Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Prejudiciële vragen ° Bevoegdheid van Hof ° Verplichting uitspraak te doen ° Weigering uitspraak te doen op grond van risico dat in nationaal recht rechtsvacuuem zou ontstaan indien nationale rechter consequenties trekt uit gemeenschapsrecht ° Uitgesloten
(EEG-Verdrag, art. 177)
2. Sociale politiek ° Mannelijke en vrouwelijke werknemers ° Gelijke beloning ° Nationale bepaling die zowel voor deeltijdwerknemers als voor voltijdwerknemers betaling van loontoeslagen voor overuren slechts verplicht stelt in geval van overschrijding van normale arbeidstijd van laatstgenoemden ° Toelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 119; richtlijn 75/117 van de Raad, art. 1)
Samenvatting
1. Het Hof is in beginsel verplicht uitspraak te doen, omdat de vragen van de nationale rechter, die het best in staat is om met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het geval de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, betrekking hebben op de uitlegging van een bepaling van het gemeenschapsrecht. In het bijzonder kan er geen sprake van zijn, dat het Hof zou weigeren de verwijzende rechter de benodigde gegevens over het gemeenschapsrecht te verstrekken op grond dat het antwoord van het Hof deze rechter ertoe zou kunnen nopen, sommige nationale bepalingen nietig te verklaren en aldus in het nationale recht een rechtsvacuuem te doen ontstaan.
2. Artikel 119 van het Verdrag en artikel 1 van richtlijn 75/117 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers verzetten er zich niet tegen, dat een collectieve arbeidsovereenkomst, zowel voor deeltijdwerknemers als voor voltijdwerknemers, slechts voorziet in betaling van toeslagen voor overuren voor het geval dat de in die overeenkomst bepaalde normale arbeidstijd wordt overschreden en niet voor het geval dat de in de individuele arbeidsovereenkomsten bepaalde arbeidstijd wordt overschreden.
Immers, dergelijke bepalingen brengen geen verschil in behandeling teweeg tussen deeltijd- en voltijdwerknemers, aangezien deeltijdwerknemers bij een gelijk aantal arbeidsuren dezelfde totale beloning ontvangen als voltijdwerknemers, en dit zowel wanneer zij de in de collectieve arbeidsovereenkomsten vastgestelde normale arbeidstijd niet overschrijden als wanneer zij dat wel doen; in dit laatste geval genieten namelijk alle categorieën van werknemers loontoeslagen voor overuren.
Partijen
In de gevoegde zaken C-399/92, C-409/92, C-425/92, C-34/93, C-50/93 en C-78/93,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Landesarbeitsgericht Hamm (C-399/92), het Arbeitsgericht Hamburg (C-409/92 en C-425/92), het Arbeitsgericht Bochum (C-34/93), het Arbeitsgericht Elmshorn (C-50/93) en het Arbeitsgericht Neumuenster (C-78/93), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Stadt Lengerich
en
A. Helmig (C-399/92),
W. Schmidt
en
Deutsche Angestellten-Krankenkasse (C-409/92),
E. Herzog
en
Arbeiter-Samariter-Bund, Landesverband Hamburg e.V. (C-425/92),
D. Lange
en
Bundesknappschaft Bochum (C-34/93),
A. Kussfeld
en
Detlef Bogdol GmbH (C-50/93),
U. Ludewig
en
Kreis Segeberg (C-78/93),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 119 EEG-Verdrag en van richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1991, L 45, blz. 19),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn, G. F. Mancini, C. N. Kakouris en J. L. Murray (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° E. Herzog (zaak C-425/92), vertegenwoordigd door M. Gussone, secretaris van de Gewerkschaft OEffentliche Dienste, Transport und Verkehr, Bezirksverwaltung Hamburg,
° Arbeiter-Samariter-Bund Landesverband Hamburg e.V. (zaak C-425/92), vertegenwoordigd door T. Eich, advocaat te Hamburg,
° Bundesknappschaft Bochum (zaak C-34/93), vertegenwoordigd door U. Bielefeld, advocaat te Hamm,
