Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Prejudiciële vragen - Voorlegging aan Hof - Noodzaak partijen vooraf te horen - Beoordeling door nationale rechter - Overeenstemming van verwijzingsbeschikking met nationale regels van procesrecht en inzake rechterlijke organisatie - Verificatie niet aan Hof
(EEG-Verdrag, art. 177)
2. Prejudiciële vragen - Voorlegging aan Hof - Uitleggingsvraag reeds in soortgelijke zaak beantwoord - Toelaatbaarheid van nieuw verzoek
(EEG-Verdrag, art. 177)
3. Prejudiciële vragen - Bevoegdheid van Hof - Grenzen - Kennelijk irrelevante vraag
(EEG-Verdrag, art. 177)
4. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Discriminatie tussen producenten of verbruikers - Binnenlandse heffing op nationale produkten ten behoeve van fonds tot steunverlening aan nationale produkten - Niet-terugbetaling ingeval van uitvoer - Geen discriminatie
(EEG-Verdrag, art. 40, lid 3, tweede alinea)
5. Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Rijst - Restituties bij uitvoer - Binnenlandse heffing op nationale rijst ten behoeve van fonds tot steunverlening aan nationale rijstproduktie - Geen terugbetaling ingeval van uitvoer - Toelaatbaarheid
(Verordening nr. 1418/76 van de Raad, art. 17, lid 2)
Samenvatting
1. In het kader van de procedure van artikel 177 van het Verdrag kan het stellig in het belang van een goede rechtsbedeling blijken te zijn, dat een prejudiciële vraag eerst wordt gesteld na een procedure op tegenspraak, doch dit vereiste behoort niet tot de voorwaarden waaronder die procedure kan worden ingeleid. Het staat derhalve bij uitsluiting aan de verwijzende rechter om te beoordelen, of de verweerder moet worden gehoord alvorens tot verwijzing wordt overgegaan.
Gezien de taakverdeling tussen het Hof en de nationale rechter staat het het Hof evenmin vrij, na te gaan of de beschikking waarbij het is aangezocht, is gegeven met inachtneming van de regels van nationaal recht betreffende de rechterlijke organisatie en de procesvoering.
2. De nationale rechter blijft aan artikel 177 EEG-Verdrag de bevoegdheid ontlenen om, indien hij zulks dienstig acht, vragen van uitlegging opnieuw aan het Hof voor te leggen, ook al zijn deze vragen reeds in een prejudiciële beslissing in een soortgelijke zaak beantwoord.
3. In het kader van de procedure van artikel 177 van het Verdrag is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, te oordelen over de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis alsmede over de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Een verzoek van een nationale rechter kan slechts worden afgewezen, wanneer duidelijk blijkt, dat de door die rechter gestelde vraag over de uitlegging van het gemeenschapsrecht of de geldigheid van een communautair voorschrift geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding.
4. Artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat de niet-terugbetaling van een binnenlandse heffing die uitsluitend nationale produkten treft bij de aankoop of verwerking daarvan en die bestemd is om een fonds tot steunverlening aan de nationale produktie aan middelen te helpen, bij uitvoer van die produkten niet leidt tot discriminatie van de ondernemers die de last ervan dragen, voor zover dezen, anders dan ondernemers die zich op een andere markt bevoorraden, gebruik kunnen maken van de diensten waarvoor de betrokken heffing de tegenprestatie vormt.
5. Artikel 17, lid 2, van verordening nr. 1418/76 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt, dat betrekking heeft op de restituties bij uitvoer, moet aldus worden uitgelegd, dat het er niet aan in de weg staat dat een binnenlandse heffing die alleen nationale rijst treft bij de aankoop of verwerking daarvan en die bestemd is om een fonds tot steunverlening aan de nationale rijstproduktie aan middelen te helpen, aan de exporteur van de betrokken rijst niet wordt terugbetaald, voor zover deze heffing, die geen verband houdt met de restituties bij uitvoer noch met het bedrag ervan, geen rechtstreekse invloed op de werking van de in voormelde verordening voorziene mechanismen heeft en derhalve geen middel tot verlaging van het bedrag van die restituties blijkt te zijn.
