Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Oliën en vetten ° Compensatiebedragen voor oliehoudende zaden ° Onmogelijkheid voor een zelfde perceel meer dan één aanvraag per verkoopseizoen in te dienen ° Uitvoering, door Commissie, van door Raad vastgesteld beginsel ° Wettigheid
(Verordening nr. 1765/92 van de Raad; verordening nr. 2294/92 van de Commissie, art. 4)
Samenvatting
Waar verordening nr. 1765/92 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen, op het gebied van compensatiebedragen bepalingen bevat, waarvan blijkt dat zij de afspiegeling zijn van het aan de verordening ten grondslag liggende en uit de motivering ervan af te leiden beginsel van de eenmaligheid van die bedragen voor een zelfde oppervlakte en een zelfde verkoopseizoen, kan aan de Commissie niet worden verweten dat zij, door in artikel 4 van verordening nr. 2294/92 te bepalen dat de producenten van oliehoudende zaden slechts één enkele aanvraag per verkoopseizoen mogen indienen, een uitvoeringsmaatregel heeft vastgesteld die niet binnen het kader van de bij genoemde basisverordening van de Raad verleende bevoegdheid valt.
Partijen
In zaak C-385/92,
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door F. Georgakopoulos, adjunct-juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Ste Croix 117,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur X. A. Yataganas als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 2294/92 van de Commissie van 31 juli 1992 houdende bepalingen voor de toepassing van de steunregeling voor producenten van de in verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad bedoelde oliehoudende zaden (PB 1992, L 221, blz. 22),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini (rapporteur) en D. A. O. Edward, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. A. Schockweiler, G. C. Rodríguez Iglesias, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Helleense Republiek en de Commissie ter terechtzitting van 18 januari 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 maart 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 oktober 1992, heeft de Helleense Republiek krachtens artikel 173 EG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 2294/92 van de Commissie van 31 juli 1992 houdende bepalingen voor de toepassing van de steunregeling voor producenten van de in verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad bedoelde oliehoudende zaden (PB 1992, L 221, blz. 22).
2 Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB 1992, L 181, blz. 12; hierna: "basisverordening") voorziet in een stelsel van compensatiebedragen ten behoeve van producenten in de sector granen, eiwithoudende gewassen en oliehoudende zaden, waaronder sojabonen.
3 Volgens artikel 2, lid 5, van die verordening "[wordt] het compensatiebedrag (...) toegekend in het kader van: a) een 'algemene regeling' , die voor alle landbouwers geldt, of b) een 'vereenvoudigde regeling' , die voor kleine producenten geldt". Deze laatsten, die in artikel 8, lid 2, worden gedefinieerd, kunnen kiezen voor hetzij de algemene, hetzij de vereenvoudigde regeling.
4 Producenten die het compensatiebedrag aanvragen in het kader van de algemene regeling, verbinden zich een deel van hun areaal uit produktie te nemen en ontvangen daarvoor een compensatie (artikel 2, lid 5). In het kader van de vereenvoudigde regeling wordt volgens artikel 8, lid 3, geen verplichting opgelegd om grond uit produktie te nemen, maar wordt het uit te keren compensatiebedrag berekend op basis van het compensatiebedrag voor graan, ongeacht de daadwerkelijk geteelde gewassen. Zoals blijkt uit de artikelen 4 en 5, is het bedrag voor graan duidelijk minder hoog dan voor oliehoudende zaden.
5 Wat de voorwaarden voor uitbetaling van die compensatiebedragen betreft, bepalen de leden 1 en 2 van artikel 10 van de basisverordening:
"1. De compensatiebedragen voor granen en eiwithoudende gewassen en de compensatie voor de verplichting om grond uit produktie te nemen worden uitbetaald in de periode van 16 oktober tot en met 31 december die volgt op de oogst.
2. Om voor het compensatiebedrag in aanmerking te komen moet de producent uiterlijk op 15 mei voorafgaand aan de betrokken oogst:
° hebben ingezaaid;
° een aanvraag hebben ingediend."
6 Overeenkomstig de basisverordening bepaalt voornoemde verordening nr. 2294/92 (hierna: "uitvoeringsverordening"), die geldt vanaf het verkoopseizoen 1993/1994, in artikel 2, lid 1:
"1. Voor het compensatiebedrag bedoeld in artikel 5, lid 1 en lid 2, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 1765/92 komen alleen de met oliehoudende zaden bebouwde oppervlakten in aanmerking
(...)
b) waarvoor de in artikel 2, lid 5, onder a), van verordening (EEG) nr. 1765/92 bedoelde algemene regeling wordt toegepast;
c) waarvoor bij de bevoegde instantie een aanvraag met een teeltplan is ingediend op uiterlijk de uiterste datum die voor de soort oliehoudend zaad en de betrokken produktieregio is vastgesteld door de Lid-Staat, die daarbij de in bijlage I vermelde termijn in acht moet nemen;
d) die uiterlijk op de voornoemde datum volledig zijn ingezaaid met koolzaad, raapzaad, zonnebloemzaad of soja (...)
(...)"
Bijlage I, waarnaar die bepaling verwijst, stelt de betrokken uiterste datum vast op "15 mei vóór het verkoopseizoen".
7 Artikel 4 van de toepassingsverordening bepaalt vervolgens:
"Voor een zelfde perceel mag niet meer dan één aanvraag voor het in verordening (EEG) nr. 1765/92 bedoelde compensatiebedrag worden ingediend per verkoopseizoen."
8 Uit de stukken blijkt ook, dat sojabonen op twee manieren kunnen worden verbouwd: als hoofdteelt en/of als tussenteelt vóór dan wel na de hoofdteelt.
9 De Griekse regering zet uiteen, dat de beste periode voor de teelt van sojabonen in Griekenland de periode tussen 20 april en 15 juli is en dat de kleine producenten die bonen gewoonlijk pas na 15 mei als tussenteelt zaaien. Aangezien het de uiterste datum voor de inzaai op die datum vaststelt, zou artikel 10, lid 2, van de basisverordening in feite tot gevolg hebben, dat de kleine producenten niet in aanmerking komen voor compensatiebedragen voor de tussenteelten.
10 Om deze reden verzoekt de Griekse regering het Hof de uitvoeringsverordening nietig te verklaren. Tot staving van haar beroep voert zij zes middelen aan: de eerste vijf zijn ontleend aan schending van respectievelijk de motiveringsplicht, het non-discriminatiebeginsel, artikel 39 EEG-Verdrag, de beginselen van bescherming van het gewettigd vertrouwen, enerzijds, en van bescherming van de communautaire preferentie, anderzijds, terwijl het zesde middel is ontleend aan onbevoegdheid van de Commissie om artikel 4 van de uitvoeringsverordening vast te stellen.
De eerste vijf middelen
11 De eerste vijf middelen zijn op alle punten identiek aan die welke de Griekse regering heeft aangevoerd in haar tegelijk met het onderhavige beroep ingestelde beroep tot nietigverklaring van de basisverordening. Deze middelen zijn door het Hof afgewezen in het arrest van 14 juli 1994 (zaak C-353/92, Griekenland/Raad).
12 Ofschoon hun toepassingsgebied verschilt, onderwerpen artikel 2, lid 1, van de toepassingsverordening, dat in casu in geding is, en artikel 10, lid 2, van de basisverordening, waarom het in voornoemd arrest ging, beide de uitbetaling van het compensatiebedrag aan de voorwaarde, dat de producent vóór 15 mei heeft ingezaaid en zijn aanvraag heeft ingediend. Kort gezegd is het zo, dat de tweede van deze bepalingen betrekking heeft op de kleine sojaproducenten die hebben gekozen voor toekenning van het compensatiebedrag volgens de vereenvoudigde regeling, terwijl de eerste geldt voor de kleine producenten die de algemene regeling hebben gekozen.
13 Het is duidelijk, dat de uiterste datum 15 mei dezelfde gevolgen en dezelfde verplichtingen meebrengt voor de kleine sojaproducenten, of zij het compensatiebedrag nu onder de algemene dan wel onder de vereenvoudigde regeling hebben aangevraagd.
14 Onder deze omstandigheden moeten, om de redenen vermeld in de rechtsoverwegingen 16 tot en met 51 van voornoemd arrest Griekenland/Raad, de eerste vijf middelen van de Griekse regering worden afgewezen. Aangezien zij niet gegrond zijn wanneer zij tegen de basisverordening zijn gericht, kunnen zij het ook niet zijn wanneer zij tegen de uitvoeringsverordening worden aangevoerd.
Onbevoegdheid van de Commissie
15 Volgens de Griekse regering heeft de Commissie haar uitvoeringsbevoegdheden overschreden door artikel 4 van de uitvoeringsverordening vast te stellen, dat de producenten slechts toestaat één enkele aanvraag per verkoopseizoen in te dienen. Deze bepaling zou geen enkele grondslag vinden in de basisverordening en derhalve ongeldig zijn.
16 Dienaangaande zij erop gewezen, dat de bepalingen van de basisverordening die, voor de compensatiebedragen, de inachtneming van een uiterste datum voor de inzaai en de indiening van de aanvragen voorschrijven, de afspiegeling zijn van het aan de verordening ten grondslag liggende beginsel van de eenmaligheid van die bedragen voor een zelfde oppervlakte en een zelfde verkoopseizoen. In dit verband wordt in de zeventiende overweging van de considerans immers gezegd, dat "(...) de compensatiebedragen voor een bepaalde oppervlakte éénmaal per jaar moeten worden uitgekeerd (...)"
17 Aangezien het in de onderhavige zaak in geding zijnde artikel 4 van de uitvoeringsverordening slechts de draagwijdte van dit beginsel preciseert voor de producenten van oliehoudende zaden die onder de algemene regeling vallende oppervlakten bebouwen, dient te worden aangenomen, dat de Commissie bevoegd was om deze bepaling vast te stellen.
18 Dit middel is dus evenmin gegrond.
19 Aangezien geen van de door de Griekse regering aangevoerde middelen doel treft, dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Helleense Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1. Verwerpt het beroep.
2. Verwijst verzoekster in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy