Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Kort geding ° Voorwaarden voor ontvankelijkheid ° Beroep in hoofdzaak niet-ontvankelijk verklaard
(EEG-Verdrag, art. 185 en 186; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 83, lid 1)
Samenvatting
De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in de hoofdzaak maakt het daarmee samenhangende verzoek in kort geding eveneens niet-ontvankelijk.
Partijen
In zaak C-295/92 R,
Landbouwschap, publiekrechtelijk lichaam, gevestigd te 's-Gravenhage, vertegenwoordigd door J. J. Feenstra, advocaat te Rotterdam, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Zithe 8,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Nolin en P. Van Nuffel, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek, ertoe strekkende dat het Hof, in de eerste plaats, de opschorting van de tenuitvoerlegging zal gelasten van het tot het Koninkrijk der Nederlanden gerichte besluit van de Commissie van 29 april 1992 om geen bezwaren in te brengen tegen de steunmaatregelen vervat in het ontwerp van wet tot wijziging van de Wet Algemene Bepalingen Milieuhygiëne, en, in de tweede plaats, bepaalde voorlopige maatregelen zal voorschrijven,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 3 juli 1992 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft het Landbouwschap krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van het tot het Koninkrijk der Nederlanden gerichte besluit van de Commissie van 29 april 1992 om geen bezwaren in te brengen tegen de steunmaatregelen vervat in het ontwerp van wet tot wijziging van de Wet Algemene Bepalingen Milieuhygiëne (hierna: "WABM").
2 Bij op dezelfde dag ter griffie neergelegde afzonderlijke akte heeft het Landbouwschap voorts een verzoek in kort geding ingediend, ertoe strekkende dat het Hof, in de eerste plaats, krachtens artikel 185 EEG-Verdrag de opschorting zal gelasten van de tenuitvoerlegging van het in de hoofdzaak bestreden besluit van de Commissie van 29 april 1992, en, in de tweede plaats, krachtens artikel 186 EEG-Verdrag de Commissie zal gelasten, de in artikel 93, lid 2, EEG-Verdrag bedoelde procedure in te leiden en dit met terugwerkende kracht tot 29 april 1992.
3 De Commissie heeft op 5 augustus 1992 schriftelijke opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend en partijen hebben ter terechtzitting van 21 september 1992 hun standpunt mondeling toegelicht.
4 Bij beschikking van 30 september 1992 heeft het Hof echter met toepassing van artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering het beroep in de hoofdzaak niet-ontvankelijk verklaard.
5 Mitsdien is ook het verzoek in kort geding niet-ontvankelijk en moet het worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
6 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten. Daar het Landbouwschap in het ongelijk is gesteld, dient het in de op deze procedure gevallen kosten te worden verwezen.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET HOF
beschikt:
1) Het verzoek in het kort geding wordt afgewezen.
2) Verzoeker wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 12 oktober 1992.
Full & Egal Universal Law Academy