Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van goederen ° Kwantitatieve beperkingen ° Maatregelen van gelijke werking ° Begrip ° Belemmeringen die voortvloeien uit nationale bepalingen die verkoopmodaliteiten op niet-discriminatoire wijze regelen ° Niet-toepasselijkheid van artikel 30 van Verdrag ° Regeling inzake openingstijden van winkels ° Verdragsbepalingen inzake mededinging ° Niet-toepasselijkheid
(EEG-Verdrag, art. 3, sub f, 5, 30, 85 en 86)
Samenvatting
De toepassing op produkten uit andere Lid-Staten van nationale bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten aan banden leggen of verbieden, is niet in staat om de handel tussen de Lid-Staten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel te belemmeren, mits die bepalingen van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en mits zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten. Wanneer aan die voorwaarden is voldaan, heeft immers de toepassing van dergelijke regelingen op de verkoop van produkten uit een andere Lid-Staat, die aan de door die staat vastgestelde voorschriften voldoen, niet tot gevolg, dat voor die produkten de toegang tot de markt wordt verhinderd of meer wordt bemoeilijkt dan voor nationale produkten het geval is. Die regelingen vallen derhalve niet binnen de werkingssfeer van artikel 30.
Mitsdien moet artikel 30 van het Verdrag aldus worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op een nationale wettelijke regeling inzake winkelsluiting die geldt voor alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en die zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed heeft op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten.
De artikelen 3, sub f, 5, 85, en 86 van het Verdrag, gelezen in onderlinge samenhang, zijn evenmin van toepassing op een dergelijke regeling.
Partijen
In de gevoegde zaken C-401/92 en C-402/92,
betreffende twee verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische kamer, in de aldaar dienende strafzaken tegen
Tankstation 't Heukske vof
en
J. B. E. Boermans,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 3, sub f, 5, 30 tot en met 36 en 86 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, M. Diez de Velasco (rapporteur), C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de verweerders, vertegenwoordigd door M. van Empel, advocaat te Amsterdam,
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en C.-D. Quassowski, Regierungsdirektor bij dit ministerie, als gemachtigden,
° de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door A. Bos, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. Drijber, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Tankstation 't Heukske vof en J. B. E. Boermans, de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. W. de Zwaan, adjunct juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, bijgestaan door N. Paines, Barrister, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 27 januari 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 maart 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arresten van 12 november 1992, ingekomen bij het Hof op 27 november daaraanvolgend, heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (Economische kamer) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 tot en met 36, alsmede van artikel 86, junctis de artikelen 3, sub f, en 5, EEG-Verdrag, ten einde te kunnen beoordelen, of de Nederlandse regeling inzake de sluiting van benzinestations verenigbaar is met die bepalingen.
2 Deze vragen zijn gerezen in twee voor dit Gerechtshof dienende strafzaken waarin Tankstation 't Heukske vof (hierna: "' t Heukske") respectievelijk J. B. E. Boermans terechtstaan wegens overtreding van de bepalingen inzake de winkelsluiting.
3 Artikel 3 van de Winkelsluitingswet van 1976 schrijft een maximumaantal openingsuren en verplichte sluitingstijden voor. Ingevolge artikel 11 van de wet kan bij algemene maatregel van bestuur (hierna: "amvb") vrijstelling worden verleend van de verplichte sluitingstijden. Van die mogelijkheid is gebruik gemaakt bij een amvb van 6 december 1977, waarin de verkooppunten worden aangegeven die buiten de algemene sluitingstijden geopend mogen zijn. Artikel 3 van deze amvb bevat een aan voorschriften gebonden vrijstelling ten behoeve van benzinestations.
4 Deze laatste bepaling is gewijzigd bij een amvb van 13 december 1988, waarin wordt bepaald dat de in de wet vervatte verboden niet gelden ten aanzien van een winkel in een benzinestation dat is gelegen buiten de bebouwde kom, aan een autoweg of een autosnelweg, indien in die winkel geen andere goederen worden te koop aangeboden, verkocht of afgeleverd dan brandstof en smeermiddelen voor voer- of vaartuigen, benodigdheden voor gebruik, reiniging of spoedeisende reparaties van voer- of vaartuigen alsmede accessoires daarvoor, artikelen voor lichaamsverzorging, geringe eetwaren, consumptie-ijs, alcoholvrije dranken en tabak en tabaksprodukten, een en ander voor zover die onderweg met een voertuig plegen te worden gebruikt.
5 Op grond van die bepalingen mogen aan een auto(snel)weg en buiten de bebouwde kom gelegen benzinestations alsmede de winkels in die benzinestations dag en nacht geopend zijn en bepaalde, met de reis verband houdende artikelen, zoals benzine en tabaksartikelen, te koop aanbieden. Voor produkten die geen verband houden met de reis, blijft daarentegen de algemene regeling van toepassing, dat wil zeggen dat die produkten alleen mogen worden verkocht binnen de wettelijke openingstijden, die moeten worden aangegeven bij iedere voor het publiek bestemde ingang van de winkel. Buiten de wettelijke openingstijden moeten de artikelen die geen verband houden met de reis, in een gesloten kast worden bewaard.
6 Artikel 3, lid 2, van de amvb van 6 december 1977, dat eveneens is gewijzigd bij de amvb van 13 december 1988, bevat een overeenkomstige vrijstelling voor alle andere benzinestations, op voorwaarde dat tabak en tabaksprodukten buiten de normale openingstijden alleen worden verkocht door middel van automaten.
7 De strafrechtelijke procedures zijn ingeleid, omdat twee winkels in de benzinestations 't Heukske en Boermans in strijd met de nationale toepasselijke wetgeving voor het publiek geopend waren zonder dat bij elke ingang van die winkels de door de wet vereiste aankondiging van de openingstijden was aangebracht. De bevoegde autoriteiten hebben bovendien vastgesteld, dat een aantal niet met het wegverkeer verbonden produkten te koop werden aangeboden zonder in afsluitbare kasten te zijn geplaatst. In één van beide winkels is bovendien vastgesteld, dat tabaksprodukten niet door middel van een automaat werden verkocht.
8 Bij vonnissen van 6 december 1991 respectievelijk 9 maart 1992 hebben de Economische Politierechter te Roermond en te Maastricht 't Heukske en Boermans veroordeeld. Tegen die veroordeling stelden zij hoger beroep in bij het Gerechtshof te 's Hertogenbosch, waarbij zij onder meer betoogden, dat de nationale regeling inzake winkelsluiting in strijd was met het gemeenschapsrecht. Het Gerechtshof heeft derhalve besloten, het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
"1. Verzetten de bepalingen van het EEG-Verdrag, waaronder de artikelen 30-36, respectievelijk artikel 86, in samenhang met de artikelen 3f en 5, zich ertegen dat op een op zichzelf geoorloofde regeling van verplichte winkelsluiting als voorzien in de Nederlandse Winkelsluitingswet 1976 uitvoeringsmaatregelen worden gebaseerd zoals voorzien in het (gewijzigde) uitvoeringsbesluit van 6 december 1977, waarbij het aan exploitanten van onder meer benzinestations, winkels in stationsgebouwen en op luchthavens, winkels in ziekenhuizen en musea is respectievelijk blijft toegestaan tabaksartikelen, dranken, kranten, muziekcassettes en etenswaren te koop aan te bieden en te verkopen, terwijl andere, waaronder ook gespecialiseerde winkels, aanzienlijk meer beperkt zijn in hun mogelijkheden tot openstelling?
2. Moeten voormelde of andere bepalingen van het EEG-Verdrag zo worden gelezen, dat deze zich verzetten tegen strafbaarstelling van exploitanten van benzinestations gelegen langs de openbare weg op grond van voormelde Winkelsluitingswet en voormeld uitvoeringsbesluit, voor zover daarbij regels voor winkels in benzinestations zijn vastgelegd, indien deze regels:
a. op zichzelf de openingstijden van benzinestations onverlet laten en slechts betrekking hebben op de voorwaarden waaronder en de tijden waarop bepaalde goederen in die benzinestations te koop mogen worden aangeboden?
b. een onderscheid maken tussen benzinestations gelegen langs rijkswegen enerzijds en benzinestations langs de overige openbare wegen anderzijds, in die zin dat de eerstgenoemde categorie over grotere vrijheid beschikt om tabak en tabaksprodukten te koop aan te bieden dan de laatstgenoemde categorie?
3. Is het voor de beantwoording van de vragen onder 2 sub a en/of b, van belang of er tussen de in vraag b onderscheiden twee categorieën benzinestations een onderscheid bestaat tussen de bijdrage in een normaal rendement door respectievelijk motorbrandstoffen en andere produkten, in die zin dat de eerste categorie voor dit rendement (wezenlijk) minder afhankelijk is van de verkoop van andere produkten dan motorbrandstoffen dan de tweede categorie?
4. Is het voor de beantwoording van de vragen onder 2 sub a, b en 3 van belang of door een regeling van overheidswege, desgevallend met inschakeling van een commissie van vertegenwoordigers van oliemaatschappijen, de toekenning van vergunningen voor benzinestations langs rijkswegen heeft plaatsgevonden op een zodanige wijze dat daarbij aan oliemaatschappijen met een relatief groot marktaandeel voorrang wordt gegeven?"
