Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Sociale zekerheid ° Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten ° Medisch deskundigenonderzoek ° Samenstelling van medische commissie ° Aanwijzing door instelling van arts die erkend is door verzekeraar of auteur is van eerste medisch rapport ° Toelaatbaarheid
(Ambtenarenstatuut, art. 73; Regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten, art. 19 en 23)
2. Ambtenaren ° Sociale zekerheid ° Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten ° Medisch deskundigenonderzoek ° Werking van medische commissie ° Inaanmerkingneming van eerdere medische documenten ° Beoordelingsvrijheid van medische commissie
(Ambtenarenstatuut, art. 73; Regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten, art. 23)
3. Ambtenaren ° Sociale zekerheid ° Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten ° Invaliditeit ° Graad van invaliditeit ° Vaststelling door medische commissie ° Daarvan afwijkende latere medische rapporten, overgelegd door ambtenaar ° Inaanmerkingneming met oog op besluit van tot aanstelling bevoegd gezag ° Verplichting ° Afwezigheid
(Ambtenarenstatuut, art. 73; Regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten, art. 19 en 23)
Samenvatting
1. In het kader van het stelsel van de artikelen 19 en 23 van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren tegen ongevallen en beroepsziekten, worden de belangen van de ambtenaar gewaarborgd door een dubbel onderzoek, eerst door een vertrouwensarts van de instelling en, bij gebreke van overeenstemming, door een medische commissie waarin elk van beide partijen een arts aanwijst die haar vertrouwen geniet, en waarin de derde arts in onderlinge overeenstemming door de twee andere wordt aangewezen.
Het feit dat de instelling een arts kiest die ook door haar verzekeraar is erkend, kan de belangen van de ambtenaar niet schaden. Evenmin bestaat er bezwaar tegen, dat de instelling als lid van de in artikel 23 van voornoemde regeling bedoelde medische commissie de arts aanwijst die zij had gekozen om het eerste medisch rapport op te stellen.
2. De medische commissie die zich in het kader van artikel 23 van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren tegen ongevallen en beroepsziekten met de zaak bezighoudt, heeft te beslissen, in hoeverre eerdere medische rapporten in aanmerking moeten worden genomen en andere dan de haar voorgelegde documenten moeten worden onderzocht.
Het enkele feit dat in het rapport van de medische commissie niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar medische documenten die op verzoek van de ambtenaar zijn opgesteld en waarvan deze mocht aannemen dat zij aan de medische commissie zijn voorgelegd, volstaat niet om de geldigheid van dat rapport aan te tasten, wanneer ten minste twee leden van de medische commissie van die documenten hebben kennisgenomen en de derde op de hoogte was van de gezondheidstoestand van de ambtenaar.
Een onregelmatigheid in de procedure kan in de regel slechts tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een besluit leiden wanneer vaststaat dat het besluit zonder die onregelmatigheid een andere inhoud had kunnen hebben gehad.
3. De besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag, bedoeld in artikel 19 van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren tegen ongevallen en beroepsziekten, dienen uitsluitend gebaseerd te zijn op de conclusies van de door de instelling aangewezen arts of artsen, en, in voorkomend geval, op de conclusies van de in artikel 23 van de Regeling bedoelde medische commissie. Bij het nemen van een besluit houdende vaststelling van het invaliditeitspercentage, is het tot aanstelling bevoegd gezag dus niet verplicht rekening te houden met medische rapporten die de betrokken ambtenaar heeft overgelegd nadat de medische commissie haar conclusies heeft geformuleerd. Indien deze conclusies op regelmatige wijze zijn bereikt, zijn zij als definitief te beschouwen en zijn zij niet voor betwisting vatbaar zolang geen nieuw feit aan het licht komt. Dit nieuwe feit kan niet bestaan in de aanbieding, door de belanghebbende, van medische attesten die twijfel wekken aan de conclusies van de medische commissie, maar die niets bevatten wat erop zou kunnen wijzen, dat de commissie geen kennis heeft gehad van de voornaamste gegevens van het dossier.
