Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Gemeenschappelijk douanetarief - Stelsel van algemene tariefpreferenties voor ontwikkelingslanden - Oorsprong van goederen - Certificaat van oorsprong dat ander land als land van bestemming vermeldt dan Lid-Staat - Verlies van aanspraak op tariefvrijstelling - Afgifte achteraf van nieuw certificaat waarmee aanspraak wordt verkregen - Toelaatbaarheid - Voorwaarden
(Verordeningen nr. 3749/83 en nr. 693/88 van de Commissie)
Samenvatting
De aanspraak op toepassing van het stelsel van door de Gemeenschap verleende tariefpreferenties voor bepaalde produkten uit ontwikkelingslanden gaat verloren, wanneer het certificaat van oorsprong (formulier A), dat bij de uitvoer van produkten is afgegeven overeenkomstig de verordeningen nrs. 3749/83 en 693/88 betreffende de definitie van het begrip "produkten van oorsprong" voor de toepassing van deze tariefpreferenties, een ander land als land van bestemming vermeldt dan een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap.
Wanneer de betrokken produkten voldoen aan de door de gemeenschapsregeling gestelde oorsprongsvoorwaarden en de afgifte van het certificaat dat een ander land van bestemming vermeldt, wordt verklaard door een uitzonderlijke situatie, is er evenwel niets wat verhindert dat de bevoegde regeringsinstantie van het land van uitvoer op grond van artikel 23 van voormelde verordeningen daartoe achteraf een nieuw certificaat kan afgeven. Dit nieuwe certificaat dient in aanmerking te worden genomen voor de verlening van de tariefvrijstelling, mits is voldaan aan alle andere door de gemeenschapsregeling gestelde geldigheidsvoorwaarden.
Er is sprake van een uitzonderlijke situatie in de zin van voornoemde verordeningen, wanneer de vermelding als land van bestemming van een derde land verband houdt met het feit, dat het bij de betrokken produkten gaat om een compensatietransactie met dat land, waarbij deze produkten uiteindelijk op andere markten worden doorverkocht omdat dat land er geen behoefte aan heeft.
Partijen
In zaak C-368/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Cour d' appel te Toulouse (Frankrijk), in het aldaar aanhangig geding tussen
Administration des douanes
en
S. Chiffre,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de bepalingen van de verordeningen (EEG) nr. 3749/83 van de Commissie van 23 december 1983 (PB 1983, L 372, blz. 1) en (EEG) nr. 693/88 van de Commissie van 4 maart 1988 (PB 1988, L 77, blz. 1) betreffende de definitie van het begrip "produkten van oorsprong" voor de toepassing van de door de Europese Economische Gemeenschap voor bepaalde produkten uit ontwikkelingslanden verleende tariefpreferenties,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, R. Joliet, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse en M. Zuleeg (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- S. Chiffre en de vennootschap Bonnieux, burgerlijk aansprakelijke partij, vertegenwoordigd door H. Tassy, advocaat te Marseille,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door J.-L. Falconi, secretaris buitenlandse zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en E. Belliard, onderdirecteur bij de directie juridische zaken bij hetzelfde ministerie, als gemachtigden,
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Devadder, bestuursdirecteur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Rodriguez Galindo, lid van haar juridische dienst, en V. Melgar, ter beschikking van de juridische dienst gesteld nationaal ambtenaar, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van S. Chiffre en de vennootschap Bonnieux, de Franse regering en de Commissie ter terechtzitting van 16 september 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 oktober 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 7 maart 1991, ingekomen bij het Hof op 23 september 1992, heeft de Cour d' appel te Toulouse krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de bepalingen van de verordeningen (EEG) nr. 3749/83 van de Commissie van 23 december 1983 (PB 1983, L 372, blz. 1) en nr. 693/88 van de Commissie van 4 maart 1988 (PB 1988, L 77, blz. 1) betreffende de definitie van het begrip "produkten van oorsprong" voor de toepassing van de door de Europese Economische Gemeenschap voor bepaalde produkten uit ontwikkelingslanden verleende tariefpreferenties.
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen de Franse douane en Chiffre, gevolmachtigde van de vennootschap Bonnieux, over de voorwaarden voor vrijstelling van douanerechten bij de invoer van bepaalde produkten van oorsprong uit India.
3 In 1987 en 1988 had de vennootschap Bonnieux, douane-agent, (hierna: "Bonnieux") bij het kantoor van de Franse douane twintig aangiften gedaan ten einde voor rekening van de vennootschap ALJA France lederen kleding van oorsprong uit India in Frankrijk in het vrije verkeer te brengen.
4 Om in aanmerking te kunnen komen voor volledige opschorting van de douanerechten overeenkomstig het stelsel van algemene tariefpreferenties van de Gemeenschap voor bepaalde produkten van oorsprong uit ontwikkelingslanden, legde Bonnieux bij haar douane-aangiften door de Indiase autoriteiten opgemaakte certificaten van oorsprong (formulier A) over, waarop in vak 12 was vermeld, dat de goederen naar de "Czechoslovak Socialist Republic", respectievelijk de "Polish People' s Republic" moesten worden uitgevoerd.
5 Bonnieux deelde de Franse autoriteiten evenwel mee, dat deze bestemmingen op de betrokken certificaten waren vermeld omdat het bij de desbetreffende goederen ging om compensatie-aankopen tussen de Oosteuropese landen en India. Wanneer immers de Oosteuropese landen machines naar India verkochten, werden deze door de kopers aldaar, die niet over voldoende deviezen beschikten, betaald met goederen, zoals leer en kleding. Aangezien in de Oosteuropese landen aan deze goederen geen behoefte bestond, verkochten zij ze op andere markten, bij voorbeeld in Frankrijk, waar zij rechtstreeks naar toe werden gestuurd.
6 De Franse douane betwistte de oorsprong van de goederen niet, doch was van mening, dat de door Bonnieux ingevoerde produkten niet voor het preferentiële stelsel in aanmerking konden komen, omdat in vak 12 van de door deze vennootschap overgelegde certificaten de Europese Gemeenschap noch een Lid-Staat was vermeld, zoals voornoemde verordeningen vereisen.
7 Zij vorderde derhalve betaling van het voor deze soort van goederen normaal geldende recht van 7 %. Daar Chiffre dit weigerde, werd zij te zamen met Bonnieux voor het Tribunal d' instance d' Albi gedaagd. Bij vonnis van 25 september 1990 veroordeelde dit Tribunal Chiffre tot een geldboete van 2 000 FF.
8 Op 28 september 1990 ging de Franse douane van dit vonnis in beroep bij de Cour d' appel te Toulouse, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag heeft voorgelegd:
"Gaat de aanspraak op toepassing van het preferentiële stelsel EEG/ontwikkelingslanden, dat vrijstelling van douanerechten meebrengt, noodzakelijkerwijs verloren wanneer op het bij uitvoer van de produkten afgegeven certificaat van oorsprong (formulier A) een andere staat dan een Lid-Staat van de EEG is vermeld?"
9 De voorwaarden waaronder produkten uit een ontwikkelingsland in aanmerking kunnen komen voor opschorting van douanerechten overeenkomstig het stelsel van algemene tariefpreferenties, zijn voor wat de vóór 1 januari 1988 gedane aangiften betreft, vastgelegd in verordening nr. 3749/83, en voor wat de na deze datum gedane aangiften betreft, in verordening nr. 693/88.
10 Het certificaat van oorsprong (formulier A), waarvan het opmaken en de afgifte telkens op gelijke wijze is geregeld in de artikelen 16 tot en met 24 van de verordeningen nrs. 3749/83 en 693/88 en in de daarbij behorende aantekeningen en bijlagen, dient als bewijsstuk voor de toepassing van de bepalingen betreffende de tariefpreferenties, bedoeld in artikel 1 van die verordeningen.
11 Vak 12 van het certificaat, waarom het in deze zaak gaat, bevat een verklaring van de exporteur, dat de betrokken goederen voldoen aan de oorsprongsvoorwaarden die door het land van bestemming worden gesteld voor de toepassing van het stelsel van tariefpreferenties. De volledige tekst van de verklaring in vak 12 luidt als volgt:
"Ondergetekende verklaart hierbij, dat bovenvermelde gegevens en toelichtingen juist zijn, dat alle goederen zijn geproduceerd in (...) (naam van het land), en dat zij voldoen aan de in het stelsel van algemene preferenties voor die goederen gestelde voorwaarden betreffende de oorsprong voor de uitvoer van goederen naar (...) (naam van land van invoer). (Plaats en datum, ondertekening door bevoegd persoon)."
12 Volgens aantekening 9 in bijlage I bij verordening nr. 693/88, die overeenkomt met aantekening 8 in de bijlage bij verordening nr. 3749/83, dient vak 12 van het certificaat
"(...) ingevuld te worden door daarin ofwel de Europese Economische Gemeenschap ofwel een Lid-Staat te vermelden".
13 In dit stelsel is de vermelding van de Europese Economische Gemeenschap of van een Lid-Staat in vak 12 van het certificaat van oorsprong een van de essentiële gegevens van het certificaat en een wezenlijke voorwaarde voor toekenning van de tariefpreferenties overeenkomstig de gemeenschapsverordeningen. Voor de douane-instanties van de Lid-Staten is deze vermelding immers het enige middel om zich ervan te vergewissen, dat de oorsprongregels van het stelsel van tariefpreferenties van de Gemeenschap door de exporteur zijn nageleefd.
14 Wanneer dus, zoals in casu, het certificaat van oorsprong (formulier A) een ander land van bestemming vermeldt dan een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap of de Europese Gemeenschap zelf, kan het niet in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het stelsel van tariefpreferenties in de Gemeenschap.
15 Anders dan Chiffre en Bonnieux hebben betoogd, is artikel 12 van de verordeningen nrs. 3749/83 en 693/88 in het onderhavige geval niet van toepassing. Dit artikel luidt als volgt:
"De vaststelling van geringe verschillen tussen de gegevens op het certificaat en die op de documenten welke ter vervulling van de invoerformaliteiten voor de produkten bij het douanekantoor worden ingediend, leidt niet alleen om die reden tot ongeldigheid van het certificaat indien naar behoren wordt vastgesteld, dat het certificaat met de aangebrachte produkten overeenstemt."
16 Wanneer immers het land waarin het certificaat wordt overgelegd ter fine van toepassing van tariefpreferenties, niet hetzelfde is als het in vak 12 van het certificaat van oorsprong vermelde land, kan dat verschil niet als gering worden aangemerkt. In een dergelijk geval is het niet uitgesloten, dat de oorsprongregels van het op het certificaat vermelde land van bestemming verschillen van de oorsprongregels die in de Gemeenschap gelden, waardoor de bevoegde douane-autoriteiten in de Lid-Staat van werkelijke bestemming aan de hand van het overgelegde certificaat van oorsprong niet kunnen vaststellen, of de in de Gemeenschap toepasselijke oorsprongregels zijn nageleefd.
17 Hieraan zij overigens toegevoegd, dat een dergelijk certificaat ook niet kan worden vervangen door een ander certificaat, dat als land van bestemming zou vermelden het land waar daadwerkelijk om verlening van tariefpreferenties wordt verzocht, overeenkomstig artikel 22 van de verordeningen nrs. 3749/83 en nrs. 693/88. Deze bepaling luidt als volgt:
"Een of meer certificaten van oorsprong, formulier A, kunnen altijd worden vervangen door één of meer andere certificaten van oorsprong, formulier A, op voorwaarde dat dit geschiedt op het douanekantoor van de Gemeenschap waar de produkten zich bevinden."
