Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Restituties bij uitvoer ° Toepassing van gemeenschapsregeling door autoriteiten van Lid-Staten ° Uitlegging door Commissie ° Geen bindende werking
2. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Restituties bij uitvoer ° Toekenningsvoorwaarden ° Produkten van gezonde handelskwaliteit ° Ontbreken van gemeenschapsregels, houdende vaststelling van maximale toleranties voor radioactiviteit voor uitvoer van besmette levensmiddelen naar derde landen ° Overeenkomstige toepassing van vigerende normen voor invoer van gelijkaardige produkten van oorsprong uit derde landen ° Toelaatbaarheid
(Verordeningen van de Commissie nr. 2730/79, art. 15, en nr. 3665/87, art. 13)
3. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Restituties bij uitvoer ° Toekenningsvoorwaarden ° Produkten van gezonde handelskwaliteit ° Beoordeling op dag van uitvoer
(Verordening nr. 3665/87 van de Commissie, art. 3 en 13)
4. Douane-unie ° Uitvoerprocedures ° Wijziging achteraf van aangiften ° Wijziging die betrekking heeft op gegevens waarvan juistheid niet meer door douaneautoriteiten kan worden nagegaan ° Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 81/177 van de Raad, art. 7, lid 1, sub a)
Samenvatting
1. De toepassing van de gemeenschapsbepalingen inzake restituties bij uitvoer is een zaak van de daartoe aangewezen nationale instanties. De Commissie kan slechts herinneren aan de gemeenschapsregels die de Lid-Staten moeten toepassen, en in het kader van haar administratieve samenwerking met de Lid-Staten aan deze laatste haar uitlegging geven, wat de toepassing van die regels betreft. Deze uitlegging heeft geen verbindend karakter en kan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten noch a fortiori de particulieren binden.
2. Ten tijde dat, op communautair vlak, voor levensmiddelen met betrekking tot de inachtneming van bepaalde maximale toleranties voor radioactiviteit slechts regels betreffende de invoer van bepaalde groepen landbouwprodukten van oorsprong uit derde landen bestonden, waren de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten gerechtigd die regels naar analogie toe te passen op de uitvoer van gelijkaardige produkten naar derde landen, krachtens artikel 15 van verordening nr. 2730/79 en artikel 13 van verordening nr. 3665/87. Het stond immers aan de Lid-Staten, zelf de maximale toleranties voor radioactiviteit voor het verlenen van restituties bij de uitvoer van landbouwprodukten naar derde landen vast te stellen in het kader van het onderzoek, of de voor uitvoer bestemde produkten "produkten van gezonde handelskwaliteit" zijn in de zin van genoemde bepalingen. Tegen deze overeenkomstige toepassing van de voor de invoer geldende maximale toleranties, die de door de Commissie aanbevolen gelijke behandeling van ingevoerde en uitgevoerde produkten verzekerde, kan niet worden opgekomen.
3. Artikel 13 van verordening nr. 3665/87 moet in samenhang met artikel 3, leden 1 en 4, van deze verordening worden toegepast en aldus worden begrepen, dat het verbiedt restituties bij uitvoer te verlenen voor produkten die op de dag van uitvoer niet van gezonde handelskwaliteit waren, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1.
4. De voorwaarden waaraan artikel 7, lid 1, van richtlijn 81/177 betreffende de harmonisatie van de procedures voor de uitvoer van communautaire goederen, de wijziging van de douaneaangiften onderwerpt, moeten strikt worden uitgelegd, ten einde misbruik te voorkomen. Een wijziging waarom de exporteur heeft verzocht nadat de goederen het douanekantoor hebben verlaten, kan slechts worden toegestaan wanneer zij betrekking heeft op gegevens waarvan de douane de juistheid zelfs bij afwezigheid van de goederen kan nagaan. Dat is niet het geval met een wijziging die ertoe strekt, verschillende partijen van een zelfde goed, die verschillende kenmerken vertoonden en waarvan een deel niet aan bepaalde vereisten voldeed, tot één partij samen te voegen, zodat die ene partij eraan voldoet, aangezien het feit dat de goederen van de verschillende partijen na de lading werden gemengd, het niet mogelijk maakt te waarborgen, dat het verkregen mengsel voldoende homogeen is om in zijn geheel aan de betrokken vereisten te voldoen. Daarbij doet het weinig ter zake, dat door een derde een controle werd verricht, want enkel de douaneautoriteiten zijn op dit gebied bevoegd.