Partijen
In de gevoegde zaken C-332/92, C-333/92 en C-335/92,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Conciliatura di Vercelli en de Pretura circondariale di Vercelli (Italië), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Eurico Italia Srl,
Viazzo Srl
F. & P. SpA
en
Ente Nazionale Risi,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 40, lid 3, en 5 EEG-Verdrag en artikel 17, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1418/76 van de Raad van 21 juni 1976 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (PB 1976, L 166, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, M. Díez de Velasco, C. N. Kakouris (rapporteur), F. A. Schockweiler en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Eurico Italia Srl, Viazzo Srl en F. & P. SpA, vertegenwoordigd door F. Capelli en D. Casalini, advocaten te Milaan en te Vercelli,
- de Ente Nazionale Risi, vertegenwoordigd door A. Santa Maria, advocaat te Milaan, N. Schaeffer, advocaat te Luxemburg, en G. Pizzonia, advocaat te Reggio di Calabria,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door I. M. Braguglia, avvocato dello Stato,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. de March als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Eurico Italia Srl, Viazzo Srl en F. & P. SpA, de Ente Nazionale Risi, de Italiaanse regering en de Commissie ter terechtzitting van 23 september 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 november 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij drie beschikkingen van 30 juli 1992, ingekomen bij het Hof op 4 en 5 augustus daaraanvolgend, hebben de Conciliatura di Vercelli en de Pretura circondariale di Vercelli krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 40, lid 3, en 5 EEG-Verdrag, artikel 17, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1418/76 van de Raad van 21 juni 1976 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (PB 1976, L 166, blz. 1) en "de elementaire beginselen betreffende de belasting op het verbruik van goederen binnen de Gemeenschap".
2 Deze vragen zijn gerezen in drie gedingen tussen de Italiaanse ondernemingen Eurico Italia Srl (hierna: "Eurico Italia", zaak C-332/92), Viazzo Srl (hierna: "Viazzo", zaak C-333/92) en F. & P. SpA (hierna: "F. & P.", zaak C-335/92), enerzijds, en de Ente Nazionale Risi (hierna: "Ente Risi") anderzijds, betreffende een geldelijke last genaamd contractrecht, die door de Ente Risi op grond van de Italiaanse wettelijke regeling bij de aankoop of de verwerking tot rijst van Italiaanse padie wordt geheven.
3 De Ente Risi, een onder staatstoezicht handelende rechtspersoon, is het Italiaanse interventiebureau in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt. Daarnaast houdt zij zich met name bezig met de opstelling van gegevens en onderzoek op het gebied van de produktie en het verbruik van rijst, de bestrijding van fraude alsmede de bevordering en het stimuleren van de produktie en het verbruik van rijst. Deze activiteiten van de Ente Risi worden gefinancierd door het "contractrecht".
4 Bij elk contract betreffende de aankoop van Italiaanse padie of, bij gebreke van een contract, bij elke verwerking van Italiaanse padie door de producent, wordt, naargelang van het geval, door de koper of de producent een contractrecht betaald.
5 Eurico Italia, Viazzo en F. & P. kochten bepaalde hoeveelheden Italiaanse padie van de soorten "Ariete" en "Europa" met de bedoeling deze tot rijst te verwerken en uit te voeren. Overeenkomstig de in Italië geldende regeling (artikelen 8 en 9 van koninklijk wetsdecreet nr. 1183 van 11 augustus 1933) betaalden zij de Ente Risi een contractrecht, dat op het relevante tijdstip 1 000 LIT per 100 kg padie bedroeg.
6 Eurico Italia voerde de betrokken rijst vervolgens uit naar Polen, op grond waarvan zij een uitvoerrestitutie ontving; Viazzo en F. & P. voerden de tot rijst verwerkte padie respectievelijk naar Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk uit.
