Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Draagwijdte ° Verordeningen
(EEG-Verdrag, art. 190)
2. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Discriminatie tussen producenten of verbruikers ° Vaststelling van uiterste datum voor inzaai en indiening van aanvragen voor compensatiebedrag in kader van steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen ° Vaststelling berustend op objectieve criteria, aangepast aan behoeften van werking van gemeenschappelijke ordening ° Verschillende gevolgen al naar gelang producenten ° Geen discriminatie
(EEG-Verdrag, art. 40, lid 3, tweede alinea; verordening nr. 1765/92 van de Raad, art. 10, lid 2)
3. Landbouw ° Gemeenschappelijk landbouwbeleid ° Doelstellingen ° Afweging ° Beoordelingsbevoegdheid van instellingen ° Stabilisatie van markten, veilig stellen van voorziening en redelijke levensstandaard voor producenten ° Hervorming van steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen
(EEG-Verdrag, art. 39; verordening nr. 1765/92 van de Raad)
4. Gemeenschapsrecht ° Beginselen ° Bescherming van gewettigd vertrouwen ° Grenzen ° Wijziging van regeling betreffende gemeenschappelijke ordening der markten ° Beoordelingsbevoegdheid van instellingen ° Verschuiving, met voldoende voorafgaande kennisgeving, van uiterste datum voor indiening van aanvragen voor financiële steun van Gemeenschap ° Schending ° Afwezigheid
(Verordening nr. 1765/92 van de Raad)
5. Landbouw ° Gemeenschappelijk landbouwbeleid ° Beginsel van communautaire preferentie ° Draagwijdte ° Grenzen
Samenvatting
1. De door artikel 190 van het Verdrag vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling. De redenering van de communautaire instantie die de handeling heeft vastgesteld, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Bij een handeling kan echter geen specifieke motivering worden verlangd van de verschillende onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen, zodra deze handeling binnen de systematiek van het geheel valt waarvan zij een onderdeel vormt.
2. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid brengt de vaststelling mee van gemeenschappelijke regels die voor de producenten verschillende gevolgen kunnen hebben, al naargelang de individuele oriëntatie van hun produktie of de plaatselijke omstandigheden, maar die toch niet kunnen worden beschouwd als een krachtens artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag verboden discriminatie, wanneer zij berusten op objectieve criteria die zijn aangepast aan de behoeften van de algemene werking van de gemeenschappelijke ordening.
Dit is het geval met artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1765/92 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, dat de toekenning van een compensatiebedrag afhankelijk stelt van de inachtneming van een uiterste datum voor de inzaai en de indiening van de aanvragen. De invoering van een dergelijke uiterste datum is immers enerzijds bedoeld om de controle en de doeltreffendheid van het stelsel van die bedragen te verzekeren, sluit anderzijds a priori de producenten van geen enkele Lid-Staat uit, en is ten slotte vatbaar voor wijzigingen naar gelang van de klimaatsomstandigheden.
3. De instellingen van de Gemeenschap moeten bij het toewerken naar de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voortdurend ervoor zorgen, mogelijke tegenstellingen tussen de afzonderlijke doelstellingen van artikel 39 EEG-Verdrag te verzoenen, en moeten in voorkomend geval aan deze of gene ervan tijdelijk voorrang verlenen, voor zover de economische voorwaarden of omstandigheden op grond waarvan zij hun besluiten nemen, dit vereisen.
De instelling van een nieuwe steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, die een vermindering van de communautaire produktie en het inkomen van bepaalde producenten tot gevolg kan hebben, levert dus geen schending van artikel 39 op, wanneer een dergelijke hervorming ertoe strekt, door de prijzen in de Gemeenschap gelijk te trekken met de wereldprijzen, de markten te stabiliseren en de voorziening veilig te stellen, hetgeen iets anders is dan zelfvoorziening, en de inkomensverliezen worden gecompenseerd door compensatiebedragen waarvoor de producenten in aanmerking kunnen komen.
