Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Granen ° Medeverantwoordelijkheidsheffing ° Onderworpen verrichtingen ° Op markt brengen van produkten ° Begrip ° Verkoop, met beding van wederinkoop, aan verwerker ° Daaronder begrepen ° Terugbetaling, in geval van gebruik van recht van wederinkoop, van heffing die is ontvangen voor verwerkingen die door derde zijn verricht voor rekening van producent die verwerkte produkten in eigen bedrijf gebruikt ° Uitgesloten
(Verordening van de Commissie nr. 3779/88)
Samenvatting
Gelet op het doel van de medeverantwoordelijkheidsheffing in de sector granen, namelijk de beperking van de structurele overschotten op de markt, is het op de markt brengen van de produkten het onderscheidend criterium wanneer het erom gaat te beslissen, of een producent de heffing al dan niet dient te betalen. Er is sprake van op de markt brengen, zodra een producent afstand doet van het door hem geproduceerde graan om het te verkopen aan ongeacht welke verwerker, ook wanneer die producent het graan later in de vorm van verwerkte produkten van de verwerker terugkoopt.
In een systeem van verkoop met beding van wederinkoop is sprake van op de markt brengen van het graan op het moment van de verkoop door de producent. Zelfs wanneer de verkoper gebruik maakt van zijn recht van wederinkoop, wordt daardoor naar nationaal recht weliswaar de vóór de verkoop bestaande situatie hersteld, maar wordt het effect dat deze verkoop, door de omvang van de aangeboden hoeveelheden te vergroten, op de markt en op het prijsniveau heeft gehad, niet tenietgedaan. Hieruit volgt, dat een dergelijk systeem een terugbetaling van de heffing ingevolge verordening nr. 3779/88 betreffende de terugbetaling van de heffing met betrekking tot de voor rekening van een producent uitgevoerde eerste verwerkingen, niet rechtvaardigt.
Partijen
In zaak C-411/92,
Franse Republiek, vertegenwoordigd door P. Pouzoulet, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. Chavance, hoofdattaché centrale administratie bij genoemd ministerie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard Prince Henri 9,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Rozet als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 92/491/EEG van de Commissie van 23 september 1992 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1989 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB 1992, L 298, blz. 23),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, waarnemend voor de president, J. C. Moitinho de Almeida en M. Diez de Velasco, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler (rapporteur), F. Grévisse, M. Zuleeg, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 19 april 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 mei 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 december 1992, heeft de Franse Republiek krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag verzocht om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 92/491/EEG van de Commissie van 23 september 1992 betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1989 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB 1992, L 298, blz. 23), voor zover deze beschikking bepaalde uitgaven in verband met de medeverantwoordelijkheidsheffing in de sector granen van communautaire financiering uitsluit.
2 Om een einde te maken aan de structurele overschotten op de graanmarkt, voorziet verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB 1975, L 281, blz. 1), zoals gewijzigd, in een medeverantwoordelijkheidsheffing, aangevuld met een extra medeverantwoordelijkheidsheffing, welke heffingen onder meer verschuldigd zijn over granen die een eerste verwerking ondergaan.
3 Artikel 1, lid 2, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 2040/86 van de Commissie van 30 juni 1986 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de medeverantwoordelijkheidsheffing in de sector granen (PB 1986, L 173, blz. 65), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2572/86 van de Commissie van 12 augustus 1986 (PB 1986, L 229, blz. 25), stelde de eerste verwerkingen die door een producent op zijn landbouwbedrijf worden uitgevoerd, vrij van de medeverantwoordelijkheidsheffing, voor zover het verkregen produkt op datzelfde landbouwbedrijf werd gebruikt als veevoeder en mits bepaalde andere voorwaarden werden vervuld.
4 Bij arrest van 29 juni 1988 (zaak 300/86, Van Landschoot, Jurispr. 1988, blz. 3443) verklaarde het Hof voormeld artikel 1, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 2040/86, zoals gewijzigd, ongeldig, voor zover het niet voorzag in een vrijstelling voor de eerste verwerkingen van graan die door een producent buiten zijn landbouwbedrijf worden uitgevoerd of met verwerkingsinstallaties die geen deel uitmaken van de landbouwuitrusting van dat bedrijf, wanneer het verkregen produkt op hetzelfde bedrijf wordt gebruikt.