° U. Ludewig (zaak C-78/93), vertegenwoordigd door D. Goergens, advocaat te Hamburg,
° Kreis Segeberg (zaak C-78/93), vertegenwoordigd door G. Mihr, adviseur bij de "Kreisausschuss",
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks, lid van de juridische dienst, en H. Kreppel, een bij de juridische dienst van Commissie gedetacheerd Duits ambtenaar, als gemachtigden (zaken C-399/92, C-409/92, C-425/92, C-34/93, C-50/93 en C-78/93),
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie voor Economische zaken, en C.-D. Quassowski, Regierungsdirektor bij hetzelfde Ministerie, als gemachtigden (zaken C-399/92, C-409/92, C-425/92, C-34/93, C-50/93 en C-78/93),
° de Franse regering, vertegenwoordigd door C. Chavance, attaché principal d' Administration centrale bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, en J.-P. Puissochet, directeur van de juridische dienst van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden (zaak C-78/93),
° de Griekse regering, vertegenwoordigd door N. Mavrikas, adjunct-adviseur bij de juridische dienst van de staat, en K. Grigoriou, gerechtelijk gemachtigde van de juridische dienst van de staat (zaak C-399/92), F. Georgakopoulos, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de Staat (zaak C-409/92), D. Raptis, juridisch adviseur van de staat (zaak C-425/92), V. Kondolaimos, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, en M. Basdeki, gerechtelijk gemachtigde van de juridische dienst van de staat (zaak C-34/93), als gemachtigden,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. L. Hudson, Treasury Solicitor, en D. Pannick, Barrister (zaken C-399/92, C-409/92, C-425/92 en C-50/93), J. Collins, Treasury Solicitor, en D. Pannick, Barrister (zaak C-34/93), en S. L. Hudson, Treasury Solicitor (zaak C-78/93), als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van E. Herzog, D. Lange, vertegenwoordigd door M. Gussone, secretaris van de Gewerkschaft OEffentliche Dienste, Transport und Verkehr (OETV), Bezirksverwaltung Hamburg, A. Kussfeld, vertegenwoordigd door U. Lorenz, "Rechtssekretaerin" van de Deutscher Gewerkschaftsbund (DGB), Duesseldorf, Firma Detlev Bogdol GmbH, vertegenwoordigd door J. Bungart, advocaat te Bonn, U. Ludewig, de Duitse, de Griekse, de Franse en de Britse regering en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 10 maart 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 april 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikkingen van 22 oktober, 4 en 6 november, 18 december 1992, 21 januari en 1 februari 1993 hebben het Landesarbeitsgericht Hamm, het Arbeitsgericht Hamburg, het Arbeitsgericht Elmshorn, het Arbeitsgericht Bochum en het Arbeitsgericht Neumuenster krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verschillende prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 119 EEG-Verdrag en van richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1991, L 45, blz. 19; hierna: de "richtlijn").
2 Die vragen zijn gerezen in gedingen die door deeltijdwerkneemsters tegen hun werkgevers zijn aangespannen. Zij vorderen, dat voor de boven hun individuele arbeidstijd gewerkte uren dezelfde loontoeslagen worden betaald als aan voltijdwerknemers voor boven de normale arbeidstijd gewerkte uren. De toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna: "cao' s") echter stellen betaling van een overurentoeslag aan voltijd- en deeltijdwerknemers alleen verplicht voor werkuren boven de normale, in deze overeenkomsten vastgestelde normale arbeidstijd; voor werkuren van deeltijdwerknemers boven hun individuele arbeidstijd is geen toeslag voorzien.
3 Volgens verzoeksters in de hoofdgedingen brengen de betrokken cao-bepalingen een door artikel 119 EEG-Verdrag en de richtlijn verboden discriminatie teweeg, doordat zij enkel voor werkuren boven de normale arbeidstijd voorzien in de betaling van toeslagen.
