Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale politiek ° Mannelijke en vrouwelijke werknemers ° Toegang tot arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden ° Gelijke behandeling ° Overeenkomst van onbepaalde duur betreffende nachtarbeid, die is gesloten tussen werkgever en zwangere werkneemster die geen van beide op hoogte waren van zwangerschap ° Nietigheid wegens wettelijk verbod van nachtarbeid van zwangere vrouwen of opzegging door werkgever wegens dwaling ° Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 76/207 van de Raad, art. 2, leden 1 en 3, 3, lid 1, en 5, lid 1)
Samenvatting
Artikel 2, leden 1 en 3, gelezen in samenhang met de artikelen 3, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, verzet zich ertegen, dat een arbeidsovereenkomst van onbeperkte duur betreffende 's nachts te verrichten arbeid, die is gesloten tussen een werkgever en een zwangere werkneemster, die geen van beide op de hoogte waren van de zwangerschap, nietig wordt verklaard wegens het krachtens nationaal recht geldende wettelijke verbod van nachtarbeid tijdens de zwangerschap en de lactatie, en dat deze overeenkomst door de werkgever wordt opgezegd wegens dwaling omtrent de wezenlijke eigenschappen van de werkneemster bij de sluiting van de overeenkomst.
Bij een overeenkomst van onbepaalde duur geldt het verbod van nachtarbeid voor zwangere vrouwen, vergeleken met de totale duur van de overeenkomst, namelijk slechts voor een beperkte periode.
Bovendien zou het in strijd zijn met de in artikel 2, lid 3, van de richtlijn beoogde bescherming en zou deze bepaling haar nuttige werking verliezen, wanneer zou worden aanvaard dat de overeenkomst nietig kan worden verklaard of kan worden opgezegd, op grond dat de zwangere werkneemster de nachtarbeid waarvoor zij is aangesteld, tijdelijk niet kan verrichten.
Partijen
in zaak C-421/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Arbeitsgericht Regensburg, Kammer Landshut (Bondsrepubliek Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
G. Habermann-Beltermann
en
Arbeiterwohlfahrt, Bezirksverband Ndb./Opf. e. V.,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 2, lid 1, 3, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding, en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976 L 39, blz. 40),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler, P. J. G. Kapteyn (rapporteur) en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- de Arbeiterwohlfahrt, Bezirksverband Ndb./Opf. e. V., vertegenwoordigd door B. Branekow, advocaat te Regensburg,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Treasury Solicitor, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door C.-M. Happe, Duits ambtenaar bij de Commissie gedetacheerd in het kader van de uitwisseling met nationale ambtenaren, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde, de Italiaans regering, vertegenwoordigd door D. del Gaizo, avvocato dello Stato, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door E. Sharpston, Barrister, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door H. Kreppel, Duits ambtenaar bij de Commissie gedetacheerd in het kader van de uitwisseling met nationale ambtenaren, als gemachtigden, ter terechtzitting van 9 december 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 januari 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 24 november 1992, ingekomen ter griffie van het Hof op 18 december daaraanvolgend, heeft het Arbeitsgericht Regensburg, Kammer Landshut, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40; hierna: de "richtlijn").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen G. Habermann-Beltermann (verzoekster in het hoofdgeding, hierna: "verzoekster") en de Arbeiterwohlfahrt, Bezirksverband Ndb./Obf. e. V. (verweerster in het hoofdgeding, hierna: "verweerster").
3 Verzoekster, die gediplomeerd bejaardenverzorgster is, solliciteerde naar een betrekking als nachtzuster in een bejaardentehuis. Wegens gezinsomstandigheden kon zij uitsluitend 's nachts werken. Op 23 maart 1992 ondertekenden verzoekster en verweerster een arbeidsovereenkomst die op 1 april daaraanvolgend in werking trad. In deze overeenkomst was bedongen, dat verzoekster uitsluitend nachtdienst zou verrichten. Tussen 29 april en 12 juni 1992 heeft zij wegens ziekte niet gewerkt. Uit een doktersverklaring van 29 mei bleek, dat zij zwanger was. De zwangerschap zou op 11 maart 1992 zijn begonnen.
4 Bij brief van 4 juni 1992 deed verweerster een beroep op § 8, lid 1, van het Mutterschutzgesetz (wet ter bescherming van moeders) ten einde de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Deze paragraaf luidt als volgt:
"§ 8 - Overwerk, nachtarbeid en zondagsarbeid
1) Zwangere en voedende vrouwen mogen geen overwerk verrichten en niet 's nachts tussen 20 uur en 6 uur, of op zon- en feestdagen werken. Het verbod om op zon- en feestdagen te werken is niet van toepassing op zwangere en voedende vrouwen die huishoudelijk werk in een gezin verrichten
(...)"
5 In zijn verwijzingsbeschikking zet de nationale rechter uiteen, dat schending van een arbeidsverbod volgens de heersende mening in de rechtspraak en de literatuur krachtens § 134 van het Buergerliche Gesetzbuch (hierna: "BGB") in Duitsland in beginsel de nietigheid van de overeenkomst meebrengt. Deze bepaling luidt:
"Een rechtshandeling die in strijd is met een wettelijk verbod is nietig, tenzij de wet anders bepaalt."
6 Volgens dezelfde heersende mening kan de werkgever ook de onder de hier genoemde omstandigheden gesloten overeenkomst opzeggen op grond van dwaling omtrent de wezenlijke eigenschappen van zijn medecontractant. Deze opzegging steunt op § 119, lid 2, van het BGB, dat luidt als volgt:
"1) Degene die bij het afleggen van een wilsverklaring dwaalde omtrent de inhoud ervan (...) kan de nietigheid van die verklaring inroepen, wanneer moet worden aangenomen, dat hij haar niet zou hebben afgelegd wanneer hij de feitelijke situatie had gekend en welberaden had beoordeeld.
2) Als dwaling omtrent de inhoud van de verklaring geldt ook dwaling omtrent de eigenschappen van de persoon (...) die in het verkeer wezenlijk worden geacht."
7 De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of het beginsel van gelijke behandeling, zoals neergelegd in de artikelen 2, lid 1, 3, lid 1, en 5, lid 1, van de richtlijn, zich niet tegen een dergelijke toepassing van de nationale regels verzet. Daarom heeft hij besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vragen voor te leggen:
"1) Moeten de beginselen in het arrest van het Hof van 8 november 1990 in zaak C-177/88, betreffende de uitlegging van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 (PB 1976, L 39, blz. 40) en het beginsel van gelijke behandeling van artikel 2, lid 1, van richtlijn 76/207 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, aldus worden uitgelegd, dat een arbeidsovereenkomst die is gesloten tussen een werkgever en een zwangere werkneemster, die geen van beide op de hoogte waren van deze zwangerschap, niet ongeldig is wegens een op grond van deze zwangerschap bestaand arbeidsverbod (nachtarbeid)?
2) Is het in het bijzonder in strijd met het beginsel van gelijke behandeling van de artikelen 3, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207,
a) indien de met een zwangere werkneemster gesloten arbeidsovereenkomst nietig moet worden geacht wegens strijd met het ter bescherming van de zwangere werkneemster gedurende de zwangerschap geldende arbeidsverbod (nachtarbeid);
b) indien de werkgever deze arbeidsovereenkomst kan opzeggen (anfechten) en dus kan laten beëindigen op grond dat hij bij de sluiting van de overeenkomst heeft gedwaald omtrent het bestaan van een zwangerschap?"
8 Om te beginnen heeft verweerster aangevoerd, dat de richtlijn geen rechtstreekse werking kan hebben, omdat het gaat om een geschil tussen particulieren en het Hof de horizontale rechtstreekse werking van richtlijnen nog niet heeft erkend.
9 Dit betoog kan niet slagen. Uit het dossier blijkt, dat de verwijzende rechter het Hof verzoekt om uitlegging van een reeds in nationaal recht omgezette richtlijn, die voor hem van nut kan zijn voor de uitlegging en de toepassing van twee bepalingen van het Duitse BGB. Deze bepalingen betreffen in de eerste plaats het recht van een partij bij een overeenkomst om de nietigheid van de overeenkomst in te roepen, indien deze in strijd is met een wettelijk verbod, en in de tweede plaats het recht om die overeenkomst op te zeggen (anfechten) wegens dwaling omtrent de wezenlijk geachte eigenschappen van degene met wie hij de overeenkomst heeft gesloten.
10 Bij de toepassing van het nationale recht, ongeacht of het daarbij gaat om bepalingen die dateren van eerdere of van latere datum dan de richtlijn, moet de nationale rechter dit namelijk zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, ten einde het door deze richtlijn beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 189, derde alinea, van het Verdrag te voldoen (arrest van 13 november 1990, zaak C-106/89, Marleasing, Jurispr. 1990, blz. I-4135, r.o. 8).
11 De prejudiciële vragen hebben betrekking op een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur betreffende een arbeidsprestatie die 's nachts moet worden verricht, die is gesloten tussen een werkgever en een zwangere werkneemster, die geen van beide van de zwangerschap op de hoogte waren. Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 1, gelezen in samenhang met de artikelen 3, lid 1, en 5, lid 1, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet, dat een dergelijke overeenkomst nietig wordt verklaard wegens het krachtens nationaal recht geldende verbod van nachtarbeid tijdens de zwangerschap en de lactatie en dat deze overeenkomst door de werkgever wordt opgezegd wegens dwaling omtrent de wezenlijke eigenschappen van zijn medecontractant bij de sluiting van de overeenkomst.
12 Volgens artikel 1, lid 1, beoogt de richtlijn de tenuitvoerlegging in de Lid-Staten van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden.
13 Dit beginsel wordt nader uitgewerkt in de artikelen 2, 3 en 5 van de richtlijn. Artikel 2, lid 1, bepaalt: "Het beginsel van gelijke behandeling (...) houdt in dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht, hetzij direct hetzij indirect door verwijzing naar met name de echtelijke staat of de gezinssituatie." Krachtens artikel 3, lid 1, houdt "de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling (...) in dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht voor wat betreft de toegangsvoorwaarden, met inbegrip van de selectiecriteria, tot beroepen of functies (...)". Verder bepaalt artikel 5, lid 1: "De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht."
14 Allereerst moet worden nagegaan of de nietigverklaring dan wel de opzegging (Anfechtung) van een arbeidsovereenkomst in een geval als in het hoofdgeding een rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht in de zin van de richtlijn vormt. Daartoe moet worden vastgesteld of de voornaamste grond voor de nietigheid of de opzegging van de overeenkomst een grond is die zonder onderscheid voor werknemers van beide geslachten geldt, dan wel uitsluitend voor een van beide geslachten.
15 Het is duidelijk, dat de beëindiging van een arbeidsovereenkomst wegens zwangerschap van de werkneemster, hetzij door nietigverklaring dan wel door opzegging, slechts vrouwen betreft en dus een rechtstreekse discriminatie op grond van geslacht oplevert, zoals het Hof oordeelde met betrekking tot de weigering om een zwangere vrouw aan te stellen en met betrekking tot het ontslag van een zwangere vrouw (zie arresten van 8 november 1990, zaak C-177/88, Dekker, Jurispr. 1990, blz. I-3941, en zaak C-179/88, Handels- og Kontorfunktionaerernes Forbund, Jurispr. 1990, blz. I-3979).
16 Opgemerkt zij evenwel, dat anders dan in de door de verwijzende rechter genoemde zaak Dekker de ongelijke behandeling in een geval als het onderhavige niet rechtstreeks op de zwangerschap van de werkneemster is gebaseerd, maar het gevolg is van een met de zwangerschap samenhangend wettelijk verbod op nachtarbeid.
17 Dit in § 8, lid 1, van het Mutterschutzgesetz opgelegde verbod berust op artikel 2, lid 3, van de richtlijn, volgens hetwelk de richtlijn geen afbreuk doet aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap betreft.
18 Onderzocht moet dus worden, of de richtlijn zich ertegen verzet dat de naleving van het verbod van nachtarbeid voor zwangere vrouwen, dat zonder enige twijfel verenigbaar is met artikel 2, lid 3, de nietigheid van een arbeidsovereenkomst kan meebrengen of de opzegging van een dergelijke overeenkomst toestaat, op grond dat dit verbod de werkneemster belet de nachtarbeid te verrichten, waarvoor zij is aangesteld.
19 Volgens verweerster beschikken de Lid-Staten over een ruime en zelfstandige bevoegdheid bij de beoordeling van de belangen van zowel mannelijke en vrouwelijke werknemers als werkgevers en de samenleving. Een overdreven bescherming van de moeder zou aanleiding kunnen geven tot misbruik van de kant van vrouwen alsook tot discriminatie ten nadele van mannen die niet over dezelfde mogelijkheid beschikken om loon te krijgen zonder als tegenprestatie arbeid te moeten verrichten.
20 Deze redenering moet worden verworpen.
21 Met betrekking tot het doel van artikel 2, lid 3, van de richtlijn moet allereerst worden opgemerkt, dat deze bepaling, door de Lid-Staten het recht voor te behouden om bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw met name wat "zwangerschap en moederschap" betreft, in stand te houden of in te voeren, ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel de wettigheid erkent van de bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw tijdens en na de zwangerschap, alsmede van de bescherming van de bijzondere relatie tussen moeder en kind tijdens de periode na de zwangerschap en de bevalling (zie arrest van 12 juli 1984, zaak 184/83, Hofmann, Jurispr. 1984, blz. 3047, r.o. 25).
22 Zoals het Hof in het arrest Hofmann (reeds aangehaald, r.o. 27) reeds oordeelde, ruimt de richtlijn voor de Lid-Staten een discretionaire bevoegdheid in ten aanzien van de sociale maatregelen welke moeten worden genomen om, in het door de richtlijn getrokken kader, in verband met zwangerschap en moederschap voor bescherming van de vrouw te zorgen en compensatie te bieden voor de feitelijke nadelen waarvoor de vrouw zich, vergeleken met mannen, gesteld ziet ten aanzien van het behoud van haar betrekking.
23 In casu is het van belang erop te wijzen, dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op een overeenkomst van onbepaalde duur en dat het verbod van nachtarbeid voor zwangere vrouwen, vergeleken met de totale duur van de overeenkomst, dus slechts voor een beperkte periode geldt.
24 Onder die omstandigheden zou het in strijd zijn met de in artikel 2, lid 3, van de richtlijn beoogde bescherming en zou deze bepaling haar nuttige werking verliezen, wanneer zou worden aanvaard dat de overeenkomst nietig kan worden verklaard of kan worden opgezegd, op grond dat de zwangere werkneemster de nachtarbeid waarvoor zij is aangesteld, tijdelijk niet kan verrichten.
25 De beëindiging van een overeenkomst van onbepaalde duur wegens zwangerschap van de werkneemster, ongeacht of deze beëindiging het gevolg is van nietigheid of opzegging, kan dus niet worden gerechtvaardigd door het feit dat een wettig verbod, dat is opgelegd wegens de zwangerschap, de werkneemster tijdelijk belet nachtarbeid te verrichten.
26 Op de vragen van de verwijzende rechter moet dus worden geantwoord, dat artikel 2, lid 1, gelezen in samenhang met de artikelen 3, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207 zich ertegen verzet, dat een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur betreffende 's nacht te verrichten arbeid, die is gesloten tussen een werkgever en een zwangere werkneemster, die geen van beide op de hoogte waren van de zwangerschap, wordt nietig verklaard wegens het krachtens nationaal recht geldende wettelijke verbod van nachtarbeid tijdens de zwangerschap en de lactatie, en dat deze overeenkomst door de werkgever wordt opgezegd wegens dwaling omtrent de wezenlijke eigenschappen van de werkneemster bij de sluiting van de overeenkomst.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
27 De kosten door de Duitse regering, de Italiaanse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeitsgericht Regensburg, Kammer Landshut, bij beschikking van 24 november 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 2, lid 1, gelezen in samenhang met de artikelen 3, lid 1, en 5, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, verzet zich ertegen, dat een arbeidsovereenkomst van onbeperkte duur betreffende 's nachts te verrichten arbeid, die is gesloten tussen een werkgever en een zwangere werkneemster, die geen van beide op de hoogte waren van de zwangerschap, nietig wordt verklaard wegens het krachtens nationaal recht geldende wettelijke verbod van nachtarbeid tijdens de zwangerschap en de lactatie, en dat deze overeenkomst door de werkgever wordt opgezegd wegens dwaling omtrent de wezenlijke eigenschappen van de werkneemster bij de sluiting van de overeenkomst.
Full & Egal Universal Law Academy