Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Beroep ° Bezwarend besluit ° Begrip ° Door administratie uitgeschreven referendum onder personeel ° Interne-ordemaatregel ° Daarvan uitgesloten
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
Samenvatting
In de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut zijn alleen handelingen die de rechtspositie van belanghebbenden rechtstreeks en individueel aantasten, als voor hen bezwarend te beschouwen.
Het besluit van een instelling om een referendum onder haar personeelsleden te organiseren, is enkel een eenvoudige interne-ordemaatregel die niemand verplicht aan het referendum mee te doen. Het besluit kan derhalve de rechtssituatie van een ambtenaar niet ingrijpend wijzigen en kan derhalve niet worden aangemerkt als een bezwarende handeling, zodat een beroep ertegen niet-ontvankelijk is.
Partijen
In zaak C-32/92 P,
A. M. Moat, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door L. Govaert, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij L. Dupong, advocaat aldaar, Rue des Bains 14 A,
requirant,
betreffende hogere voorziening tegen de beschikking op 4 december 1991 door het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) gegeven in zaak T-78/91 tussen A. M. Moat en de Commissie van de Europese Gemeenschappen,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Forman als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: G. Gulmann
griffier: J.-G. Giraud
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 februari 1992, heeft A. M. Moat krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 4 december 1991 in zaak T-78/91 (Moat, Jurispr. 1991, blz. II-1387), houdende afwijzing van requirants beroep tot, in de eerste plaats, nietigverklaring van het op 18 oktober 1991 door de Commissie uitgeschreven referendum, waarbij het personeel werd uitgenodigd zich uit te spreken over het door het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper) en de vertegenwoordigers van het personeel bereikte compromis over de methode voor de aanpassing van de ambtenarensalarissen; in de tweede plaats, erkenning van het recht van TAO/AFI en andere vak- en beroepsorganisaties op voortzetting van de onderhandelingen in het kader van het door de Raad tijdens zijn 713e vergadering op 22 en 23 juni 1981 vastgestelde besluit tot instelling van een overlegprocedure, en, in de derde plaats, veroordeling van de Commissie tot betaling aan TAO/AFI van een exemplarische schadevergoeding van 1 miljoen BFR.
2 Ten aanzien van de aan het geschil tussen Moat en de Commissie ten grondslag liggende feiten oordeelde het Gerecht als volgt:
"De vak- en beroepsorganisaties die leden hadden onder het personeel van de Commissie, voerden vanaf mei 1991 onderhandelingen over de aanpassing van de bezoldigingen van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Gemeenschappen, zulks in het kader van het besluit van 22 en 23 juni 1981, waarbij een overlegprocedure is ingesteld tussen de Raad en het door de vak- en beroepsorganisaties vertegenwoordigde personeel in geval van geschillen over voorstellen tot wijziging van het Statuut of de toepassing van de bepalingen ervan. Nog voordat deze onderhandelingen waren gevorderd tot de in de punten II en III van het besluit van 22 en 23 juni 1981 bedoelde stadia van discussies met de leden van de Raad en inleiding van de verzoeningsprocedure, maakten de secretaris-generaal van de Commissie, Williamson, en de directeur-generaal Personeel en algemeen beheer, De Koster, bij een mededeling van 15 oktober 1991 bekend, dat op 18 oktober daaraanvolgend een referendum zou worden gehouden, waarbij de ambtenaren en de andere onder het Statuut vallende personeelsleden zich in een geheime stemming konden uitspreken over het compromisvoorstel van de voorzitter van Coreper over de methode voor de aanpassing van de bezoldigingen. Bij een tweede mededeling van 15 oktober 1991, ondertekend door A. Cardoso e Cunha, lid van de Commissie, liet de Commissie haar personeel weten, dat zij van mening was dat de onderhandelingen moesten worden beëindigd, en verzocht zij het personeel het compromisvoorstel goed te keuren. Op 17 oktober 1991 diende Moat als voorzitter van de afdeling Brussel van TAO/AFI, een klacht in krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut, waarin hij verzocht om intrekking van de twee vorengenoemde mededelingen van 15 oktober 1991. Het aangekondigde referendum vond plaats op 18 oktober 1991. Verzoekers stellen, dat dat referendum ongeldig is wegens onregelmatigheden die vóór en tijdens het referendum zijn begaan, en dat het uitschrijven ervan in strijd was met het in artikel 24 bis van het Statuut gewaarborgde recht van vereniging."
3 Alvorens het beroep van Moat niet-ontvankelijk te verklaren merkte het Gerecht in de eerste plaats op:
"Voor zover het beroep door Moat is ingesteld, moet eraan worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak ieder beroep in de zin van artikel 179 EEG-Verdrag, dat door een ambtenaar wordt ingesteld tegen de instelling waarbij hij in dienst is, als algemene regel moet worden voorafgegaan door een precontentieuze klacht waarop al dan niet uitdrukkelijk afwijzend is beschikt. Een beroep dat vóór de afloop van die precontentieuze procedure wordt ingesteld, is prematuur en deswege ingevolge artikel 91, lid 2, van het Statuut niet-ontvankelijk (zie, bij voorbeeld, beschikking van het Hof van 23 september 1986, zaak 130/86, Du Besset, Jurispr. 1986, blz. 2619, 2621; arrest van het Hof van 7 oktober 1987, zaak 401/85, Schina, Jurispr. 1987, blz. 3911, 3929; arrest van het Gerecht van 20 juni 1990, gevoegde zaken T-47/89 en T-82/89, Marcato, Jurispr. 1990, blz. II-241)."
4 Het Gerecht verklaart vervolgens:
"In casu heeft Moat, in zijn hoedanigheid van voorzitter van de afdeling Brussel van TAO/AFI, op 17 oktober 1991 een klacht ingediend. Vervolgens heeft hij het onderhavige beroep ingesteld, zonder een uitdrukkelijk afwijzend besluit van de Commissie af te wachten en vóór afloop van de in artikel 90, lid 2, van het Statuut bepaalde termijn van vier maanden, waarna een klacht wordt geacht stilzwijgend te zijn afgewezen. In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat het beroep, voor zover ingesteld door Moat, kennelijk niet-ontvankelijk is, zonder dat behoeft te worden onderzocht of voldaan is aan de andere ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 91, lid 2, van het Statuut.
Wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het Gerecht, ingevolge artikel 111 van zijn Reglement voor de procesvoering, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking. Daar het beroep, voor zover ingesteld door Moat, kennelijk niet-ontvankelijk is, zijn er termen het met toepassing van genoemd artikel te verwerpen nog voordat het verzoekschrift aan de Commissie is betekend."
5 Ingevolge artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof te allen tijde besluiten de hogere voorziening zonder mondelinge behandeling geheel of gedeeltelijk af te wijzen wanneer zij kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
6 Tot staving van zijn hogere voorziening voert requirant een enkel middel aan. Volgens hem volgt uit het feit dat het referendum op 18 oktober 1991 is uitgeschreven, dat zijn klacht van 17 oktober 1991 was afgewezen. Het Gerecht heeft derhalve ten onrechte geoordeeld, dat zijn beroep van 30 oktober 1991 prematuur en niet-ontvankelijk was.
7 De Commissie concludeert, dat de hogere voorziening in de eerste plaats niet-ontvankelijk is omdat de door requirant bestreden handeling niet als een bezwarende handeling kan worden gekwalificeerd.
8 Aangezien men zich eerst moet afvragen of er sprake is van een bezwarende handeling, en dan pas of de precontentieuze procedure overeenkomstig de voorwaarden van artikel 90 van het Statuut is verlopen, moet deze vraag, anders dan het Gerecht in zijn arrest heeft gedaan, eerst worden beantwoord.
9 Volgens vaste rechtspraak zijn alleen handelingen die de rechtspositie van belanghebbenden rechtstreeks en individueel aantasten, als bezwarend te beschouwen (zie beschikking van 16 juni 1988, zaak 372/87, Progoulis, Jurispr. 1988, blz. 3091, en arrest van 21 januari 1987, zaak 204/85, Stroghili, Jurispr. 1987, blz. 389).
10 In het onderhavige geval had het beroep van requirant in hoofdzaak betrekking op het besluit van de Commissie een referendum onder haar personeelsleden te organiseren. In de vandaag gegeven beschikking C-322/91 heeft het Hof het beroep van TAO/AFI tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat het door de Commissie uitgeschreven referendum slechts een eenvoudige interne-ordemaatregel vormde, die niemand verplichtte eraan mee te doen. Deze maatregel kon derhalve geen onmiddellijk en rechtstreeks gevolg hebben voor de rechtspositie van requirant (r.o. 9). Aangezien dit besluit de rechtspositie van TAO/AFI evenmin wezenlijk veranderde, is het derhalve niet als een bezwarende handeling te beschouwen.
11 Zonder een dergelijke handeling was het bij het Gerecht ingediende beroep niet-ontvankelijk. Hieruit volgt, dat het dictum van het bestreden arrest, hoewel op andere rechtsgronden dan daarin aangevoerd, gegrond is (zie arrest van 9 juni 1992, zaak C-30/91, Lestelle, Jurispr. 1992, blz. I-3755).
12 Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat het door requirant tot staving van zijn beroep aangevoerde middel, zonder dat dit behoeft te worden onderzocht, kennelijk ongegrond is en dat het derhalve op grond van artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven de in ambtenarenberoepen door de instellingen gemaakte kosten te hunnen laste. Ingevolge artikel 122 van het Reglement evenwel is artikel 70 niet van toepassing bij hogere voorziening ingesteld door ambtenaren en andere personeelsleden. Aangezien Moat in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer)
beschikt:
1. De hogere voorziening wordt afgewezen.
2. Requirant wordt in de kosten verwezen.
Luxemburg, 3 december 1992.
Full & Egal Universal Law Academy