4 Van oordeel dat deze gedingen vragen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht aan de orde stelden, hebben de nationale rechterlijke instanties besloten het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
° In zaak C-399/92:
"1) Is er sprake van schending van artikel 119 EEG-Verdrag in de vorm van indirecte discriminatie, indien een collectieve arbeidsovereenkomst voor de openbare dienst van de Bondsrepubliek Duitsland slechts voorziet in betaling van toeslagen voor overuren wanneer de volgens de cao normale arbeidstijd wordt overschreden, waardoor werknemers in wier arbeidsovereenkomst niet de volledige, in de cao opgenomen arbeidstijd is overeengekomen, van deze overurentoeslag worden uitgezonderd, en indien door deze uitzondering onevenredig veel meer vrouwen dan mannen worden getroffen?
2) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord:
Is het in de cao uitsluiten van deeltijdwerknemers van enige overurentoeslag objectief gerechtvaardigd om de enkele reden dat
a) enerzijds door de in de cao opgenomen overurentoeslagen een zwaardere belasting van de werknemer moet worden gecompenseerd en voorkomen moet worden dat te veel van hem wordt verlangd, waarbij op grond van de ervaring ervan kan worden uitgegaan, dat een werknemer die de in de cao als volledig omschreven arbeidstijd vervult, door het maken van overuren a priori zwaarder wordt belast dan een deeltijdwerknemer;
b) anderzijds zonder individuele toetsing mag worden aangenomen, dat een beperking van de vrije tijd een voltijdwerknemer in de zin van de cao, die langer dan de in de cao opgenomen normale werktijd moet werken, zwaarder treft dan een deeltijdwerknemer?
3) Indien vraag 2 ontkennend wordt beantwoord:
Brengt artikel 119 EEG-Verdrag mee, dat aan deeltijdwerknemers voor ieder uur dat zij boven de overeengekomen arbeidstijd werken, eveneens de volledige, in de cao opgenomen overurentoeslag moet worden betaald, zoals deze ook voor overuren van voltijdwerkers in de zin van de cao is voorzien, of hebben deeltijdwerkers slechts recht op een percentage van de voor voltijdwerkers geregelde overurentoeslag, naar rato van hun individuele arbeidstijd in verhouding tot de in de cao overeengekomen normale arbeidstijd?"
° In zaak C-409/92:
"Is met artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, verenigbaar dat een collectieve arbeidsovereenkomst slechts voorziet in betaling, door de werkgever, van toeslagen voor overuren die buiten de volgens de cao normale arbeidstijd worden gemaakt, en niet in betaling van toeslagen voor uren die door deeltijdwerkers binnen de volgens de cao normale arbeidstijd, doch boven de met hen overeengekomen arbeidstijd, worden verricht, gelet op het feit dat het aantal vrouwen dat in deeltijd werkt, aanzienlijk groter is dan het aantal mannen?"
° In zaak C-425/92:
"1) Is een cao-regeling (§ 34 BAT), die op grond van het gebruik in de onderneming of een daadwerkelijke toetreding tot de cao op een individuele arbeidsovereenkomst van toepassing is en die voor deeltijdwerknemers die langer dan de contractueel vastgestelde uren werken, slechts voorziet in een vergoeding die evenredig is aan die van een vergelijkbare voltijdwerknemer (zonder overurentoeslag), verenigbaar met het Europese recht (artikel 119 EEG-Verdrag), indien door deze regeling procentueel beduidend meer vrouwen dan mannen worden getroffen?
2) Wordt deze verschillende behandeling van deze twee categorieën van werknemers gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van het geslacht van doen hebben?
Is een verschillende behandeling op grond van geslacht derhalve gerechtvaardigd omdat deze verschillende behandeling aan een werkelijke behoefte binnen de onderneming beantwoordt, geschikt is voor het bereiken van de bedrijfsdoelstellingen en vereist is op grond van het evenredigheidsbeginsel, indien hiervoor als rechtvaardigingsgrond wordt aangevoerd dat door de overurentoeslag een zwaardere belasting van de werknemer moet worden gecompenseerd en voorkomen moet worden dat te veel van hem wordt verlangd, maar dat er geen sprake is van een vergelijkbare belasting van een deeltijdwerknemer indien deze slechts de bij overeenkomst vastgestelde arbeidstijd overschrijdt zonder de normale arbeidstijd (voltijdarbeid) van gemiddeld 38,5 uur per week te bereiken (zie § 17, lid 1, en § 15, lid 1, BAT)?"
° In zaak C-34/93:
"1) Staan artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117 van de Raad van 10 februari 1975 (PB 1975, L 45, blz. 19), inzonderheid de artikelen 1 en 4 hiervan, in de weg aan een in een collectieve arbeidsovereenkomst voor een publiekrechtelijke lichaam (Bundesknappschaft) vervatte regeling, die slechts voorziet in de betaling van loontoeslagen wanneer de in de cao opgenomen normale arbeidstijd wordt overschreden, en dus werknemers in wier arbeidsovereenkomst niet de volledige, in de cao bepaalde arbeidstijd is overeengekomen, tot die grens van elke overurentoeslag uitsluit, indien door deze uitzondering aanzienlijk meer vrouwen dan mannen worden getroffen, voor zover deze regeling niet gerechtvaardigd is door objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben?
2) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord:
Vormen de volgende overwegingen dan objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben en de in vraag 1 genoemde regeling kunnen rechtvaardigen:
a) de regeling moet een zwaardere lichamelijke belasting compenseren en het stellen van te zware eisen aan de werknemer verhinderen, waarbij de extra belasting door overuren bij voltijdwerknemers a priori zwaarder is dan bij deeltijdwerknemers;
b) als regel moet worden aangenomen, dat de inperking van de vrije tijd de werknemers die de in de cao opgenomen normale arbeidstijd werken, zwaarder treft dan deeltijdwerknemers?
3) Indien vraag 2 ontkennend wordt beantwoord:
Verlangt artikel 119 EEG-Verdrag dan, dat aan deeltijdwerknemers voor ieder uur dat zij boven de in de individuele arbeidsovereenkomst afgesproken arbeidstijd presteren, de volledige cao-overurentoeslag wordt betaald, die voor overuren boven de in de cao voorziene normale wekelijkse voltijdarbeid is bepaald?"
° In zaak C-50/93:
"Is er sprake van schending van artikel 119 EEG-Verdrag en van richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen, indien een collectieve arbeidsovereenkomst slechts voorziet in betaling van toeslagen voor overuren, wanneer de volgens de cao normale arbeidstijd wordt overschreden, en deeltijdwerknemers dus in beginsel van betaling van de overurentoeslag uitsluit, hoewel het aantal vrouwen dat door deze vergoedingsregeling wordt getroffen, aanzienlijk groter is dan het aantal mannen?"
° In zaak C-78/93:
"1) Is er sprake van schending van artikel 119 EEG-Verdrag in de vorm van indirecte discriminatie, indien een collectieve arbeidsovereenkomst voor de openbare dienst van de Bondsrepubliek Duitsland slechts voorziet in de betaling van toeslagen voor overuren wanneer de volgens de cao normale arbeidstijd wordt overschreden, waardoor werknemers in wier arbeidsovereenkomst niet de volledige, in de cao opgenomen arbeidstijd is overeengekomen, van deze overurentoeslag worden uitgezonderd, en indien door deze uitzondering onevenredig veel meer vrouwen dan mannen worden getroffen?
2) Indien vraag 1 bevestigd wordt beantwoord:
Is het in de cao uitsluiten van deeltijdwerknemers van enige overurentoeslag objectief gerechtvaardigd om de enkele reden dat
a) enerzijds door de in de cao opgenomen overurentoeslagen een zwaardere belasting van de werknemer moet worden gecompenseerd en voorkomen moet worden dat te veel van hem wordt verlangd, waarbij op grond van de ervaring ervan kan worden uitgegaan, dat een werknemer die de in de cao als volledig omschreven arbeidstijd vervult, door het maken van overuren a priori zwaarder wordt belast dan een deeltijdwerknemer;
b) anderzijds zonder individuele toetsing mag worden aangenomen, dat een beperking van de vrije tijd een voltijdwerknemer in de zin van de cao, die langer de in de cao opgenomen normale werktijd moet werken, zwaarder treft dan een deeltijdwerknemer?"
5 Bij twee beschikkingen van 5 maart en 15 juli 1993 heeft het Hof overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering de zaken C-399/92, C-409/92, C-425/92 en C-34/93 en de zaken C-50/93 en C-78/93 voor de mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd.
De bevoegdheid van het Hof
6 Verweerster in het hoofdgeding in zaak C-78/93 stelt in limine, dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is. Ook al zouden de betrokken bepalingen een schending van artikel 119 EEG-Verdrag inhouden, dan nog zal verzoekster in het hoofdgeding geen betaling van de gevorderde toeslagen kunnen verkrijgen. Nietigverklaring van de aangevochten bepalingen door de nationale rechter zou namelijk een onoplosbaar rechtsvacuuem scheppen, aangezien het Hof niet kan vaststellen hoe partijen, hadden zij van de thans gestelde schending van het gemeenschapsrecht kennis gehad, dit punt zouden hebben willen regelen.
7 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat artikel 177 EEG-Verdrag bepaalt dat indien voor een rechterlijke instantie van een Lid-Staat een vraag wordt opgeworpen over de uitlegging van het Verdrag of van afgeleide handelingen die door de instellingen van de Gemeenschap zijn vastgesteld, deze instantie, wanneer zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie kan verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.
8 In het kader van deze verwijzingsprocedure is de nationale rechter, die als enige rechtstreeks kennis heeft van de feiten van het geding, het best in staat om met inachtneming van de bijzondere omstandigheden van het geval de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen (arresten van 29 november 1978, zaak 83/78, Pigs Marketing Board, Jurispr. 1978, blz. 2347, en 28 november 1991, zaak C-186/90, Durighello, Jurispr. 1991, blz. I-5773).
9 Zodra de vragen van de nationale rechter betrekking hebben op de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht, is het Hof bijgevolg in beginsel verplicht te antwoorden (arrest van 8 november 1990, C-231/89, Gmurzynska, Jurispr. 1990, blz. I-4003, r.o. 20).
10 In casu nu kan bezwaarlijk worden tegengesproken, dat de vragen in zaak C-78/93 alsook die in de zaken C-399/92, C-409/92, C-425/92, C-34/93 en C-50/93 ter zake dienend zijn in het kader van de geschillen die de Duitse rechters zijn voorgelegd.
11 Er kan dan ook geen sprake van zijn, dat het Hof zou weigeren de verwijzende rechters de benodigde gegevens over het gemeenschapsrecht te verstrekken op grond dat een "rechtsvacuuem" zou ontstaan, indien de betrokken bepalingen door hen werden nietig verklaard.
12 Wat dit "rechtsvacuuem" betreft zij er overigens op gewezen, dat het verbod van discriminatie tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers dwingend recht is en bijgevolg niet alleen van toepassing is op overheidshandelingen, doch ook op alle overeenkomsten die de arbeid in loondienst collectief regelen, alsmede op overeenkomsten tussen particulieren (arrest van 8 april 1976, zaak 43/75, Defrenne, Jurispr. 1976, blz. 455). Bovendien is artikel 119 voldoende nauwkeurig om door een justitiabele voor een nationale rechterlijke instantie te kunnen worden ingeroepen met het verzoek, daarmee strijdige nationale bepalingen, cao-bepalingen daaronder begrepen, buiten toepassing te laten (zie arrest Defrenne, reeds aangehaald).
13 Ingeval de nationale rechter bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst wegens strijd met artikel 119 EEG-Verdrag buiten toepassing zou laten, hebben de leden van de benadeelde categorie recht op toepassing van dezelfde regeling als de overige werknemers en wel naar evenredigheid van hun arbeidstijd (arrest van 27 juni 1990, zaak C-33/89, Kowalska, Jurispr. 1990, blz. I-2591).
14 Dit betekent derhalve, in tegenstelling tot wat verweerster in het hoofdgeding in zaak C-78/93 beweert, dat een eventuele nietigverklaring van deze bepalingen door de nationale rechters geen rechtsvacuuem zou doen ontstaan.
15 Uit het bovenstaande volgt, dat de vragen van de verwijzende rechters moeten worden beantwoord.
Het bestaan van een door artikel 119 van het Verdrag en de richtlijn verboden discriminatie
16 De verwijzende rechters vragen zich in de eerste plaats af, of cao-bepalingen die de betaling van toeslagen voor overuren alleen voorzien voor gewerkte uren boven de normale, bij deze cao' s vastgestelde arbeidstijd (die overeenstemt met de arbeidstijd van voltijdwerknemers) en die deze toeslagen uitsluiten voor de uren die deeltijdwerknemers boven hun individuele arbeidstijd werken, zolang die uren onder de in deze cao' s bepaalde grens blijven, verenigbaar zijn met artikel 119 EEG-Verdrag en met de richtlijn.
17 De Commissie en verzoeksters in de hoofdgedingen stellen, dat collectieve arbeidsovereenkomsten evenzeer als wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen onder het non-discriminatiebeginsel van artikel 119 EEG-Verdrag vallen. Ingevolge dit beginsel mag geen uitvoering worden gegeven aan bepalingen die weliswaar geslachtsneutraal zijn geformuleerd en worden toegepast, maar die in feite een indirecte discriminatie inhouden omdat zij, nu het merendeel van de deeltijdwerkers vrouwen zijn, veel meer vrouwen dan mannen benadelen.
18 Zoals bij de bespreking van de ontvankelijkheid aangestipt, is artikel 119 EEG-Verdrag wegens zijn dwingend karakter niet alleen op wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van toepassing, maar ook op collectieve en individuele arbeidsovereenkomsten.
19 Artikel 119 EEG-Verdrag poneert het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid. Volgens artikel 1 van de richtlijn houdt dit beginsel meer bepaald in, dat voor gelijke arbeid of voor arbeid waaraan gelijke waarde wordt toegekend ieder onderscheid naar kunne wordt afgeschaft ten aanzien van alle elementen en voorwaarden van de beloning. Zoals het Hof in zijn arrest van 31 maart 1981 (zaak 96/80, Jenkins, Jurispr. 1981, blz. 911) heeft overwogen, is dit artikel in de eerste plaats bedoeld om de concrete toepassing van het in artikel 119 EEG-Verdrag opgenomen beginsel van gelijke beloning te vergemakkelijken, maar beïnvloedt het op generlei wijze de inhoud of de strekking van dit beginsel zoals het in laatstgenoemde bepaling is omschreven.
20 Het beginsel van gelijke beloning verzet zich niet alleen tegen de toepassing van bepalingen die een rechtstreeks op het geslacht gebaseerde discriminatie inhouden, maar ook tegen de toepassing van bepalingen die aan de hand van geslachtsneutrale criteria verschillen in behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers handhaven, indien deze verschillen niet kunnen worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets met discriminatie op grond van geslacht van doen hebben.
21 Wat nu de door de Commissie en verzoeksters in het hoofdgeding gelaakte bepalingen betreft, staat vast dat deze geen rechtstreeks op het geslacht gebaseerde discriminaties inhouden.
22 Bijgevolg moet worden onderzocht, of deze bepalingen geen indirecte discriminaties opleveren in strijd met artikel 119 EEG-Verdrag.
23 Daartoe moet worden nagegaan enerzijds, of zij een ongelijke behandeling van voltijd- en deeltijdwerknemers meebrengen, en anderzijds, of deze ongelijke behandeling aanzienlijk meer vrouwen dan mannen treft.
24 Dit is de wijze waarop het Hof bij zijn toetsing op dit gebied te werk pleegt te gaan (zie arrest Kowalska, reeds aangehaald, en arrest van 13 mei 1986, zaak 170/84, Bilka, Jurispr. 1986, blz. 1607).
25 Eerst wanneer het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, komt de vraag aan de orde, of er objectieve, niet met discriminatie op grond van geslacht verband houdende factoren voorhanden zijn die de vastgestelde ongelijke behandeling kunnen rechtvaardigen.
26 Van ongelijke behandeling is sprake, telkens wanneer de totale beloning die aan voltijdwerknemers wordt betaald, bij hetzelfde aantal uren dat uit hoofde van een dienstbetrekking is gewerkt, hoger is dan de aan deeltijdwerknemers betaalde.
27 In de onderhavige gevallen nu ontvangen de deeltijdwerknemers bij een gelijk aantal arbeidsuren echter dezelfde totale beloning als voltijdwerknemers.
28 Zo ontvangt een deeltijdwerknemer met een contractuele arbeidstijd van achttien uur voor het negentiende uur dezelfde totale beloning als een voltijdwerknemer voor negentien arbeidsuren ontvangt.
29 De deeltijdwerknemer ontvangt eveneens dezelfde totale beloning als de voltijdwerknemer wanneer hij de normale cao-arbeidstijd overschrijdt, want dan ontvangt ook hij de toeslag voor overuren.
30 Derhalve moet worden vastgesteld, dat de betrokken bepalingen geen verschil in behandeling tussen voltijd- en deeltijdwerknemers teweegbrengen en dat van discriminatie in de zin van artikel 119 van het Verdrag en artikel 1 van de richtlijn dan ook geen sprake is.
31 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 119 EEG-Verdrag en artikel 1 van richtlijn 75/117/EEG van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, niet eraan in de weg staan dat een collectieve arbeidsovereenkomst slechts voorziet in betaling van toeslagen voor overuren wanneer de in die overeenkomst voor voltijdwerknemers bepaalde normale arbeidstijd wordt overschreden.
De overige vragen
32 Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeft niet te worden ingegaan op de vragen met betrekking tot het bestaan van objectieve, niet met discriminatie op grond van geslacht samenhangende factoren die een eventuele ongelijke behandeling zouden kunnen rechtvaardigen, of met betrekking tot de berekeningsmethode van de toeslag waarop de deeltijdwerknemer aanspraak zou hebben gehad.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
33 De kosten door de Duitse, de Franse, de Griekse en de Britse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instanties over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Landesarbeitsgericht Hamm, het Arbeitsgericht Hamburg, het Arbeitsgericht Elmshorn, het Arbeitsgericht Bochum en het Arbeitsgericht Neumuenster bij beschikkingen van 22 oktober 1992 (zaak C-399/92), 4 november 1992 (zaak C-425/92), 6 november 1992 (zaak C-409/92), 18 december 1992 (zaak C-50/93), 21 januari 1993 (zaak C-34/93) en 1 februari 1993 (zaak C-78/93) gestelde vragen,
verklaart voor recht:
Artikel 119 EEG-Verdrag en artikel 1 van richtlijn 75/117/EEG van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, staan niet eraan in de weg dat een collectieve arbeidsovereenkomst slechts voorziet in betaling van toeslagen voor overuren wanneer de in die overeenkomst voor voltijdwerknemers bepaalde normale arbeidstijd wordt overschreden.
Full & Egal Universal Law Academy