Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Extra heffing op melk ° Keuze van formule A ° Heffingplichtige ° Producent ° Substitutie van producent door koper in geval van onregelmatigheden van laatstgenoemde bij berekening van referentiehoeveelheden ° Uitgesloten
(Verordeningen van de Commissie nr. 1371/84, art. 12, leden 2 en 4, nr. 3005/85 en nr. 1546/88, art. 15, lid 4)
2. Lid-Staten ° Verplichtingen ° Verplichting tot bestraffing van overtredingen van gemeenschapsrecht ° Draagwijdte
(EEG-Verdrag, art. 5)
Samenvatting
1. Artikel 12, lid 4, in de oorspronkelijke versie van verordening nr. 1371/84, het artikel 12, lid 4, geworden artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1371/84 in de versie van verordening nr. 3005/85 en artikel 15, lid 4, van verordening nr. 1546/88 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de extra heffing op melk moeten aldus worden uitgelegd, dat in het kader van formule A alleen de producenten en niet de koper het uit hoofde van de extra heffing op melk opeisbare saldo verschuldigd zijn, ook wanneer dit saldo verschuldigd wordt als gevolg van de terugwerkende vermindering van de referentiehoeveelheden van de producenten en de aanvankelijk onjuiste berekening van deze hoeveelheden was toe te rekenen aan het verwijtbare gedrag van de koper of van zijn ondergeschikten. De gemeenschapsregeling inzake de extra heffing bepaalt niet, dat de koper in de plaats treedt van de producent als heffingplichtige, wanneer de koper bij de vaststelling van het heffingbedrag dat hij moet innen, onregelmatigheden pleegt.
2. Wanneer een gemeenschapsregeling geen specifieke strafbepaling met betrekking tot een overtreding bevat of daarvoor verwijst naar de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, zijn de Lid-Staten krachtens artikel 5 EEG-Verdrag verplicht, alle passende maatregelen te nemen om de doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren. Deze verplichting omvat mede het instellen van alle vorderingen van administratieve, fiscale of civielrechtelijke aard tot inning of navordering van op frauduleuze wijze ontdoken rechten of heffingen dan wel tot verkrijging van schadevergoeding.
Partijen
In zaak C-352/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Duesseldorf (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Milchwerke Koeln/Wuppertal eG
en
Hauptzollamt Koeln-Rheinau,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging en de geldigheid van artikel 12, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1984, L 132, blz. 11), van artikel 12, lid 4, van dezelfde verordening in de redactie van verordening (EEG) nr. 3005/85 van de Commissie van 29 oktober 1985 (PB 1985, L 288, blz. 10) en van artikel 15, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1988, L 139, blz. 12),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, F. Grévisse en M. Zuleeg (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Milchwerke Koeln/Wuppertal eG, vertegenwoordigd door L. Meyer-Arndt, advocaat te Keulen,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Booss, juridisch adviseur, als gemachtigde, bijgestaan door H.-J. Rabe, advocaat van het kantoor Schoen, Nolte, Finkelnburg en Clemm te Hamburg en Brussel,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie ter terechtzitting van 30 september 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 november 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 18 augustus 1992, ingekomen ten Hove op 9 september daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Duesseldorf (Duitsland) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging en de geldigheid van artikel 12, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1984, L 132, blz. 11), van artikel 12, lid 4, van dezelfde verordening in de redactie van verordening (EEG) nr. 3005/85 van de Commissie van 29 oktober 1985 (PB 1985, L 288, blz. 10) en van artikel 15, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1988, L 139, blz. 12).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Milchwerke Koeln/Wuppertal eG en Hauptzollamt Koeln-Rheinau (hierna: het "Hauptzollamt") over een extra heffing die zij verschuldigd zou zijn wegens een terugwerkende verlaging van referentiehoeveelheden als gevolg van een haar toe te rekenen onjuiste berekening van die hoeveelheden.
3 Verzoekster in het hoofdgeding heeft alle rechten en verplichtingen van Milchversorgung Rheinland eG overgenomen, waarmee zij is gefuseerd. Deze kocht melk van de bij haar aangesloten producenten die tevens haar leden waren. Vóór de fusie lieten enige medewerkers bij vele aangesloten producenten de toegedeelde referentiehoeveelheden opzettelijk onjuist berekenen, met als gevolg dat deze producenten te hoge referentiehoeveelheden kregen toegekend. Milchversorgung Rheinland betaalde het bevoegde orgaan de extra heffing voor de geleverde hoeveelheden die deze onjuiste referentiehoeveelheden overschreden.
4 Na in 1989 verrichte controles annuleerde het Hauptzollamt in 309 gevallen de onjuist berekende referentiehoeveelheid met terugwerkende kracht en verving het deze door een lagere referentiehoeveelheid. Bij aanslagen van 12 en 14 juni 1991 vorderde het van verzoekster als heffingplichtige een bedrag van in totaal 5 975 480,49 DM aan onbetaalde extra heffing.