7 Van oordeel dat hun wegens deze uitvoer het contractrecht moest worden terugbetaald, leidden de drie ondernemingen bij de Conciliatura di Vercelli en de Pretura circondariale di Vercelli ieder een dwangbevelprocedure in tegen de Ente Risi. Zij stelden in hoofdzaak, dat zij door de niet-terugbetaling van het contractrecht werden gediscrimineerd ten opzichte van andere communautaire ondernemers. Zij betoogden, dat de niet-terugbetaling van het contractrecht voor Eurico Italia leidde tot verlaging van de aan deze onderneming betaalde communautaire restitutie en voor Viazzo en F. & P. tot een verhoging van hun kosten, hetgeen hun concurrentievermogen schaadde. Deze discriminatie was huns inziens in strijd met het beginsel van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag en met de beginselen betreffende de belasting op het verbruik van goederen binnen de Gemeenschap.
8 Van mening dat de oplossing van de geschillen afhangt van de uitlegging van het Verdrag en van verordening nr. 1418/76 (reeds aangehaald), hebben de Conciliatura di Vercelli en de Pretura circondariale di Vercelli de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen.
In zaak C-332/92:
"1) Is de Italiaanse Staat dan wel de Ente Risi, als van de staat onderscheiden orgaan, ingevolge artikel 40, lid 3, tweede alinea, juncto artikel 5 EEG-Verdrag gehouden, de ondernemers in de rijstsector de geldelijke last (het contractrecht) terug te betalen die op in Italië geproduceerde padie wordt toegepast, wanneer de uit die padie verkregen rijst niet in Italië wordt verkocht, maar door bedoelde ondernemers naar derde landen wordt uitgevoerd?
2) Is de niet-terugbetaling van bovenbedoelde geldelijke last (het contractrecht) in geval van uitvoer uit Italië naar derde landen van rijst die is verkregen uit in Italië geproduceerde en aan het contractrecht onderworpen padie, behalve dat zij onverenigbaar is met het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod, bovendien in strijd met artikel 17, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1418/76, voor zover daardoor alleen voor de exporteurs van in Italië geproduceerde rijst het bedrag van de communautaire restitutie, dat volgens voornoemd artikel 17, lid 2, gelijk is voor de gehele Gemeenschap, wordt verlaagd?"
In de zaken C-333/92 en C-335/92:
"1) Is de Italiaanse Staat dan wel de Ente Risi, als van de staat onderscheiden orgaan, ingevolge artikel 40, lid 3, tweede alinea, juncto artikel 5 EEG-Verdrag gehouden, de ondernemers in de rijstsector de geldelijke last (het contractrecht) terug te betalen die op in Italië geproduceerde padie wordt toegepast, wanneer de uit die padie verkregen rijst (of halfwitte rijst) niet in Italië wordt verkocht, maar door bedoelde ondernemers naar andere Lid-Staten wordt uitgevoerd?
2) Is de niet-terugbetaling van bovenbedoelde geldelijke last (het contractrecht) in geval van uitvoer uit Italië naar andere Lid-Staten van rijst (of halfwitte rijst) die is verkregen uit in Italië geproduceerde en aan het contractrecht onderworpen padie, behalve dat zij onverenigbaar is met het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod, bovendien in strijd met de elementaire beginselen betreffende de belasting op het verbruik van goederen binnen de Gemeenschap, volgens welke de lasten die in een Lid-Staat op binnenlandse produkten rusten aan de exporteurs worden terugbetaald wanneer die produkten het grondgebied van de betrokken Lid-Staat verlaten?"
9 Bij beschikking van 14 september 1992 heeft de president besloten de drie zaken overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering voor de mondelinge behandeling en het arrest te voegen.
De ontvankelijkheid
10 De Ente Risi betoogt in de eerste plaats, dat de verzoeken om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, op grond dat zij bij gebreke van een contradictoire procedure voor de verwijzende rechter niet de gelegenheid heeft gehad bepaalde excepties op te werpen die de onderhavige prejudiciële procedure eventueel hadden kunnen voorkomen.
11 Volgens de rechtspraak van het Hof kan het stellig in het belang van een goede rechtsbedeling blijken te zijn, dat een prejudiciële vraag eerst wordt gesteld na een procedure op tegenspraak. Evenwel moet worden vastgesteld, dat het vooraf horen van de wederpartij niet behoort tot de voorwaarden waaronder de in artikel 177 EEG-Verdrag voorziene procedure kan worden ingeleid en dat het bij uitsluiting aan de verwijzende rechter staat om te beoordelen, of de verweerder moet worden gehoord alvorens tot verwijzing wordt overgegaan (zie arrest van 20 oktober 1993, zaak C-10/92, Balocchi, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, r.o. 13 en 14).
