Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Hogere voorziening - Middelen - Loutere herhaling van middelen en argumenten die reeds voor Gerecht zijn aangevoerd - Niet-ontvankelijkheid - Afwijzing
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
2 Hogere voorziening - Middelen - Onmogelijkheid middelen aan te voeren, waarvan in eerste aanleg afstand is gedaan, of die niet-ontvankelijk zijn verklaard, zonder dat niet-ontvankelijkverklaring zelf wordt aangevochten
3 Hogere voorziening - Middelen - Verkeerde beoordeling van feiten - Niet-ontvankelijkheid - Afwijzing
(EEG-Verdrag, art. 168 A; 's Hofs Statuut-EEG, art. 51)
Samenvatting
4 Uit artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt, dat een hogere voorziening waarin slechts middelen worden herhaald die reeds in eerste aanleg zijn aangevoerd, of wordt verwezen naar de middelen en argumenten die aldaar zijn aangevoerd, in werkelijkheid een verzoek is om een heronderzoek van het voor het Gerecht ingediende verzoekschrift, waartoe het Hof niet bevoegd is, en dat deze middelen en argumenten dus niet-ontvankelijk maakt.
5 Een hogere voorziening kan niet gebaseerd zijn op middelen waarvan de requirant in de procedure voor het Gerecht uitdrukkelijk afstand heeft gedaan, of op middelen die het Gerecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, wanneer deze niet-ontvankelijkverklaring zelf niet wordt aangevochten.
6 Ingevolge artikel 168 A EEG-Verdrag en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EEG moet een hogere voorziening zijn gebaseerd op middelen, ontleend aan schending van het recht door het Gerecht, hetgeen iedere feitelijke beoordeling uitsluit. Het Hof kan de feiten dus niet opnieuw onderzoeken. Een middel waarin enkel de beoordeling van de feiten door het Gerecht wordt aangevochten, is dus niet-ontvankelijk.
Partijen
In zaak C-354/92 P,
F. Eppe, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Schmitt, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,
requirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest, op 10 juli 1992 door de Vijfde kamer van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen gewezen in de gevoegde zaken T-59/91 en T-79/91 tussen F. Eppe en de Commissie van de Europese Gemeenschappen (Jurispr. 1992, blz. II-2061), en strekkende tot vernietiging van dat arrest, andere partij bij de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valsesia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van de juridische dienst van de Commissie, Centre Wagner, Kirchberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, D. A. O. Edward, R. Joliet, G. C. Rodríguez Iglesias en F. Grévisse, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 september 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 september 1992, heeft F. Eppe hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 juli 1992 (gevoegde zaken T-59/91 en T-79/91, Eppe, Jurispr. 1992, blz. II-2061), op grond dat dit arrest zou zijn gewezen na onregelmatigheden in de procedure, waardoor afbreuk is gedaan aan zijn belangen, en dat het in strijd zou zijn met het gemeenschapsrecht.
2 Uit de vaststellingen van het Gerecht in het arrest (r.o. 3-21) komt het volgende naar voren:
- Op 9 januari 1990 had Eppe, ambtenaar van de rang A 4 en hoofd van een eenheid binnen het directoraat-generaal Landbouw van de Commissie (hierna: "DG VI"), een onderhoud met zijn directeur-generaal, waarin hij te kennen gaf, niet gelukkig te zijn binnen de eenheid waarover hij de leiding had, en hij hem verzocht om tewerkstelling in een andere functie, die meer aansloot bij zijn kennis en ervaring. Op 12 februari 1990 bevestigde hij de inhoud van dit gesprek in een nota aan zijn directeur-generaal.
- Naar aanleiding van die nota had Eppe op 14 maart 1990 een onderhoud met zijn directeur-generaal, waarbij hij zich in principe akkoord verklaarde met een overplaatsing. Drie maanden later, op 21 juni 1990, stuurde hij langs hiërarchieke weg een nota aan zijn directeur-generaal met de mededeling, dat hij zijn principe-akkoord met een overplaatsing introk, tenzij deze overplaatsing gepaard zou gaan met een bevordering naar de rang A 3.
