Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Steun voor verwerking van ondermelk tot caseïne en caseïnaten ° Door Lid-Staten uit te oefenen controle ° "Voortdurend toezicht" op vervaardigingsbedrijf en op samenstelling van caseïne en caseïnaten ° Begrip ° Uit resultaat van controles te trekken consequenties
(Verordening nr. 756/70 van de Commissie, art. 3, lid 3)
2. Landbouw ° EOGFL ° Goedkeuring van rekeningen ° Aan Lid-Staat gestelde termijn voor verstrekken van nadere inlichtingen ° Verzoek om dergelijke inlichtingen te verstrekken, door Commissie gedaan na afloop van aanvankelijk gestelde termijn ° Gevolgen
Samenvatting
1. In het kader van de door het bevoegde nationale interventiebureau uit te oefenen controle impliceert het begrip "voortdurend toezicht" in de zin van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 756/70 betreffende de steunverlening voor ondermelk die tot caseïne en caseïnaten is verwerkt, dat wanneer blijkens de officiële analyses een deel van de partijen die voldeden aan de interne controles van het vervaardigingsbedrijf, in werkelijkheid niet in overeenstemming zijn met de vereisten van deze verordening en dus niet in aanmerking komen voor steun, de nationale instanties gehouden zijn over te gaan tot aanvullende controles om na te gaan of de andere partijen waarvoor een steunaanvraag is ingediend, werkelijk in overeenstemming zijn met de vereisten van de verordening, dan wel tot een passende extrapolatie in overeenstemming met de wetten der waarschijnlijkheid.
2. Indien de Commissie tijdens de procedure van goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL voor een bepaald begrotingsjaar een Lid-Staat na afloop van de hem voorgeschreven termijn voor het verstrekken van nadere inlichtingen zonder te spreken van een termijn verzocht nadere inlichtingen te verstrekken, kan zij niet met een beroep op de ten opzichte van de aanvankelijk gestelde termijn te late verstrekking van deze inlichtingen door de nationale instanties, weigeren de litigieuze bedragen ten laste van het EOGFL te brengen.
Partijen
In zaak C-413/92,
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van de Bondsrepubliek Duitsland, Avenue Emile Reuter 20-22,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Woelker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking K (92) 1783 (def.) van de Commissie van 23 september 1992, gepubliceerd onder nr. 92/491/EEG, betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1989 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB 1992, L 298, blz. 23),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, D. A. O. Edward (rapporteur), R. Joliet, G. C. Rodríguez Iglesias en F. Grévisse, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 10 maart 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 mei 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 december 1992, heeft de Bondsrepubliek Duitsland krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van beschikking K (92) 1783 def. van de Commissie van 23 september 1992, bekendgemaakt onder nr. 92/491/EEG, betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1989 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven (PB 1992, L 298, blz. 23; hierna: "bestreden beschikking"), in zoverre daarbij 432 000 DM van communautaire financiering wordt uitgesloten.
2 Artikel 3, lid 1, sub b, van de ten tijde van de feiten toepasselijke verordening (EEG) nr. 756/70 van de Commissie van 24 april 1970 betreffende de steunverlening voor ondermelk, die tot caseïne en caseïnaten is verwerkt (PB 1970, L 91, blz. 28; hierna "verordening") bepaalt, dat "de producenten van caseïne en caseïnaten slechts in aanmerking komen voor de steun, indien (...) zij zich onderwerpen aan een controle door het bevoegde interventiebureau." Vervolgens preciseert lid 3 van hetzelfde artikel, dat "de in lid 1, sub b, bedoelde controle ten minste bestaat in een voortdurend toezicht op het vervaardigingsbedrijf en op de samenstelling van de caseïne en de caseïnaten". Het begrip voortdurend toezicht wordt in de verordening niet gedefinieerd.
3 Blijkens het dossier omvatte de in Duitsland ten tijde van de feiten geldende controleprocedure van de vervaardigingsbedrijven van caseïne en caseïnaten een interne bedrijfscontrole en een officiële controle.
4 Voor de interne controle trokken de producenten zelf monsters van elke partij geproduceerde caseïne en caseïnaten, analyseerden ze en tekenden de resultaten aan in een laboratoriumregister. De producenten dienden slechts een steunaanvraag in wanneer het resultaat van die analyses bevredigend was.