5 Rekening houdend met dit arrest heeft de Commissie bij verordening (EEG) nr. 2324/88 van 26 juli 1988 (PB 1988, L 202, blz. 39) wijziging gebracht in verordening (EEG) nr. 1432/88 van 26 mei 1988 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de medeverantwoordelijkheidsheffing in de sector granen (PB 1988, L 131, blz. 37), die zij had vastgesteld ter vervanging van verordening nr. 2040/86 (reeds aangehaald).
6 Ingevolge artikel 1, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1432/88, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2324/88 (reeds aangehaald),
"(...) wordt onder 'afzet op de markt' verstaan, de verkoop, met inbegrip van ruilhandel, door de producent van de (...) bedoelde produkten, hetzij als zodanig, hetzij in de vorm van verwerkte produkten, met uitzondering van gehakselde maïskolven die geoogst zijn met het oog op het inkuilen daarvan op een landbouwbedrijf, aan ophaal-, handels- en verwerkingsbedrijven, aan andere producenten en aan het interventiebureau".
7 Verordening (EEG) nr. 3779/88 van de Commissie van 2 december 1988 betreffende de terugbetaling van de in de verordeningen nr. 2040/86 en nr. 1432/88 bedoelde medeverantwoordelijkheidsheffing in de sector granen met betrekking tot de voor rekening van een producent uitgevoerde eerste verwerkingen (PB 1988, L 332, blz. 17), bepaalt in artikel 1, lid 1, het volgende:
"De door de Lid-Staten aangewezen bevoegde instanties betalen de producenten die daarom verzoeken vóór 30 juni 1989 de voor de medeverantwoordelijkheidsheffing ingehouden bedragen terug:
° (...)
° inzake de verwerkingen van granen, die werden geleverd of ter beschikking werden gesteld van een bedrijf door een producent (loonwerk) met het oog op een later gebruik ervan op zijn bedrijf, die zijn uitgevoerd tot en met 26 juli 1988 in het kader van artikel 1, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1432/88."
8 In de ter uitvoering van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting ° gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarden: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1), vastgestelde Franse belastingwetgeving is een beperkter begrip loonwerk opgenomen dan dat neergelegd in voornoemde verordening nr. 3779/88, voor zover alleen de verwerking van granen waarbij hetzelfde produkt teruggaat naar de producent, als loonwerk wordt beschouwd, terwijl een verwerking waarbij het equivalent teruggaat, wordt beschouwd als dubbele verkoop, waarvoor derhalve geen vrijstelling van de heffing kan worden verleend.
9 Om te waarborgen dat, in geval van verwerking van het equivalent, de Franse ondernemers onder dezelfde voorwaarden als ondernemers in andere Lid-Staten vrijstelling van de heffingen genieten, heeft het Office national interprofessionnel des céréales een procedure van verkoop met beding van wederinkoop in de zin van artikel 1659 van de Franse code civil ingevoerd. Wanneer de verkoper gebruik maakt van zijn recht van wederinkoop, wordt de verkoopovereenkomst ontbonden en worden partijen herplaatst in de toestand waarin zij zich bevonden vóór de verkoop, zonder dat er een nieuwe overdracht plaatsvindt.
10 In het in Frankrijk ingevoerde systeem verkoopt de producent die meent, dat een bepaalde hoeveelheid granen, hetzij voor eigen gebruik, hetzij voor latere verwerking, voor hem moet worden gereserveerd, die hoeveelheid met recht van wederinkoop, dat wil zeggen onder ontbindende voorwaarde, aan het ophaal- of verwerkingsbedrijf, tegen de op de dag van verkoop geldende prijs, maar onder betaling van de medeverantwoordelijkheidsheffing. Het beding van wederinkoop heeft enkel tot gevolg, dat het ophaal- of verwerkingsbedrijf de ter beschikking gestelde hoeveelheden niet mag gebruiken ten behoeve van een derde, althans niet zonder instemming van de verkoper. Slechts wanneer de producent de aldus met recht van wederinkoop ter beschikking gestelde hoeveelheden niet geheel nodig heeft, worden deze op de markt verkocht, in welk geval de heffing vooruit is betaald. Voor de hoeveelheden die teruggaan naar de producent voor eigen gebruik, wordt de heffing dan terugbetaald.