- In een nota van 25 juni 1990 zette de directeur-generaal van DG VI de redenen voor en de doelstellingen van de reorganisatie van het directoraat-generaal uiteen. In punt 4 van bijlage I bij deze nota werd voorgesteld een ambt van "adviseur" bij het directoraat VI-G "EOGFL" te creëren. Op 6 augustus 1990 protesteerde Eppe bij zijn directeur-generaal tegen diens voorstel aan de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer om het organogram van DG VI te wijzigen, voorzover dit voor hem in een functiewijziging voorzag. Op 18 september 1990 verzocht hij de secretaris-generaal van de Commissie om het organogram ten aanzien van hem voorlopig nog niet te wijzigen, om te vermijden dat een parallel zou worden getrokken met de overplaatsing van een ander hoofd van een eenheid, "waarvan algemeen bekend was, dat het een disciplinaire maatregel betrof". Op 15 oktober 1990 antwoordde de secretaris-generaal, dat hij de directeur-generaal van DG VI had gesuggereerd, het onderscheid tussen de twee gevallen duidelijk te doen uitkomen.
- Op 17 oktober 1990 keurde de Commissie het nieuwe organogram van DG VI goed. Bij nota van 6 november 1990 bevestigde de directeur-generaal van DG VI aan Eppe, dat hij als adviseur bij DG VI-G-EOGFL zou worden aangesteld. De nota preciseerde, dat deze aanstelling geen oordeel inhield over de wijze waarop Eppe zich als hoofd van de eenheid VI-BI-4 van zijn taak had gekweten. Op 9 november 1990 werd het besluit van de Commissie van 17 oktober 1990 ook door de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer tegenover Eppe bevestigd.
- Op 17 november 1990 diende Eppe tegen het besluit van de Commissie van 17 oktober 1990 een klacht in, waarin hij met name aanvoerde, dat de Commissie te zijnen aanzien in strijd had gehandeld met het beginsel van vrijwilligheid, neergelegd in de nota van de directeur-generaal van 25 juni 1990 inzake de reorganisatie.
- Van mening dat hij tegen zijn wil was overgeplaatst en "ter verdediging van zijn goede naam" solliciteerde Eppe op 14 januari 1991 naar zijn oude functie. Bij nota van 14 februari 1991 deelde de secretaris van het raadgevend comité voor benoemingen hem mee, dat zijn sollicitatie thans niet in aanmerking zou worden genomen. Op 25 februari 1991 diende Eppe een nieuwe klacht in tegen het besluit van de Commissie om voor zijn oude post een kennisgeving van vacature te publiceren, tegen de aanstelling van V. op deze post en tegen de afwijzing van zijn eigen sollicitatie naar die post.
3 Zijn klachten werden afgewezen. Requirant stelde daarop twee beroepen in bij het Gerecht, waarvan het eerste strekte tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 17 oktober 1990 tot wijziging van het organogram van DG VI, en het tweede tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie om de kennisgeving van vacature COM/164/90 uit te brengen, om V. op die post aan te stellen en om requirants sollicitatie naar die post af te wijzen.
4 In het daarop gewezen arrest heeft het Gerecht beide beroepen verworpen.
5 Voor een nadere uiteenzetting van het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport van de rechter-rapporteur. Deze elementen worden hieronder slechts weergegeven voorzover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
6 Tot staving van zijn hogere voorziening voert requirant vijf middelen aan, waarvan het eerste betrekking heeft op een onregelmatigheid in de procedure en de overige vier op schending van het recht.
7 Opgemerkt zij, dat requirant in zijn memorie van repliek verklaart, alle middelen en argumenten te handhaven die hij voor het Gerecht heeft aangevoerd.
8 In dit verband zij eraan herinnerd, dat artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verlangt, dat het verzoekschrift in hogere voorziening de middelen en argumenten rechtens bevat die worden aangevoerd. In de beschikking van 26 april 1993 (zaak C-244/92 P, Kupka-Floridi, Jurispr. 1993, blz. I-2041) besliste hef Hof, dat een hogere voorziening waarin slechts in eerste aanleg aangevoerde middelen en argumenten worden herhaald, in werkelijkheid een verzoek is om een heronderzoek van het in eerste aanleg ingediende verzoekschrift, waartoe het Hof niet bevoegd is. Deze overweging geldt eveneens wanneer eenvoudigweg wordt verwezen naar de middelen en argumenten die in eerste aanleg zijn aangevoerd.
