Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Beroep tot nietigverklaring ° Natuurlijke of rechtspersonen ° Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken ° Verordening waarbij afwijking met betrekking tot technische maatregelen voor instandhouding van visbestanden wordt ingevoerd
(EEG-Verdrag, art. 173, tweede alinea; verordening nr. 345/92 van de Raad)
Samenvatting
De mogelijkheid om het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, min of meer nauwkeurig te bepalen, houdt geenszins in dat deze subjecten moeten worden geacht daardoor individueel te worden geraakt in de zin van artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag, zolang maar vaststaat dat die toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven. Willen die rechtssubjecten kunnen worden geacht individueel te zijn geraakt, dan moet de handeling hun rechtspositie beïnvloeden uit hoofde van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat.
Een verordening die voorziet in een overgangsmaatregel voor vissers, die vóór het verbod op drijfnetten met een bepaalde lengte een bepaalde vistechniek hebben gebruikt, is van toepassing op objectief bepaalde situaties en heeft rechtsgevolgen voor op algemene, abstracte wijze aangewezen categorieën van personen. Deze treft verzoekers slechts in hun objectieve hoedanigheid van vissers die een bepaalde vistechniek gebruiken, op dezelfde wijze als alle andere marktdeelnemers die zich in een gelijke situatie bevinden.
Partijen
In zaak C-131/92,
1. T. Arnaud, wonende te L' Ile d' Yeu (Frankrijk),
2. A. Augereau, wonende te L' Ile d' Yeu (Frankrijk),
3. D. Bareyt, wonende te Lege (Frankrijk),
4. J. L. Bernard, wonende te L' Ile d' Yeu (Frankrijk),
5. M. R. Burgaud, wonende te L' Ile d' Yeu (Frankrijk),
6. F. Cajean, wonende te Plogoff (Frankrijk),
7. L. J.-P. Chauvet, wonende te L' Ile d' Yeu (Frankrijk),
8. B. R. H. Chiron, wonende te L' Ile d' Yeu (Frankrijk),
9. Y. Claquin, wonende te Plouhinec (Frankrijk),
10. O. Delvigne, wonende te Santec (Frankrijk),
11. F. Favroul, wonende te La Teste (Frankrijk),
12. P. Flohic, wonende te Moelan sur Mer (Frankrijk),
13. B. Girard, wonende te L' Ile d' Yeu (Frankrijk),
14. B. Groisard, wonende te L' Ile d' Yeu (Frankrijk),
15. G. Gueguen, wonende te Penmarch (Frankrijk),
16. G. Guilcher, wonende te Douarnenez (Frankrijk),
17. A. Kerloch, wonende te Poullan sur Mer (Frankrijk),
18. C. Le Brun, wonende te Ploenour Lanvern (Frankrijk),
19. J.-C. Le Coze, wonende te Moelan sur Mer (Frankrijk),
20. J.-P. Le Gall, wonende te Douarnenez (Frankrijk),
21. R. Le Roux, wonende te Plomeur (Frankrijk),
22. J.-C. Moreau, wonende te Saint Hilaire de Riez (Frankrijk),
23. C. Moriceau, wonende te Tailmont Saint Hilaire (Frankrijk),
24. D. Pasquon, wonende te Le Chateau d' Olonne (Frankrijk),
25. J. Penisson, wonende te Noirmoutier (Frankrijk),
26. C. P. Rafin, wonende te L' Ile d' Yeu (Frankrijk),
27. E. P. Rivallin, wonende te L' Ile d' Yeu (Frankrijk),
28. J. Tadilec, wonende te Douarnenez (Frankrijk),
29. E. F. R. Taraud, wonende te L' Ile d' Yeu (Frankrijk),
30. A. G. Turbe, wonende te L' Ile d' Yeu (Frankrijk),
31. F. G. Voisin, wonende te L' Ile d' Yeu (Frankrijk),
32. B. G. Zereg, wonende te L' Ile d' Yeu (Frankrijk),
33. Y. Le Garrec, wonende te Penmarch (Frankrijk),
vertegenwoordigd door B. Ghelber, advocaat te Parijs, en P. F. Ryziger, advocaat bij de Cour de cassation en de Conseil d' Etat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van N. Decker, advocaat aldaar, Avenue Marie-Thérèse 16,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. P. Jacqué, directeur bij zijn juridische dienst, en J. Carbery, juridisch adviseur, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij X. Herlin, directeur van de directie Juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard K. Adenauer 100,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. C. Fischer, juridisch hoofdadviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënte,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van artikel 9 bis, lid 2, dat in verordening (EEG) nr. 3094/86 van de Raad van 7 oktober 1986 (PB 1986, L 288, blz. 1) is ingevoegd bij artikel 1, punt 8, van verordening (EEG) nr. 345/92 van de Raad van 27 januari 1992 houdende elfde wijziging van verordening (EEG) nr. 3094/86 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden (PB 1992, L 42, blz. 15),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: J.-G. Giraud
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 april 1992, hebben Th. Arnaud en 32 andere Franse exploitanten van vissersvaartuigen voor de tonijnvangst (hierna: "verzoekers") krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van artikel 9 bis, lid 2, dat in verordening (EEG) nr. 3094/86 van de Raad van 7 oktober 1986 (PB 1986, L 288, blz. 1) is ingevoegd bij artikel 1, punt 8, van verordening (EEG) nr. 345/92 van de Raad van 27 januari 1992 houdende elfde wijziging van verordening (EEG) nr. 3094/86 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden (PB 1992, L 42, blz. 15).
2 Met het oog op de bescherming van de visgronden, de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee en een duurzame en evenwichtige exploitatie daarvan onder verantwoorde economische en sociale omstandigheden, heeft de Raad verordening (EEG) nr. 170/83 van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB 1983, L 24, blz. 1) vastgesteld.
3 Op basis van artikel 11 van voornoemde verordening nr. 170/83 heeft de Raad verordening (EEG) nr. 171/83 van 25 januari 1983 houdende bepaalde technische maatregelen voor het behoud van de visbestanden (PB 1983, L 24, blz. 14) vastgesteld. Deze verordening is ingetrokken bij en vervangen door voornoemde verordening nr. 3094/86.
4 Verordening nr. 345/92 bevat de elfde wijziging van verordening nr. 3094/86. Bij artikel 1, punt 8, van verordening nr. 345/92 wordt in verordening nr. 3094/86 een nieuw artikel 9 bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"1. Geen enkel vaartuig mag een of meer drijfnetten, waarvan de individuele of gezamenlijke lengte groter is dan 2,5 km, aan boord hebben of ermee vissen.
2. Tot en met 31 december 1993 wordt een ontheffing verleend voor vaartuigen die gedurende ten minste de twee jaren voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verordening in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan met drijfnetten op witte tonijn hebben gevist. Deze vaartuigen worden in een communautair register opgenomen en mogen drijfnetten gebruiken met een maximale lengte van 2,5 km, met dien verstande dat de gezamenlijke lengte niet meer dan 5 km bedraagt. De drijflijn bevindt zich ten minste 2 m onder water. De ontheffing verstrijkt op voornoemde datum tenzij de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen beslist tot verlenging, zulks aan de hand van wetenschappelijke gegevens waaruit blijkt dat daaraan geen enkel risico voor het milieu is verbonden.
3. Tijdens de gehele duur van de in lid 1 bedoelde visserijactiviteit moet het net, als dat langer is dan 1 km, aan het vaartuig bevestigd blijven. In de 12-mijlskustzone behoeft het net niet aan het vaartuig bevestigd te zijn indien daarop permanent toezicht wordt uitgeoefend.
4. Nietegenstaande artikel 1, lid 1, is het onderhavige artikel, met uitzondering van de Oostzee, de Kleine en de Grote Belt en de OEresund, van toepassing in alle wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de Lid-Staten vallen en, buiten die wateren, op alle vissersvaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of in een Lid-Staat zijn geregistreerd."
5 Van mening dat de in voornoemd artikel 9 bis, lid 2, bedoelde ontheffing te restrictief was ten aanzien van zowel de duur van de overgangsregeling als de lengte van de toegestane drijfnetten, hebben verzoekers het onderhavige beroep ingesteld.
6 De Raad betwist primair de ontvankelijkheid van het beroep en stelt, dat verzoekers door de bestreden bepaling niet individueel worden geraakt in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag.
7 Bij beschikking van de president van het Hof van 18 september 1992 is de Commissie toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Raad. De Commissie stelt eveneens primair, dat verzoekers door de betrokken bepaling niet individueel worden geraakt.
8 Verzoekers betogen daarentegen, dat zij behoren tot de categorie van exploitanten van vaartuigen die gedurende ten minste de twee jaren voorafgaande aan de inwerkingtreding van voornoemde verordening nr. 345/92 in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan met drijfnetten op tonijn hebben gevist. Dit aantal vaartuigen is beperkt en kan in de toekomst niet meer stijgen, daar de in de litigieuze bepaling gestelde voorwaarde betrekking heeft op het verleden. Verzoekers vormen derhalve een gesloten groep van marktdeelnemers, wier identiteit door de gemeenschapsautoriteiten kon worden vastgesteld. Zo gezien, worden verzoekers door de bestreden bepaling individueel geraakt.
9 Luidens artikel 92, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof in iedere stand van het geding middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn in behandeling nemen, en ingevolge artikel 91, leden 3 en 4, kan het uitspraak doen zonder voorafgaande mondelinge behandeling.
10 Daar het dossier alle elementen bevat op grond waarvan het Hof een beslissing kan geven, heeft het besloten uitspraak te doen, zonder partijen te horen.
11 Artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag biedt natuurlijke of rechtspersonen de mogelijkheid, op te komen tegen de beschikkingen die tot hen zijn gericht of die, hoewel genomen in de vorm van een verordening of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hen rechtstreeks en individueel raken.
12 Daar dit beroep strekt tot nietigverklaring van een bepaling van een verordening, dient te worden onderzocht of verzoekers door de bestreden maatregel rechtstreeks en individueel worden geraakt.
13 Met betrekking tot de vraag of verzoekers individueel worden geraakt, zij eraan herinnerd, dat het vaste rechtspraak is, dat de mogelijkheid om het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, min of meer nauwkeurig te bepalen, geenszins inhoudt dat deze subjecten moeten worden geacht daardoor individueel te worden geraakt, zolang maar vaststaat dat die toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven (zie bij voorbeeld arrest van 16 maart 1978, zaak 123/77, UNICME, Jurispr. 1978, blz. 845).
14 Willen die rechtssubjecten kunnen worden geacht individueel te zijn geraakt, dan moet de handeling hun rechtspositie beïnvloeden uit hoofde van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat (zie bij voorbeeld arrest van 24 februari 1987, zaak 26/86, Deutz und Geldermann, Jurispr. 1987, blz. 941).
15 Vastgesteld dient te worden, dat de bestreden bepaling in een overgangsmaatregel voorziet voor witte-tonijnvissers in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan, die vóór de inwerkingtreding van het verbod op drijfnetten met een lengte van meer dan 2,5 km een bepaalde vistechniek hebben gebruikt.
16 Bijgevolg is deze bepaling van toepassing op objectief bepaalde situaties en heeft zij rechtsgevolgen voor algemeen en in abstracto omschreven categorieën van personen.
17 Hieruit vloeit voort, dat de bestreden handeling verzoekers slechts raakt in hun objectieve hoedanigheid van witte-tonijnvissers die een bepaalde vistechniek in een bepaalde zone gebruiken, op dezelfde wijze als alle andere marktdeelnemers die zich in een gelijke situatie bevinden.
18 Mitsdien moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in de kosten te worden verwezen. Volgens artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering zal de Commissie, interveniënte, haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2. Verzoekers worden verwezen in de kosten.
3. De Commissie, interveniënte, zal haar eigen kosten dragen.
Luxemburg, 24 mei 1993.
Full & Egal Universal Law Academy