Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Rundvlees ° Steun aan particuliere opslag ° Toekenningsvoorwaarden ° Inslag na sluiting opslagcontract ° Begin van inslag ° Begrip
(Verordening nr. 1071/68 van de Commissie, art. 3, lid 2)
2. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Rundvlees ° Steun aan particuliere opslag ° Voortijdige inslag ° Verlies van recht op steun ° Uitzondering op grond van evenredigheidsbeginsel
(Verordening nr. 1071/68 van de Commissie, art. 3, lid 2)
3. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Rundvlees ° Steun aan particuliere opslag ° Opslag van ontbeend vlees ° Voor recht op steun in aanmerking te nemen hoeveelheid ° Omrekensleutel voor vlees in ongewijzigde staat ° Toepassing van forfaitaire opbrengstpercentages
(Verordeningen van de Commissie nr. 2471/77, art. 4, lid 3, en nr. 1045/78, art. 4, lid 2)
Samenvatting
1. Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1071/68 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun aan de particuliere opslag in de sector rundvlees moet aldus worden uitgelegd, dat de particuliere opslaghouder pas na de sluiting van het opslagcontract met de inslag van de overeengekomen hoeveelheid mag beginnen. De inslag in de zin van deze bepaling begint met de opslag van het vlees in de vrieskamer van het koelhuis, en wel vóór bevriezing.
2. De verplichting om pas na de sluiting van het opslagcontract met de inslag te beginnen, die voortvloeit uit artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1071/68 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun aan de particuliere opslag in de sector rundvlees, vormt een hoofdverplichting, zodat bij niet-nakoming van deze verplichting in beginsel het recht op steun voor de betrokken hoeveelheid vlees vervalt. Het evenredigheidsbeginsel verzet zich er echter tegen, dat dit recht vervalt, wanneer de particuliere opslaghouder telefonisch de diensten van het interventiebureau in kennis heeft gesteld van zijn voornemen om de overeengekomen hoeveelheid voortijdig in te slaan, zonder dat deze diensten daartegen enig bezwaar hebben gemaakt, en wanneer deze voortijdige inslag de mogelijkheid van het interventiebureau om daadwerkelijk te controleren of de opslaghouder de op hem rustende verplichtingen nakomt, niet heeft aangetast.
3. Wanneer vlees wordt uitgebeend, moeten bij de berekening van de voor het recht op steun voor de opslag van rundvlees in aanmerking te nemen hoeveelheid vlees de forfaitaire percentages worden toegepast die zijn voorzien in artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2471/77 betreffende toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele en halve geslachte dieren en "compensated quarters", respectievelijk artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1405/78 betreffende toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van voorvoeten in de sector rundvlees.
Partijen
In de gevoegde zaken C-433/92 en C-434/92,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Bundesanstalt fuer landwirtschaftliche Marktordnung (BALM)
en
Otto Frick GmbH & Co. KG,
en
Vinzenz Murr GmbH,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1071/68 van de Commissie van 25 juli 1968 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun aan de particuliere opslag in de sector rundvlees (PB 1968, L 180, blz. 19), van artikel 4, leden 4 en 5, van verordening (EEG) nr. 2471/77 van de Commissie van 8 november 1977 betreffende toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele en halve geslachte dieren en "compensated quarters" in de sector rundvlees (PB 1977, L 286, blz. 20) en van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening (EEG) nr. 1405/78 van de Commissie van 22 juni 1978 betreffende toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van voorvoeten in de sector rundvlees (PB 1978, L 170, blz. 20),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident (rapporteur), R. Joliet en G. C. Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Vinzenz Murr GmbH, vertegenwoordigd door A. Reiners, advocaat te Muenchen,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Woelker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door H.-J. Rabe en G. M. Berrisch, advocaten van het kantoor Schoen, Nolte, Finkelnburg & Clemm, te Brussel en Hamburg,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Otto Frick GmbH & Co. KG, vertegenwoordigd door K.-Chr. Scheel, advocaat te Flensburg, Vinzenz Murr GmbH en de Commissie ter terechtzitting van 13 januari 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 februari 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikkingen van 29 oktober 1992, ingekomen ten Hove op 24 december daaraanvolgend, heeft het Bundesverwaltungsgericht (Bondsrepubliek Duitsland) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag in zaak C-433/92 (Frick) een prejudiciële vraag en in zaak C-434/92 (Murr) vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1071/68 van de Commissie van 25 juli 1968 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun aan de particuliere opslag in de sector rundvlees (PB 1968, L 180, blz. 19), van artikel 4, leden 4 en 5, van verordening (EEG) nr. 2471/77 van de Commissie van 8 november 1977 betreffende toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele en halve geslachte dieren en "compensated quarters" in de sector rundvlees (PB 1977, L 286, blz. 20) en van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening (EEG) nr. 1405/78 van de Commissie van 22 juni 1978 betreffende toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van voorvoeten in de sector rundvlees (PB 1978, L 170, blz. 20).
2 Deze vragen zijn gerezen in twee gedingen tussen respectievelijk Otto Frick GmbH en Co. KG (hierna: "Frick") en Vinzenz Murr GmbH (hierna: "Murr") enerzijds en de Bundesanstalt fuer landwirtschaftliche Marktordnung (hierna: de "BALM") anderzijds, over de terugvordering van alle door de BALM aan Frick en Murr verleende steun voor de particuliere opslag van rundvlees.
3 Volgens artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1071/68 moet het contract voor steun aan de particuliere opslag in de volgende verplichtingen voor de particuliere opslaghouder voorzien:
"(...)
a) De overeengekomen hoeveelheid van het betreffende produkt voor eigen rekening en eigen risico in te slaan en op te slaan gedurende het aangegeven tijdvak,
b) aan het interventiebureau waarmee hij een overeenkomst heeft afgesloten te voren de dag en de plaats van inslag, evenals de aard en de hoeveelheid op te geven van de produkten die worden opgeslagen,
c) aan genoemd interventiebureau de op de inslag betrekking hebbende bewijsstukken onverwijld over te leggen,
(...)
e) het interventiebureau toe te staan op ieder ogenblik het nakomen van de aangegane verplichtingen te controleren."
4 Artikel 5, lid 1, van dezelfde verordening luidt als volgt: "het steunbedrag wordt per gewichtseenheid vastgesteld en heeft betrekking op het gewicht dat vóór bevriezing bij de inslag wordt bepaald".
5 Volgens artikel 4, lid 1, van zowel verordening nr. 2471/77 als verordening nr. 1405/78, mag
"de contractant (...) de produkten voor de inslag geheel of gedeeltelijk uitsnijden en uitbenen, op voorwaarde dat al het bij het uitbenen of uitsnijden verkregen vlees wordt ingeslagen".
6 Artikel 4, leden 4 en 5, van verordening nr. 2471/77 en artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1405/78 bepalen dat, indien de ingeslagen hoeveelheid kleiner is dan 85 % van de hoeveelheid waarvoor het contract is gesloten, geen steun wordt toegekend, terwijl indien de ingeslagen hoeveelheid gelijk is aan of groter dan dit percentage, zonder de contractuele hoeveelheid te bereiken, het steunbedrag naar evenredigheid wordt verlaagd.
7 Ten einde rekening te houden met de verschillen tussen vlees in ongewijzigde staat en ontbeend vlees bepaalt verordening nr. 2471/77 in artikel 4, lid 3:
"Voor de toepassing van deze verordening wordt 100 kilogram vlees met been (...) gelijkgesteld met:
a) 77 kg vlees zonder been, in geval van uitsnijden en uitbenen van de gehele hoeveelheid waarvoor het contract is gesloten, of in geval van uitsnijden en uitbenen van hetzelfde aantal voorvoeten en achtervoeten;
b) 70 kg vlees zonder been, in geval van uitsnijden en uitbenen van alle voorvoeten."
8 Op dezelfde wijze wordt in artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1405/78 (voorvoeten) bepaald: "voor de toepassing van deze verordening wordt 100 kg vlees met been gelijkgesteld met 70 kg vlees zonder been".
De feiten in zaak C-433/92, Frick
9 Frick had met de BALM een contract gesloten betreffende steun aan de particuliere opslag van 30 000 kg rundvlees voor een opslagperiode van zes maanden. Zij had 41 693,50 DM aan steun ontvangen voor de opslag van 22 157,4 kg ontbeend vlees dat was verkregen van 29 571 kg vlees met been, zodat de werkelijke opbrengst 74,93 % bedroeg. Nadat 3 220,8 kg voortijdig was uitgeslagen, vorderde de BALM van Frick het toegekende steunbedrag volledig terug, omdat door deze uitslag de in verordening nr. 1405/78 voor het recht op steun voorgeschreven drempel van 85 % van de contractuele hoeveelheid die moet worden opgeslagen, niet meer werd bereikt. Volgens de BALM kwam bij een opbrengst van 74,93 % de hoeveelheid van 3 220,8 kg voortijdig uitgeslagen vlees overeen met 4 298 kg vlees in ongewijzigde staat, zodat wanneer deze hoeveelheid van de aanvankelijk opgeslagen 29 571 kg werd afgetrokken, 25 273 kg vlees in ongewijzigde staat overbleef die regelmatig tot aan het einde van de contractuele opslagperiode was opgeslagen, welke hoeveelheid kleiner was dan 85 % van de overeengekomen hoeveelheid van 30 000 kg.
10 Volgens Frick moet niet het werkelijke opbrengstpercentage worden toegepast, doch enkel het in verordening nr. 1405/78 voorziene forfaitaire percentage. Bij toepassing van het forfaitaire percentage van 70 % zou worden vastgesteld, dat de nog opgeslagen hoeveelheid groter is dan 85 % en zou het steunbedrag dus slechts naar evenredigheid worden verminderd.
11 Nadat haar bezwaarschrift door de BALM was afgewezen, stelde Frick beroep in bij het Verwaltungsgericht, dat op 18 juli 1985 de bestreden beschikkingen nietig heeft verklaard. Bij arrest van 26 augustus 1991 werd dit vonnis gedeeltelijk vernietigd door het Verwaltungsgerichtshof dat de bestreden beschikkingen slechts nietig verklaarde, voor zover daarin de steun volledig werd teruggevorderd en niet naar evenredigheid werd verlaagd.
12 In "Revision" verzocht de BALM het Bundesverwaltungsgericht te verklaren, dat de minimumhoeveelheid van 85 % moet worden berekend aan de hand van de werkelijk verkregen opbrengst bij ontbening. Van mening dat de beslechting van het geschil afhangt van de uitlegging van artikel 4, leden 2 en 3, van verordening nr. 1405/78, heeft het Bundesverwaltungsgericht besloten, de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
"Dient bij de berekening van de hoeveelheid waarvoor het contract is gesloten, in de zin van artikel 4, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1405/78 van de Commissie van 22 juni 1978 (PB 1978, L 170, blz. 20), ingeval van vlees zonder been te worden uitgegaan van de werkelijk verkregen opbrengst of van het in artikel 4, lid 2, van deze verordening bedoelde opbrengstpercentage van 70 %?"
De feiten in zaak C-434/92, Murr
13 Murr had voor de particuliere opslag van 40 ton rundvlees gedurende een opslagperiode van zes maanden 1 330,90 DM per ton steun ontvangen. Op de dag van haar steunaanvraag stelde zij het lokale kantoor van de BALM telefonisch ervan in kennis, dat zij onmiddellijk met uitbening en uitsnijding van een deel van deze hoeveelheid zou beginnen. Later bevestigde zij, dat zij na uitbening en uitsnijding van 40 686 kg vlees, een hoeveelheid van 31 367 kg vlees zonder been met een werkelijke opbrengst van 77,09 % had opgeslagen. Toen de BALM vernam, dat 5 175,8 kg vlees zonder been vóór de sluiting van het contract waren opgeslagen, vorderde zij, omdat dit vlees haars inziens zonder machtiging was opgeslagen, de steun volledig terug. Zij stelde zich op het standpunt dat wanneer het werkelijke opbrengstpercentage van 77,09 % werd toegepast op de hoeveelheid van 5 175,8 kg en het aldus verkregen gewicht, namelijk 6 713 kg vlees in ongewijzigde staat, werd afgetrokken van de aanvankelijke hoeveelheid van 40 686 kg, de in opslag gebleven hoeveelheid, zijnde 33 973 kg, kleiner was dan de door de betrokken verordening vastgestelde drempel van 85 %.
14 Murr betoogt, dat de opslag van vlees vóór de sluiting van het contract mag beginnen en dat de BALM in casu de inslagverrichtingen even doeltreffend heeft kunnen controleren als na de sluiting van het contract, omdat zij de BALM telefonisch had meegedeeld, dat zij de betrokken hoeveelheid vlees op de dag van ontvangst van de steunaanvraag wilde uitsnijden en uitbenen, waartegen de BALM geen bezwaar had gemaakt. Evenals Frick is Murr bovendien van mening dat, ten einde vast te stellen of de drempel van 85 % al dan niet is bereikt, enkel moet worden uitgegaan van het forfaitaire opbrengstpercentage dat, wat haar betreft, wordt genoemd in verordening nr. 2471/77, te weten 77 %. Indien dit forfaitaire percentage wordt toegepast, is de drempel van 85 % dus in geringe mate overschreden.
15 Nadat de BALM haar bezwaarschrift had afgewezen, stelde Murr beroep in bij het Verwaltungsgericht, dat dit beroep bij vonnis van 14 maart 1985 op grond van de geldende regeling van procesrecht heeft toegewezen. Bij arrest van 9 september 1991 werd dit vonnis gedeeltelijk vernietigd door het Verwaltungsgerichtshof dat de beschikking van de BALM nietig verklaarde, voor zover daarin de steun volledig werd teruggevorderd en niet naar evenredigheid werd verlaagd.
16 Zowel de BALM als Murr hebben tegen dit arrest beroep tot "Revision" ingesteld. Van mening dat de beslechting van het geschil afhangt van de uitlegging van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1071/68 en van artikel 4, leden 4 en 5, van verordening nr. 2471/77, heeft het Bundesverwaltungsgericht besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
"1. Kan uit de regeling in artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1071/68 van de Commissie van 25 juli 1968 (PB 1968, L 180, blz. 19) worden afgeleid, dat de particuliere opslaghouder pas na de sluiting van het opslagcontract met de inslag van de overeengekomen hoeveelheid mag beginnen?
2. Zo ja, met welke verrichting (het vaststellen van het gewicht van het in te slane vlees vóór het uitbenen en uitsnijden, het opnieuw wegen van het uitgebeende en uitgesneden vlees, het invriezen dan wel het in de vrieskamer van het koelhuis brengen van de produkten) begint de inslag in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1071/68?
3. Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag: vormt de eis, dat pas na de sluiting van het contract met de inslag mag worden begonnen, een zo wezenlijke contractsverplichting (hoofdverplichting), dat bij niet-nakoming ervan het recht op steun voor de betrokken hoeveelheid vlees vervalt, of gaat het daarbij om een bijkomende verplichting van in wezen administratieve aard, waarvan de niet-nakoming een zo zware sanctie niet rechtvaardigt?
4. Indien de derde vraag in beginsel bevestigend wordt beantwoord: vervalt het recht op steun ook dan, wanneer met de voortijdige inslag eerst is begonnen op de dag waarop de steunaanvraag van de particuliere opslaghouder bij de bevoegde instantie is binnengekomen en de opslaghouder het ter plaatse bevoegde bijkantoor van deze instantie dezelfde dag telefonisch van de voorgenomen inslag in kennis heeft gesteld, zonder dat dit kantoor bezwaar heeft gemaakt tegen de voortijdige inslag? Is het in dit verband van belang, of ook het invriezen van het vlees vóór dan wel eerst na de sluiting van het contract heeft plaatsgevonden?
5. Dient bij de berekening van de hoeveelheid waarvoor het contract is gesloten, in de zin van artikel 4, leden 4 en 5, van verordening (EEG) nr. 2471/77 van de Commissie van 8 november 1977 (PB 1977, L 286, blz. 20), in geval van vlees zonder been te worden uitgegaan van de werkelijk verkregen opbrengst of van de in artikel 4, lid 3, van deze verordening genoemde opbrengstpercentages?"
De voeging van de zaken C-433/92 en C-434/92
17 Aangezien de enige vraag in zaak C-433/92 overeenkomt met de vijfde vraag in zaak C-434/92, heeft de president van het Hof bij beschikking van 25 november 1993 besloten, beide zaken overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering te voegen voor de schriftelijke procedure en voor het arrest.
De vragen die alleen in zaak C-434/92, Murr, zijn gesteld
De eerste vraag
18 Met zijn eerste vraag wenst het Bundesverwaltungsgericht te vernemen, of de inslag van de overeengekomen hoeveelheid pas na de sluiting van het opslagcontract mag beginnen.
19 Zoals de advocaat-generaal in zijn conclusie van 24 februari 1994 heeft beklemtoond, bevat verordening nr. 1071/68 ter zake geen nadere precisering, doch is uit de bepalingen van artikel 3, lid 2, sub b, c en e, in onderlinge samenhang gelezen, op te maken, dat de inslag na de sluiting van het contract moet plaatsvinden. Indien de inslag namelijk vóór de sluiting van het contract plaatsvindt, kan de controle pas achteraf geschieden, met het risico dat zij minder betrouwbaar is.
20 Op de eerste vraag dient dus te worden geantwoord, dat artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1071/68 aldus moet worden uitgelegd, dat de particuliere opslaghouder pas na de sluiting van het opslagcontract met de inslag van de overeengekomen hoeveelheid mag beginnen.
De tweede vraag
21 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, met welke verrichting de inslag in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1071/68 begint.
22 Uit artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1071/68 blijkt, dat de inslag plaats heeft na de weging doch vóór bevriezing. Deze oplossing stelt het interventiebureau in staat, elke nuttig geachte controle uit te oefenen.
23 Op de tweede vraag moet dus worden geantwoord, dat de inslag in de zin van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1071/68, met de opslag van vlees in de vrieskamer van het koelhuis begint, en wel vóór bevriezing.
De derde vraag
24 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de contractant die een partij vóór de sluiting van het contract heeft opgeslagen, elk recht op steun voor deze partij verliest, en dus of de verplichting om het vlees pas na de sluiting van het contract op te slaan een hoofdverplichting is, zodat bij niet-nakoming van de verplichting het recht op steun teniet kan gaan, dan wel een bijkomende verplichting van in wezen administratieve aard, die een dergelijke sanctie niet rechtvaardigt.
25 De opslag moet plaatsvinden met inachtneming van bepaalde voorwaarden die de doeltreffendheid ervan dienen te verzekeren en het interventiebureau in staat dienen te stellen zijn controle uit te oefenen en onregelmatigheden en fraudes te voorkomen.
26 Op de derde vraag moet dus worden geantwoord, dat de verplichting om pas na de sluiting van het opslagcontract met de inslag te beginnen een hoofdverplichting vormt, zodat bij niet-nakoming van deze verplichting in beginsel het recht op steun voor de betrokken hoeveelheid vlees vervalt.
De vierde vraag
27 Gelet op het antwoord op de derde vraag, vraagt de verwijzende rechter of het recht op toekenning van steun ook dan vervalt, wanneer de administratie de inslag even doeltreffend heeft kunnen controleren als wanneer de inslag overeenkomstig de regels na de sluiting van het contract had plaatsgevonden.
28 Zowel het Bundesverwaltungsgericht, als de Commissie en Murr zijn het eens over het feit ° dat overigens uitsluitend ter beoordeling van de nationale rechter staat ° dat de BALM in deze zaak, nadat Murr haar voornemen aan het bijkantoor van de BALM had meegedeeld, de voorgenomen inslag even doeltreffend had kunnen controleren als na de sluiting van het contract, of zich anders tegen de voortijdige opslag had kunnen verzetten, hetgeen zij niet heeft gedaan.
29 Onder die omstandigheden lijkt de weigering van elke steun, omdat een klein gedeelte van het vlees vóór de formele sluiting van het contract is ingeslagen, gelet op de in rechtsoverweging 25 hiervoor genoemde doelstellingen, niet gerechtvaardigd en dus onevenredig.
30 Op de vierde vraag moet dus worden geantwoord, dat het recht op steun voor de particuliere opslag van vlees niet vervalt, wanneer de particuliere opslaghouder de diensten van het interventiebureau telefonisch in kennis heeft gesteld van zijn voornemen om de overeengekomen hoeveelheid voortijdig in te slaan, zonder dat deze diensten daartegen enig bezwaar hebben gemaakt, en wanneer deze voortijdige inslag de mogelijkheid van het interventiebureau om daadwerkelijk te controleren of de opslaghouder de op hem rustende verplichtingen nakomt, niet heeft aangetast.
De vraag die in beide zaken is gesteld
31 Met de enige vraag in zaak C-433/92 (Frick) en met de vijfde vraag in zaak C-434/92 (Murr) wordt het Hof gevraagd, welke omrekeningssleutel ° werkelijk percentage of forfaitair percentage ° bij ontbeend vlees moet worden gebruikt om te bepalen, welke hoeveelheid minimaal moet worden opgeslagen om voor steun in aanmerking te komen.
32 De Commissie, die zich baseert op artikel 4, lid 1, van de verordeningen nrs. 2471/77 en 1405/78, waarin wordt bepaald, dat al het bij het uitbenen en uitsnijden verkregen vlees moet worden ingeslagen, is van mening, dat het bij het uitbenen en uitsnijden verkregen werkelijke opbrengstpercentage moet worden toegepast.
33 Opgemerkt zij echter, dat in de artikelen 4, respectievelijk lid 3 en lid 2, van de verordeningen nrs. 2471/77 en 1405/78 een omrekeningssleutel wordt vastgesteld "voor de toepassing van deze verordening (...)", zonder hieraan enige uitzondering toe te voegen.
34 In geen enkele bepaling van de verordeningen is voorzien, dat het daadwerkelijk bij het uitbenen en uitsnijden van het vlees verkregen opbrengstpercentage moet worden toegepast.
35 In artikel 4, lid 1, van de verordeningen nrs. 2471/77 en 1405/78 wordt weliswaar een verplichting opgelegd om al het bij die verrichtingen verkregen vlees in te slaan, maar dit neemt niet weg, dat volgens artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1071/68 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun, het steunbedrag uitsluitend wordt vastgesteld aan de hand van het gewicht dat vóór bevriezing bij de inslag wordt bepaald.
36 Artikel 4, lid 1, van de verordeningen nr. 2471/77 en 1405/78 kan dus niet aldus worden uitgelegd, dat een stilzwijgende uitzondering op de in de artikelen 4, respectievelijk leden 3 en 2, van deze verordeningen vervatte regel betreffende de omrekeningssleutel is ingevoerd.
37 Op deze vraag moet dus worden geantwoord, dat wanneer vlees wordt uitgebeend, bij de berekening van de voor het recht op steun voor de opslag in aanmerking te nemen hoeveelheid vlees de forfaitaire percentages die zijn voorzien in respectievelijk artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2471/77 en artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1405/78, moeten worden toegepast.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
38 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesverwaltungsgericht bij beschikkingen van 29 oktober 1992 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1071/68 van de Commissie van 25 juli 1968 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun aan de particuliere opslag in de sector rundvlees moet aldus worden uitgelegd, dat de particuliere opslaghouder pas na de sluiting van het opslagcontract met de inslag van de overeengekomen hoeveelheid mag beginnen.
2) De inslag in de zin van deze bepaling begint met de opslag van het vlees in de vrieskamer van het koelhuis, en wel vóór bevriezing.
3) De verplichting om pas na de sluiting van het opslagcontract met de inslag te beginnen vormt een hoofdverplichting, zodat bij niet-nakoming van deze verplichting in beginsel het recht op steun voor de betrokken hoeveelheid vlees vervalt.
4) Het recht op steun voor de particuliere opslag van vlees vervalt evenwel niet wanneer de particuliere opslaghouder telefonisch de diensten van het interventiebureau in kennis heeft gesteld van zijn voornemen om de overeengekomen hoeveelheid voortijdig in te slaan, zonder dat deze diensten daartegen enig bezwaar hebben gemaakt, en wanneer deze voortijdige inslag de mogelijkheid van het interventiebureau om daadwerkelijk te controleren of de opslaghouder de op hem rustende verplichtingen nakomt, niet heeft aangetast.
5) Wanneer vlees wordt uitgebeend moeten bij de berekening van de voor het recht op steun voor de opslag in aanmerking te nemen hoeveelheid vlees de forfaitaire percentages worden toegepast die zijn voorzien in artikel 4, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2471/77 van de Commissie van 8 november 1977 betreffende toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van hele en halve geslachte dieren en "compensated quarters" in de sector rundvlees, respectievelijk artikel 4, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1405/78 van de Commissie van 22 juni 1978 betreffende toekenning van een vooraf forfaitair vastgesteld steunbedrag voor de particuliere opslag van voorvoeten in de sector rundvlees.
Full & Egal Universal Law Academy