Partijen
In zaak T-1/92,
S. Tallarico, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Mamer (Luxemburg), vertegenwoordigd door A. Lorang, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te diens kantore, Rue Albert Ier 51,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, en D. Petersheim, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Centre européen, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het rapport van de medische commissie van 23 april 1991 en, voor zoveel nodig, van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag op verzoekers klacht, alsmede van twee besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag van 27 mei 1991,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, kamerpresident, H. Kirschner en A. Saggio, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 6 oktober 1992 en 14 januari 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 S. Tallarico is ambtenaar van het Europees Parlement. Als kind heeft hij kinderverlamming gehad, als gevolg waarvan hij blijvend gedeeltelijk invalide is. De blijvende gedeeltelijke invaliditeit (hierna: "BGI") waarom het in deze zaak gaat, staat daarvan echter geheel los.
2 Op 6 augustus 1985 raakte Tallarico bij een verkeersongeval gewond en moest hij tot 8 augustus 1985 in een ziekenhuis worden opgenomen. Het ongeval veroorzaakte verschillende kneuzingen en bloeduitstortingen, een distorsie van de ruggegraat en een fractuur van de middenhandsbeentjes van de linkerhand.
3 Op 11 januari 1988 bracht een medische commissie, ingesteld op verlangen van verzoeker conform de artikelen 21 en 23 van de krachtens artikel 73 van het Statuut vastgestelde Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten (hierna: "ongevallenregeling"), haar rapport uit. Deze commissie, bestaande uit de artsen Daro, Bleser en Lamy, concludeerde tot consolidatie vanaf 5 januari 1987 van de gevolgen van het ongeval van 6 augustus 1985, met een BGI van 3 %, de esthetische schade mede in aanmerking genomen.
4 Op 16 mei 1988 overkwam Tallarico een tweede ongeval: hij kwam te vallen en werd deswege onderzocht door de artsen De Wilde en Olinger, die pijn ten gevolge van een verstuiking van de linkerenkel en knie alsmede bloeduitstortingen vaststelden.
5 Op 20 februari 1989 deed het Parlement aan zijn personeel mededeling van een nota, die onder meer betrekking had op de aanwijzing van medische deskundigen door het tot aanstelling bevoegd gezag. Gepreciseerd werd, dat de medisch deskundigen vanaf 1 februari 1989 zouden worden aangewezen door het tot aanstelling bevoegd gezag alleen en door de verzekeraars zouden worden erkend, en niet meer andersom.
6 Op 18 augustus en 13 september 1989 werden twee nieuwe medische verklaringen aan Tallarico afgegeven, opgesteld door respectievelijk dokter Morelli en professor Hess, waarin 15 % invaliditeit ten gevolge van het ongeval van 6 augustus 1985 werd vastgesteld.
7 Na een verzoek van Tallarico van 16 oktober 1989 om heropening van het dossier betreffende zijn ongeval van 6 augustus 1985 en tot vaststelling van het consolidatierapport betreffende zijn tweede ongeval van 16 mei 1988, legde dokter De Meersman overeenkomstig artikel 19 van de ongevallenregeling aan het Parlement een medisch rapport de dato 17 januari 1990 over, dat blijkbaar pas op 13 maart daaraanvolgend bij de diensten van het Parlement is binnengekomen.
8 Dit rapport bevat een samenvatting van Tallarico' s medische antecedenten en van de omstandigheden waaronder de beide ongevallen hadden plaatsgevonden, alsmede van de verklaringen van professor Hess en dokter Morelli. Voorts bevat het een samenvatting van de stoornissen waarover Tallarico klaagt, de resultaten van zijn klinisch onderzoek en een analyse van verschillende roentgenfoto' s, waaronder enkele van 1 september 1989 en één van 5 februari 1990. Ten slotte bevat het rapport een vergelijking tussen de huidige stand van de gevolgen van het ongeval van 6 augustus 1985 en die welke zijn omschreven in het rapport van de medische commissie van 11 januari 1988. De conclusie luidt als volgt:
"Noch uit het klinisch onderzoek noch uit de recente roentgenfoto' s kan een verergering worden afgeleid van de kwetsuren omschreven in het rapport van de medische commissie van 11/01/88, dat uitging van een consolidatie op 05/01/87 met een BGI van 3 %.
(omissis)
Noch het klinisch onderzoek noch het radiologisch onderzoek hebben aan het ongeval van 16/05/88 toe te schrijven gevolgen aan het licht gebracht."
9 Overeenkomstig de artikelen 19 en 21 van de ongevallenregeling werden Tallarico op 26 maart 1990 twee ontwerp-besluiten overhandigd, gebaseerd op de conclusies van dat rapport. Overeenkomstig artikel 19, laatste streepje, verzocht Tallarico op 15 mei 1990 om raadpleging van een medische commissie.
10 Op 19 juni 1990 maakte dokter Vandresse een roentgenfoto van verzoekers linkerpols en zond hij een verslag van dit onderzoek aan dokter Di Paolantonio, vertrouwensarts van het Parlement te Brussel. Op 18 december 1990 maakte dokter Vandresse een roentgenfoto van verzoekers rechterknie. Ook van dit onderzoek werd een verslag aan dokter Di Paolantonio gezonden.
11 Het rapport van de tweede overeenkomstig artikel 23 van de ongevallenregeling ingestelde medische commissie, bestaande uit dokter De Meersman, aangewezen door verweerder, professor Hess, aangewezen door verzoeker, en professor Van der Ghinst, in onderlinge overeenstemming door de eerste twee artsen aangewezen, dateert van 23 april 1991.
12 In haar rapport komt de medische commissie unaniem tot de conclusie:
"dat er geen sprake is van verergering van de in het rapport van de medische commissie van 10/01/88 (sic) omschreven gevolgen.
De klachten betreffende de rechterknie en de nek kunnen niet worden aangerekend.
Er zijn geen gevolgen met betrekking tot het ongeval van 16/05/88.
Ongeval van 16/05/88: de kosten na de consolidatie vanaf 05/01/87 kunnen niet worden aangerekend.
Er zijn geen kosten die kunnen worden beschouwd als gevolgen voor wat betreft de linkerhand, aangezien hier geen nadelige gevolgen bestaan."
13 Het rapport verklaart tot staving van deze conclusie, dat de medische commissie Tallarico contradictoir heeft ondervraagd en onderzocht en verscheidene medische rapporten en verklaringen heeft bestudeerd, te weten:
"Met betrekking tot het ongeval van 06/08/85:
Het door dokter Lamy op 05/01/87 opgestelde consolidatierapport. Het rapport van de medische commissie van 11/01/88, ondertekend door de artsen Bleser, Lamy en Daro, dat concludeert tot consolidatie op 05/01/87 zonder dat verdere verzorging noodzakelijk is, met erkenning van een invaliditeit van 3 %. Het rapport van dokter J. De Meersman van 17/01/90, waarin deze tot de conclusie komt dat zich na het rapport van de medische commissie geen verergering van de gevolgen van genoemd ongeval heeft voorgedaan.
Met betrekking tot het ongeval van 16/05/88:
Het rapport van dokter J. De Meersman van 17/01/90, waarin deze tot de conclusie komt dat er geen sprake is van gevolgen."
Uit het rapport blijkt voorts, dat de medische commissie verzoeker klinisch heeft onderzocht en een aantal roentgenfoto' s heeft bestudeerd.
14 Op grond van dit rapport en overeenkomstig artikel 19 van de ongevallenregeling nam het tot aanstelling bevoegd gezag op 27 mei 1991 twee besluiten; in het eerste wordt vastgesteld, dat er geen sprake is van een aan het ongeval van 6 augustus 1985 toe te schrijven verergering van verzoekers gezondheidstoestand, zodat de na de consolidatie op 5 januari 1987 gemaakte kosten daaraan niet kunnen worden toegerekend (besluit nr. 005922), en in het tweede wordt vastgesteld, dat verzoeker zonder schadelijke gevolgen is genezen na zijn ongeval van 16 mei 1988 (besluit nr. 005921).
15 Op 8 juli 1991 diende Tallarico een klacht in tegen de besluiten van 27 mei. Hij stelde daarin onder meer, dat de medische commissie in haar rapport van 23 april 1991 "heeft beslist op basis van een zeer onvolledig dossier", omdat drie medische documenten, namelijk de nota van 18 december 1990 van dokter Di Paolantonio aan dokter Vandresse, twee verslagen van de radiologische onderzoeken door dokter Vandresse van 19 juni 1990 respectievelijk 18 december 1990 en twee bijbehorende roentgenfoto' s (zie r.o. 10 supra) niet aan de medische commissie waren overgelegd. Hiervoor had de instelling moeten zorgen.
16 Voorts stelde Tallarico, dat dokter De Meersmans rapport van 17 januari 1990 als "rechtens nietig en van onwaarde" moest worden beschouwd, omdat het was opgesteld slechts 24 uur nadat dokter De Meersman zelf op 16 januari 1990 had gevraagd om roentgenfoto' s van de ruggegraat, de beide knieën en de linkerenkel van Tallarico. Dat rapport zou dus niet geloofwaardig zijn, omdat het is opgesteld voordat de medische gegevens waarom de auteur zelf had gevraagd, hem waren meegedeeld.
17 Tallarico zond het Parlement op 17 oktober 1991 drie documenten ter aanvulling van zijn dossier, die op 18 oktober door het Parlement werden ontvangen. Daaronder bevond zich met name een medische verklaring van dokter Ruhland de dato 29 juli 1991, luidende dat verzoeker ten gevolge van het ongeval van 6 augustus 1985 voor 20 % invalide was, en een rapport eveneens van dokter Ruhland, van dezelfde datum, betreffende zijn ontslag uit het ziekenhuis.
18 Bij brief van 18 oktober 1991 ° de datum waarop bovengenoemde stukken bij de diensten van het Parlement waren binnengekomen ° verwierp het tot aanstelling bevoegd gezag verzoekers klacht van 8 juli 1991. In die brief stelde het Parlement onder meer, dat het niet de taak van de artsen van de medische dienst van de instelling is om stukken aan het dossier van de medische commissie toe te voegen, en dat er geen reden was om de geloofwaardigheid van dokter De Meersmans rapport in twijfel te trekken.
19 Op 21 november 1991 verzocht Tallarico opnieuw om heropening van de procedure op grond van artikel 73 van het Statuut. Dit bij het Parlement op 19 december 1991 binnengekomen verzoek werd afgewezen bij brief van 4 februari 1992. Daarin werd er met name aan herinnerd, dat een verzoek tot heropening van het dossier op grond van artikel 22 van de ongevallenregeling slechts ontvankelijk is wanneer de betrokkene een verergering van de invaliditeit aanvoert die dateert van na de datum van het onderzoek door de medische commissie, hetgeen in casu niet het geval was.
20 In tussentijd had de administratie op 25 november 1991 de op 17 oktober 1991 in het dossier opgenomen stukken aan verzoeker teruggezonden, met de mededeling dat de administratieve procedure was afgesloten.
Het procesverloop
21 Onder deze omstandigheden heeft verzoeker bij op 17 januari 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld, dat strekt tot nietigverklaring van het rapport van de medische commissie van 23 april 1991 en, voor zoveel nodig, van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag op verzoekers klacht, alsmede van de twee besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag van 27 mei 1991.