12 De Ente Risi stelt in de tweede plaats dat, volgens Italiaans procesrecht, de verwijzende rechters ratione materiae onbevoegd zijn om kennis te nemen van de hoofdgedingen, en dat de in het kader van die geschillen gevoerde dwangbevelprocedure niet-ontvankelijk is; in het kader van die procedure is het enkel mogelijk een partij te veroordelen, en kan niet het bestaan van een schuldvordering worden vastgesteld, wat in werkelijkheid door verzoeksters in de hoofdgedingen wordt beoogd. Daaruit volgt, aldus de Enti Risi, dat wanneer een rechter naar nationaal recht onbevoegd is of wanneer de vordering in het hoofdgeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard, de nationale rechter het Hof geen prejudiciële vraag kan voorleggen.
13 Dienaangaande zij herinnerd aan het arrest van 14 januari 1982 (zaak 65/81, Reina, Jurispr. 1982, blz. 33, r.o. 7), waarin het Hof oordeelde dat het hem niet vrij staat, gezien de taakverdeling tussen het Hof en de nationale rechter, na te gaan of de beschikking waarbij het is aangezocht, is gegeven met inachtneming van de regels van nationaal recht betreffende de rechterlijke organisatie en de procesvoering.
14 In de derde plaats voert de Ente Risi aan, dat een precedent als het arrest van 12 juli 1973 (zaak 2/73, Geddo, Jurispr. 1973, blz. 865), dat de in de hoofdgedingen opgeworpen problemen oplost, de verwijzende rechters belette zich opnieuw tot het Hof wenden, tenzij zij de redenen aangeven waarom de door het Hof reeds gegeven uitlegging zou moeten worden gewijzigd.
15 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, afgezien van het feit dat de vragen waarop in het arrest Geddo (reeds aangehaald) is geantwoord, niet dezelfde zijn als die welke in de onderhavige zaken zijn gesteld, de nationale rechter aan artikel 177 EEG-Verdrag de bevoegdheid blijft ontlenen om, indien hij zulks dienstig acht, vragen van uitlegging opnieuw aan het Hof voor te leggen (zie arrest van 27 maart 1963, gevoegde zaken 28/62, 29/62 en 30/62, Da Costa en Schaake, Jurispr. 1963, blz. 61, 78).
16 Voorts betoogt de Ente Risi, dat de voorgelegde vragen niet relevant zijn voor de oplossing van de hoofdgedingen. Gezien de economische inzet ervan zouden de hoofdgedingen proefprocessen zijn die voor de nationale rechter zijn gebracht met de enkele bedoeling een uitspraak van het Hof uit te lokken.
17 Hierop moet worden geantwoord, dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, te oordelen over de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis alsmede over de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Een verzoek van een nationale rechter kan worden afgewezen, wanneer duidelijk blijkt, dat de door die rechter gestelde vraag over de uitlegging van het gemeenschapsrecht of de geldigheid van een communautair voorschrift geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding (zie onder meer arrest van 16 juli 1992, zaak C-67/91, Asociación Española de Banca Privada e.a., Jurispr. 1992, blz. I-4785, r.o. 25 en 26). Dit is in de hoofdgedingen evenwel niet het geval.
18 Ten slotte betoogt de Ente Risi, dat de gestelde vragen in werkelijkheid ertoe strekken, een uitspraak van het Hof te verkrijgen over de onverenigbaarheid van de nationale voorschriften betreffende het contractrecht met het gemeenschapsrecht, hetgeen buiten de bevoegdheid van het Hof valt wanneer dit uitspraak doet in het kader van een prejudiciële procedure.
19 Dienaangaande zij herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke dit zich in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag niet kan uitspreken over de verenigbaarheid van een nationale bepaling met het gemeenschapsrecht. Het Hof kan evenwel uit de bewoordingen van de door de nationale rechter geformuleerde vragen, en gelet op de door deze verstrekte gegevens, de elementen lichten die onder de uitlegging van het gemeenschapsrecht vallen, ten einde die rechter in staat te stellen de voor hem gerezen rechtsvragen op te lossen (zie arrest van 11 juni 1992, gevoegde zaken C-149/91 en C-150/91, Sanders Adour en Guyomarc' h Orthez Nutrition animale, Jurispr. 1992, blz. I-3899, r.o. 10).