5 Nadat verzoeksters bezwaar bij verweerder in feite zonder resultaat was gebleven, stelde zij bij het Finanzgericht Duesseldorf beroep in tot nietigverklaring van de twee aanslagen.
6 Van oordeel dat de te geven beslissing afhing van de uitlegging en de geldigheid van de in geding zijnde gemeenschapsbepalingen, heeft dit gerecht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Kan de koper bij toepassing van formule A van artikel 5 quater, lid 1, van verordening (EEG) nr. 804/68 ingevolge artikel 12, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1371/84 in de oorspronkelijke versie, worden aangesproken tot betaling van de extra heffing op melk die op grond van terugwerkende verlagingen van de referentiehoeveelheden verschuldigd is geworden, wanneer door toedoen van zijn medewerkers de referentiehoeveelheden ten onrechte op een te hoog niveau zijn vastgesteld, zodat de extra heffing niet in volle omvang is betaald?
2) Kan de koper onder dezelfde voorwaarden als onder 1 ingevolge artikel 12, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1371/84 in de versie van verordening (EEG) nr. 3005/85, en artikel 15, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1546/88 worden aangesproken tot betaling van de extra heffing op melk?
3) Indien de vragen 1 en 2 bevestigend worden beantwoord: zijn artikel 12, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1371/84 en artikel 15, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1546/88 geldig, voor zover daaruit voortvloeit dat bij toepassing van formule A ook de koper heffingplichtig is?"
7 In de motivering van zijn beschikking overweegt de verwijzende rechter, dat de uitlegging van genoemde bepalingen geen steun biedt aan de opvatting van het Hauptzollamt, dat de extra heffing ook in het kader van formule A (formule producent) door verzoekster in haar hoedanigheid van koopster verschuldigd is. Volgens de verwijzende rechter mist een dergelijke oplossing wettelijke grondslag.
8 Allereerst moet erop worden gewezen, dat artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 148, blz. 13), zoals aangevuld bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, blz. 10), voor de duur van vijf jaren ten laste van de producenten of kopers van koemelk een extra heffing heeft ingesteld met het doel, de groei van de melkproduktie te beheersen en tegelijk de nodige structurele ontwikkelingen en aanpassingen mogelijk te maken.
9 Volgens deze bepaling wordt de heffing toegepast volgens één van de volgende formules:
Formule A
Voor elke melkproducent geldt een heffing over de hoeveelheden melk en/of melkequivalent die hij aan een koper heeft geleverd en die gedurende een tijdvak van twaalf maanden een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden.
Formule B
Voor elke koper van melk of andere zuivelprodukten geldt een heffing over de hoeveelheden melk of melkequivalent die hem door producenten zijn geleverd en die gedurende een tijdvak van twaalf maanden een vast te stellen referentiehoeveelheid overschrijden.
10 In het kader van formule A wordt de heffing ingevolge artikel 9, lid 2, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13) door de koper bij elke producent geïnd.
De eerste twee vragen
11 Met deze twee vragen, die te zamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 12, lid 4, van verordening nr. 1371/84 in haar oorspronkelijke versie, het artikel 12, lid 4, geworden artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1371/84 in de versie van verordening nr. 3005/85 en artikel 15, lid 4, van verordening nr. 1546/88 aldus moeten worden uitgelegd, dat in het kader van formule A alleen de producenten en niet de koper het uit hoofde van de extra heffing op melk opeisbare saldo verschuldigd zijn, ook wanneer dit saldo verschuldigd wordt als gevolg van de terugwerkende vermindering van de referentiehoeveelheden van de producenten en de aanvankelijk onjuiste berekening van deze hoeveelheden was toe te rekenen aan het verwijtbare gedrag van de koper of van zijn ondergeschikten.
12 Zoals uit de motivering van de verwijzingsbeschikking blijkt, is het Hauptzollamt in de eerste plaats van mening, dat in het kader van formule A in beginsel alleen de melkproducenten de extra heffing verschuldigd zijn. Uit artikel 12 van verordening nr. 1371/84 en artikel 15, lid 4, van verordening nr. 1546/88 leidt het echter af, dat in bepaalde omstandigheden zoals die van het hoofdgeding, waarin het feit dat te weinig extra heffing is geheven aan de kopers is toe te rekenen, de kopers persoonlijk gehouden zijn tot voldoening van het verschuldigde saldo.
13 Het betoog van het Hauptzollamt faalt.
14 De gemeenschapswetgever heeft de Lid-Staten de keuze gelaten tussen de formules A en B, die verschillende heffingplichtigen aanwijzen.
15 Daar de Bondsrepubliek Duitsland formule A heeft gekozen, is alleen de producent onderworpen aan de extra heffing op melk. Derhalve is een koper van melk, zoals verzoekster in het hoofdgeding, niet de schuldenaar van de extra heffing.