Partijen
In zaak C-371/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Dioikitiko Efeteio Athinon, in het aldaar aanhangig geding tussen
Elliniko Dimosio
en
Ellinika Dimitriaka AE,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB 1979, L 317, blz. 1), zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 (PB 1987, L 351, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, J. C. Moitinho de Almeida, M. Diez de Velasco en D. A. O. Edward, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, R. Joliet, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg (rapporteur) en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Ellinika Dimitriaka AE, vertegenwoordigd door F. Capelli, advocaat te Milaan, en I. Chaliakopoulos, advocaat te Athene,
° de Griekse regering, vertegenwoordigd door N. Mavrikas, adjunct juridisch adviseur bij de Juridische dienst van de staat, en P. Athanasoulis, procesgemachtigde bij de Juridische dienst van de staat, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door X. A. Yataganas, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Ellinika Dimitriaka, de Griekse regering en de Commissie ter terechtzitting van 8 december 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 januari 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 19 maart 1992, ingekomen bij het Hof op 23 september daaraanvolgend, heeft het Dioikitiko Efeteio Athinon (Administratief Hof van Beroep te Athene) het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB 1979, L 317, blz. 1), zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 (PB 1987, L 351, blz. 1).
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de Griekse Staat en de vennootschap Ellinika Dimitriaka over de voorwaarden voor het verkrijgen van restituties bij de uitvoer van harde tarwe naar Zuid-Korea.
3 Artikel 15 van verordening nr. 2730/79, zoals gecodificeerd bij artikel 13 van verordening nr. 3665/87, luidt als volgt:
"Restituties worden niet verleend indien de produkten niet van gezonde handelskwaliteit zijn en als de geschiktheid voor menselijke consumptie, voor zover zij daarvoor zijn bestemd, wegens de eigenschappen ervan of de toestand waarin zij zich bevinden, geheel of in aanzienlijke mate is verloren gegaan."
4 Na het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl op 26 april 1986, maakte de Commissie bij telexbericht van 24 juli 1986, ondertekend door de directeur-generaal Landbouw, aan de permanente vertegenwoordigingen van de Lid-Staten haar standpunt kenbaar met betrekking tot het vervullen van de voorwaarden voor interventieaankopen en voor het recht op restituties bij uitvoer. Dat telexbericht (nr. VS-S-1/1187/86/D1/GG/G8) luidt als volgt:
"De aandacht van de Lid-Staten wordt gevestigd op het feit, dat de gemeenschapsregels inzake interventieaankopen gewoonlijk bepalen, dat de aangeboden produkten van gezonde handelskwaliteit moeten zijn of geen stoffen mogen bevatten die de gezondheid van de mens kunnen schaden. Bovendien kan ieder landbouwprodukt dat wegens de eigenschappen ervan niet in de handel kan worden gebracht, ook niet het voorwerp van een aankoopcontract zijn.
Anderzijds wordt, wat betreft de produkten waarvoor om restituties bij uitvoer wordt verzocht, overeenkomstig het bepaalde in artikel 15 van verordening (EEG) nr. 2730/79 (PB 1979, L 317) eraan herinnerd, dat de restitutie wordt verleend voor produkten van gezonde handelskwaliteit, waarvan de geschiktheid voor menselijke consumptie niet wegens de eigenschappen ervan of de toestand waarin zij zich bevinden, verloren is gegaan.
Gelet op het voorgaande en tegen de achtergrond van verordening (EEG) nr. 1707/86 van de Raad (PB 1986, L 146), moet worden aangenomen, dat de produkten die niet aan de in artikel 3 van die verordening vastgestelde maximale toleranties voor radioactiviteit voldoen, niet kunnen worden geacht de voorwaarden voor interventieaankopen of de voorwaarden voor het verkrijgen van restituties bij uitvoer te vervullen. Bijgevolg zal het EOGFL de daarvoor uitgegeven bedragen niet te zijnen laste nemen."
5 Verordening (EEG) nr. 1707/86 van de Raad van 30 mei 1986 betreffende de voorwaarden voor de invoer van landbouwprodukten van oorsprong uit derde landen ingevolge het ongeluk in de kerncentrale van Tchernobyl (PB 1986, L 146, blz. 88), stond de invoer in de Gemeenschap van bepaalde groepen landbouwprodukten, waaronder harde tarwe, van oorsprong uit derde landen toe, mits deze produkten voldoen aan bepaalde maximale toleranties voor radioactiviteit. In artikel 3 van genoemde verordening zijn de maximale toleranties vastgesteld als volgt:
"de gecumuleerde maximale radioactiviteit van caesium 134 en 137 mag niet meer bedragen dan:
° 370 becquerel/kg voor melk van de posten 04.01 en 04.02 van het gemeenschappelijk douanetarief, alsmede voor voedingsmiddelen bestemd voor de bijzondere voeding van zuigelingen gedurende de eerste vier tot zes maanden van hun leven (...);
° 600 becquerel/kg voor alle andere betrokken produkten."
6 Het in het bovengenoemde telexbericht geformuleerde beginsel, dat geen restituties bij uitvoer kunnen worden verleend wanneer de bij invoer toepasselijke maximale toleranties van 370 en 600 Bq/kg worden overschreden, is bevestigd bij verordening (EEG) nr. 3494/88 van de Commissie van 9 november 1988 tot wijziging van verschillende verordeningen, waaronder verordening (EEG) nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten (PB 1988, L 306, blz. 24). Artikel 3 van die verordening voegde aan artikel 13 van verordening nr. 3665/87 de navolgende alinea toe:
"Restituties worden niet verleend indien de produkten de bij de communautaire wetgeving van toepassing verklaarde maximaal toelaatbare niveaus van radioactiviteit overschrijden. Voor produkten van ongeacht welke oorsprong die zijn besmet als gevolg van het ongeluk in de kerncentrale van Tsjernobyl, gelden de in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 3955/87 van de Raad vastgestelde niveaus (...)."
7 In april/mei 1988 werd voor rekening van de vennootschap Ellinika Dimitriaka 55 000 ton harde tarwe in een schip geladen voor uitvoer naar Zuid-Korea. De lading bestond uit 25 000 ton harde tarwe die in Griekenland was geproduceerd en een radioactieve besmetting van 1 078 Bq/kg vertoonde, en twee partijen harde tarwe van oorsprong uit Frankrijk, van 24 500 en 5 500 ton, van gezonde kwaliteit of nauwelijks door radioactiviteit besmet.
8 Aangezien de Griekse harde tarwe te radioactief was om te voldoen aan de normen die de Commissie in het telexbericht van 24 juli 1986 had geformuleerd, werden de Griekse en Franse partijen harde tarwe op het schip gemengd. Volgens een door de Wirtschaftskammer Weser-Ems verrichte analyse op basis van monsters die op verzoek van Ellinika Dimitriaka door het Engelse controlebureau Caleb Brett in het ruim van het schip waren genomen, vertoonde het uitgevoerde mengsel van harde tarwe na de lading een radioactieve besmetting van 470 Bq/kg, dus minder dan de toleranties die in de gemeenschapsregeling zijn vastgesteld voor de invoer in de Gemeenschappen van landbouwprodukten van oorsprong uit derde landen.
9 De uitvoer werd echter niet verricht onder een enkele douaneaangifte voor de gehele lading, maar onder vier aangiften, waarvan de eerste betrekking had op een partij van 14 000 ton ongemengde Griekse harde tarwe (aangifte 502/88), de tweede op 7 000 ton Franse tarwe (aangifte 530/88), de derde op een mengsel van 28 500 ton harde tarwe samengesteld uit 17 500 ton Franse tarwe en 11 000 ton Griekse tarwe (aangifte 536/88), terwijl de vierde aangifte betrekking had op de resterende 5 500 ton Franse tarwe (aangifte 643/88).
10 Om die reden behandelden de bevoegde Griekse autoriteiten de uitvoer van de betrokken 55 000 ton harde tarwe niet als de levering van een enkele partij gemengd produkt, maar als die van twee onderscheiden partijen tarwe, namelijk de partij Griekse tarwe en de partij Franse tarwe. Volgens het in het telexbericht van de Commissie van 24 juli 1986 geformuleerde beginsel pasten de Griekse autoriteiten dan de norm van 600 Bq/kg toe. Deze gold zowel voor het geval van invoer van landbouwprodukten van oorsprong uit derde landen als voor het geval van uitvoer uit de Gemeenschap naar derde landen. Bijgevolg betaalden zij de restituties bij de uitvoer naar Zuid-Korea voor de 30 000 ton Franse tarwe, doch weigerden zij deze voor de 25 000 ton Griekse tarwe die met de Franse tarwe was gemengd.
11 Daarop verzocht Ellinika Dimitriaka de Commissie tussenbeide te komen. De Commissie verklaarde zich tegenover de Griekse regering bereid te aanvaarden, dat het EOGFL de kosten draagt die zijn verbonden aan de integrale toekenning van de restituties bij uitvoer voor zowel de Franse harde tarwe als de Griekse harde tarwe, doch enkel op voorwaarde dat de Griekse autoriteiten ermee instemmen, de door Ellinika Dimitriaka ingediende douaneaangiften te wijzigen ten einde ze in overeenstemming te brengen met de bepalingen van richtlijn 81/177/EEG van de Raad van 24 februari 1981 betreffende de harmonisatie van de procedures voor de uitvoer van communautaire goederen (PB 1981, L 83, blz. 40).
12 De Griekse autoriteiten aanvaardden dit voorstel van de Commissie evenwel niet. Zij deelden de Commissie mee, dat richtlijn 81/177 noch de Griekse wet tot uitvoering van deze richtlijn de vervanging van de oorspronkelijke vier douaneaangiften door een enkel document toestond.
13 Nadat zij alle administratieve procedures had uitgeput, wendde Ellinika Dimitriaka zich tot de Administratieve Rechtbank van eerste aanleg te Athene, die haar in het gelijk stelde en de Griekse Staat veroordeelde om haar de restituties bij uitvoer waarom zij had verzocht, te betalen en de waarborgen die zij voor de litigieuze uitvoer van harde tarwe had gesteld, vrij te geven.
14 De Griekse Staat kwam van dat vonnis in hoger beroep bij het Dioikitiko Efeteio Athinon, dat de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen heeft gesteld:
"1) Is het telexbericht van de Commissie van 24 juli 1986, waarbij op de uitvoer van produkten naar derde landen dezelfde maximale toleranties voor radioactiviteit van toepassing werden verklaard als die welke in verordening (EEG) nr. 1707/86 voor de invoer van dezelfde produkten in de Gemeenschap zijn vastgelegd, geldig en bindend voor de Lid-Staten?
2) Zijn de Commissie of de bevoegde instanties van de Lid-Staten, ook zonder uitdrukkelijke bepaling ter zake, bevoegd om artikel 15 van de destijds geldende verordening (EEG) nr. 2730/79 (of artikel 13 van verordening (EEG) nr. 3665/87) uit te leggen en de voor invoer geldende regeling naar analogie toe te passen op de uitvoer, ten einde vast te stellen wat een produkt van gezonde handelskwaliteit is, of is, waar het restituties betreft, voor een beslissing van de nationale instantie, dat de exporteur geen recht heeft op communautaire steun ingevolge artikel 13 van verordening (EEG) nr. 3665/87, juist een gemeenschapsregeling van bindende aard vereist waarin precies is vastgelegd in welke gevallen toekenning van restituties is uitgesloten; meer concreet: kon betaling van restituties bij uitvoer van produkten met een hoger niveau van radioactieve besmetting dan bij invoer van gelijksoortige produkten is toegestaan, reeds vóór de vaststelling van verordening (EEG) nr. 3494/88 worden geweigerd?
3) Ingeval het is toegestaan, de toekenning van restituties langs de weg van interpretatie te weigeren voor produkten die niet gezond zijn, in de zin van de voor de invoer van dezelfde produkten in de Lid-Staten geldende bepalingen, is dan het enige en beslissende element waaruit de eigenschappen van de lading kunnen blijken, de aangifte ten uitvoer op de dag waarop deze door de douaneautoriteit wordt aanvaard, als bedoeld in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 3665/87, en is het dan voor de uitbetaling van de communautaire steun niet van belang dat de lading in het ruim van het schip dooreen is gemengd, waardoor het uitgevoerde, niet meer in afzonderlijke partijen te scheiden produkt de maximale toleranties voor radioactiviteit niet overschrijdt, of maakt deze omstandigheid het integendeel noodzakelijk dat de aangiften ten uitvoer worden gewijzigd nadat zij reeds door de douane zijn aanvaard?
4) Heeft het bepaalde in artikel 3 van verordening (EEG) nr. 3665/87 uitsluitend betrekking op de berekening van de uitvoerrestitutie en niet op de in artikel 13 van die verordening bedoelde uitsluiting van deze vorm van communautaire steun wanneer de uitgevoerde produkten niet gezond zijn, met het gevolg dat wijziging van de betrokken aangiften niet nodig is?"
De eerste vraag
15 De eerste vraag van de nationale rechter strekt ertoe te vernemen, of het telexbericht van de Commissie van 24 juli 1986, dat de maximale toleranties voor radioactiviteit voor de uitvoer van produkten naar derde landen vaststelt, geldig is en een handeling vormt die de Lid-Staten bindt.
16 Vaststaat, dat de toepassing van de gemeenschapsregelingen inzake restituties bij uitvoer een zaak is van de daartoe aangewezen nationale instanties (arrest van 27 maart 1980, zaak 133/79, Sucrimex en Westzucker, Jurispr. 1980, blz. 1299).
17 In dit verband kan de Commissie slechts herinneren aan de gemeenschapsregels die de Lid-Staten moeten toepassen, en in het kader van haar administratieve samenwerking met de Lid-Staten aan deze laatste haar uitlegging geven, wat de toepassing van die regels betreft. Deze uitlegging heeft geen verbindend karakter en kan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten noch a fortiori de particulieren binden.
18 Gezien het rechtskarakter ervan, kan de vraag van de ongeldigheid van een dergelijke uitlegging, deze weze juist of onjuist, niet rijzen.
19 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat het telexbericht van de Commissie van 24 juli 1986, dat de maximale toleranties voor radioactiviteit voor de uitvoer van produkten naar derde landen vaststelt, geen handeling is die de Lid-Staten bindt.
De tweede vraag
20 Met de tweede vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of bij ontbreken van communautaire normen ter zake de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten bij de betrokken uitvoerverrichtingen gerechtigd waren, op dergelijke verrichtingen naar analogie de maatregelen toe te passen, die voor de invoer van landbouwprodukten van oorsprong uit derde landen waren genomen krachtens artikel 15 van verordening nr. 2730/79 en artikel 13 van verordening nr. 3665/87.
21 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat ten tijde van het ongeluk te Tsjernobyl op communautair vlak inderdaad een juridische lacune bestond, wat de normen voor de maximale niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen betrof. Deze juridische lacune is slechts geleidelijk opgevuld door de communautaire normen inzake de maximale toleranties voor radioactiviteit, te weten, wat de invoer in de Gemeenschap van bepaalde groepen landbouwprodukten van oorsprong uit derde landen betreft, bij verordening nr. 1707/86, en wat de uitvoer van die produkten naar derde landen betreft, bij verordening nr. 3494/88.
22 Derhalve bestonden er ten tijde van de betrokken uitvoerverrichtingen, wat de inachtneming van bepaalde maximale toleranties voor radioactiviteit in de Gemeenschap betreft, slechts regels voor de invoer van bepaalde groepen landbouwprodukten, waaronder harde tarwe, van oorsprong uit derde landen. Er was daarentegen ter zake geen enkele communautaire norm vastgesteld voor de uitvoer van die produkten.
23 Bij ontbreken van communautaire normen ter zake stond het aan de Lid-Staten, zelf de maximale toleranties voor radioactiviteit voor het verlenen van restituties bij de uitvoer van landbouwprodukten naar derde landen vast te stellen in het kader van het onderzoek, of de voor uitvoer naar derde landen bestemde landbouwprodukten "produkten van gezonde handelskwaliteit" zijn in de zin van de artikelen 15 van verordening nr. 2730/79 en 13 van verordening nr. 3665/87.
24 De Griekse autoriteiten hebben van die bevoegdheid gebruik gemaakt door de maximale toleranties die reeds voor de invoer van landbouwprodukten in de Gemeenschap van kracht waren, naar analogie toe te passen op de uitvoer van landbouwprodukten naar derde landen. Tegen deze handelwijze kan niet worden opgekomen, aangezien dat beginsel van gelijke behandeling reeds voorkwam in punt 2 van aanbeveling 86/156/EEG van de Commissie van 6 mei 1986 aan de Lid-Staten betreffende de ten gevolge van de radioactieve neerslag uit de Sovjetunie nationaal getroffen maatregelen voor landbouwprodukten (PB 1986, L 118, blz. 28), alsook in het telexbericht van de Commissie van 24 juli 1986.
25 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat bij ontbreken van communautaire normen de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten bij de betrokken uitvoerverrichtingen gerechtigd waren, op de uitvoer van gelijkaardige produkten naar derde landen naar analogie de maatregelen toe te passen, die voor de invoer van landbouwprodukten van oorsprong uit derde landen waren genomen krachtens artikel 15 van verordening nr. 2730/79 en artikel 13 van verordening nr. 3665/87.
De vierde vraag
26 Met de vierde vraag, die moet worden beantwoord alvorens de derde prejudiciële vraag wordt aangesneden, wenst de nationale rechter te vernemen, of artikel 3 van verordening nr. 3665/87 ook van toepassing is in de in artikel 13 van die verordening bedoelde gevallen, namelijk wanneer de uitgevoerde produkten niet van "gezonde handelskwaliteit" zijn en om die reden geen restituties kunnen worden verleend.
27 Artikel 3 van verordening nr. 3665/87 bepaalt:
"1. Onder de 'dag van uitvoer' wordt verstaan de dag waarop de douaneautoriteit de aangifte ten uitvoer aanvaardt, waarin is vermeld dat een restitutie zal worden gevraagd.
2. De dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, is bepalend voor:
a) de restitutievoet (...);
b) de in voorkomend geval uit te voeren aanpassingen van de restitutievoet (...).
3. Elke handeling die dezelfde rechtsgevolgen heeft als de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer, wordt met die aanvaarding gelijkgesteld.
4. De dag van uitvoer is bepalend voor de vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde produkt.
5. Op het document dat bij de uitvoer wordt gebruikt om een restitutie te verkrijgen moeten alle nodige gegevens voor de berekening van de restitutie worden vermeld, met name (...).
Ingeval het in dit lid bedoelde document de aangifte ten uitvoer is, moet deze eveneens de genoemde gegevens bevatten evenals de vermelding 'restitutiecode' .
6. Op het tijdstip van deze aanvaarding of van deze handeling worden de produkten onder douanecontrole geplaatst tot zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten."
28 Zoals lid 4 uitdrukkelijk bepaalt, gebiedt artikel 3 de "vaststelling van hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde produkt". Juist over deze kwestie, namelijk de kenmerken of de toestand van de produkten, handelt artikel 13 van verordening nr. 3665/87.
29 Opgemerkt zij, dat artikel 3 deel uitmaakt van de algemene bepalingen van verordening nr. 3665/87. Artikel 13 van verordening nr. 3665/87 moet dus samen met artikel 3, leden 1 en 4, van deze verordening worden toegepast en aldus worden begrepen, dat het verbiedt restituties bij uitvoer te verlenen voor produkten die op de dag van uitvoer niet van gezonde handelskwaliteit waren.
30 Mitsdien moet op de vierde vraag worden geantwoord, dat artikel 3 van verordening nr. 3665/87 ook van toepassing is in de in artikel 13 van die verordening bedoelde gevallen, namelijk wanneer de uitgevoerde produkten niet van "gezonde handelskwaliteit" zijn en er dus geen restituties kunnen worden verleend.
De derde vraag
31 Met de derde vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of in omstandigheden als die in het hoofdgeding is voldaan aan de voorwaarden voor wijziging a posteriori van de douaneaangiften.
32 De voorwaarden voor wijziging a posteriori van een douaneaangifte zijn neergelegd in artikel 7, lid 1, van richtlijn 81/177. Daarin wordt bepaald:
"1. De aangever kan op zijn verzoek de aangiften (...) wijzigen, onder het volgende voorbehoud:
a) om de wijziging moet worden verzocht voordat de goederen het douanekantoor of de daartoe aangewezen plaats hebben verlaten, tenzij dat verzoek betrekking heeft op gegevens waarvan de douane de juistheid zelfs bij afwezigheid van de goederen kan nagaan;
b) de wijziging kan niet meer worden toegestaan wanneer het verzoek wordt gedaan nadat de douane de aangever in kennis heeft gesteld van haar voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen of van de door haar zelf geconstateerde onjuistheid van de betrokken vermeldingen;
c) de wijziging mag niet tot gevolg hebben dat de aangifte betrekking heeft op andere goederen dan die waarop zij oorspronkelijk betrekking had.
2. De douane kan toestaan of eisen dat de in lid 1 bedoelde wijzigingen worden aangebracht door indiening van een nieuwe aangifte ter vervanging van de oorspronkelijke. In dat geval moet de datum waarop de oorspronkelijke aangifte is aanvaard worden aangehouden als datum voor het bepalen van de rechten bij uitvoer van de betrokken goederen en voor de toepassing van de andere bepalingen die gelden voor de uitvoer."
33 Vaststaat, dat in het geval dat aan het hoofdgeding ten grondslag ligt, niet om wijziging van de aangiften is verzocht "voordat de goederen het douanekantoor of de daartoe aangewezen plaats (hadden) verlaten". Volgens artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 81/177 kon een wijziging dus slechts worden toegestaan, indien het verzoek om wijziging betrekking had op gegevens waarvan de douane de juistheid zelfs bij afwezigheid van de goederen kon nagaan.
34 De Commissie heeft ter terechtzitting gesteld, dat dit in het hoofdgeding het geval was. De Griekse autoriteiten, die de radioactiviteit van de verschillende partijen Griekse en Franse harde tarwe hebben gecontroleerd, hadden de radioactiviteit van het mengsel van die partijen langs wiskundige weg kunnen berekenen door het gemiddelde van de radioactiviteit van elk der partijen harde tarwe in aanmerking te nemen, en hadden dus zelfs bij afwezigheid van de goederen de juistheid van de tot staving van het verzoek om wijziging van de aangiften verstrekte gegevens kunnen nagaan.
35 Deze stelling kan niet worden aanvaard. Zoals de Commissie immers zelf terecht heeft beklemtoond, moeten de voorwaarden waaraan artikel 7, lid 1, van de richtlijn de wijziging van de douaneaangiften onderwerpt, strikt worden uitgelegd, ten einde misbruik te voorkomen. Indien de Gemeenschap echter louter op wiskundige overwegingen voor een mengsel van verschillende partijen harde tarwe restituties zou verlenen zonder na te gaan of de menging werkelijk heeft plaatsgevonden, zou niets garanderen dat de verschillende partijen voldoende zijn gemengd om in hun geheel beneden de toepasselijke maximumniveaus van radioactiviteit te blijven.
36 Ellinika Dimitriaka is van mening, dat, gezien de bijzondere omstandigheden van de betrokken uitvoer, de weigering om artikel 7 van richtlijn 81/177 toe te passen, niet gerechtvaardigd lijkt en onevenredig is. Zij voert dienaangaande aan, dat in het hoofdgeding afdoende is aangetoond, dat de goederen in het ruim van het schip naar behoren zijn gemengd, zoals de douane van Stilida trouwens uitdrukkelijk erkent in een brief van 12 juni 1989. Bovendien blijkt uit een op haar verzoek verrichte analyse, waarvan de juistheid niet wordt betwist, dat het uitgevoerde mengsel van harde tarwe na de lading een radioactiviteit van 470 Bq/kg vertoonde, dus minder dan de toleranties die de gemeenschapsregeling voor de invoer in de Gemeenschap van landbouwprodukten van oorsprong uit derde landen voorschrijft.
37 Ook dit betoog moet worden verworpen.
38 Het gaat eraan voorbij, dat de mogelijkheid om douaneaangiften a posteriori te wijzigen, onderworpen is aan de voorwaarde, dat de nationale douaneautoriteiten de juistheid van de nieuwe of gewijzigde gegevens van het uitgevoerde produkt, vergeleken met de oorspronkelijke douaneaangiften, controleren.
39 Deze bevoegdheid wordt door de gemeenschapsregeling bij uitsluiting aan de nationale douaneautoriteiten verleend en kan dus niet op één lijn worden gesteld met de controles die op verzoek van een marktdeelnemer worden verricht door lichamen die daartoe niet door de bevoegde nationale autoriteiten zijn gemachtigd. De uitsluitende bevoegdheid van de nationale douaneautoriteiten heeft immers tot doel allerlei misbruiken te voorkomen.
40 Gelet op al die overwegingen moet op de derde vraag worden geantwoord, dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet is voldaan aan de voorwaarden voor wijziging a posteriori van de douaneaangiften.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
41 De kosten door de Griekse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Dioikitiko Efeteio Athinon bij beschikking van 19 maart 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Het telexbericht van de Commissie van 24 juli 1986, dat de maximale toleranties voor radioactiviteit voor de uitvoer van produkten naar derde landen vaststelt, is geen handeling die de Lid-Staten bindt.
2) Bij ontbreken van communautaire normen ter zake waren de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten bij de betrokken uitvoerverrichtingen gerechtigd, op de uitvoer van gelijkaardige produkten naar derde landen naar analogie de maatregelen toe te passen, die voor de invoer van landbouwprodukten van oorsprong uit derde landen waren genomen krachtens artikel 15 van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten, en artikel 13 van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten.
3) Artikel 3 van verordening (EEG) nr. 3665/87 is ook van toepassing in de in artikel 13 van die verordening bedoelde gevallen, namelijk wanneer de uitgevoerde produkten niet van "gezonde handelskwaliteit" zijn en dus geen restituties kunnen worden verleend.
4) In omstandigheden als die van het hoofdgeding is niet voldaan aan de voorwaarden voor wijziging a posteriori van de douaneaangiften.
Full & Egal Universal Law Academy