22 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft verweerder echter enkele toelichtingen gevraagd over de data van de verschillende etappes van de precontentieuze procedure; verweerder heeft de gevraagde inlichtingen bij brief van 1 oktober 1992 verstrekt.
23 Ter terechtzitting van 6 oktober 1992 hebben partijen pleidooi gehouden en vragen van het Gerecht beantwoord. Bij die gelegenheid heeft verweerder een aantal documenten overgelegd, waaronder een brief van 14 februari 1991 van de dienst sociale verzekeringen van het Parlement aan dokter De Meersman met in bijlage twee verslagen van dokter Vandresse van 19 juni en 18 december 1990.
24 Bij beschikking van 4 december 1992 heeft het Gerecht de mondelinge behandeling heropend en het Parlement verzocht mee te delen, of de onderzoekverslagen van dokter Vandresse van 19 juni en 18 december 1990 deel hadden uitgemaakt van het dossier waarover de drie artsen van de medische commissie die op 23 april 1991 rapport had uitgebracht, hadden beschikt. Verweerder heeft op 8 december 1992 een brief van 14 februari 1991 van de dienst sociale verzekeringen van het Parlement aan professor Van der Ghinst overgelegd, waarbij de twee verslagen van dokter Vandresse waren gevoegd.
25 Op 14 januari 1993 heeft een tweede terechtzitting plaatsgevonden, waarop de partijen opmerkingen hebben gemaakt over de overgelegde documenten en vragen van het Gerecht hebben beantwoord.
Conclusies van partijen
26 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
° primair, onwettig, althans van nul en generlei waarde te verklaren het rapport van de medische commissie van 23 april 1991 evenals, voor zoveel nodig, het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag op verzoekers klacht; nietig te verklaren de twee besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag van 27 mei 1991;
° subsidiair, te verklaren dat de bestreden besluiten zijn genomen in kennelijke dwaling omtrent de feiten of het recht, en bijgevolg de twee bestreden besluiten te annuleren met alle rechtsgevolgen van dien;
° meer subsidiair, een deskundigenonderzoek te gelasten om vast te stellen welk letsel verzoeker ten gevolge van de ongevallen van 6 augustus en 16 mei 1988 heeft geleden, en
° verweerder te verwijzen in de kosten van het geding.
Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
° vast te stellen dat het op de op 17 oktober 1991 doorgezonden brief van dokter Ruhland gebaseerde middel niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond is;
° het beroep wat de andere middelen betreft, te verwerpen;
° te beslissen over de kosten naar recht, in aanmerking nemende dat, waar het tot aanstelling bevoegd gezag de afwijzing van de klacht reeds duidelijk met redenen heeft omkleed, het beroep in rechte overbodig was.
De ontvankelijkheid
27 Verweerder heeft geen algemene opmerkingen over de ontvankelijkheid van het beroep. Maar omdat de verklaringen van dokter Ruhland van 29 juli 1991 eerst op 18 oktober 1991 bij het Parlement zijn ingekomen ° dezelfde dag als waarop het tot aanstelling bevoegd gezag de bestreden besluiten heeft genomen °, meent hij dat zij buiten beschouwing moeten worden gelaten. Verzoekers derde middel zou derhalve niet-ontvankelijk zijn voor zover het op die verklaringen is gebaseerd.
28 Het Gerecht is van oordeel, dat dit argument niet de ontvankelijkheid, doch de gegrondheid van verzoekers derde middel betreft. Het zal dit argument derhalve onderzoeken bij de beoordeling van de gegrondheid van het derde middel (zie hierna).
Ten gronde
29 Tot staving van zijn conclusies voert verzoeker vier middelen aan. De eerste twee hebben betrekking op de regelmatigheid van de procedure, in zoverre de deskundige belast met het opstellen van het deskundigenrapport, niet voldoende onafhankelijk was en de medische commissie over een onvolledig dossier heeft beraadslaagd. De andere twee middelen hebben betrekking op de inhoud van het rapport van de commissie: kennelijke dwaling en motiveringsgebrek.
Het gebrek aan onafhankelijkheid van de met het opstellen van het deskundigenrapport belaste deskundige
Argumenten van partijen
30 Verzoeker stelt, dat een deskundige objectief en onpartijdig moet optreden tegenover alle partijen, daaronder begrepen die welke hem heeft benoemd. Dat de geneesheer-deskundige sinds 1 februari 1989 wordt aangewezen door het tot aanstelling bevoegd gezag en door de verzekeraars wordt erkend, en niet meer andersom, heeft volgens hem tot gevolg, dat dokter De Meersman niet de nodige onafhankelijkheid bezat om een dergelijke opdracht te vervullen. De door verweerder aangevoerde rechtspraak is niet meer actueel sinds het tot aanstelling bevoegd gezag de geneesheer-deskundige aanwijst zonder voorafgaande toestemming van de verzekeraars.
31 Verweerster antwoordt, dat de geneesheer-deskundige door het tot aanstelling bevoegd gezag wordt gekozen en benoemd krachtens artikel 19 van de ongevallenregeling; deze procedure is dus door de wetgever uitdrukkelijk gewild. Bovendien voert verzoeker geen enkel bewijs aan voor zijn bewering, dat de arts bij het aanvankelijke deskundigenonderzoek niet volledig onafhankelijk is opgetreden. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof (arrest van 14 juli 1981, zaak 186/80, Suss, Jurispr. 1981, blz. 2041) wijst verweerder erop, dat de bescherming van de belangen van de ambtenaar is gewaarborgd door de aanwezigheid in de medische commissie van een arts die zijn vertrouwen geniet, en door de aanwijzing van het derde lid van deze commissie in onderlinge overeenstemming door de vertrouwensarts van de ambtenaar en de door de instelling aangewezen arts. Het enkele feit, dat het door de instelling aangewezen lid van een medische commissie ook wordt erkend door haar verzekeraar, kan de ambtenaar geen nadeel toebrengen.
Beoordeling van het Gerecht
32 Zoals verzoeker terecht heeft opgemerkt, bepalen de artikelen 19 en 23 van de ongevallenregeling uitdrukkelijk, dat de met de opstelling van het eerste medisch rapport belaste geneesheer-deskundige en een van de leden van de medische commissie door de instelling worden benoemd. Deze regeling beoogt de belangen van de ambtenaar te beschermen door een dubbel onderzoek, eerst door een vertrouwensarts van de instelling en, bij gebreke van overeenstemming, door een medische commissie waarin elk van beide partijen een arts aanwijst die haar vertrouwen geniet, en waarin de derde arts in onderlinge overeenstemming wordt aangewezen (zie laatstelijk arrest Hof van 19 januari 1988, zaak 2/87, Biedermann, Jurispr. 1988, blz. 143, r.o. 10). Voorts kan volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht het feit dat de verwerende instelling een arts heeft gekozen die ook door de verzekeringsmaatschappij is erkend, de belangen van de ambtenaar niet schaden (arrest Biedermann, reeds aangehaald, r.o. 12, en arrest Gerecht van 21 juni 1990, zaak T-31/89, Sabbatucci, Jurispr. 1990, blz. II-265, punt 3 van de samenvatting). Het Gerecht is van mening, dat de in de nota van 20 februari 1989 aangekondigde wijziging van de praktijk van het Parlement geenszins inbreuk maakt op dit beginsel. Volgens de rechtspraak van het Hof (arrest Biedermann, reeds aangehaald, r.o. 11) bestaat er geen bezwaar tegen, dat de instelling in het kader van artikel 23 van de ongevallenregeling dezelfde arts kiest als zij reeds in het kader van artikel 19 had aangewezen om het eerste medisch rapport op te stellen. Bovendien heeft verzoeker voor zijn beweringen niets aangevoerd wat het Gerecht tot de conclusie zou kunnen brengen, dat de geneesheer-deskundige in het onderhavige geval niet onpartijdig is geweest.