Ten gronde
De eerste vraag in de drie zaken
20 De eerste vraag van de verwijzende rechters strekt er in hoofdzaak toe te vernemen, of de artikelen 40, lid 3, tweede alinea, en 5 EEG-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat de niet-terugbetaling van een binnenlandse heffing die uitsluitend nationale produkten treft bij de aankoop of verwerking daarvan en die bestemd is om een fonds tot steunverlening aan de nationale produktie aan middelen te helpen, bij uitvoer van die produkten naar een Lid-Staat of een derde land leidt tot discriminatie van de ondernemers die de last ervan dragen.
21 Vooraf moet worden opgemerkt, dat het voor de beantwoording van deze eerste vraag irrelevant is, of de produkten naar een Lid-Staat van de Gemeenschap dan wel naar een derde land zijn uitgevoerd.
22 Met betrekking tot artikel 5 EEG-Verdrag zij eraan herinnerd, dat deze bepaling zo algemeen is geformuleerd, dat van een autonome toepassing ervan geen sprake kan zijn wanneer de betrokken situatie, zoals in casu, wordt beheerst door een specifieke bepaling van het Verdrag als artikel 40, lid 3, tweede alinea (zie arrest van 11 maart 1992, gevoegde zaken C-78/90 tot en met C-83/90, Compagnie commerciale de l' Ouest e.a., Jurispr. 1992, blz. I-1847, r.o. 19). Bijgevolg behoeft de eerste vraag niet te worden beantwoord voor zover zij betrekking heeft op artikel 5 EEG-Verdrag.
23 Verzoeksters in de hoofdgedingen merken op, dat ondernemers die Italiaanse padie kopen, of producenten die deze tot rijst verwerken, worden gediscrimineerd doordat de Italiaanse voorschriften betreffende het contractrecht ten gevolge hebben, dat voor in Italië geproduceerde padie een andere regeling geldt dan voor niet in Italië geproduceerde padie.
24 In dit verband moet worden opgemerkt, dat ondernemers die Italiaanse padie kopen of verwerken, gebruik kunnen maken van de hiervóór (r.o. 3) beschreven diensten van de Ente Risi, waarvoor het contractrecht de tegenprestatie vormt. Bijgevolg worden deze ondernemers geenszins gediscrimineerd ten opzichte van ondernemers die zich op een andere markt bevoorraden en het contractrecht derhalve niet hoeven te betalen, doch die evenmin gebruik kunnen maken van de diensten van de Ente Risi.
25 Verzoeksters in de hoofdgedingen betogen voorts, dat de toepassing van het contractrecht discriminerend is daar zij de gemeenschapsregeling inzake de vaststelling van de uniforme prijzen en de restituties bij uitvoer schendt. Dienaangaande wijzen zij erop, dat aangezien de gemeenschapsinstellingen geen rekening houden met het contractrecht wanneer zij de rijstprijzen en het bedrag van de restituties bij uitvoer vaststellen, de Italiaanse ondernemers hogere kosten te dragen hebben waardoor hun concurrentievermogen wordt aangetast.
26 Dit argument berust op de veronderstelling, dat het over Italiaanse padie geheven contractrecht slechts een last is die de kosten van de Italiaanse ondernemers verhoogt. Zoals gezegd evenwel, vormt dit recht de tegenprestatie voor de hun door de Ente Risi verleende diensten.
27 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat de niet-terugbetaling van een binnenlandse heffing die uitsluitend nationale produkten treft bij de aankoop of verwerking daarvan en die bestemd is om een fonds tot steunverlening aan de nationale produktie aan middelen te helpen, bij uitvoer van die produkten niet leidt tot discriminatie van de ondernemers die de last ervan dragen.
De tweede vraag in zaak C-332/92
28 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of artikel 17, lid 2, van verordening nr. 1418/76 (reeds aangehaald), dat de restituties bij uitvoer betreft, aldus moet worden uitgelegd, dat het eraan in de weg staat dat een heffing met de hierboven beschreven kenmerken niet wordt terugbetaald aan de exporteur, wanneer het betrokken produkt wordt uitgevoerd.
29 Verzoeksters in de hoofdgedingen zijn van oordeel, dat wanneer het contractrecht niet wordt terugbetaald wanneer rijst van Italiaanse oorsprong wordt uitgevoerd naar een derde land, zulks voor de ondernemers die zich met Italiaanse rijst bevoorraden in werkelijkheid betekent dat het bedrag van de communautaire restitutie wordt verlaagd. Bijgevolg zou punt 2 van het dictum van het arrest Geddo (reeds aangehaald) onvolledig zijn, daar het Hof de ondernemers aldaar impliciet het recht op terugbetaling heeft toegekend.
30 In het arrest Geddo (reeds aangehaald) heeft het Hof voor recht verklaard, dat een dergelijke heffing zich met de bepalingen der verordening waarin de restituties bij uitvoer zijn voorzien slechts niet zou verdragen, wanneer het mocht blijken een middel tot verlaging van die restituties te zijn.
31 Er zij aan herinnerd, dat deze heffing, die bestemd is ter financiering van de werkzaamheden van de Ente Risi, de koper van Italiaanse padie treft bij de koopovereenkomst en de producent wanneer deze overgaat tot verwerking van de rijst. Deze geldelijke last rust derhalve op Italiaanse rijst, ongeacht of hij wordt uitgevoerd dan wel in het binnenland wordt verbruikt.
32 Hieruit volgt, dat het contractrecht geen verband houdt met de restituties bij uitvoer, daar het ook verschuldigd is wanneer het produkt niet wordt uitgevoerd. Het houdt evenmin verband met het bedrag van de restituties bij uitvoer en heeft geen rechtstreekse invloed op de werking van de in verordening nr. 1418/76 (reeds aangehaald) voorziene mechanismen.
33 Derhalve moet op de tweede vraag in zaak C-332/92 worden geantwoord, dat artikel 17, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1418/76 van de Raad van 21 juni 1976 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt, dat betrekking heeft op de restituties bij uitvoer, aldus moet worden uitgelegd, dat het er niet aan in de weg staat dat een heffing met de hierboven beschreven kenmerken aan de betrokken exporteur niet wordt terugbetaald, tenzij deze heffing een middel tot verlaging van het bedrag van de restituties bij uitvoer mocht blijken te zijn.
De tweede vraag in de zaken C-333/92 en C-335/92
34 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of de elementaire beginselen op het gebied van de belasting op het verbruik van goederen binnen de Gemeenschap eraan in de weg staan, dat een heffing die de kenmerken van het contractrecht vertoont aan de exporteur niet wordt terugbetaald, wanneer het door de heffing getroffen produkt wordt uitgevoerd naar een andere Lid-Staat.
35 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, los van de vraag of dergelijke beginselen bestaan, een heffing die de kenmerken van het contractrecht vertoont, zoals hiervoor omschreven, geen verbruiksbelasting vormt, doch, gelijk de Commissie terecht opmerkt, een parafiscale heffing.
36 Derhalve behoeft de tweede vraag in de zaken C-333/92 en C-335/92 niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
37 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Conciliatura di Vercelli en de Pretura circondariale di Vercelli bij beschikkingen van 30 juli 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat de niet-terugbetaling van een binnenlandse heffing die uitsluitend nationale produkten treft bij de aankoop of verwerking daarvan en die bestemd is om een fonds tot steunverlening aan de nationale produktie aan middelen te helpen, bij uitvoer van die produkten niet leidt tot discriminatie van de ondernemers die de last ervan dragen.
2) Artikel 17, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1418/76 van de Raad van 21 juni 1976 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt, dat betrekking heeft op de restituties bij uitvoer, moet aldus worden uitgelegd, dat het er niet aan in de weg staat dat een heffing met de hierboven beschreven kenmerken aan de betrokken exporteur niet wordt terugbetaald, tenzij deze heffing een middel tot verlaging van het bedrag van de restituties bij uitvoer mocht blijken te zijn.
Full & Egal Universal Law Academy