Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
Procedure ° Bevoegdheidsverdeling tussen Hof en Gerecht van eerste aanleg ° Beroep ingesteld bij Hof door natuurlijk of rechtspersoon op grond van artikel 175, derde alinea, van Verdrag, betreffende de toepassing van op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ° Op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ° Begrip ° Verwijzing naar Gerecht van eerste aanleg
(EEG-Verdrag, art. 90; besluit 88/591 van de Raad, art. 3, lid 1, sub c; 's Hofs Statuut-EEG, art. 47, tweede alinea)
Samenvatting
Een door een natuurlijk of rechtspersoon krachtens artikel 175, derde alinea, EEG-Verdrag ingesteld beroep betreffende de tenuitvoerlegging van artikel 90 van het Verdrag behoort krachtens artikel 3, lid 1, sub c, van besluit 88/591 van de Raad tot instelling van het Gerecht van eerste aanleg tot de bevoegdheid van het Gerecht. Hoewel artikel 90, lid 1, en de algemene regels die de Commissie op grond van artikel 90, lid 3, kan uitvaardigen, de verplichtingen van de Lid-Staten omschrijven, hebben die bepalingen immers betrekking op de toepassing van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels, waar zij een verbod uitvaardigen op de vaststelling of de handhaving van regelingen van overheidswege, die van invloed zouden kunnen zijn op de toepassing van die regels op ondernemingen met een bijzonder statuut.
Wanneer een dergelijk beroep wordt ingesteld bij het Hof, moet dit de zaak krachtens artikel 47, tweede alinea, van zijn Statuut naar het Gerecht verwijzen.
Partijen
In zaak C-424/92,
Ladbroke Racing Limited, vertegenwoordigd door J. Lever, QC, en C. Vajda, leden van de balie van Engeland en Wales, en S. Kon, Solicitor bij het kantoor S. J. Berwin & Co, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Winandy & Err, advocaten aldaar, Avenue Gaston Diderich 60,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. E. Gonzalez-Diaz en R. Lyal, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep wegens nalaten, strekkende tot vaststelling dat de Commissie onrechtmatig heeft gehandeld door geen standpunt te bepalen met betrekking tot een op de artikelen 3, sub f, 5, 52, 53, 59, 62, 85, 86, 90, lid 1, 92 en 93 EEG-Verdrag gebaseerde klacht van verzoekster,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, G. F. Mancini, R. Joliet, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco, P. J. G. Kapteyn en D. A. O. Edward, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: J.-G. Giraud
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 december 1992, heeft Ladbroke Racing Ltd krachtens artikel 175 EEG-Verdrag beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat de Commissie in strijd met het Verdrag heeft nagelaten, een standpunt te bepalen over de klacht die Ladbroke Racing Ltd bij de Commissie had ingediend met het verzoek, krachtens artikel 3 van verordening nr. 17 en artikel 90, lid 3, van het Verdrag een einde te maken aan bepaalde inbreuken op een aantal verdragsregels, en, inzonderheid, over het verzoek van Ladbroke Racing Ltd om haar een brief te zenden in de zin van artikel 6 van verordening nr. 99/63, alsmede een soortgelijke brief betreffende het optreden op grond van artikel 90, lid 3, van het Verdrag waarom zij had verzocht.
2 Ladbroke Racing Ltd heeft bij het Gerecht van eerste aanleg een identiek beroep ingesteld (zaak T-110/92).
3 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 februari 1993, heeft de Commissie het Hof verzocht de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg te verwijzen voor zover het beroep betrekking heeft op de verordeningen nr. 17 en nr. 99/63, en het beroep niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het artikel 90 betreft.
4 Bij brief, neergelegd ter griffie van het Hof op 15 maart 1993, heeft verzoekster het Hof verzocht, zich bevoegd te verklaren om kennis te nemen van het beroep in al zijn onderdelen, met inbegrip van het deel dat betrekking heeft op verordening nr. 17, en haar een verlenging toe te staan van de termijn voor de indiening van haar opmerkingen over de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid. Deze opmerkingen werden op 15 april 1993 ingediend.
5 Krachtens artikel 3, lid 1, sub c, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1998 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1988, L 319, blz. 1; hierna: "besluit van de Raad") oefent het Gerecht in eerste aanleg de bevoegdheden uit die door de Verdragen tot oprichting van de Gemeenschappen en door de handelingen ter uitvoering daarvan aan het Hof van Justitie zijn opgedragen ten aanzien van de beroepen, krachtens artikel 175, derde alinea, EEG-Verdrag door natuurlijke of rechtspersonen ingesteld tegen een instelling van de Gemeenschappen en betreffende de toepassing van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels.
6 De Commissie meent, dat het Hof bevoegd is om kennis te nemen van het beroep voor zover het betrekking heeft op artikel 90 van het Verdrag. Zij erkent, dat het Hof zich reeds in andere zin heeft uitgesproken (beschikking van 4 juni 1991, zaak C-66/90, PTT, Jurispr. 1991, blz. I-2723), maar verzoekt het Hof zijn standpunt te herzien.
7 Tot staving van dit verzoek betoogt de Commissie, dat artikel 90, lid 1, van het Verdrag de Lid-Staten verbiedt, met betrekking tot de openbare bedrijven en de categorieën ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, met de regels van het Verdrag strijdige maatregelen te nemen of te handhaven, en dat artikel 90, lid 3, de Commissie machtigt om algemene regels uit te vaardigen waarin de verplichtingen van de Lid-Staten jegens de in artikel 90 genoemde categorieën ondernemingen worden gepreciseerd. Die bepalingen hebben dus geen betrekking op de handelwijze van ondernemingen.
8 Dit argument kan niet worden aanvaard.
9 In de eerste plaats maken die bepalingen deel uit van de afdeling van het Verdrag met het opschrift "Regels voor de ondernemingen". Juist naar die regels verwijst artikel 3, lid 1, sub c, van het besluit van de Raad, reeds aangehaald.
10 Vervolgens zij opgemerkt, dat hoewel artikel 90, lid 1, en de algemene regels die de Commissie op grond van artikel 90, lid 3, kan uitvaardigen, de verplichtingen van de Lid-Staten omschrijven, die bepalingen niettemin betrekking hebben op de toepassing van de mededingingsregels voor ondernemingen, waar zij een verbod uitvaardigen op de vaststelling of de handhaving van regelingen van overheidswege, die van invloed zouden kunnen zijn op de toepassing van die regels op ondernemingen met een bijzonder statuut.
11 De Commissie beklemtoont nog, dat artikel 90, lid 1, van het Verdrag kan worden beschouwd als een bijzondere toepassing van artikel 5, en dat artikel 90, lid 3, hetzelfde doel nastreeft als artikel 169. Wanneer werd aangenomen, dat beroepen krachtens artikel 90 tot de bevoegdheid van het Gerecht behoren en die krachtens de artikelen 5 en 169 niet, zou dat volgens de Commissie het weinig bevredigende resultaat hebben, dat de bevoegdheid zou afhangen van de vraag, of particuliere dan wel openbare ondernemingen door de betrokken overheidsmaatregelen worden geraakt.
12 Ook dit argument moet worden verworpen.
13 Volgens artikel 3, lid 1, sub c, van het besluit van de Raad vallen beroepen op grond van artikel 90 EEG-Verdrag immers slechts onder de bevoegdheid van het Gerecht, wanneer zij krachtens artikel 173, tweede alinea, en artikel 175, derde alinea, EEG-Verdrag worden ingesteld door natuurlijke of rechtspersonen, terwijl de op grond van dat artikel door een instelling van de Gemeenschappen of een Lid-Staat ingestelde beroepen tot de bevoegdheid van het Hof blijven behoren.
14 Wanneer het Hof van Justitie vaststelt dat een beroep tot de bevoegdheid van het Gerecht behoort, verwijst het de zaak volgens artikel 47, tweede alinea, van zijn Statuut naar het Gerecht, dat zich dan niet onbevoegd kan verklaren.
15 Nu het beroep in zaak C-424/92 in al zijn onderdelen een beroep is dat door een rechtspersoon krachtens artikel 175, derde alinea, EEG-Verdrag is ingesteld tegen een instelling van de Gemeenschappen en het betrekking heeft op de toepassing van de mededingingsregels voor ondernemingen, die zijn neergelegd in het derde deel, titel I, hoofdstuk 1, eerste afdeling, van het Verdrag, moet het Hof krachtens artikel 47, tweede alinea, van zijn Statuut vaststellen, dat het beroep tot de bevoegdheid van het Gerecht behoort, en de zaak derhalve naar het Gerecht verwijzen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1) Zaak C-424/92, Ladbroke Racing Limited/Commissie van de Europese Gemeenschappen, wordt verwezen naar het Gerecht van eerste aanleg.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 3 mei 1993.
Full & Egal Universal Law Academy