5 Voor de officiële controle bezochten officiële controleurs ten minste eenmaal per week elk vervaardigingsbedrijf om ter plaatse te controleren. Bij elk bezoek gingen de controleurs aan de hand van de hun voorgelegde stukken na, of het bedrijf geregeld de door de toepasselijke wetgeving voorgeschreven interne analyses had verricht. Bovendien namen zij ten minste tweemaal per maand monsters van elke soort caseïne en caseïnaten en lieten ze analyseren door bevoegde officiële laboratoria. Om de vier à zes maanden werd ten slotte in elk bedrijf een eindcontrole verricht, waarna de definitieve steunbeschikkingen werden vastgesteld.
6 Bij de bestreden beschikking heeft de Commissie geweigerd het bedrag van 432 000 DM, dat door de Bondsrepubliek Duitsland was betaald aan Duitse producenten van ondermelk, bestemd voor de fabricage van caseïne en caseïnaten, ten laste van het EOGFL te brengen.
7 Ter motivering van haar weigering kritiseerde de Commissie het in Duitsland gehanteerde controlesysteem. In het bij de bestreden beschikking gevoegde "syntheseverslag" uitte zij haar kritiek als volgt: "Zijn de resultaten bevredigend, dan wordt het volledige steunbedrag toegekend. Zijn de resultaten niet bevredigend, dan wordt een bedrag ingehouden, maar dan alleen op de voor de betrokken partij verschuldigde steun. Volgens het EOGFL is een dergelijke procedure niet correct."
8 De Bondsrepubliek Duitsland heeft daarop het onderhavige beroep ingesteld, waarbij zij drie middelen aanvoert.
Het eerste middel
9 Als eerste middel draagt de Bondsrepubliek Duitsland voor, dat het ten tijde van de feiten in Duitsland geldende controlesysteem een voortdurend toezicht in de zin van de verordening verzekerde op de producenten van caseïne en caseïnaten. Elke geproduceerde partij werd daadwerkelijk onderworpen aan een interne controle en de verkregen resultaten werden bovendien in 95 % van de gevallen - en wanneer men geen rekening houdt met de overschrijding van het gehalte aan thermofiele kiemen, die zeer moeilijk aantoonbaar zijn, zelfs in 98 % van de gevallen - door officiële controles bevestigd.
10 De Commissie betoogt, dat zij geen bezwaar had tegen het in Duitsland geldende systeem als zodanig. Zij heeft alleen kritiek op de door de Duitse autoriteiten aan de toepassing van het systeem verbonden gevolgen, wanneer de officiële analyses in tegenstelling tot de interne analyses een negatief resultaat opleverden.
11 In antwoord op een vraag van het Hof heeft de Commissie dienaangaande uiteengezet, dat wanneer een onderneming een steunaanvraag voor honderd partijen indiende, die volgens de monsternemingen in het kader van de interne controles conform waren aan de vereisten van de verordening, en in het kader van de officiële controle tien monsters werden genomen door de administratie, waarvan één een onbevredigend resultaat opleverde, de Duitse autoriteiten dan enkel van steunverlening uitsloten de partij waarvan het monster een negatief resultaat had opgeleverd, en de steun aan de 99 resterende partijen handhaafde, ook al vertegenwoordigde het negatieve monster 10 % van de officiële monsternemingen. Bij een verschillend resultaat tussen de officiële controle en de interne controle, aldus de Commissie, hadden de Duitse autoriteiten echter moeten overgaan tot aanvullende laboratoriumcontroles of tot extrapolatie. Aangezien die autoriteiten geen van deze twee oplossingen hadden gekozen, heeft de Commissie zelf gezorgd voor de vereiste extrapolatie in het kader van de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL.