18 Zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Franse regering hebben opgemerkt, ziet deze bepaling uitsluitend op het geval, dat een oorspronkelijk voor uitvoer naar een Lid-Staat bestemde partij geconsigneerde produkten geheel of ten dele naar een andere Lid-Staat wordt doorgezonden om aldaar in het vrije verkeer te worden gebracht. Aangezien wijzigingen in dat geval niet de oorsprong van de produkten betreffen, maar enkel een intern communautair aspect, staat het aan de bevoegde douane-instantie in de Gemeenschap een nieuw certificaat op te maken, waarop de Lid-Staat wordt vermeld waarvoor de goederen bestemd zijn. Zoals evenwel bepaald in aantekening 7 in de bijlage bij verordening nr. 3749/83 en aantekening 8 in bijlage I bij verordening nr. 693/88, blijft ook in vak 12 van dit nieuwe certificaat niet enkel de vermelding van het land van oorsprong, maar ook die van het op het oorspronkelijke certificaat aangegeven land van bestemming gehandhaafd.
19 Deze bepaling geldt daarentegen niet in het geval dat de wijziging betrekking heeft op de verklaring van de exporteur in vak 12. De verantwoordelijkheid voor de bevestiging van de juistheid van deze verklaring berust immers uitsluitend bij de bevoegde regeringsinstantie van het door het stelsel van tariefpreferenties begunstigde land van uitvoer.
20 Ten slotte moet nog worden nagegaan, of in een geval als het onderhavige de bevoegde autoriteiten van de staat van uitvoer - in casu de Indiase autoriteiten - ingevolge artikel 23 van de verordeningen nrs. 3749/83 en 693/88 achteraf niet een nieuw certificaat van oorsprong zouden kunnen afgeven, waarin zij verklaren dat de betrokken goederen eveneens voldoen aan de oorsprongregels van de Gemeenschap of van een van haar Lid-Staten.
21 Artikel 23 van verordening nr. 693/88 bepaalt:
"1. Bij wijze van uitzondering kan het certificaat worden afgegeven na de werkelijke uitvoer van de produkten waarop het betrekking heeft, wanneer dit als gevolg van vergissingen, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is geschied, en op voorwaarde dat de goederen niet werden uitgevoerd vóór de mededeling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van de bij artikel 26 verlangde gegevens.
2. De bevoegde regeringsinstantie kan eerst tot afgifte achteraf van een certificaat overgaan, na te hebben nagegaan of de in het verzoek van de exporteur voorkomende gegevens overeenstemmen met die van het desbetreffende dossier van uitvoer, en of bij de uitvoer van de betrokken produkten geen certificaat van oorsprong is afgegeven.
3. Op de achteraf afgegeven certificaten van oorsprong, formulier A, moet in vak 4 de vermelding 'issued retrospectively' of 'délivré a posteriori' worden aangebracht."
22 Volgens de Franse regering laat deze bepaling niet toe, in omstandigheden als in casu achteraf een nieuw certificaat van oorsprong af te geven, omdat, anders dan deze bepaling onderstelt, reeds bij de uitvoer van de betrokken goederen een certificaat van oorsprong (formulier A) is afgegeven.
23 De Belgische regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie zijn de tegengestelde mening toegedaan. Volgens hen moet het certificaat van oorsprong, wanneer het is afgegeven voor de uitvoer van goederen naar een ander land dan een van de Lid-Staten van de Gemeenschap, als non-existent worden beschouwd in relatie tot de uitvoer van de goederen naar de Gemeenschap en, bijgevolg, in relatie tot de gemeenschapsverordeningen.
24 Dienaangaande zij opgemerkt, dat het certificaat van oorsprong moet waarborgen, dat de betrokken goederen voldoen aan de oorsprongregels van het in vak 12 van het certificaat vermelde land van bestemming; de bevoegde regeringsinstanties van het land van uitvoer leggen zich daarin echter niet vast wat de toepassing betreft van de oorsprongregels van een ander land. Daar de gevolgen en de draagwijdte van dit certificaat strikt beperkt zijn tot de toepassing van het stelsel van tariefpreferenties van het in vak 12 vermelde land, kan het in geen enkel opzicht in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het stelsel van tariefpreferenties van een ander land.