4. De marktdeelnemers mogen niet vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen in de uitoefening van hun discretionaire bevoegdheid kan worden gewijzigd. Dit is het geval op een gebied als dat van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de gemeenschappelijke marktordeningen, waarvan het doel juist een voortdurende aanpassing aan de wijzigingen van de economische situatie meebrengt. De marktdeelnemers kunnen zich derhalve niet beroepen op een verkregen recht op het behoud van een voordeel dat voor hen voortvloeit uit de instelling van een gemeenschappelijke marktordening en waarvan zij op een bepaald ogenblik hebben geprofiteerd.
Dat klemt te meer, wanneer de door een nieuwe regeling ingevoerde vernieuwing zich ertoe beperkt, de datum waarop de aanvragen voor financiële steun van de Gemeenschap moeten zijn ingediend, vijftien dagen te verschuiven, en de betrokken producenten overigens over een voldoende termijn beschikten om zich aan de nieuwe regeling aan te passen.
5. Het beginsel van de communautaire preferentie is weliswaar een element dat in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid door de gemeenschapsinstellingen in aanmerking kan worden genomen, maar het kan in hun besluitvorming slechts aan de orde komen nadat alle economische factoren zijn geëvalueerd die de wereldhandel beïnvloeden. Die preferentie is in geen geval een wettelijk vereiste waarvan schending de ongeldigheid van de betrokken handeling meebrengt.
Partijen
In zaak C-353/92,
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door F. Georgakopoulos, adjunct-juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Ste Croix 117,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.- P. Jacqué, directeur bij zijn juridische dienst, en S. Kyriakopoulou, lid van dezelfde dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij X. Herlin, directeur juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur X. A. Yataganas als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB 1992, L 181, blz. 12),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini (rapporteur) en D. A. O. Edward, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. A. Schockweiler, G. C. Rodríguez Iglesias, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Helleense Republiek, de Raad en de Commissie ter terechtzitting van 18 januari 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 maart 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 september 1992, heeft de Helleense Republiek krachtens artikel 173 EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (hierna: "basisverordening"; PB 1992, L 181, blz. 12).
2 Deze basisverordening voorziet in een stelsel van compensatiebedragen ten behoeve van producenten in de sector granen, eiwithoudende gewassen en oliehoudende zaden, waaronder sojabonen.
3 Volgens artikel 2, lid 5, van die verordening "[wordt] het compensatiebedrag (...) toegekend in het kader van: a) een 'algemene regeling' , die voor alle landbouwers geldt, of b) een 'vereenvoudigde regeling' , die voor kleine producenten geldt". Deze laatsten, die in artikel 8, lid 2, worden gedefinieerd, kunnen kiezen voor hetzij de algemene, hetzij de vereenvoudigde regeling.
4 Producenten die het compensatiebedrag aanvragen in het kader van de algemene regeling, verbinden zich een deel van hun areaal uit produktie te nemen en ontvangen daarvoor een compensatie (artikel 2, lid 5). In het kader van de vereenvoudigde regeling wordt volgens artikel 8, lid 3, geen verplichting opgelegd om grond uit produktie te nemen, maar wordt het uit te keren compensatiebedrag berekend op basis van het compensatiebedrag voor graan, ongeacht de daadwerkelijk geteelde gewassen. Zoals blijkt uit de artikelen 4 en 5, is het bedrag voor graan duidelijk minder hoog dan voor oliehoudende zaden.
5 Volgens de zeventiende overweging van de considerans van de basisverordening worden de compensatiebedragen voor een bepaalde oppervlakte éénmaal per jaar uitgekeerd.
6 Artikel 10, leden 1 en 2, van de basisverordening bevat de voorwaarden voor uitbetaling van de compensatiebedragen:
"1. De compensatiebedragen voor granen en eiwithoudende gewassen en de compensatie voor de verplichting om grond uit produktie te nemen worden uitbetaald in de periode van 16 oktober tot en met 31 december die volgt op de oogst.
2. Om voor het compensatiebedrag in aanmerking te komen moet de producent uiterlijk op 15 mei voorafgaand aan de betrokken oogst:
° hebben ingezaaid;
° een aanvraag hebben ingediend."
Om deze laatste bepaling draait het geschil.