12 Het betoog van de Commissie moet worden aanvaard.
13 In het kader van het ten tijde van de feiten in Duitsland geldende systeem was er weliswaar een interne controle per geproduceerde partij en was er in het algemeen een hoge mate van overeenkomst tussen de resultaten van de interne en van de officiële controles, doch het gehanteerde systeem garandeerde niet, dat die overeenkomst bestond in alle gevallen waarin steun werd verleend. Wanneer een officiële controle een negatief resultaat opleverde, moest de betrouwbaarheid van de door de betrokken onderneming verrichte interne analyses noodzakelijkerwijs in twijfel worden getrokken. De Duitse autoriteiten hadden dus moeten overgaan tot een extra controle, om na te gaan of de andere partijen waarvoor de onderneming een aanvraag had ingediend, werkelijk conform waren aan de vereisten van de verordening, dan wel tot een passende extrapolatie in overeenstemming met de waarschijnlijkheidswet.
14 De Duitse autoriteiten hebben evenwel het een noch het ander gedaan.
15 In die omstandigheden moet het eerste middel worden afgewezen.
Het tweede middel
16 Als tweede middel draagt de Bondsrepubliek Duitsland voor, dat zo zij het gemeenschapsrecht verkeerd heeft uitgelegd, dit te wijten is aan de houding van de Commissie. In haar syntheseverslag betreffende de conclusies van de voorbereidende werkzaamheden voor de goedkeuring van de rekeningen van het EOGFL, afdeling Garantie, over de boekjaren 1974 en 1975 (hierna: "syntheseverslag 1974-1975"), had de Commissie immers vastgesteld, dat "het in Duitsland vigerende systeem bij een negatieve analyse niet voorziet in extrapolatie over de volledige periode waarvoor het monster representatief is (...). De negatieve resultaten en de resultaten waarbij wordt ingedeeld in een hogere kwaliteitsklasse, kunnen dan alleen worden toegekend aan de produktiehoeveelheden waaruit die monsters zijn getrokken". De praktijk van de Duitse autoriteiten was dus, aldus verzoekster, uitdrukkelijk verenigbaar verklaard met het gemeenschapsrecht. Indien de Commissie zich nadien op een ander standpunt had gesteld, had zij dat tijdig onder de aandacht van de Duitse regering moeten brengen en haar in de gelegenheid moeten stellen zich aan de nieuwe criteria aan te passen.
17 De Commissie geeft toe, dat zij in haar syntheseverslag 1974-1975 de Duitse controlemethode in beginsel niet heeft betwist. Het rapport bevatte evenwel een belangrijke zin, namelijk dat "bij negatieve resultaten, specifieke analyses worden verricht". Met "specifieke analyses" werden aanvullende analyses bedoeld van monsters waarvan nog geen officiële laboratoriumcontrole was verricht. Pas dan had de op interne bedrijfscontroles gebaseerde Duitse methode voldaan aan de vereisten van artikel 3 van de verordening. Een systematische, doch louter administratieve controle is volgens de Commissie niet voldoende indien bij negatieve resultaten geen extra monsters worden genomen.
18 Verzoekster stelt zich in repliek op het standpunt, dat uit het syntheseverslag 1974-1975 de verplichting blijkt om bij negatieve resultaten extra monsters te nemen, en dat zij daarom mocht aannemen, dat haar controlesysteem de goedkeuring van de Commissie had.
19 Voorts wijst zij erop, dat bij de officiële controles reservemonsters werden getrokken, die bij negatieve resultaten in een ander laboratorium werden gecontroleerd wanneer de ondernemingen daarom verzochten.
20 Zelfs in de veronderstelling dat een onnauwkeurige vermelding in een syntheseverslag van de Commissie tot nietigverklaring van de bestreden beschikking kan leiden, dient dienaangaande te worden vastgesteld, dat enkel de door de Commissie aan de term "specifieke analyses" gegeven uitlegging de coherentie van het systeem kan verzekeren.
21 Bij een negatief resultaat kan immers de betrouwbaarheid van de interne analyses die nog niet officieel zijn gecontroleerd, alleen worden getoetst door aanvullende controles van deze partijen. De Duitse autoriteiten konden er dus redelijkerwijs niet van uitgaan, dat deze term doelde op de verificatie in een ander laboratorium van de resultaten van de reeds in het kader van de officiële controle verrichte analyses.
22 In deze omstandigheden moet het tweede middel worden afgewezen.
Het derde middel
23 Als derde middel draagt de Bondsrepubliek Duitsland voor, dat in het van gemeenschapsfinanciering uitgesloten bedrag van 432 000 DM een bedrag van 24 365 DM is begrepen dat, ook indien de door de Commissie gedefinieerde criteria werden aanvaard, ten laste van het EOGFL moet worden gebracht.
