Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Rekenkamer ° Geldelijke regeling van leden ° Pensioenen ° Overlevingspensioen ° Berekening ° Maximumpensioen
(Verordening nr. 2290/77 van de Raad, art. 10 en 16)
Samenvatting
Blijkens de verschillende wijzigingen van verordening nr. 2290/77 tot vaststelling van de geldelijke regeling van de leden van de Rekenkamer heeft de wetgever de weduwe willen begunstigen in het geval waarin het lid tijdens zijn ambtsperiode overlijdt, maar deze zorg van de wetgever ging steeds gepaard met de in artikel 16, lid 2, van genoemde verordening geconcretiseerde wil om ervoor te zorgen, dat het totale aan de weduwe en de kinderen ten laste toegekende pensioenbedrag niet hoger kon zijn dan het maximumpensioenbedrag waarop de overledene na beëindiging van zijn functie aanspraak had kunnen maken. In het geval van een tijdens zijn ambtsperiode overleden lid is dat maximum gelijk aan het in artikel 10 van deze verordening bedoelde maximumpensioen, te weten 70 % van het laatst genoten basissalaris.
Partijen
In zaak C-416/92,
Mevrouw H., vertegenwoordigd door G. Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Schmitt, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,
verzoekster,
tegen
Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.-M. Stenier en J. Inghelram, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende ten zetel van de Rekenkamer, Rue Alcide de Gasperi 12, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Rekenkamer van 12 oktober 1992 houdende de berekening van het overlevingspensioen dat mevrouw H. en haar kinderen toekomt als gevolg van het overlijden tijdens zijn ambtsperiode van haar echtgenoot, lid van de Rekenkamer,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini (rapporteur), J. C. Moitinho de Almeida en M. Diez de Velasco, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. A. Schockweiler, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 13 oktober 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 januari 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 december 1992, heeft mevrouw H., weduwe van de heer H., het Hof krachtens artikel 173 EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van het besluit van de Rekenkamer van 12 oktober 1992 houdende definitieve vaststelling van haar rechten op een weduwenpensioen alsmede van de rechten van haar kinderen ten laste op een wezenpensioen.
2 De heer H. was lid van de Rekenkamer. Hij aanvaardde zijn functie op 17 oktober 1987. Hij overleed als gevolg van een verkeersongeval op 15 maart 1992, tijdens zijn ambtsperiode.
3 Artikel 16, leden 1 en 2, van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 2290/77 van de Raad van 18 oktober 1977 tot vaststelling van de geldelijke regeling van de leden van de Rekenkamer (PB 1977, L 268, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 1416/81 van de Raad van 19 mei 1981 (PB 1981, L 142, blz. 1) luidt als volgt:
"1. De weduwe en de ten laste komende kinderen van een lid of voormalig lid van de Rekenkamer, dat ten tijde van zijn overlijden recht op pensioen had, genieten overlevingspensioen.
Dit pensioen bedraagt:
- voor de weduwe60 %
- voor elke vaderloze wees10 %
- voor elke ouderloze wees20 %
van het pensioen waarop het lid of voormalig lid van de Rekenkamer op de dag van zijn overlijden krachtens artikel 10 recht had.
Is het lid van de Rekenkamer echter tijdens zijn ambtsperiode overleden, dan
- bedraagt het overlevingspensioen van de weduwe 36 % van het ten tijde van het overlijden genoten basissalaris,
- mag het overlevingspensioen van een eerste ouderloze wees niet minder zijn dan 12 % van het ten tijde van het overlijden genoten basissalaris. Als er terzelfdertijd meerdere ouderloze wezen zijn, wordt het totale bedrag van het overlevingspensioen in gelijke delen verdeeld over de rechthebbende wezen.
2. Het totale bedrag der aldus toegekende overlevingspensioenen mag niet hoger zijn dan het pensioen van het lid of voormalig lid van de Rekenkamer op de grondslag waarvan zij zijn vastgesteld. Eventueel wordt het maximumbedrag der overlevingspensioenen die kunnen worden toegekend, in verhouding tot bovengenoemde percentages over de belanghebbenden verdeeld."
4 Het pensioen van een lid of voormalig lid wordt vastgesteld in artikel 10, eerste alinea, dat luidt als volgt:
"Het pensioen bedraagt voor elk geheel ambtsjaar 4,50 % van het laatstgenoten basissalaris en voor elke gehele maand één twaalfde van dat bedrag. Het bedraagt ten hoogste 70 % van het laatstgenoten basissalaris."
5 In het bestreden besluit heeft de Rekenkamer er eerst op gewezen, dat de overledene, die zijn ambt gedurende vier jaar en vier maanden had vervuld, recht zou hebben gehad op een brutopensioen gelijk aan 19,5 % van zijn laatste basissalaris, waarvan de bijdragen voor de ziektekostenverzekering en de belasting moeten worden afgetrokken. Uitgaande van dit bedrag heeft de Rekenkamer op basis van artikel 16, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2290/77 het maandbedrag van het wezenpensioen van de twee kinderen van de overledene berekend. Daar de heer H. tijdens zijn ambtsperiode was overleden, paste de Rekenkamer bij de vaststelling van het weduwenpensioen artikel 16, lid 1, derde alinea, eerste streepje, van voornoemde verordening toe. Van dit bedrag trok de Rekenkamer vervolgens de bijdragen voor de ziektekostenverzekering en de belastingen af.
6 Daar het totale bedrag van de overlevingspensioenen hoger was dan het pensioen dat de heer H. tijdens zijn ambtsperiode van vier jaar en vier maanden had opgebouwd, paste de Rekenkamer krachtens artikel 16, lid 2, van verordening nr. 2290/77 een evenredige vermindering van het overlevingspensioen van de weduwe en de wezen toe.
7 Tot staving van haar beroep stelt mevrouw H., dat artikel 16 van verordening nr. 2290/77 en het discriminatieverbod zijn geschonden.
8 Volgens verzoekster moet haar weduwenpensioen worden berekend overeenkomstig artikel 16, lid 1, derde alinea, de specifieke regeling voor het geval waarin een lid tijdens zijn ambtsperiode overlijdt. Het overlevingspensioen zou derhalve moeten worden gebaseerd op het "ten tijde van het overlijden genoten basissalaris" en niet op het "pensioen van het lid of voormalig lid" in de zin van lid 2 van dit artikel. Bijgevolg zou de in dit lid voorziene vermindering niet gelden voor de vaststelling van haar overlevingspensioen.
9 Volgens de Rekenkamer daarentegen is artikel 16, lid 2, van toepassing op het "totale bedrag der" krachtens lid 1 "toegekende (...) pensioenen". De vermindering zou derhalve van toepassing zijn op alle wezen- en weduwenpensioenen, ongeacht of het lid tijdens zijn ambtsperiode is overleden.
10 Geen van de door de partijen voorgestelde oplossingen levert aanvaardbare resultaten op.
11 Wanneer artikel 16, lid 2, stelselmatig, dus ook in gevallen waarin het lid tijdens zijn ambtsperiode is overleden, wordt toegepast, heeft dit bij voorbeeld tot gevolg, dat de nabestaanden geen enkel recht op pensioen hebben wanneer het lid overlijdt alvorens een pensioenaanspraak te hebben opgebouwd. Wel is het juist, dat dit nadeel geringer wordt naargelang het ambt langer wordt uitgeoefend, maar het verdwijnt pas volledig na het achtste ambtsjaar, dat wil zeggen wanneer het lid krachtens artikel 10 recht zou hebben gehad op een pensioen van acht maal 4,5 %, dus 36 %, van zijn laatste salaris, namelijk het percentage dat in artikel 16, lid 1, derde alinea, voor de weduwe is voorzien.
12 De stelling van mevrouw H., dat artikel 16, lid 2, enkel geldt voor de gevallen waarin het overlevingspensioen op de grondslag van artikel 16, lid 1, tweede alinea, wordt berekend, zou, zoals de advocaat-generaal in punt 39 van zijn conclusie heeft uiteengezet, impliceren, dat deze bepaling alleen maar zin heeft in het geval dat het tijdens zijn ambtsperiode overleden lid bij voorbeeld een echtgenoot en meer dan tien kinderen ten laste nalaat. Immers alleen in dat geval zou het totaal van 10 % voor iedere wees hoger kunnen zijn dan het maximumpensioenbedrag waarop het overleden lid recht zou hebben gehad.
13 Gelet op het voorgaande en uitgaande van de ontstaansgeschiedenis van artikel 16 moet worden nagegaan, welk doel met lid 1, derde alinea, en lid 2, van dit artikel werd nagestreefd.
14 Bij onderzoek van de verschillende wijzigingen van de betrokken regeling blijkt, dat de wetgever de weduwe heeft willen begunstigen in het geval waarin het lid tijdens zijn ambtsperiode overlijdt. Uit de achtereenvolgende aanpassingen van de pensioenpercentages blijkt echter ook, dat de opstellers van deze bepalingen er steeds voor hebben gezorgd, dat het totale aan de rechthebbenden toegekende bedrag niet hoger kon zijn dan het maximumpensioenbedrag waarop de overledene na beëindiging van zijn functie aanspraak had kunnen maken.
15 De ontwikkeling van de bepalingen inzake de geldelijke regeling van de leden en voormalige leden van de Europese instellingen toont aan, dat bepalingen zoals artikel 16, lid 2, van verordening nr. 2290/77 van meet af aan bedoeld waren om te worden toegepast in alle gevallen waarin overlevingspensioenen worden berekend en om ervoor te zorgen, dat het totale bedrag van die pensioenen niet hoger is dan het maximale ouderdomspensioen van het lid.
16 Daar de heer H. tijdens zijn ambtsperiode is overleden, is het maximum dat het totale bedrag van de aan zijn rechthebbenden toegekende pensioenen niet mag overschrijden, dus gelijk aan het in artikel 10 van de verordening bedoelde maximumpensioen, te weten 70 % van het laatst genoten basissalaris.
17 Door het pensioen waarop de heer H. op de dag van zijn overlijden aanspraak had kunnen maken, als maximumbedrag te beschouwen en door de aan zijn rechthebbenden toe te kennen pensioenen dienovereenkomstig te beperken, heeft de Rekenkamer de artikelen 10 en 16 van verordening nr. 2290/77 geschonden.
18 Mitsdien moet het besluit van 12 oktober 1992 nietig worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 Daar de Rekenkamer in het ongelijk is gesteld, dient zij ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
rechtdoende:
1) Verklaart nietig het besluit van de Rekenkamer van 12 oktober 1992 houdende vaststelling van de rechten van mevrouw H. op een weduwenpensioen en van haar kinderen op een wezenpensioen.
2) Verwijst de Rekenkamer in de kosten van het geding.
Full & Egal Universal Law Academy