16 Een koper kan krachtens de in de prejudiciële vragen genoemde bepalingen, die de kopers verplichten het bij elke producent geïnde heffingbedrag aan de bevoegde instantie over te maken, niet tot schuldenaar van de extra heffing worden verklaard.
17 Uit de opzet van deze regeling volgt immers, dat de koper weliswaar tot afdracht van de geïnde bedragen is gehouden, maar niet zelf de extra heffing verschuldigd is.
18 De door de Commissie ter uitvoering van de heffingregeling vastgestelde verordeningen hebben geen wijziging gebracht wat betreft de vraag, welke marktdeelnemer de extra heffing verschuldigd is. Krachtens artikel 12, lid 4, in de oorspronkelijk versie van verordening nr. 1371/84, waarnaar het Hauptzollamt verwijst, blijft de producent degene die het opeisbare saldo verschuldigd is in het geval dat het aan extra heffing betaalde bedrag lager is dan het werkelijk verschuldigde bedrag.
19 Volgens het Hauptzollamt zou het mogelijk moeten zijn van deze regeling af te wijken, wanneer de koper bij de berekening van de aanvankelijk toegekende referentiehoeveelheden onregelmatigheden heeft gepleegd.
20 Een dergelijke oplossing kan niet worden aanvaard.
21 De gemeenschapsregeling inzake de extra heffing bepaalt niet, dat de koper in de plaats treedt van de producent als heffingplichtige, wanneer de koper bij de vaststelling van het heffingbedrag dat hij moet innen, onregelmatigheden pleegt. Het niet-geïnde bedrag blijft verschuldigd door de producent.
22 Ondanks de noodzaak om fraude te bestrijden, veronderstelt een sanctie als de vervanging van de producent door de koper een voorafgaande wettelijke grondslag die de voorwaarden en de draagwijdte ervan bepaalt.
23 Het staat aan de Lid-Staten om fraude doeltreffend te bestrijden. Volgens vaste rechtspraak zijn, wanneer een gemeenschapsregeling geen specifieke strafbepaling met betrekking tot een overtreding bevat of daarvoor verwijst naar de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de Lid-Staten krachtens artikel 5 EEG-Verdrag verplicht, alle passende maatregelen te nemen om de doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren (zie arresten van 21 september 1989, zaak 68/88, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1989, blz. 2965, r.o. 23, en 10 juli 1990, zaak C-326/88, Hansen, Jurispr. 1990, blz. I-2911, r.o. 17, en beschikking van 13 juli 1990, zaak C-2/88 Imm., Zwartveld, Jurispr. 1990, blz. I-3365, r.o. 17 in fine). Zoals de advocaat-generaal in punt 17 van zijn conclusie heeft opgemerkt, omvat de verplichting van artikel 5 EEG-Verdrag ook het instellen van alle vorderingen van administratieve, fiscale of civielrechtelijke aard tot inning of navordering van op frauduleuze wijze ontdoken rechten of heffingen dan wel tot verkrijging van schadevergoeding.
24 Gelet op al het voorgaande moet op de eerste twee vragen worden geantwoord, dat artikel 12, lid 4, in de oorspronkelijke versie van verordening nr. 1371/84, het artikel 12, lid 4, geworden artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1371/84 in de versie van verordening nr. 3005/85 en artikel 15, lid 4, van verordening nr. 1546/88 aldus moeten worden uitgelegd, dat in het kader van formule A alleen de producenten en niet de koper het uit hoofde van de extra heffing op melk opeisbare saldo verschuldigd zijn, ook wanneer dit saldo verschuldigd wordt als gevolg van de terugwerkende vermindering van de referentiehoeveelheden van de producenten en de aanvankelijk onjuiste berekening van deze hoeveelheden was toe te rekenen aan het verwijtbare gedrag van de koper of van zijn ondergeschikten.
De derde vraag
25 Gelet op het antwoord op de twee eerste vragen behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
26 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Duesseldorf bij beschikking van 18 augustus 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 12, lid 4, in de oorspronkelijke versie van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing, het artikel 12, lid 4, geworden artikel 12, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1371/84 in de versie van verordening (EEG) nr. 3005/85 van de Commissie van 29 oktober 1985 en artikel 15, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing moeten aldus worden uitgelegd, dat in het kader van formule A alleen de producenten en niet de koper het uit hoofde van de extra heffing op melk opeisbare saldo verschuldigd zijn, ook wanneer dit saldo verschuldigd wordt als gevolg van de terugwerkende vermindering van de referentiehoeveelheden van de producenten en de aanvankelijk onjuiste berekening van deze hoeveelheden was toe te rekenen aan het verwijtbare gedrag van de koper of van zijn ondergeschikten.
Full & Egal Universal Law Academy