7 Ten slotte regelt artikel 12, eerste alinea, zevende streepje, de procedure voor het vaststellen van nadere bepalingen voor de toepassing van de basisverordening en met name van bepalingen "op grond waarvan de in artikel 10, lid 2, (...) bedoelde data kunnen worden gevarieerd in bepaalde regio' s waarin uitzonderlijke klimaatsomstandigheden de normale data niet toepasselijk maken".
8 Verordening (EEG) nr. 2294/92 van de Commissie van 31 juli 1992 houdende bepalingen voor de toepassing van de steunregeling voor producenten van de in verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad bedoelde oliehoudende zaden (PB 1992, L 221, blz. 22; hierna: "uitvoeringsverordening"), die geldt vanaf het verkoopseizoen 1993/1994, bepaalt in artikel 2, lid 1:
"1. Voor het compensatiebedrag bedoeld in artikel 5, lid 1 en lid 2, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 1765/92 komen alleen de met oliehoudende zaden bebouwde oppervlakten in aanmerking
(...)
b) waarvoor de in artikel 2, lid 5, onder a), van verordening (EEG) nr. 1765/92 bedoelde algemene regeling wordt toegepast;
c) waarvoor bij de bevoegde instantie een aanvraag met een teeltplan is ingediend op uiterlijk de uiterste datum die voor de soort oliehoudend zaad en de betrokken produktieregio is vastgesteld door de Lid-Staat, die daarbij de in bijlage I vermelde termijn in acht moet nemen;
d) die uiterlijk op de voornoemde datum volledig zijn ingezaaid met koolzaad, raapzaad, zonnebloemzaad of soja (...)
(...)
2. Ingeval door klimaatsomstandigheden de gewassen niet vóór de in bijlage I vermelde datum kunnen worden ingezaaid, komen de oppervlakten die aan de in lid 1 vermelde voorwaarden voldoen pas voor de steunregeling in aanmerking nadat aan de bevoegde instantie is bevestigd dat het gewas is ingezaaid. Volgens de procedure van artikel 38 van verordening nr. 136/66/EEG van de Raad (PB 1966, blz. 3025) wordt bepaald voor welke zones deze bepaling geldt en binnen welke termijn de inzaai moet worden bevestigd."
Bijlage I van de uitvoeringsverordening, waarnaar deze bepaling verwijst, stelt de uiterste datum waarop de aanvraag moet worden ingediend en de grond moet worden ingezaaid, vast op "15 mei vóór het verkoopseizoen".
9 Vaststaat, dat de Griekse producenten van sojabonen "kleine producenten" in de zin van de basisverordening zijn en dat zij dus overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening de keuze hebben tussen de algemene regeling en de vereenvoudigde regeling voor de uitkering van de compensatiebedragen.
10 Uit de stukken blijkt ook, dat sojabonen op twee manieren kunnen worden verbouwd: als hoofdteelt en/of als tussenteelt vóór dan wel na de hoofdteelt.
11 De Griekse regering zet uiteen, dat de beste periode voor de teelt van sojabonen in Griekenland de periode tussen 20 april en 15 juli is en dat de kleine producenten die bonen gewoonlijk pas na 15 mei als tussenteelt zaaien. Aangezien het de uiterste datum voor de inzaai op die datum vaststelt, zou artikel 10, lid 2, van de basisverordening in feite tot gevolg hebben, dat de kleine producenten niet in aanmerking komen voor compensatiebedragen voor de tussenteelten.
12 Om deze redenen verzoekt de Griekse regering het Hof de basisverordening nietig te verklaren. Tot staving van haar beroep voert zij vijf middelen aan, te weten schending van respectievelijk de motiveringsplicht, het non-discriminatiebeginsel, artikel 39 EEG-Verdrag, de beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van bescherming van de communautaire preferentie.
De ontvankelijkheid
13 De Raad, ondersteund door de Commissie, acht het beroep niet-ontvankelijk, omdat artikel 10, lid 2, van de basisverordening niet van toepassing is op de compensatiebedragen voor de sojateelt, de enige die in casu in geding zijn. Deze bepaling zou immers moeten worden gelezen in samenhang met lid 1, dat naar de letter enkel betrekking heeft op de compensatiebedragen voor granen of eiwithoudende gewassen. De bedragen voor oliehoudende zaden, en dus voor soja, zouden daarentegen worden beheerst door de uitvoeringsverordening, waartegen het onderhavige beroep niet is gericht.
