Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Hogere voorziening ° Opsomming in verzoekschrift van middelen en argumenten rechtens ° Middel ontoereikend nader toegelicht ° Niet-ontvankelijkheid
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1)
2. Hogere voorziening ° Middelen ° Verkeerde beoordeling van feiten ° Niet-ontvankelijkheid
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 51)
Partijen
In zaak C-318/92 P,
A. Macrae Moat, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, aanvankelijk vertegenwoordigd door E. Moons, later door L. Govaert, beide advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij L. Dupong, advocaat aldaar, Rue des Bains 14A,
requirant,
betreffende hogere voorziening tegen de op 22 mei 1992 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer) in zaak T-72/91 gegeven beschikking tussen A. Macrae Moat en de Commissie van de Europese Gemeenschappen,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door Th. F. Cusack, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: J.-G. Giraud
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 juli 1992, heeft A. Macrae Moat krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van het EGKS- en het EGA-Statuut hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 22 mei 1992 (zaak T-72/91, Moat, Jurispr. 1992, blz. II-1771), waarbij het Gerecht het beroep van Moat heeft verworpen, inhoudende een verzoek om de Commissie te gelasten hem naar de rang A 3 te bevorderen en hem een met deze rang overeenkomende bezoldiging te betalen met terugwerkende kracht vanaf 1 december 1986, alsmede strekkende tot schadevergoeding.
2 Bij deze beschikking heeft het Gerecht het beroep van Moat niet-ontvankelijk verklaard.
3 Moat concludeert tot vernietiging van deze beschikking en verzoekt het Hof te verklaren, dat de Commissie het Ambtenarenstatuut heeft geschonden, en haar te veroordelen tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij dientengevolge zou hebben geleden.
4 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert requirant twee principale middelen en een subsidiair middel aan.
5 Het eerste middel keert zich tegen de uitlegging die het Gerecht aan het voorwerp van de klachten van requirant van 14 februari en 25 april 1991 heeft gegeven. Door het beroep met betrekking tot deze twee klachten niet-ontvankelijk te verklaren, heeft het Gerecht het in artikel 90, lid 2, en artikel 91, lid 1, Ambtenarenstatuut genoemde begrip bezwarend besluit miskend.
6 Het tweede middel is gericht tegen het oordeel van het Gerecht dat het beroep, voor zover het de klacht van 14 februari 1991 betreft, te laat is ingesteld en bijgevolg niet-ontvankelijk is. Hoewel requirant erkent dat het Gerecht gebonden is aan de rechtspraak van het Hof aangaande het dwingende karakter van beroepstermijnen, had het Gerecht zijns inziens behoren in te gaan op de andere overwegingen van openbare orde die hij had aangevoerd. De billijkheid en/of de redelijkheid hadden het Gerecht tot een andere beslissing moeten brengen.
7 Subsidiair betoogt requirant, dat "de diverse gesprekken met de Inter Service Groep en de contacten die hij op uitnodiging van de Commissie met haar afdeling Statuut heeft gehad, nieuwe feiten vormen die verlenging van de beroepstermijn rechtvaardigen".
8 De Commissie meent, dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is daar de rechtsvragen die eraan ten grondslag liggen niet genoegzaam worden gepreciseerd.
9 Krachtens artikel 119 Reglement voor de procesvoering kan het Hof op ieder moment de hogere voorziening afwijzen wanneer deze kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
10 Met betrekking tot het eerste middel, dat het Gerecht het begrip bezwarend besluit heeft miskend, dient in de eerste plaats te worden opgemerkt, dat voor zover het beroep de klacht van 14 februari 1991 betrof, het Gerecht de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft aangenomen op de enkele grond, dat het buiten de in artikel 91, lid 3, Ambtenarenstatuut bepaalde termijn was ingesteld. Het eerste middel is derhalve in zoverre ongegrond.
11 Wat de klacht van 25 april 1991 betreft, heeft het Gerecht vastgesteld, dat het requirant naar eigen zeggen niet ging om annulering van een of andere handeling. Bijgevolg is het eerste middel op dit punt ongegrond.
12 Ten slotte, voor zover de klacht van requirant van 25 april 1991 strekte tot vergoeding van de schade die hij meende te hebben geleden als gevolg van de onwettige handelingen en de nalatigheid van de Commissie, heeft het Gerecht terecht geoordeeld, dat deze gedragingen wegens het ontbreken van rechtsgevolgen niet als bezwarende besluiten kunnen worden aangemerkt en dat de administratieve procedure overeenkomstig artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut had moeten beginnen met een verzoek van de belanghebbende aan het tot aanstelling bevoegd gezag om die schade te vergoeden. Ook op dit punt is het eerste middel derhalve ongegrond.
13 Ten aanzien van het tweede middel, dat het Gerecht tot een andere beslissing over de ontvankelijkheid van het beroep had moeten komen met betrekking tot de klacht van 14 februari 1991, zij eraan herinnerd, dat luidens artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering het verzoekschrift alle aangevoerde middelen en argumenten rechtens moet bevatten.
14 In zijn hogere voorziening nu heeft requirant zonder nadere toelichting gesteld, dat overwegingen van billijkheid of redelijkheid het Gerecht tot een andere uitlegging van artikel 91, lid 3, Ambtenarenstatuut hadden moeten brengen. Bijgevolg kan het tweede middel niet worden ontvangen.
15 Ten aanzien van het subsidiaire middel volstaat de vaststelling, dat requirant geen enkel juridisch argument aanvoert ter ondersteuning van de bewering dat de door hem gestelde feiten een verlenging van de beroepstermijn rechtvaardigden. Nu volgens artikel 51 van 's Hofs Statuut-EEG hogere voorziening alleen rechtsvragen kan betreffen, moet het subsidiaire middel eveneens wegens niet-ontvankelijkheid worden verworpen.
16 Overeenkomstig artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering moet de hogere voorziening van Moat derhalve wat het eerste middel betreft als kennelijk ongegrond en voor het overige als kennelijk niet-ontvankelijk worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
17 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 70 van dit Reglement blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden gemaakt, te haren laste. Ingevolge artikel 122 Reglement is artikel 70 Reglement evenwel niet van toepassing, wanneer de hogere voorziening door een ambtenaar of een ander personeelslid tegen een instelling is ingesteld. Daar Moat in het ongelijk is gesteld, dient hij bijgevolg in de kosten van deze instantie te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Moat wordt in de kosten van deze instantie verwezen.
Luxemburg, 1 februari 1993.
Full & Egal Universal Law Academy