De onregelmatigheid in de procedure
9 Eppe stelt dat hij zowel in de precontentieuse fase als in de procedure voor het Gerecht heeft aangevoerd, dat zowel de procedure van artikel 29 Ambtenarenstatuut als de procedure, neergelegd in het besluit van 19 juli 1988 betreffende de vervulling van vacatures in het middenkader [COM(88) PV 928], niet waren nageleefd.
10 In het eerste onderdeel van zijn eerste middel stelt hij, dat het Gerecht deze argumenten in aanmerking had moeten nemen.
11 In rechtsoverweging 40 van het beroepen arrest stelde het Gerecht vast, dat verzoeker ter terechtzitting had verklaard "dat zijn beroep ten aanzien van de te volgen procedure uitsluitend was gebaseerd op de miskenning van de reorganisatieprocedure en niet van enige andere procedure, zoals die van artikel 29 van het Statuut (...)".
12 In rechtsoverweging 96 van dit arrest "stelt het Gerecht (...) vast, dat de verwijzing in repliek, inzake het middel van schending van artikel 25, naar de schade die verzoeker zou hebben geleden wegens de niet-toepassing op hem van de in het besluit van de Commissie van 19 juli 1988 uiteengezette procedure, een nieuw middel vormt, dat op grond van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk is (zie bovendien hierboven, r.o. 40)".
13 In het kader van een hogere voorziening kan requirant zich evenwel niet beroepen op middelen waarvan hij in de procedure voor het Gerecht uitdrukkelijk afstand heeft gedaan, of op middelen die het Gerecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, wanneer deze niet-ontvankelijkverklaring zelf niet wordt aangevochten.
14 Het eerste onderdeel van het eerste middel moet bijgevolg niet-ontvankelijk worden verklaard.
15 In het tweede onderdeel van het eerste middel keert Eppe zich tegen de redenering van het Gerecht in de rechtsoverwegingen 113 tot en met 115, en in het bijzonder in rechtsoverweging 114, met betrekking tot de vergelijking van zijn verdiensten met die van de andere kandidaten.
16 Dit argument, waarmee de redenering van het Gerecht wordt aangevochten, kan niet worden aangevoerd uit hoofde van een onregelmatigheid in de procedure.
17 Het tweede onderdeel van het eerste middel moet daarom worden onderzocht in het kader van het middel betreffende de onwettigheid van de weigering om requirant op zijn oude post aan te stellen.
Schending van de motiveringsplicht
18 In het eerste onderdeel van het tweede middel merkt Eppe op, dat het Gerecht ten onrechte heeft nagelaten het besluit van 17 oktober 1990 betreffende zijn overplaatsing op zijn wettigheid te toetsen aan de procedure, neergelegd in het reeds genoemde besluit van 19 juli 1988.
19 In dit verband kan worden volstaan met de opmerking, dat de argumenten die op laatstgenoemd besluit berusten, om de hierboven (r.o. 11-13) aangegeven redenen niet-ontvankelijk zijn.
20 In het tweede onderdeel van dit middel keert requirant zich tegen de voorstelling van zaken die het Gerecht van eerste aanleg in rechtsoverweging 93 van het beroepen arrest geeft met betrekking tot de rechtsgrondslag van het besluit om hem over te plaatsen.
21 In de rechtsoverwegingen 92 tot en met 95 van het arrest onderzoekt het Gerecht de door verzoeker gestelde verschillen in motivering tussen de brieven van 6 en van 9 november 1990, om na te gaan of het bestreden besluit door deze onderlinge afwijkingen aan een motiveringsgebrek lijdt.
22 Ter zake wordt in rechtsoverweging 93 uiteengezet, "dat de reorganisatieprocedure niet op verzoeker van toepassing was, anders dan de brief van 6 november 1990 kon laten vermoeden", maar dat "deze eventuele onnauwkeurigheid (...) door de Commissie [is] hersteld in haar brief van 9 november 1990 en in haar antwoord op verzoekers klacht, waarin zij duidelijk heeft gesteld dat $deze procedure enkel de overplaatsing betrof van personeelsleden met een andere hoedanigheid dan die van hoofd van eenheid'". In rechtsoverweging 95 concludeert het Gerecht vervolgens, dat "nu de eventuele onnauwkeurigheid in de brief van 6 november 1990 in de loop van de administratieve procedure is hersteld, (...) van een schending van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut dus geen sprake kan zijn".
23 Daar uit deze redenering duidelijk naar voren komt, op welke gronden het Gerecht de argumenten van verzoeker verwerpt, dienen de grieven betreffende schending van de motiveringsplicht te worden afgewezen.
24 Bijgevolg moet ook het tweede onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.
Schending van het discriminatieverbod
25 Requirant stelt dat hij het slachtoffer is van discriminatie, waar bij de bezetting van de post waarop hij is aangesteld, niet de procedure is gevolgd die hiertoe in het reeds genoemde besluit van 19 juli 1988 was voorzien, terwijl deze procedure wel is gevolgd bij de bezetting van een andere kaderpost die bij de wijziging van het organogram van DG VI was gecreëerd.
26 In dit verband kan worden volstaan met de opmerking, dat dit derde middel om de hierboven (r.o. 11-13) aangegeven redenen niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Onwettigheid van de weigering om requirant op zijn oude post aan te stellen
27 Requirant stelt dat de afwijzing van zijn sollicitatie naar zijn oude post onwettig is, aangezien zijn laatste beoordelingsrapport ontbrak en zijn verdiensten daardoor niet deugdelijk met die van de andere kandidaten zijn vergeleken.
28 In de rechtsoverwegingen 113 tot en met 115 van het beroepen arrest, stelt het Gerecht vast, dat het ontbreken van zijn laatste beoordelingsrapport verzoeker niet heeft geschaad, daar het raadgevend comité voor benoemingen en het tot aanstelling bevoegde gezag over voldoende - in rechtsoverweging 114 gespecificeerde - gegevens beschikten om verzoekers sollicitatie naar de post die hij voordien bekleedde, in redelijkheid af te wijzen.
29 Opgemerkt zij dat de hogere voorziening ingevolge artikel 168 A EEG-Verdrag en artikel 50 van 's Hofs Statuut-EEG gebaseerd moet zijn op middelen ontleend aan schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht, hetgeen iedere feitelijke beoordeling uitsluit. Het Hof kan de feiten dus niet opnieuw beoordelen. In het onderhavige middel wordt door requirant geen schending van enige rechtsregel aangevoerd en beperkt hij zich ertoe de beoordeling van de feiten door het Gerecht aan te vechten.
30 Onder deze omstandigheden moet het vierde middel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Schending van de zorgplicht
31 Volgens requirant heeft het Gerecht het recht geschonden, door zich in rechtsoverweging 67 van het beroepen arrest op het standpunt te stellen, dat de Commissie haar zorgplicht in acht had genomen.
32 In rechtsoverweging 67 oordeelde het Gerecht, dat de Commissie met de brieven van 15 oktober en 6 november 1990 had voldaan aan de eisen van de zorgplicht, onder meer door verzoeker te laten weten, dat het litigieuze besluit geen enkele beoordeling inhield van de wijze waarop hij zijn vorige functie had vervuld.
33 In dit verband kan worden volstaan met de opmerking dat requirant zich ertoe bepaalt, de beoordeling van de feiten door het Gerecht in rechtsoverweging 67 van het beroepen arrest aan te vechten. Om de hiervoor in rechtsoverweging 29 genoemde redenen, is het Hof niet bevoegd tot een dergelijke beoordeling van de feiten.
34 Het vijfde middel is daarom evenmin ontvankelijk.
35 Uit het vorengaande volgt, dat de hogere voorziening moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
36 Requirant wijst erop, dat hij in beide beroepen die hij bij het Gerecht had ingesteld, had geconcludeerd tot veroordeling van de Commissie in alle kosten. Hij meent dat het Gerecht zijn vorderingen had kunnen toewijzen wegens de vexatoire houding van de Commissie jegens hem en verzoekt het Hof om met deze omstandigheid rekening te houden.
37 Requirant geeft echter niet aan, in welk opzicht de Commissie hem had genoopt om nodeloze of vexatoire kosten te maken. Er bestaat dus geen aanleiding om dit verzoek in te willigen.
38 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien Eppe in het ongelijk is gesteld, moet hij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende,
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst F. Eppe in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy