Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Beroep tot nietigverklaring ° Beroep tegen beschikking ° In loop van geding gegeven beschikking die gelijkstaat met nietigverklaring van bestreden beschikking ° Beroep zonder voorwerp geraakt ° Afdoening zonder beslissing ° Motivering van wijzigingsbeschikking die verzoeker geen voldoening geeft ° Geen invloed
(EEG-Verdrag, art. 173)
Samenvatting
Het voorwerp van een krachtens artikel 173 van het Verdrag tegen een beschikking ingesteld beroep is de nietigverklaring van die beschikking, het enige resultaat waarop de verzoeker aanspraak kan maken. Wanneer de verweerster in de loop van het geding een beschikking geeft die de bestreden beschikking wijzigt en gelijkstaat met nietigverklaring van deze laatste, heeft het Hof geen voorwerp meer om over te beslissen, is het beroep zonder voorwerp geraakt en moet het worden afgedaan zonder beslissing. Het is dienaangaande van geen belang, dat de nieuwe beschikking berust op gronden die de verzoeker geen voldoening geven omdat zij niet samenvallen met de tot staving van het beroep aangevoerde middelen.
Partijen
In zaak C-123/92,
Lezzi Pietro & C. Srl, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Cerignola (Italië), vertegenwoordigd door W. Viscardini Donà, advocaat te Padua, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Aresu en A. Bardenhewer, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van beschikking REC 4/91 van de Commissie van 24 oktober 1991 houdende vaststelling dat navordering van rechten bij invoer in een concreet geval gerechtvaardigd is,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: J.-G. Giraud
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 april 1992, heeft de vennootschap naar Italiaans recht Lezzi Pietro & C. Srl (hierna: "Lezzi Pietro") het Hof krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van beschikking REC 4/91 van de Commissie van 24 oktober 1991 houdende vaststelling dat navordering van rechten bij invoer in een concreet geval gerechtvaardigd is.
2 Uit deze tot de Italiaanse Republiek gerichte beschikking blijkt, dat Lezzi Pietro op 3 februari 1988 wilde uien van de soort Muscari comosum van oorsprong uit Marokko in het vrije verkeer heeft gebracht onder code 0703 van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: "GN"), waarvoor een recht van 12 % gold, in plaats van onder GN-code 0709, waarvoor een recht van 16 % gold, en dat de Italiaanse douane deze tariefindeling heeft aanvaard op basis van het nationale douanetarief, dat voor de betrokken produkten een verkeerd gegeven uit het geïntegreerd tarief van de Europese Gemeenschappen (Taric) bevatte.
3 In de omstreden beschikking, gegeven krachtens artikel 5, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB 1979, L 197, blz. 1), heeft de Commissie geoordeeld, dat de importeur de vergissing van de Italiaanse administratie had kunnen ontdekken, en dat de niet-betaalde rechten bij invoer, te weten 1 496 ECU, derhalve moesten worden nagevorderd, omdat enerzijds de wilde uien van de soort Muscari comosum moesten worden worden ingedeeld onder GN-code 0709 van de gecombineerde nomenclatuur in de versie van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, die regelmatig was bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 7 september 1987 (PB 1987, L 256, blz. 1), en anderzijds de door het Taric verstrekte gegevens naar behoren waren bekendgemaakt vóór de inwerkingtreding van deze gecombineerde nomenclatuur op 1 januari 1988.
4 Tot staving van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan, te weten: de omstreden beschikking berust op de "verkeerde veronderstelling" dat de betrokken produkten ten onrechte onder GN-code 0703 zijn ingedeeld, schending van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 en schending van artikel 190 EEG-Verdrag.
5 In haar verweerschrift verklaart de Commissie, dat de stelling van verzoekster volstrekt ongegrond is. Zij heeft het Hof overigens laten weten, dat zij de omstreden beschikking bij beschikking van 28 september 1992 aldus heeft gewijzigd, dat de betrokken rechten bij invoer niet meer moesten worden nagevorderd. Uit de considerans van de beschikking van 28 september 1992 kan worden opgemaakt, dat was gebleken dat de in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen gepubliceerde gegevens geen duidelijke tariefsituatie opleverden en dat derhalve niet kon worden aangenomen, dat de importeur op het ogenblik van de aangifte met het oog op het in het vrije verkeer brengen van de produkten redelijkerwijze de vergissing van de Italiaanse autoriteiten had kunnen ontdekken. Van oordeel, dat het geding derhalve zonder voorwerp was geworden, verzocht de Commissie het Hof te oordelen dat op het beroep niet behoeft te worden beslist, en de kosten te compenseren.
6 In repliek stelde verzoekster dienaangaande, dat ook al moet zij de van haar gevorderde rechten niet betalen, niet kan worden uitgesloten, dat de Italiaanse autoriteiten moeilijk gaan doen over de intresten en de boete voor onjuiste aangifte. Derhalve verzoekt zij het Hof primair, uitspraak te doen op haar eerste middel, te weten dat de bestreden beschikking berust op de "verkeerde veronderstelling" dat de betrokken produkten ten onrechte onder GN-code 0703 waren ingedeeld. Subsidiair, voor het geval dat het Hof zou oordelen dat op het beroep niet behoeft te worden beslist, verzoekt zij dat de Commissie in de kosten wordt verwezen.
7 Van oordeel, dat verzoeksters houding dilatoir en vexatoir is, vordert de Commissie in dupliek, dat de tot aan de kennisgeving van het verweerschrift opgekomen kosten worden gecompenseerd, maar dat verzoekster wordt verwezen in de kosten die nadien zijn opgekomen.
8 Vaststaat, dat verzoeksters beroep strekt tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 24 oktober 1991, in het dispositief waarvan wordt bepaald, dat de betrokken rechten bij invoer moeten worden nagevorderd. Deze beschikking is evenwel "gewijzigd" bij de beschikking van de Commissie van 28 september 1992, in het dispositief waarvan wordt bepaald, dat de beschikking van de Commissie van 24 oktober 1991 aldus wordt gewijzigd, dat de betrokken rechten "niet moeten worden nagevorderd". Niet betwist wordt, dat deze wijziging gelijkstaat met een intrekking van de eerdere beschikking, gelijk in de titel van de beschikking van 28 september 1992 duidelijk wordt aangegeven.
9 In de nieuwe beschikking wordt weliswaar niet geraakt aan het deel van de motivering volgens hetwelk het betrokken produkt onder GN-code 0709 valt, en Lezzi Pietro zou er ° met name voor toekomstige importen ° belang bij kunnen hebben, te laten oordelen dat het betrokken produkt onder GN-code 0703 en niet onder GN-code 0709 valt, doch opgemerkt moet worden, dat het beroep strekt tot nietigverklaring van de beschikking van 24 oktober 1991, welke niet meer bestaat.
10 Bovendien heeft verzoekster door de intrekking van die beschikking het enige resultaat verkregen dat haar beroep haar had kunnen opleveren, zodat het geding zonder voorwerp is geraakt. In het kader van een beroep krachtens artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag kan het Hof immers slechts de nietigverklaring uitspreken van de handeling die het voorwerp is van het beroep. Wat de eventuele moeilijkheden over de intresten en de boeten betreft, deze betreffen enkel de betrekkingen tussen verzoekster en de Italiaanse douane en moeten derhalve worden opgelost door de nationale rechter, die zich, zo nodig, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag tot het Hof kan wenden.
11 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep zonder voorwerp is geraakt, zodat het Hof er niet op behoeft te beslissen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
12 Volgens artikel 69, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof vrijelijk over de kosten wanneer het geding zonder voorwerp is geraakt.
13 Allereerst zij opgemerkt, dat de beschikking van de Commissie van 28 september 1992 houdende intrekking van de eerdere beschikking van 24 oktober 1991 is gegeven nadat Lezzi Pietro het beroep had ingesteld.
14 Verder volgt uit de considerans van de beschikking van 28 september 1992, dat de Commissie de bestreden beschikking heeft ingetrokken en vervangen op basis van een andere beoordeling van de feiten dan die welke haar aanvankelijk tot de slotsom had gebracht, dat de importeur de vergissing van de Italiaanse administratie had kunnen ontdekken.
15 In die omstandigheden moet de Commissie in alle kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1) Op het beroep behoeft niet te worden beslist.
2) De Commissie wordt in de kosten verwezen.
Luxemburg, 8 maart 1993.
Full & Egal Universal Law Academy