14 Dienaangaande kan worden volstaan met op te merken, dat luidens artikel 2, lid 1, sub b, van de uitvoeringsverordening voor het compensatiebedrag alleen de met oliehoudende zaden bebouwde oppervlakten in aanmerking komen waarvoor de algemene regeling wordt toegepast. Daarentegen blijven, zoals de advocaat-generaal in punt 21 van zijn conclusie heeft uiteengezet, de compensatiebedragen ten behoeve van de kleine sojaproducenten die voor de vereenvoudigde regeling hebben gekozen, onderworpen aan de basisverordening, waarvan in casu de nietigverklaring wordt gevorderd.
15 De door de Raad opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet dus worden verworpen.
Ten gronde
Motiveringsgebrek
16 Tot staving van dit middel beroept de Griekse regering zich om te beginnen op de tweede overweging van de considerans van de basisverordening, waarin wordt gezegd dat de nieuwe steunregeling, die geldt vanaf het verkoopseizoen 1993/1994, is ingesteld om tot een beter marktevenwicht te komen en dat, om dit doel te bereiken, de prijzen in de Gemeenschap van bepaalde akkerbouwprodukten moeten worden gelijkgetrokken met die op de wereldmarkt en het inkomensverlies dat het gevolg is van de verlaging van de regelingsprijzen, moet worden gecompenseerd door middel van een compensatiebedrag voor de producenten die de betrokken gewassen inzaaien.
17 De Griekse regering stelt vervolgens vast, dat de sojaproducenten die na 15 mei inzaaien, hetgeen voornamelijk het geval is met de Griekse kleine producenten die soja als tussenteelt verbouwen, in strijd met het fundamentele doel van de verordening niet voor compensatiebedragen in aanmerking komen, terwijl zij onder de oude regeling nochtans financiële steun ontvingen. De basisverordening zou echter geen enkele specifieke motivering bevatten om deze uitsluiting te rechtvaardigen. De basisverordening zou dus wegens te kort schietende motivering moeten worden nietig-verklaard.
18 Dit middel kan niet worden aanvaard. Zoals de Raad terecht heeft bevestigd, is de basisverordening in al haar onderdelen voldoende met redenen omkleed.
19 Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 190 EEG-Verdrag vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling. De redenering van de communautaire instantie die de handeling heeft vastgesteld, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Uit deze rechtspraak blijkt bovendien, dat bij een handeling geen specifieke motivering kan worden verlangd van de verschillende onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen, zodra deze handeling binnen de systematiek van het geheel valt waarvan zij een onderdeel vormt (zie arrest van 13 oktober 1992, gevoegde zaken C-63/90 en C-67/90, Portugal en Spanje/Raad, Jurispr. 1992, blz. I-5073, r.o. 16).
20 In casu geeft de achttiende overweging van de considerans van de basisverordening uitdrukkelijk aan, "dat een aantal voorwaarden moet worden vastgesteld voor het aanvragen van de compensatiebedragen en dat nader moet worden bepaald wanneer de compensatiebedragen aan de producenten worden uitgekeerd". Het vaststellen van een uiterste datum voor de inzaai en de indiening van de aanvragen is dus niet uitgesloten.
21 Bovendien herhaalt de betrokken verordening slechts het begrip uiterste datum, dat reeds voor het verkoopseizoen 1992/1993 voorkwam in verordening (EEG) nr. 3766/91 van de Raad van 12 december 1991 inzake een steunregeling voor de producenten van sojabonen, kool- en raapzaad en zonnebloemzaad (PB 1991, L 356, blz. 17; hierna: "verordening nr. 3766/91"). Het feit dat deze uiterste datum (15 mei) van de vorige (30 mei) verschilde, vereiste geen specifieke motivering, zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie heeft opgemerkt.
22 Ten slotte is de in artikel 10, lid 2, van de litigieuze verordening bedoelde datum niet onveranderlijk, aangezien artikel 12, eerste alinea, zevende streepje, van die verordening voorziet in een procedure om hem te kunnen variëren in bepaalde regio' s waarin uitzonderlijke klimaatsomstandigheden hem niet toepasselijk maken.
23 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat de basisverordening, waar zij aan de uitkering van compensatiebedragen de voorwaarde verbindt dat de inzaai en de indiening van een aanvraag vóór 15 mei plaatsvinden, voldoende met redenen is omkleed vanuit het oogpunt van artikel 190 EEG-Verdrag zoals dat door het Hof is uitgelegd. Het middel betreffende een motiveringsgebrek moet dus worden afgewezen.
Schending van het non-discriminatiebeginsel
24 Volgens de Griekse regering worden de Griekse kleine producenten gediscrimineerd ten opzichte van hun tegenhangers in de andere Lid-Staten. De Griekse kleine producenten zouden sojabonen voor de tussenteelt na 15 mei inzaaien, omdat wegens de bodem- en klimaatsomstandigheden in de Helleense Republiek de periode tussen 20 april en 15 juli de beste is voor de inzaai van sojabonen. In de andere Lid-Staten zou de inzaaiperiode minder lang zijn en zou de inzaai doorgaans ruim vóór 15 mei plaatsvinden. Aangezien de litigieuze datum zonder onderscheid wordt vastgesteld voor producenten die zich in objectief verschillende situaties bevinden, zou het gelijkheidsbeginsel van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag zijn geschonden.
25 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het landbouwbeleid de vaststelling meebrengt van gemeenschappelijke regels die voor de producenten verschillende gevolgen kunnen hebben, al naar gelang de individuele oriëntatie van hun produktie of de plaatselijke omstandigheden, maar die toch niet kunnen worden beschouwd als een krachtens artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag verboden discriminatie, wanneer zij berusten op objectieve criteria die zijn aangepast aan de behoeften van de algemene werking van de gemeenschappelijke ordening (zie onder meer arrest van 9 juli 1985, zaak 179/84, Bozzetti, Jurispr. 1985, blz. 2301).
26 Artikel 10, lid 2, van de basisverordening behoort tot die categorie van regels.
27 Volgens de zestiende overweging van de considerans immers moeten "producenten die voor [de vereenvoudigde regeling] in aanmerking willen komen (...) accepteren dat bepaalde maatregelen worden toegepast om de controles te vergemakkelijken". Uit deze overweging in samenhang met de reeds aangehaalde achttiende volgt, dat het verplicht stellen van een uiterste datum voor de inzaai en de indiening van een aanvraag om uitkering van een compensatiebedrag met name voortvloeit uit het streven, zowel de controle als de doeltreffendheid van het stelsel van die bedragen te verzekeren.
28 Mitsdien moet worden aangenomen, dat de vaststelling van de litigieuze datum is aangepast aan de behoeften van de algemene werking van de gemeenschappelijke ordening.
29 Bovendien kan die datum niet als discriminerend worden beschouwd. Aangezien de beste periode om sojabonen in te zaaien volgens de Griekse autoriteiten zelf op 20 april begint, hebben de Griekse kleine producenten, evenals hun tegenhangers in de andere Lid-Staten, de mogelijkheid vóór 15 mei in te zaaien en een aanvraag voor een compensatiebedrag in te dienen.
30 Ten slotte is, zoals de Raad heeft beklemtoond, de uiterste datum 15 mei niet onveranderlijk en kan hij overeenkomstig artikel 12, eerste alinea, zevende streepje, van de basisverordening in bepaalde regio' s naar gelang van de klimaatsomstandigheden variëren.
31 Uit het voorgaande volgt, dat het middel inzake schending van het gelijkheidsbeginsel ongegrond is.
Schending van artikel 39 EEG-Verdrag
32 De Griekse regering betoogt allereerst, dat artikel 10, lid 2, van de basisverordening twee doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in gevaar brengt.