25 Hieruit volgt, dat de in artikel 23, lid 2, van de verordeningen nrs. 3749/83 en 693/88 gestelde voorwaarde voor afgifte achteraf van een certificaat van oorsprong, te weten dat bij de uitvoer van de betrokken produkten geen certificaat van oorsprong is afgegeven, moet worden geacht te zijn vervuld, indien het land van werkelijke bestemming niet vermeld is in vak 12 van het oorspronkelijke certificaat.
26 Artikel 23, lid 1, van de verordeningen nrs. 3749/83 en 693/88 beperkt de afgifte achteraf van een certificaat van oorsprong evenwel tot uitzonderlijke situaties.
27 Compensatietransacties, zoals die welke in casu tussen India en de Oosteuropese landen hebben plaatsgevonden, voldoen aan deze voorwaarde. Zij worden immers gekenmerkt door het feit, dat goederen in een andere staat worden uitgewisseld niet tegen een som gelds, maar tegen andere goederen, die, indien het land van bestemming er geen behoefte aan heeft, op andere markten worden doorverkocht.
28 Dit verklaart, waarom op de certificaten van oorsprong in eerste instantie het land wordt vermeld van de handelaar die partij is bij de compensatie-aankoop. Op het moment waarop de overeenkomst wordt gesloten, is immers niet altijd met zekerheid bekend, op welke markt de betrokken produkten uiteindelijk zullen worden doorverkocht.
29 Wanneer de betrokken produkten voldoen aan de communautaire oorsprongvoorwaarden, is er ten slotte niets wat verhindert dat de bevoegde regeringsinstantie van het land van uitvoer op grond van artikel 23 van de verordeningen nrs. 3749/83 en 693/88 daartoe achteraf een nieuw certificaat kan afgeven. De bevoegde douane-instantie in de Gemeenschap dient dan het nieuwe certificaat in aanmerking te nemen voor de verlening van de door het stelsel van algemene tariefpreferenties van de Gemeenschap geregelde tariefvrijstelling, mits is voldaan aan alle andere door de gemeenschapsregeling gestelde geldigheidsvoorwaarden.
30 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat de aanspraak op toepassing van het stelsel van door de Gemeenschap verleende tariefpreferenties voor bepaalde produkten uit ontwikkelingslanden verloren gaat, wanneer het overeenkomstig de verordeningen nrs. 3749/83 en 693/88 bij de uitvoer van de produkten afgegeven certificaat van oorsprong (formulier A) een ander land als land van bestemming vermeldt dan een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap. De tariefvrijstelling kan echter niet worden geweigerd, wanneer de bevoegde regeringsinstantie van het land van uitvoer achteraf een nieuw certificaat heeft afgegeven, dat voldoet aan de door het gemeenschapsrecht gestelde voorwaarden.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
31 De kosten door de Franse regering, de Belgische regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Cour d' appel te Toulouse bij arrest van 7 maart 1991 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De aanspraak op toepassing van het stelsel van door de Gemeenschap verleende tariefpreferenties voor bepaalde produkten uit ontwikkelingslanden gaat verloren, wanneer het certificaat van oorsprong (formulier A), dat bij de uitvoer van produkten is afgegeven overeenkomstig de verordeningen (EEG) nr. 3749/83 van de Commissie van 23 december 1983 en (EEG) nr. 693/88 van de Commissie van 4 maart 1988 betreffende de definitie van het begrip "produkten van oorsprong" voor de toepassing van de door de Europese Economische Gemeenschap voor bepaalde produkten uit ontwikkelingslanden verleende tariefpreferenties, een ander land als land van bestemming vermeldt dan een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap. De tariefvrijstelling kan echter niet worden geweigerd, wanneer de bevoegde regeringsinstantie van het land van uitvoer achteraf een nieuw certificaat heeft afgegeven, dat voldoet aan de door het gemeenschapsrecht gestelde voorwaarden.
Full & Egal Universal Law Academy