11 In de bestreden beschikking van 23 december 1992 weigert de Commissie, de teruggave van de heffingen door de Franse autoriteiten als verenigbaar met het gemeenschapsrecht aan te merken. In het syntheseverslag betreffende de resultaten van de controle voor de goedkeuring van de rekeningen betreffende het EOGFL, afdeling Garantie, voor het begrotingsjaar 1989, van 27 juli 1992, zet de Commissie onder meer uiteen, dat voornoemde verordening nr. 1432/88, door te refereren aan de verkoop, granen aan de heffing heeft willen onderwerpen zodra zij op de markt worden gebracht, en dat verordening nr. 3779/88 slechts in een vrijstelling voorziet voor loonwerk, op grond dat in dat geval geen sprake is van verkoop of op de markt brengen van graan, noch derhalve van een prijs die het marktevenwicht zou kunnen beïnvloeden.
12 Tot staving van haar beroep tot nietigverklaring betoogt de Franse Republiek in hoofdzaak, dat de verkoop met beding van wederinkoop het enige systeem is waarbij de verwerking van granen voor rekening van een producent buiten zijn bedrijf met inachtneming van de Franse belastingwetgeving kan worden vrijgesteld van de heffingen. In geval van verkoop met beding van wederinkoop wordt het verkochte produkt niet daadwerkelijk op de markt gebracht, zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de met de medeverantwoordelijkheidsregeling beoogde gezondmaking van de graansector.
13 De Commissie is van oordeel, dat graan dat met beding van wederinkoop wordt verkocht, op het moment van verkoop op de markt wordt gebracht, en dat er een prijs voor wordt vastgesteld en betaald, hetgeen de inning van de heffingen rechtvaardigt. Wanneer het recht van wederinkoop wordt uitgeoefend en de verkoopovereenkomst derhalve wordt ontbonden, kan zulks, aldus de Commissie, het effect van de verkoop op het marktevenwicht niet achteraf opheffen en derhalve geen rechtvaardiging vormen voor terugbetaling van de heffingen.
14 Aangaande de gegrondheid van het beroep moet eraan worden herinnerd, dat de gemeenschapsregeling inzake de medeverantwoordelijkheidsheffing tot doel heeft, de structurele graanoverschotten op de markt te beperken. Gelet op dit doel, is het gerechtvaardigd de heffing enkel toe te passen bij de verwerking van graan dat op de markt wordt gebracht, aangezien de hoeveelheden graan die in een gesloten circuit terechtkomen, niet aan het ontstaan van overschotten bijdragen (zie arresten van 29 juni 1988, reeds aangehaald, r.o. 11, en 20 september 1990, zaak C-203/89, Van Landschoot, Jurispr. 1990, blz. I-3525, r.o. 22).
15 In voornoemd arrest van 20 september 1990 stelde het Hof vast (r.o. 24), dat, gelet op het doel van de medeverantwoordelijkheidsheffing, het feit dat de produkten al dan niet op de markt worden gebracht, het onderscheidend criterium is wanneer het erom gaat te beslissen, of een producent de heffing al dan niet dient te betalen.
16 Dienaangaande overwoog het (r.o. 25), dat er sprake is van op de markt brengen, zodra een producent het door hem geproduceerde graan verkoopt aan ongeacht welke verwerker, ook wanneer die producent het graan later in de vorm van verwerkte produkten van de verwerker terugkoopt.
17 In casu moet worden vastgesteld, dat volgens het door de Franse autoriteiten ingevoerde systeem van verkoop met beding van wederinkoop, het graan op het moment van de verkoop door de producent op de markt wordt gebracht. Deze verkoop, die de omvang van de op de markt aangeboden hoeveelheden vergroot, beïnvloedt de prijzen en plaatst de producent die verkoopt met recht van wederinkoop in dezelfde situatie als om het even welke andere verkoper.
18 Wanneer de verkoper gebruik maakt van zijn recht van wederinkoop, wordt daardoor naar Frans burgerlijk recht weliswaar de vóór de verkoop bestaande situatie hersteld, maar wordt het effect van de verkoop op de markt en op het prijsniveau niet teniet gedaan, zodat de beoogde vermindering van de overschotten in de graansector niet plaatsvindt. Hieruit volgt, dat in dit geval terugbetaling van de heffing niet gerechtvaardigd is.
19 Onder die omstandigheden moet het beroep tot nietigverklaring worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 Ingevolge artikel 69 van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende:
1. Verwerpt het beroep.
2. Verwijst de Franse Republiek in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy