Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Procedure ° Kosten ° Begroting ° Invorderbare kosten ° Begrip ° In aanmerking te nemen factoren
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 73)
Samenvatting
Het staat niet aan het Hof, in het kader van artikel 74 van het Reglement voor de procesvoering de honoraria vast te stellen die partijen aan hun eigen advocaten zijn verschuldigd, doch te bepalen tot welk bedrag deze honoraria kunnen worden teruggevorderd van de in de kosten verwezen partij. Luidens artikel 73 van het Reglement voor de procesvoering worden als invorderbare kosten aangemerkt de door partijen in verband met de procedure gemaakte kosten; zoals met name blijkt uit artikel 72 van dit Reglement wordt met deze bewoordingen de procedure voor het Hof ° en niet de precontentieuze fase ° bedoeld.
Omdat een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt, moet het Hof voorts de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of de raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen.
Partijen
In zaak C-222/92 DEP,
Syndicat français de l' Express international (SFEI), beroepsvereniging naar Frans recht, gevestigd te Parijs,
DHL International, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Roissy (Frankrijk),
Service CRIE, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Parijs,
May Courier, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Parijs,
vertegenwoordigd door E. Morgan de Rivery, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Schmitt, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Nolin, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om begroting van de invorderbare kosten,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler (rapporteur), kamerpresident, G. F. Mancini en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 mei 1992, hebben Syndicat français de l' Express international (SFEI), DHL International, Service CRIE en May Courier krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag het Hof verzocht om nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 10 maart 1992 tot sluiting van het dossier dat geopend was naar aanleiding van de klacht, ingediend door, onder meer, SFEI tegen de Franse Republiek en Société française de messagerie internationale wegens schending van de artikelen 92 e.v. van het Verdrag.
2 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 juli 1992, deelde de Commissie mee, dat zij had besloten het bestreden besluit in te trekken, en dat naar haar oordeel het beroep daardoor zonder voorwerp was geraakt.
3 Bij op 24 juli 1992 ter griffie van het Hof neergelegde aanvullende memorie gaven verzoeksters het Hof in overweging de zaak zonder beslissing af te doen, en verzochten zij het, over de kosten te beslissen overeenkomstig artikel 69, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak.
4 Bij op 14 augustus 1992 ter griffie van het Hof neergelegde brief deelde de Commissie mee, dat zij niets had op te merken ten aanzien van de memorie van verzoeksters.
5 Bij beschikking van 18 november 1992 (zaak C-222/92, SFEI e.a., niet gepubliceerd in de Jurisprudentie) beschikte het Hof, dat op het beroep niet behoefde te worden beslist en dat de Commissie de kosten zou dragen.
6 Daar partijen ten aanzien van de invorderbare kosten niet tot een akkoord zijn gekomen, hebben verzoeksters bij op 19 september 1994 ter griffie van het Hof neergelegde memorie het Hof verzocht krachtens artikel 74 van het Reglement voor de procesvoering het bedrag van de invorderbare kosten te bepalen op 9 402 130 BFR.
7 Het gevorderde kostenbedrag bestaat uit twee posten, te weten 3 199 062 BFR aan kosten voor een economische studie, en 6 203 668 BFR aan kosten en honoraria van advocaten.
De economische studie was gemaakt met het oog op de oorspronkelijke bij de Commissie ingediende klacht. De advocatenkosten en -honoraria betreffen werkzaamheden die deels met de precontentieuze procedure en deels met de voorbereiding van het beroep tot nietigverklaring samenhangen.
De door verzoeksters gevorderde bedragen voor de economische studie en voor een deel van de advocatenkosten en -honoraria vormen 50 % van de totale in rekening gebrachte kosten; de andere helft is volgens verzoeksters in het kader van de bij het Gerecht van eerste aanleg aangebrachte zaak T-36/92 in aanmerking genomen.
8 In haar schriftelijke opmerkingen, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 oktober 1994, betwist de Commissie, dat de kosten en honoraria met betrekking tot de precontentieuze fase als invorderbaar kunnen worden beschouwd. Indien rekening werd gehouden met de kosten in verband met de voorbereiding van het verzoekschrift, zou enkel een bedrag van 760 403,5 BFR in aanmerking kunnen worden genomen. Noch het voorwerp en de aard van het geding, noch het belang ervan voor het gemeenschapsrecht, noch de moeilijkheid van de zaak en de hoeveelheid werk, noch de in geding zijnde economische belangen zouden dit bedrag rechtvaardigen, en dit te minder waar verzoeksters geen nauwkeurige opgaven hadden verstrekt over de verrichtingen en de hoeveelheid geleverd werk. In deze omstandigheden stelt de Commissie voor, de invorderbare kosten te bepalen op maximaal 300 000 BFR.
9 De Commissie heeft bij haar schriftelijke opmerkingen een brief van de advocaat van verzoeksters gevoegd, die betrekking heeft op de beslissing over de kosten en die het Hof wegens het vertrouwelijk karakter ervan niet in aanmerking heeft genomen.
10 Volgens vaste rechtspraak staat het niet aan het Hof, in het kader van artikel 74 van het Reglement voor de procesvoering de honoraria vast te stellen die partijen aan hun eigen advocaten zijn verschuldigd, doch te bepalen tot welk bedrag deze honoraria kunnen worden teruggevorderd van de in de kosten verwezen partij (zie onder meer beschikking van 4 februari 1993, zaak C-191/86 DEP, Tokyo Electric, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, r.o. 8).
11 Luidens artikel 73 van het Reglement voor de procesvoering "worden als invorderbare kosten aangemerkt (...) de door partijen in verband met de procedure gemaakte kosten".
12 Waar in deze bepaling van "procedure" sprake is, is alleen de procedure voor het Hof ° en niet de precontentieuze fase ° bedoeld. Zulks blijkt met name uit artikel 72 van het Reglement voor de procesvoering, alwaar sprake is van "de procedure voor het Hof" (zie beschikking van 21 oktober 1970, zaak 75/69, Hake, Jurispr. 1970, blz. 901).
13 Mitsdien moet het verzoek worden afgewezen voor zover het ertoe strekt, dat aan verzoekster als invorderbare kosten een vergoeding zal worden toegekend voor kosten en honoraria, kosten voor het deskundigenonderzoek inbegrepen, welke de precontentieuze fase betreffen.
14 Met betrekking tot de door partijen in verband met de procedure gemaakte noodzakelijke kosten zij eraan herinnerd, dat een tariefregeling in het gemeenschapsrecht ontbreekt. In deze omstandigheden moet het Hof de gegevens van de zaak vrijelijk beoordelen, daarbij rekening houdend met het onderwerp en de aard van het geschil, het belang ervan vanuit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, de moeilijkheid van de zaak, de hoeveelheid werk die de gemachtigden of raadslieden aan de contentieuze procedure kunnen hebben gehad, en het economisch belang van het geschil voor de partijen (zie onder meer beschikking van 4 februari 1993, Tokyo Electric, reeds aangehaald, r.o. 8).
15 Gelet op deze beoordelingscriteria dient het bedrag van de invorderbare kosten in redelijkheid te worden bepaald op 600 000 BFR.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer)
beschikt:
Het bedrag van de door de Commissie aan verzoekster te vergoeden kosten wordt bepaald op 600 000 BFR.
Luxemburg, 30 november 1994.
Full & Egal Universal Law Academy