33 Enerzijds wordt de in artikel 39, lid 1, sub b, EEG-Verdrag bedoelde redelijke levensstandaard niet verzekerd aan de sojaproducenten die na 15 mei inzaaien. Daar deze teelt ingevolge artikel 10, lid 2, niet voor compensatiebedragen in aanmerking komt, zou het inkomen van die producenten immers verminderen.
34 Anderzijds zouden de producenten ervan worden afgeschrikt, na 15 mei soja te telen, zodat de in artikel 39, lid 1, sub d, EEG-Verdrag vermelde voorziening van de Gemeenschap niet meer veilig zou zijn gesteld.
35 Vervolgens beroept de Griekse regering zich op lid 2 van artikel 39, bepalende dat bij het tot stand brengen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid rekening wordt gehouden met "de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, welke voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de landbouw". De sociale politiek in deze sector zou er dus op gericht moeten zijn, de ongelijkheden tussen grote en kleine producenten te verkleinen. In casu zouden de producenten die na 15 mei sojabonen als tussenteelt inzaaien, echter vooral kleine producenten zijn, terwijl de grote zich met een enkele hoofdteelt tevreden stellen. Aangezien de eersten krachtens artikel 10, lid 2, van de basisverordening niet voor compensatiebedragen in aanmerking komen, zouden de verschillen tussen de kleine en de grote producenten scherper worden.
36 Volgens vaste rechtspraak moeten de instellingen van de Gemeenschap bij het toewerken naar de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voortdurend ervoor zorgen, mogelijke tegenstellingen tussen de afzonderlijke doelstellingen van artikel 39 EEG-Verdrag te verzoenen, en moeten zij in voorkomend geval aan deze of gene ervan tijdelijk voorrang verlenen, voor zover de economische voorwaarden of omstandigheden op grond waarvan zij hun besluiten nemen, dit vereisen (zie onder meer arrest van 20 september 1988, zaak 203/86, Spanje/Raad, Jurispr. 1988, blz. 4563, r.o. 10).
37 Volgens de voormelde tweede overweging van de considerans van de basisverordening nu is de nieuwe steunregeling ingesteld om tot een beter marktevenwicht te komen door de prijzen in de Gemeenschap van bepaalde akkerbouwgewassen gelijk te trekken met die op de wereldmarkt en om het inkomensverlies dat het gevolg is van de verlaging van de regelingsprijzen, te compenseren door middel van een compensatiebedrag voor de producenten die de betrokken gewassen inzaaien.
38 Zoals de Raad terecht betoogt, draagt dit doel zelf ertoe bij, de markten te stabiliseren en de voorziening veilig te stellen in de zin van artikel 39, lid 1, sub c en d, ook al zou dat tot gevolg hebben, dat de communautaire produktie en het inkomen van bepaalde producenten verminderen.
39 Deze verminderingen tasten de wettigheid van de basisverordening niet aan. De inkomensverliezen worden immers goedgemaakt door de compensatiebedragen waarvoor de Griekse kleine sojaproducenten in aanmerking kunnen komen. Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat in het dossier niets erop wijst, dat het voor deze producenten volstrekt onmogelijk is de inzaai op 15 mei te beëindigen. Bovendien staat vast, dat de Griekse autoriteiten er bij de communautaire instanties niet op hebben aangedrongen de in artikel 10, lid 2, van de basisverordening voorziene datum te differentiëren, zoals artikel 12, eerste alinea, zevende streepje, onder bepaalde voorwaarden toestaat.
40 Bovendien moet worden gepreciseerd, dat artikel 39, lid 1, sub d, beoogt de voorziening in de Gemeenschap veilig te stellen, zonder echter zelfvoorziening te verlangen, zoals de Griekse regering betoogt.
41 In die omstandigheden kan niet worden aangenomen, dat de Raad, door de uiterste datum op 15 mei te bepalen, artikel 39 EEG-Verdrag heeft geschonden.
42 Het middel inzake schending van die bepaling moet dus worden afgewezen.
Schending van het beginsel van het gewettigd vertrouwen
43 De Griekse regering betoogt, dat geen van de vele gemeenschapsverordeningen die sinds de jaren zeventig zijn vastgesteld om de sojaproduktie financieel te steunen, de datum van inzaai van de betrokken grond als voorwaarde voor toekenning van de financiële steun heeft gesteld. Het gewettigd vertrouwen van de marktdeelnemers in die continuïteit zou door de basisverordening zijn geschonden, waar zij de inachtneming van de uiterste datum 15 mei voorschrijft om voor compensatiebedragen in aanmerking te komen.
44 Het is vaste rechtspraak dat, ook al is het vertrouwensbeginsel een van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap, de marktdeelnemers niet mogen vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen in de uitoefening van hun discretionaire bevoegdheid kan worden gewijzigd (zie arrest van 7 mei 1992, gevoegde zaken C-258/90 en C-259/90, Pesquerias De Bermeo en Naviera Laida, Jurispr. 1992, blz. I-2901, r.o. 34). Dit is het geval op een gebied als dat van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de gemeenschappelijke marktordeningen, waarvan het doel juist een voortdurende aanpassing aan de wijzigingen van de economische situatie meebrengt (zie, in die zin, arrest van 14 februari 1990, zaak C-350/88 Delacre e.a., Jurispr. 1990, blz. I-395, r.o. 33).
45 De marktdeelnemers kunnen zich derhalve niet beroepen op een verkregen recht op het behoud van een voordeel dat voor hen voortvloeit uit de instelling van een gemeenschappelijke marktordening en waarvan zij op een bepaald ogenblik hebben geprofiteerd (zie arrest Delacre e.a., reeds aangehaald, r.o. 34).
46 Deze conclusie klemt in het onderhavige geval te meer, daar verordening nr. 3766/91, die van toepassing was op de oogsten van 1992, in artikel 4, lid 7, reeds een uiterste datum, te weten 30 mei, voorschreef voor de indiening van een aanvraag om financiële steun voor tussenteelten van soja. In die omstandigheden is de enige vernieuwing die artikel 10, lid 2, van de basisverordening ten opzichte van de vorige verordening heeft gebracht, dat de uiterste datum op 15 in plaats van op 30 mei is bepaald.
47 Bovendien is de in 1992 door de basisverordening ingestelde nieuwe regeling pas vanaf het verkoopseizoen 1993/1994 van toepassing. De sojaproducenten hebben derhalve over voldoende tijd beschikt om hun activiteit van inzaai van de grond voor de tussenteelt aan te passen aan de nieuwe regeling, die de in de vorige verordening vastgestelde uiterste datum slechts met 15 dagen heeft vervroegd.
48 Uit het voorgaande volgt, dat het middel betreffende schending van het beginsel van het gewettigd vertrouwen eveneens moet worden afgewezen.
Schending van het beginsel van de communautaire preferentie
49 Volgens de Griekse regering heeft de Raad met artikel 10, lid 2, van de basisverordening het beginsel van de communautaire preferentie geschonden. Aangezien de communautaire producenten niet in aanmerking komen voor compensatiebedragen voor soja afkomstig van na 15 mei ingezaaide grond, zouden zij op het vlak van de mededinging in het nadeel zijn ten opzichte van de producenten van derde landen, die in staat zijn hun produkten tegen minder hoge prijzen op de communautaire markt aan te bieden.
50 Dienaangaande kan worden volstaan met op te merken, dat het beginsel van de communautaire preferentie weliswaar een element moge zijn dat in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid door de gemeenschapsinstellingen in aanmerking kan worden genomen, maar dat in hun besluitvorming slechts aan de orde kan komen nadat alle economische factoren zijn geëvalueerd die de wereldhandel beïnvloeden. Zoals de advocaat-generaal in de punten 78 tot en met 82 van zijn conclusie terecht opmerkt, is die preferentie in geen geval een wettelijk vereiste waarvan schending de ongeldigheid van de betrokken handeling meebrengt.
51 Bijgevolg kan de Griekse regering zich niet op schending van het beginsel van de communautaire preferentie door de Raad beroepen.
52 Aangezien geen enkel middel kan slagen, moet het beroep van de Helleense Republiek in zijn geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
53 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen. Overeenkomstig artikel 69, lid 4, zal de Commissie haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1. Verwerpt het beroep.
2. Verwijst verzoekster in de kosten. De Commissie zal haar eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy