Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Rundvlees - Steun aan particuliere opslag - Verordening nr. 2267/84 - Gedeeltelijke uitslag van rundervoorvoeten zonder been vóór afloop van minimumopslagperiode - Voorwaarde voor recht op steun - In opslag houden van minimumhoeveelheid vlees
(Verordening nr. 2267/84 van de Commissie, art. 4, lid 2)
Samenvatting
Verordening nr. 2267/84, die in de sector rundvlees een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voorziet voor de particuliere opslag van hele geslachte dieren, halve geslachte dieren, achtervoeten en voorvoeten, heeft voor alles tot doel, te verzekeren dat zoveel mogelijk rundvlees wordt opgeslagen, ongeacht de aard van de opgeslagen stukken. Artikel 4, lid 2, van de verordening wil de opslaghouder ter wille van de handelsgebruiken en om praktische redenen een zekere speelruimte bieden ten aanzien van de hoeveelheden die volgens het opslagcontract moeten worden opgeslagen. Daarom moet voormeld artikel 4, lid 2, sub b, aldus worden uitgelegd, dat de opslaghouder die stukken van rundervoorvoeten zonder been vóór afloop van de in artikel 7, lid 1, van de verordening vastgestelde minimumopslagperiode van twee maanden uitslaat, recht op steun heeft, wanneer de gedurende die minimumopslagperiode in particuliere opslag gehouden stukken vlees een behandelde hoeveelheid vlees met been vertegenwoordigen, die groter is dan of gelijk is aan 90 % van de overeengekomen hoeveelheid, ongeacht of de in opslag gebleven stukken vlees tot hele voorvoeten zonder been kunnen worden samengesteld.
Partijen
In zaak C-374/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Hessische Verwaltungsgerichtshof (Bondsrepubliek Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Hans Irsfeld OHG
en
Bundesanstalt fuer landwirtschaftliche Marktordung (BALM),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 4, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2267/84 van de Commissie van 31 juli 1984 inzake de toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele geslachte dieren, halve geslachte dieren, achtervoeten en voorvoeten van runderen (PB 1984, L 208, blz. 31),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, F. A. Schockweiler en J. L. Murray (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door V. Schiller, advocaat te Keulen,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Woelker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door G. M. Berrisch, advocaat te Brussel,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 30 september 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 oktober 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 17 augustus 1992, ingekomen ter griffie van het Hof op 1 oktober daaraanvolgend, heeft het Hessische Verwaltungsgerichtshof het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een vraag gesteld over de uitlegging van artikel 4, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2267/84 van de Commissie van 31 juli 1984 inzake de toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele geslachte dieren, halve geslachte dieren, achtervoeten en voorvoeten van runderen (PB 1984, L 208, blz. 31; hierna: "verordening nr. 2267/84").
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen de vennootschap Irsfeld en de Bundesanstalt fuer landwirtschaftliche Marktordnung (hierna: "BALM").
3 Volgens artikel 3, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1091/80 van de Commissie van 2 mei 1980 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun aan de particuliere opslag van rundvlees (PB 1980, L 114, blz. 18; hierna: "verordening nr. 1091/80"), verplicht het voor steunverlening vereiste opslagcontract de opslaghouder met name ertoe, de overeengekomen hoeveelheid van het betrokken produkt binnen de gestelde termijn in te slaan en gedurende de overeengekomen periode in opslag te houden.
4 Van mening, dat ter wille van de handelsgebruiken en om praktische redenen de overeengekomen hoeveelheid enigszins moet kunnen variëren, heeft de Commissie in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1091/80 bepaald, dat aan de verplichting tot opslag van de overeengekomen hoeveelheid wordt geacht te zijn voldaan wanneer ten minste 90 % van die hoeveelheid ingeslagen en volgens de voorschriften opgeslagen is geweest.
5 Later heeft de Commissie gemeend, dat met name voor vlees van volwassen runderen steun voor de particuliere opslag moest worden verleend, en derhalve heeft zij verordening nr. 2267/84 vastgesteld. Ingevolge artikel 1, lid 1, van deze verordening, moesten de aanvragen tussen 20 augustus en 23 november 1984 worden ingediend.
6 Artikel 3, lid 2, van deze verordening bepaalt, dat het opslagcontract slechts betrekking kan hebben op vlees met been en op een van de in artikel 2, lid 2, bedoelde aanbiedingsvormen, waaronder voorvoeten.
7 Artikel 4 van verordening nr. 2267/84 bepaalt evenwel:
"1. Onder voorbehoud van de in lid 2 vermelde bepalingen mag de contractant de in artikel 2, lid 2, bedoelde produkten vóór de inslag geheel of gedeeltelijk versnijden of uitbenen, op voorwaarde dat alleen de hoeveelheid waarvoor het contract is gesloten, wordt behandeld en dat alle bij het versnijden of uitbenen verkregen vlees wordt ingeslagen.
2. Indien de in ongewijzigde staat opgeslagen hoeveelheid vlees of, wanneer het versneden of uitgebeend vlees betreft, de hoeveelheid vlees met been die is behandeld, kleiner is dan de hoeveelheid waarvoor het contract is gesloten, en
a) groter is dan of gelijk is aan 90 % van deze hoeveelheid, wordt het in artikel 1, lid 1, tweede alinea, bedoelde steunbedrag voor de particuliere opslag naar evenredigheid verlaagd;
b) kleiner is dan 90 % van deze hoeveelheid, wordt de steun voor de particuliere opslag niet betaald."
8 Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 2267/84 bepaalt, dat op de betaling van de steun slechts aanspraak kan worden gemaakt wanneer al het vlees gedurende de gehele opslagtermijn in het vrieshuis is gebleven.
9 Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2267/84 preciseert evenwel, dat de contractant na afloop van een opslagperiode van twee maanden het vlees waarvoor het opslagcontract is gesloten, onder bepaalde voorwaarden geheel of gedeeltelijk mag uitslaan. Ingevolge artikel 7, lid 2, wordt het steunbedrag in dat geval dienovereenkomstig verlaagd.
10 Bij contract van 5 november 1984 ging Irsfeld op basis van verordening nr. 2267/84 jegens de BALM de verplichting aan om 100 ton voorvoeten van runderen, afgesneden volgens de rechte versnijding in de zin van artikel 2, lid 2, vierde streepje, sub b, van verordening nr. 2267/84, negen maanden lang particulier op te slaan.
11 Op 19 november 1984 stelde Irsfeld de BALM in kennis van de opslag van 77 136,8 kg uitgebeende voorvoeten verkregen uit de versnijding van 100 514 kg voorvoeten met been, hetgeen neerkomt op een vleespercentage van 76,742. Deze laatste hoeveelheid vlees werd op 8 november 1984 in het vrieshuis opgeslagen.
12 Bij brief van 28 november 1984 liet de BALM Irsfeld weten, dat de contractuele opslagperiode op 9 november 1984 was ingegaan.
13 Op 31 januari 1985 vroeg Irsfeld om een voorschot op de aan het contract verbonden steun, welk voorschot de BALM betaalde nadat Irsfeld zekerheid had gesteld.
14 Bij een controle van de uitslagdocumenten stelde de BALM vast, dat Irsfeld reeds op 8 januari 1985, dus vóór het verstrijken van de minimumopslagperiode van twee maanden, 7 572,40 kg opgeslagen vlees had uitgeslagen. Bij de voortijdig uitgeslagen dozen ging het om diepgevroren stukken rundvlees zonder been "en zonder vang en schenkel".
15 Op basis van de beschikbare documenten stelde de BALM vast, dat tot de voortijdig uitgeslagen 7 572,40 kg rundvlees zonder been 558,77 kg vang en schenkel behoorde. Zij meende dan ook, dat in totaal 8 131,17 kg - te weten 7 572,40 kg + 558,77 kg - vlees zonder been voortijdig was uitgeslagen, hetgeen bij een vleespercentage van 76,742 neerkomt op 10 595,46 kg vlees met been.
16 De BALM meende derhalve, dat slecht 89 918,54 kg (100 514 kg - 10 595,46 kg) vlees zonder been overeenkomstig het contract voor een minimumperiode van twee maanden in opslag was gehouden. Dat is slechts 89,9 % van de overeengekomen hoeveelheid en dus minder dan de door de gemeenschapsregeling vereiste 90 %.
17 Op grond van artikel 3, leden 2 en 3, van verordening nr. 1091/80 weigerde de BALM betaling van de steun, vorderde zij het betaalde voorschot terug en verklaarde zij de waarborg ten dele verbeurd.
18 Na de afwijzing van haar bezwaarschrift, stelde Irsfeld beroep in bij het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main. Zij betoogde, dat na de versnijding het voorwerp van het contract niet langer de opslag van voorvoeten, maar de opslag van de uit de versnijding verkregen hoeveelheid vlees was. Bij een vleespercentage van 76,742 komt de voortijdig uitgeslagen hoeveelheid vlees (7 572,40 kg) overeen met 9 867,60 kg vlees met been. Wanneer men deze 9 867,60 kg vlees met been van de aanvankelijk beschikbare 100 514 kg rundervoorvoeten met been aftrekt, zou dus 90 646,40 kg rundvlees met been, dat wil zeggen meer dan 90 % van de overeengekomen hoeveelheid, gedurende de minimumopslagperiode in opslag zijn gehouden.
19 Het Hessische Verwaltungsgerichtshof, waarbij verzoekster hoger beroep heeft ingesteld, vraagt zich af, of in geval van uitbening en versnijding vóór de opslag, voor de inachtneming van de 90 %-grens alleen rekening moet worden gehouden met de stukken vlees die tot voorvoeten kunnen worden samengesteld voordat zij worden versneden in de zin van het opslagcontract, gelijk de BALM stelt, of dat het volstaat, gelijk Irsfeld stelt, dat het gewicht van de tot het einde van de minimumopslagperiode van twee maanden in opslag gehouden stukken 90 % van de overeengekomen hoeveelheid bedraagt, ongeacht of de in opslag gehouden stukken vlees tot hele voorvoeten zonder been kunnen worden samengesteld .
20 Het Hessische Verwaltungsgerichtshof heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Moet de regeling in artikel 4, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2267/84 van de Commissie van 31 juli 1984 (PB 1984, L 208, blz. 31)
a) aldus worden uitgelegd, dat het recht op steun vervalt wanneer de opslaghouder, na eerst alle bij het uitbenen van voorvoeten van runderen verkregen vlees te hebben ingeslagen, bepaalde stukken vlees vóór afloop van de minimumopslagperiode uitslaat, met het gevolg dat het gewicht van de tot het einde van de opslagperiode in opslag gehouden stukken vlees weliswaar nog meer dan 90 % van de overeengekomen hoeveelheid bedraagt, doch de in opslag gebleven stukken vlees die nog tot hele voorvoeten van runderen (zonder been) kunnen worden samengesteld, minder dan 90 % van de overeengekomen hoeveelheid vormen,
b) dan wel aldus, dat bij uitslag van bepaalde stukken van uitgebeende voorvoeten van runderen vóór afloop van de minimumopslagperiode, het recht op steun blijft bestaan, wanneer de gedurende deze periode in opslag gehouden stukken vlees in totaal 90 % van de overeengekomen hoeveelheid vormen, ongeacht of deze stukken nog tot hele voorvoeten van runderen (zonder been) kunnen worden samengesteld?"
21 Allereerst moet worden onderzocht, of een marktdeelnemer die, zoals verzoekster in het hoofdgeding, na uitbening aanvankelijk de gehele in het opslagcontract overeengekomen hoeveelheid heeft opgeslagen, het recht op de bij verordening nr. 2267/84 ingevoerde steun voor de particuliere opslag behoudt wanneer hij vóór afloop van de in artikel 7, lid 1, van deze verordening vastgestelde minimumopslagperiode van twee maanden een deel daarvan uitslaat, terwijl verordening nr. 2267/84 dit geval niet voorziet.
22 Aangezien de contractant, wanneer het versneden of uitgebeend vlees betreft, op grond van artikel 4, lid 2, sub a, van verordening nr. 2267/84 een hoeveelheid behandeld vlees met been mag opslaan die groter is dan of gelijk is aan 90 % van de in het contract overeengekomen hoeveelheid en het recht op een naar evenredigheid verlaagd steunbedrag behoudt, moet die contractant dus ook, indien hij, zoals verzoekster in het hoofdgeding, aanvankelijk de gehele in het contract overeengekomen hoeveelheid heeft opgeslagen, vóór de afloop van de minimumopslagperiode 10 % van die hoeveelheid kunnen uitslaan, voor zover ten minste 90 % van de overeengekomen hoeveelheid is opgeslagen en gedurende de minimumopslagperiode in opslag is gehouden.
23 Aangaande de uitlegging van artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr. 2267/84 stelt het Hof vast, dat uit de bewoordingen van die bepaling geenszins blijkt, dat de na uitbening opgeslagen stukken vlees gedurende de opslagperiode tot hele voorvoeten moeten kunnen worden samengesteld, en evenmin dat het bij de op grond van die bepaling toegestane gedeeltelijke uitslag van 10 % van de overeengekomen hoeveelheid noodzakelijkerwijs om hele voorvoeten moet gaan.
24 Overigens is er in de considerans van verordening nr. 2267/84 noch in een van de bepalingen sprake van de aard van de opgeslagen stukken vlees. Integendeel, de steun voor de particuliere opslag heeft in de eerste plaats tot doel, te verzekeren dat zoveel mogelijk rundvlees wordt opgeslagen, ongeacht de aard van de opgeslagen stukken.
25 Ten slotte blijkt uit de zesde overweging van de considerans van verordening nr. 1091/80, de verordening waarnaar artikel 1, lid 3, van verordening nr. 2267/84 verwijst, dat de bij artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2267/84 toegestane afwijkingen de opslaghouder ter wille van de handelsgebruiken en om praktische redenen een zekere speelruimte willen bieden ten aanzien van de hoeveelheden die volgens het opslagcontract moeten worden opgeslagen.
26 Gelijk de Commissie terecht heeft beklemtoond, zou die speelruimte van de opslaghouder aanzienlijk worden beperkt, indien de toepassing van die bepaling afhankelijk was van de voorwaarde, dat de opgeslagen en tot het einde van de minimumopslagperiode in opslag gehouden stukken vlees tot hele voorvoeten kunnen worden samengesteld.
27 Gelet op het voorgaande moet op de vraag van het Hessische Verwaltungsgerichtshof worden geantwoord, dat artikel 4, lid 2, sub b, van verordening nr. 2267/84 aldus moet worden uitgelegd, dat de opslaghouder die bepaalde stukken van rundervoorvoeten zonder been vóór afloop van de in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2267/84 vastgestelde minimumopslagperiode van twee maanden uitslaat, recht heeft op steun voor de particuliere opslag van rundvlees, wanneer de gedurende die minimumopslagperiode in particuliere opslag gehouden stukken vlees een behandelde hoeveelheid vlees met been vertegenwoordigen die groter is dan of gelijk is aan 90 % van de overeengekomen hoeveelheid, ongeacht of de in opslag gebleven stukken vlees tot hele voorvoeten zonder been kunnen worden samengesteld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de bij beschikking van 17 augustus 1992 door het Hessische Verwaltungsgerichtshof gestelde prejudiciële vraag, verklaart voor recht:
Artikel 4, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2267/84 van de Commissie van 31 juli 1984 inzake de toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele geslachte dieren, halve geslachte dieren, achtervoeten en voorvoeten van runderen, moet aldus worden uitgelegd, dat de opslaghouder die stukken van rundervoorvoeten zonder been vóór afloop van de in artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2267/84 vastgestelde minimumopslagperiode van twee maanden uitslaat, recht heeft op steun voor de particuliere opslag van rundvlees, wanneer de gedurende die minimumopslagperiode in particuliere opslag gehouden stukken vlees een behandelde hoeveelheid vlees met been vertegenwoordigen die groter is dan of gelijk is aan 90 % van de overeengekomen hoeveelheid, ongeacht of de in opslag gebleven stukken vlees tot hele voorvoeten zonder been kunnen worden samengesteld.
Full & Egal Universal Law Academy