beroep is toegelaten.
11 Voor de beantwoording van deze vraag dient voormelde bepaling in het kader van de richtlijn te worden geplaatst.
12 Artikel 20 behoort tot het hoofdstuk "slotbepalingen" van richtlijn 78/686 en heeft uitsluitend betrekking op het bijzondere geval van overeenkomsten tussen tandartsen en ziekenfondsen. Het in artikel 20 neergelegde verbod om communautaire onderdanen na 30 juni 1986 te verplichten een stage te vervullen, laat zich verklaren door het feit dat de diploma' s van de onderdanen der Lid-Staten, zoals opgesomd in artikel 3 van richtlijn 78/686, bij het verstrijken van de periode van acht jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van de richtlijn, alle waarborgen bieden omtrent de door de houders van die diploma' s genoten opleiding.
13 Omdat artikel 20 echter uitgaat van de gedachte, dat de waarborgen voortvloeiend uit de voorwaarden die richtlijn 78/687 ten aanzien van de theoretische en de praktische opleiding stelt, binnen die periode nog geen effect kunnen hebben, geeft het de Lid-Staten de mogelijkheid om de vervulling van een voorbereidende stage van maximaal zes maanden te verlangen, indien zij die voorwaarde handhaven jegens hun eigen onderdanen.
14 Haim stelt dat hij, op grond dat hij onderdaan van een Lid-Staat is en in de Bondsrepubliek Duitsland is toegelaten tot de uitoefening van het beroep van tandarts, de in die bepaling bedoelde stage niet behoeft te vervullen. Zijns inziens doet het er weinig toe, dat hij zijn opleiding in een derde staat heeft genoten.
15 Dit argument kan niet worden aanvaard.
16 Indien het voor vrijstelling van de voorbereidende stage volstond, dat men onderdaan van een Lid-Staat is en gedurende een bepaalde periode in een Lid-Staat van de Gemeenschap zijn beroep heeft uitgeoefend, zonder dat aan enige aanvullende voorwaarde betreffende de opleiding behoeft te worden voldaan, zou richtlijn 78/686 geen onderscheid hebben gemaakt tussen communautaire onderdanen die vóór afloop van een periode van acht jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van de richtlijn verzoeken om als ziekenfondstandarts werkzaam te mogen zijn, en zij die dat later doen. Artikel 20 is echter juist gebaseerd op dit onderscheid, in overeenstemming met het stelsel van de richtlijnen 78/686 en 78/687.
17 Hieruit volgt, dat de werkingssfeer van artikel 20 dezelfde is als die van de richtlijn waarvan het deel uitmaakt en dat het artikel slechts betrekking heeft op houders van een door de Lid-Staten afgegeven diploma.
18 Op de eerste prejudiciële vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 20 het een Lid-Staat niet verbiedt, een onderdaan van een andere Lid-Staat, die geen van de in artikel 3 van die richtlijn genoemde diploma' s bezit, te verplichten een voorbereidende stage te vervullen om als ziekenfondstandarts werkzaam te kunnen zijn, ook wanneer de betrokkene op het grondgebied van eerstgenoemde Lid-Staat tot de uitoefening van zijn beroep is toegelaten.
De tweede vraag
19 Met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 20 van richtlijn 78/686 de onderdaan van een Lid-Staat, die houder is van een door een derde staat afgegeven diploma dat door een andere Lid-Staat is erkend als gelijkwaardig met een in artikel 3 van de richtlijn genoemd diploma, vrijstelt van de voorbereidende stage.
20 Voor de beantwoording van deze vraag moet worden verwezen naar artikel 1, lid 4, van richtlijn 78/687, dat het volgende bepaalt:
"Deze richtlijn laat de mogelijkheid voor de Lid-Staten om op hun eigen grondgebied volgens hun eigen regeling de toegang tot de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde en de uitoefening ervan toe te staan aan de houders van diploma' s, certificaten en andere titels die niet in een Lid-Staat zijn behaald, geheel onverlet."
21 Uit deze bepaling vloeit voort dat, gelijk het Hof heeft vastgesteld in het vandaag eveneens gewezen arrest in zaak C-154/93 (Tawil-Albertini, r.o. 13), de erkenning door een Lid-Staat van door derde staten afgegeven titels, zelfs indien deze in één of meer Lid-Staten als gelijkwaardig zijn erkend, de andere Lid-Staten niet bindt.
22 Op de tweede prejudiciële vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 20 van richtlijn 78/686 de onderdaan van een Lid-Staat, die houder is van een door een derde staat afgegeven diploma dat door een andere Lid-Staat is erkend als gelijkwaardig met een in artikel 3 van de richtlijn genoemd diploma, niet vrijstelt van de voorbereidende stage.
De derde vraag
23 Met de derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat op grond van artikel 52 EEG-Verdrag aan een onderdaan van een andere Lid-Staat, die geen van de in artikel 3 van richtlijn 78/686 genoemde diploma' s bezit, maar die zowel in de eerste als in de tweede Lid-Staat tot de beroepsuitoefening is toegelaten en zijn beroep heeft uitgeoefend, de toelating als ziekenfondstandarts mogen weigeren op grond dat hij niet de door de wettelijke regeling van eerstgenoemde Lid-Staat vereiste voorbereidende stage heeft vervuld, zonder dat wordt nagegaan of hij op grond van zijn huidige beroepservaring kan worden geacht geheel of gedeeltelijk aan dat vereiste te voldoen.
24 Artikel 52 EEG-Verdrag heeft betrekking op de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een Lid-Staat op het grondgebied van een andere Lid-Staat.
25 Een situatie als de onderhavige, waarin een communautair onderdaan gebruik maakt van zijn aan het Verdrag ontleende vrijheid om zich in een andere Lid-Staat te vestigen dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, valt onder de werkingssfeer van deze bepaling.
26 Gelijk het Hof reeds overwoog in het arrest van 7 mei 1991 (zaak C-340/89, Vlassopoulou, Jurispr. 1991, blz. I-2357, r.o. 15), kunnen nationale kwalificatievereisten, ook wanneer zij worden toegepast zonder discriminatie op grond van nationaliteit, tot gevolg hebben, dat de uitoefening door onderdanen van andere Lid-Staten van het hun in artikel 52 EEG-Verdrag gewaarborgde recht van vestiging wordt belemmerd. Dit kan het geval zijn, wanneer in de betrokken nationale voorschriften geen rekening wordt gehouden met door de betrokkene reeds in een andere Lid-Staat verworven kennis en bekwaamheden.
27 In hetzelfde arrest (r.o. 16) oordeelde het Hof, dat een Lid-Staat die moet beslissen op een verzoek om toelating tot een beroep dat naar nationaal recht slechts toegankelijk is voor degene die over een diploma of een beroepskwalificatie beschikt, rekening moet houden met de diploma' s, certificaten en andere titels die de betrokkene met het oog op de uitoefening van hetzelfde beroep in een andere Lid-Staat heeft verworven, door de uit die diploma' s blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale regeling verlangde kennis en ervaring.
28 Krachtens dit zelfde beginsel dient in de onderhavige zaak te worden vastgesteld, dat wanneer de bevoegde nationale autoriteiten moeten nagaan of aan de door de nationale regeling voorgeschreven stageverplichting is voldaan, zij rekening moeten houden met de beroepservaring van verzoeker in het hoofdgeding, daaronder begrepen de beroepservaring die hij als ziekenfondstandarts in een andere Lid-Staat heeft opgedaan.
29 Op de derde vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 52 EEG-Verdrag de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat niet toestaat een onderdaan van een andere Lid-Staat, die geen van de in artikel 3 van richtlijn 78/686 genoemde diploma' s bezit, maar zowel in de eerste als in de tweede Lid-Staat tot de beroepsuitoefening is toegelaten en zijn beroep heeft uitgeoefend, de toelating als ziekenfondstandarts te weigeren op grond dat hij niet de door de wettelijke regeling van eerstgenoemde Lid-Staat vereiste voorbereidende stage heeft vervuld, zonder dat wordt nagegaan of, en zo ja in hoeverre, de beroepservaring waarover de betrokkene reeds beschikt beantwoordt aan de vereisten van deze wettelijke regeling.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Bundessozialgericht bij beschikking van 20 mei 1992 gestelde prejudiciële vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 20 van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, verbiedt een Lid-Staat niet, een onderdaan van een andere Lid-Staat, die geen van de in artikel 3 van die richtlijn genoemde diploma' s bezit, te verplichten een voorbereidende stage te vervullen om als ziekenfondstandarts werkzaam te kunnen zijn, ook wanneer de betrokkene op het grondgebied van eerstgenoemde Lid-Staat tot de uitoefening van zijn beroep is toegelaten.
2) Artikel 20 van richtlijn 78/686/EEG stelt de onderdaan van een Lid-Staat, die houder is van een door een derde staat afgegeven diploma dat door een andere Lid-Staat is erkend als gelijkwaardig met een in artikel 3 van de richtlijn genoemd diploma, niet vrij van de voorbereidende stage.
3) Artikel 52 EEG-Verdrag staat de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat niet toe een onderdaan van een andere Lid-Staat, die geen van de in artikel 3 van richtlijn 78/686/EEG genoemde diploma' s bezit, maar zowel in de eerste als in de tweede Lid-Staat tot de beroepsuitoefening is toegelaten en zijn beroep heeft uitgeoefend, de toelating als ziekenfondstandarts te weigeren op grond dat hij niet de door de wettelijke regeling van eerstgenoemde Lid-Staat vereiste voorbereidende stage heeft vervuld, zonder dat wordt nagegaan of, en zo ja in hoeverre, de huidige beroepservaring waarover de betrokkene reeds beschikt, beantwoordt aan de vereisten van deze wettelijke regeling.
Full & Egal Universal Law Academy