9 Met deze vragen wil de nationale rechter in hoofdzaak vernemen, of artikel 30 van het Verdrag zich verzet tegen een regeling inzake een verplichte winkelsluiting, alsmede of artikel 86, junctis de artikelen 3, sub f, en 5, van het Verdrag zich verzet tegen een dergelijke regeling die in samenhang met de nationale bepalingen inzake de toekenning van vergunningen voor benzinestations onderscheid maakt tussen verschillende categorieën van marktdeelnemers.
Artikel 30 van het Verdrag
10 Ingevolge artikel 30 van het Verdrag zijn kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de Lid-Staten verboden.
11 Volgens vaste rechtspraak is iedere handelsregeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren, als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen te beschouwen (arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837, r.o. 5).
12 Als een maatregel die de handel tussen de Lid-Staten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren in de zin van de Dassonville-rechtspraak, kan evenwel niet worden beschouwd de toepassing op produkten uit andere Lid-Staten van nationale bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten aan banden leggen of verbieden, mits die bepalingen van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en mits zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten. Wanneer aan die voorwaarden is voldaan, heeft immers de toepassing van dergelijke regelingen op de verkoop van produkten uit een andere Lid-Staat, die aan de door die staat vastgestelde voorschriften voldoen, niet tot gevolg, dat voor die produkten de toegang tot de markt wordt verhinderd of meer wordt bemoeilijkt dan voor nationale produkten het geval is. Die regelingen vallen derhalve niet binnen de werkingssfeer van artikel 30 van het Verdrag (zie arrest van 24 november 1993, gevoegde zaken C-267/91 en C-268/91, Keck en Mithouard, Jurispr. 1991, blz. I-6097, r.o. 16 en 17).
13 Ten aanzien van een regeling als in het hoofdgeding aan de orde is, moet worden vastgesteld, dat aan de in dit laatste arrest genoemde voorwaarden is voldaan.
14 De betrokken regeling betreft immers de voorwaarden inzake tijd en plaats, waaronder de betrokken goederen aan de verbruikers mogen worden verkocht. Verder geldt de regeling zonder onderscheid naar herkomst van de betrokken produkten voor alle betrokken marktdeelnemers en heeft zij niet een andere invloed op de verhandeling van nationale produkten dan op die van produkten uit andere Lid-Staten.
15 Derhalve dient het Gerechtshof te worden geantwoord, dat artikel 30 van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op een nationale wettelijke regeling inzake winkelsluiting die geldt voor alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en die zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed heeft op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten.
Artikel 86, junctis de artikelen 3, sub f, en 5, van het Verdrag
16 De artikelen 85 en 86 van het Verdrag hebben op zich slechts betrekking op het gedrag van ondernemingen en niet op wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de Lid-Staten. Volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt evenwel uit de artikelen 85 en 86, gelezen in samenhang met artikel 5 van het Verdrag, dat de Lid-Staten geen maatregelen, zelfs niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, mogen nemen of handhaven, die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken. Volgens diezelfde rechtspraak is dat bij voorbeeld het geval, wanneer een Lid-Staat het tot stand komen van met artikel 85 strijdige afspraken oplegt of begunstigt dan wel de werking ervan versterkt, of aan haar eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere ondernemingen over te dragen (zie arrest van 21 september 1988, zaak 267/86, Van Eycke, Jurispr. 1988, blz. 4769, r.o. 16, en, laatstelijk, arrest van 28 februari 1991, zaak C-332/89, Marchandise e.a., Jurispr. 1991, blz. I-1027, r.o. 22).
17 In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld, dat geen enkel gegeven in het dossier de conclusie rechtvaardigt, dat de betrokken regeling de werking van een bestaande afspraak wil versterken. Voorts kan geen enkel onderdeel van die regeling daaraan het overheidskarakter ontnemen.
18 Derhalve dient het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch te worden geantwoord, dat de artikelen 3, sub f, 5, 85 en 86 van het Verdrag, gelezen in onderlinge samenhang, niet van toepassing zijn op een dergelijke regeling.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 De kosten door de Duitse, de Nederlandse en de Britse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (Economische kamer) bij arresten van 12 november 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 30 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het niet van toepassing is op een nationale wettelijke regeling inzake winkelsluiting die geldt voor alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en die zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed heeft op de verhandeling van nationale produkten en op die van produkten uit andere Lid-Staten.
2) De artikelen 3, sub f, 5, 85 en 86 van het Verdrag, gelezen in onderlinge samenhang, zijn niet van toepassing op een dergelijke regeling.
Full & Egal Universal Law Academy