24 Dit bedrag bestaat uit twee bedragen, waarvan het eerste, gelijk aan 6 668 DM, een hoeveelheid caseïne betreft die aanvankelijk als gebrekkig werd aangemerkt.
25 In dupliek erkent de Commissie, dat zij dit bedrag ten onrechte ten laste van de Bondsrepubliek Duitsland heeft gelegd.
26 Het tweede bedrag van 17 697 DM komt voort uit een lijst waarin fouten zaten en waarin het aantal negatieve monsters per producent was vermeld. In deze lijst was het totale aantal negatieve monsters te hoog gesteld, doordat zowel de uit een partij getrokken hoofdmonsters als de reservemonsters als negatief waren aangemerkt.
27 Verzoekster beklemtoont, dat zij bij faxbericht van 24 april 1992 de Commissie op deze vergissing had gewezen, maar dat deze niet tot enige wijziging was overgegaan. Dat bericht was weliswaar verzonden na afloop van de door de Commissie gestelde termijn van 15 juli 1991, maar de Commissie had bij brief van 1 augustus 1991 de Bondsrepubliek Duitsland zonder over de termijn van 15 juli te spreken en zonder een nieuwe termijn vast te stellen, verzocht nieuwe stukken betreffende de steun voor caseïne over te leggen.
28 Volgens de Commissie bevatte de brief van 1 augustus 1991 slechts een samenvatting van de conclusies van een vergadering in Brussel op 21 juni 1991, waarop de Duitse autoriteiten waren verzocht nadere informatie te verstrekken. Hoewel na afloop van de termijn van 15 juli per fax verzonden, betekende die brief niet, dat die termijn was heropend of dat er geen rekening mee zou worden gehouden. Ter terechtzitting heeft de Commissie echter toegegeven dat, zo het verzoek tijdig was ingediend, de door de Duitse autoriteiten verstrekte toelichtingen grond zouden hebben opgeleverd om het betrokken bedrag ten laste van het EOGFL te brengen.
29 Het is juist, dat de brief van 1 augustus 1991 zich aandient als een samenvatting van de conclusies van de bilaterale vergadering die gehouden was vóór afloop van de oorspronkelijk aan verzoekster gestelde termijn voor het indienen van haar opmerkingen. Niettemin kon verzoekster door een aantal omstandigheden op het idee worden gebracht, dat de Commissie bereid was rekening te houden met de gegevens die haar na die datum zouden worden verstrekt.
30 In de eerste plaats werd de brief van 1 augustus 1991 verzonden verscheidene weken na de betrokken vergadering en twee weken na afloop van de termijn. In de tweede plaats werd er geen datum in genoemd waarop de termijn verstreek. In de derde plaats werd het feit dat de late verzending van de brief te wijten was aan de tijd die nodig was voor de vertaling ervan in het Duits, niet aan de geadresseerde verklaard en is het derhalve irrelevant.
31 Het derde middel moet mitsdien worden aanvaard.
32 Bijgevolg moet beschikking K (92) 1783 def. van de Commissie, bekendgemaakt in het Publikatieblad onder nr. 92/491/EEG nietig worden verklaard voor zover daarbij een bedrag van 24 365 DM, zijnde het bedrag van de steun voor de verwerking van ondermelk tot caseïne en caseïnaten, niet ten laste van het EOGFL is gebracht.
33 Voor het overige wordt het beroep verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
34 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland op wezenlijke punten in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer)
rechtdoende:
1) Verklaart nietig beschikking K (92) 1783 def. van de Commissie van 23 september 1992, bekendgemaakt in het Publikatieblad onder nr. 92/491/EEG, betreffende de goedkeuring van de rekeningen die de Lid-Staten voor het begrotingsjaar 1989 hebben ingediend in verband met de door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, gefinancierde uitgaven, voor zover daarbij een bedrag van 24 365 DM, zijnde het bedrag van de steun voor de verwerking van ondermelk tot caseïne en caseïnaten, niet ten laste van het EOGFL is gebracht.
2) Verwerpt het beroep voor het overige.
3) Verwijst de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy