Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Beroep tot nietigverklaring ° Voor beroep vatbare handelingen ° Weigering van Parlement om na totstandkoming van Duitse eenheid mandaten van voordien gekozen Duitse afgevaardigden te onderzoeken ° Daarvan uitgesloten
(EEG-Verdrag, art. 173; Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen)
Samenvatting
De duur van het mandaat van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement kan worden bekort, wanneer zich een gebeurtenis voordoet waardoor volgens artikel 12 van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen een zetel openvalt, hetgeen volgens artikel 6, lid 3, van de Akte met name het geval is, wanneer een incompatibiliteit met het lidmaatschap van het Europees Parlement ontstaat. Daarentegen is het Parlement nergens de bevoegdheid verleend om de mandaten van zijn vertegenwoordigers ongeldig te verklaren wegens een gebeurtenis die zich na de verkiezingen en onafhankelijk daarvan voordoet, en die niet een incompatibiliteit met het lidmaatschap van het Europees Parlement met zich brengt. Het Parlement kan dus geen gevolg geven aan een verzoek om na de totstandkoming van de Duitse eenheid in oktober 1990 de mandaten van de in juni 1989 gekozen Duitse afgevaardigden in het Parlement te onderzoeken.
Onder die omstandigheden is een brief van de voorzitter van het Parlement waarbij deze een particulier meedeelt dat diens bezwaarschrift tegen de verkiezingen moet worden afgewezen, niet aan te merken als een handeling die vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring.
Partijen
In zaak C-25/92,
H.-J. Miethke, directeur, woonachtig te Berlin-Kaulsdorf, vertegenwoordigd door F. Montag, advocaat te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. May, advocaat aldaar, Grand-Rue 31,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur J. Campinos, bijgestaan door J. Schoo, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een verzoek om toetsing van de mandaten van de Duitse afgevaardigden naar aanleiding van de totstandkoming van de Duitse eenheid op 3 oktober 1990,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: J.-G. Giraud
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 28 januari 1992, heeft H.-J. Miethke, een Duits onderdaan, krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van de hem bij brief van de voorzitter van het Europees Parlement van 20 november 1991 meegedeelde afwijzing van zijn bezwaarschrift van 19 oktober 1990 tegen de geldigheid van de mandaten van de op 18 juni 1989 in de Bondsrepubliek Duitsland verkozen leden van het Europees Parlement na 3 oktober 1990.
2 In zijn "Bezwaarschrift tegen de verkiezingen van het Europees Parlement van 18 juni 1989 wegens de ongeldigheid van de mandaten van de Duitse leden van het Europees Parlement ten gevolge van de totstandkoming van de Duitse eenheid op 3 oktober 1990" van 19 oktober 1990 verzocht hij het Europees Parlement om een beslissing in navolgende zin:
1. De mandaten van de op 18 juni 1989 verkozen Duitse leden van het Europees Parlement zijn met de totstandkoming van de Duitse eenheid op 3 oktober 1990 ongeldig geworden, op grond van het gebod van de algemeenheid van de verkiezingen, voor zover zij niet de gehele Duitse bevolking vertegenwoordigen. De president van de Duitse Bundestag wordt verzocht, de voorzitter van het Europees Parlement mee te delen, hoeveel en wie van de huidige 81 parlementsleden na 3 oktober 1990 nog kunnen worden geacht gelegitimeerd te zijn door de kiezers die bij de verkiezingen van 18 juni 1989
a) waren opgeroepen persoonlijk hun stem uit te brengen, of
b) vertegenwoordigd waren door het Abgeordnetenhaus van Berlijn.
2. De mandaten van de parlementsleden die de bevolking van het Land Berlin vertegenwoordigen, zijn sedert de schorsing van de prerogatieven van de rechten van de geallieerden op 3 oktober 1990 ongeldig geworden, daar zij in strijd zijn met het gebod van rechtstreekse verkiezingen.
3. De Bondsrepubliek Duitsland wordt verzocht, onverwijld parlementsleden voor de ongeldig geworden mandaten aan te wijzen, en wel bij wege van rechtstreekse algemene verkiezingen op een overeenkomstig artikel 13 van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers van de Vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen van 20 september 1976 te bepalen datum.
3 Parallel aan dit bezwaarschrift van 19 oktober 1990 verzocht verzoeker de Bundestag bij bezwaarschrift van 21 oktober 1990 de resultaten van de Europese verkiezingen van 18 juni 1989 te onderzoeken naar aanleiding van de totstandkoming van de Duitse eenheid. Toepassing van de beginselen van de algemeenheid, de gelijkheid en het rechtstreeks karakter van de verkiezingen noopt zijns inziens tot de conclusie, dat bij een totaal van 81 parlementsleden 20 mandaten aan de bevolking van de voormalige DDR en Berlijn toekomen. Dit betekent, dat 20 van de op 18 juni 1989 verkozen leden van het Europees Parlement niet meer voldoende gelegitimeerd zijn.
4 Bij besluit van 31 oktober 1990 verklaarde de Bundestag het bezwaarschrift niet-ontvankelijk, op grond dat het te laat was ingediend. Volgens de toepasselijke nationale wet moesten bezwaarschriften namelijk binnen een termijn van één maand na de officiële bekendmaking van het resultaat van de verkiezingen in de Bundesanzeiger, die had plaatsgevonden op 15 juli 1989, worden ingediend.
5 Bij arrest van 10 april 1991 wees het Bundesverfassungsgericht de klacht strekkende tot toetsing van het resultaat van de verkiezingen af, op grond van de door de rechter-rapporteur in zijn brief van 13 december 1990 vermelde redenen. In die brief concludeerde de rechter-rapporteur: "U komt enkel op tegen het feit, dat in het kader van de totstandkoming van de Duitse eenheid geen regeling is getroffen die de volgens u in de lopende zittingsperiode ontbrekende, doch noodzakelijke vertegenwoordiging van de in de nieuwe Bundeslaender wonende Duitsers in het Europees Parlement garandeert. De vraag, of de door u ontbeerde regeling noodzakelijk is, kan niet het voorwerp van een procedure tot toetsing van het resultaat van de verkiezingen zijn."
6 Op 18 september 1991 verzocht verzoekers gevolmachtigde de voorzitter van het Europees Parlement om een beslissing op zijn bezwaarschrift van 19 oktober 1990. Bij brief van 20 november 1991 deelde de voorzitter verzoeker mee, dat de Commissie reglement, onderzoek geloofsbrieven en immuniteiten tot de conclusie was gekomen, dat het bezwaarschrift moest worden afgewezen. Bedoelde commissie baseerde zich daarbij hoofdzakelijk op artikel 7, lid 2, van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers van de Vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen van 20 september 1976 (PB 1976, L 278, blz. 5), op grond waarvan tot de inwerkingtreding van een eenvormige verkiezingsprocedure in elke Lid-Staat de nationale bepalingen voor de verkiezingsprocedure gelden.
7 Daarop heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld. Hij betoogt, dat het aantal tot de Gemeenschap behorende Duitse staatsburgers ten gevolge van de totstandkoming van de Duitse eenheid op 3 oktober 1990 met ongeveer 16 miljoen is gestegen. Aangezien deze burgers niet hebben kunnen deelnemen aan de verkiezingen van juni 1989 en anderzijds het aantal afgevaardigden van Duitsland in het Europees Parlement ongewijzigd is gebleven, kan de vertegenwoordiging van het gehele Duitse volk alleen worden gegarandeerd wanneer de mandaten van de afgevaardigden voor geheel Duitsland opnieuw worden verdeeld.
8 Bij op 28 februari 1992 ter griffie van het Hof neergelegde memorie heeft het Europees Parlement krachtens artikel 91, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Tot staving van deze exceptie betoogt het in de eerste plaats, dat indien het beroep als een betwisting van de resultaten van de verkiezing van het Parlement van 18 juni 1989 moet worden gezien, het beroep niet-ontvankelijk is wegens onbevoegdheid van het Europees Parlement, daar ten aanzien van de opgeworpen vragen krachtens artikel 7, lid 2, van de Akte bij uitsluiting de nationale instanties bevoegd zijn. Moet het doel van het beroep daarentegen worden uitgelegd als een uitnodiging aan de wetgever om te handelen, dan is het beroep niet-ontvankelijk, omdat verzoeker niet bevoegd is beroep in te stellen.
9 Het Hof heeft krachtens artikel 91, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering besloten, zonder mondelinge behandeling bij wege van beschikking uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep.
10 Niet elke brief van een gemeenschapsinstelling waarmee wordt geantwoord op een verzoek van de adressaat van deze brief, is een beschikking in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, die vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring.
11 Met zijn aan het Parlement gericht "Bezwaarschrift tegen de verkiezing van het Europees Parlement van 1989" bestrijdt verzoeker noch de regelmatigheid van de verkiezingsprocedure, in het bijzonder in de Bondsrepubliek Duitsland, noch de destijds bekendgemaakte verkiezingsuitslagen. Evenmin werpt hij in zijn bezwaarschrift een probleem van incompatibiliteit in de zin van artikel 6 van de Akte op.
12 De Duitse eenheid is in oktober 1990, dus meer dan een jaar na de verkiezingen waartegen het bezwaarschrift zou zijn gericht, en onafhankelijk daarvan, tot stand gekomen.
13 In feite verlangt verzoeker van het Parlement dat het verklaart, dat de mandaten van de Duitse afgevaardigden, die na de verkiezing van juni 1989, naar vaststaat, geldig waren, ten gevolge van de totstandkoming van de Duitse eenheid ongeldig zijn geworden. Met zijn verzoek wil verzoeker dus bereiken, dat de mandaten van bepaalde afgevaardigden ongeldig worden verklaard naar aanleiding van de Duitse eenheid.
14 Ingevolge artikel 3 van de Akte worden de afgevaardigden evenwel voor een periode van vijf jaar gekozen. Deze periode kan worden bekort, wanneer zich een gebeurtenis voordoet waardoor volgens artikel 12 een zetel openvalt, hetgeen volgens artikel 6, lid 3, met name het geval is wanneer een incompatibiliteit met het lidmaatschap van het Europees Parlement ontstaat.
15 Daarentegen is het Parlement nergens de bevoegdheid verleend om de mandaten van zijn leden ongeldig te verklaren wegens een gebeurtenis die zich na de verkiezingen en onafhankelijk daarvan voordoet, en die niet een incompatibiliteit met het lidmaatschap van het Europees Parlement met zich brengt.
16 Het Parlement kon aan het onderhavige verzoek dus geen gevolg geven. Het feit dat de voorzitter van het Parlement verzoeker zulks beleefdheidshalve heeft meegedeeld, is niet gelijk te stellen met de kennisgeving van een beschikking in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag. Deze brief kan dus niet worden aangemerkt als een handeling waartegen verzoeker een beroep tot nietigverklaring kan instellen.
17 Bijgevolg moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat de overige door het Parlement aangevoerde middelen behoeven te worden onderzocht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
18 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeker wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 27 januari 1993.
Full & Egal Universal Law Academy