33 Mitsdien moet het eerste middel worden verworpen.
De onvolledigheid van het dossier waarover de medische commissie heeft beraadslaagd
34 Het Gerecht begrijpt dit middel aldus, dat het betrekking heeft op het gestelde ontbreken van drie door verzoeker genoemde medische documenten in het aan de medische commissie voorgelegde dossier. Voor zover verzoeker tevens klaagt over bepaalde gebreken van het eerder door dokter De Meersman opgestelde rapport van 17 januari 1990, zal dit punt te zamen met verzoekers derde middel worden onderzocht.
Argumenten van partijen
35 Verzoeker stelt, dat de medische commissie een nota van dokter Di Paolantonio van 18 december 1990 en twee op 19 juni en 18 december 1990 door dokter Vandresse opgestelde radiologische verslagen en kaarten niet heeft onderzocht, aangezien deze haar niet zijn voorgelegd. Het zou daarbij gaan om een roentgenonderzoek van de linkerpols op 19 juni 1990 en een onderzoek van de beide knieën op 18 december 1990. De onderzoeken hadden niet betrekking op de linkerenkel, die verzoeker bij het ongeval van 16 mei 1988 had verstuikt.
36 Volgens verzoeker had uitsluitend de dienst sociale verzekeringen van het Parlement ° en niet hijzelf ° zich ervan moeten vergewissen, dat het aan de medische commissie voorgelegde dossier compleet was; hijzelf had immers geen enkele instructie gekregen om bedoelde stukken over te leggen, en ook de door hem voor de medische commissie aangewezen arts was er niet verantwoordelijk voor. Volgens het arrest Biedermann evenwel mag de medische commissie geen uitspraak doen aan de hand van een onvolledig medisch dossier.
37 In zijn verweerschrift geeft verweerder toe, dat het door dokter Vandresse opgestelde verslag noch aan de met de opstelling van het eerste rapport belaste arts, dokter De Meersman, noch aan de medische commissie is overgelegd. De verklaring daarvan is, dat bedoelde radiologische stukken zijn opgesteld op verzoek van de medische staf van de instelling en voor deze bestemd waren. De medische staf is een eenheid die los staat van de dienst sociale verzekeringen en die niet eigener beweging intervenieert in een procedure tot vaststelling van rechten na een ongeval, waarvan het ook geen weet behoeft te hebben.
38 Volgens verweerder dient de door de ambtenaar gekozen arts na te gaan, of het dossier alle gegevens in zijn voordeel bevat. De instelling en de ambtenaar hebben immers zowel het recht als de plicht, aan de door hen aangewezen artsen alle stukken over te leggen die zij dienstig achten. Bovendien heeft verzoeker niet verklaard, in hoeverre de ontbrekende stukken in casu wijziging hadden kunnen brengen in de mening van de commissie, die trouwens volstrekt niet verplicht was om met andere dan haar eigen expertises rekening te houden.
39 Ter terechtzitting van 6 oktober 1992 heeft verweerder echter voor het eerst een brief van 14 februari 1991 (zie r.o. 23 supra) overgelegd, die, te zamen met de twee verslagen van dokter Vandresse van 19 juni en 18 december 1990, door de dienst sociale verzekeringen van het Parlement was gezonden aan dokter De Meersman. In deze brief werd gepreciseerd, dat de toegezonden stukken bestemd waren "voor het dossier van de medische commissie". Op die terechtzitting heeft verzoeker bevestigd, dat hij die stukken zelf aan de dienst sociale verzekeringen van het Parlement had verstrekt, ervan uitgaande dat deze dienst ze in het dossier van de medische commissie zou doen opnemen.
40 Later is gebleken, dat volgens een andere brief van 14 februari 1991, door verweerder overgelegd op 8 december 1992 na de heropening van de mondelinge behandeling (zie r.o. 24 supra) en die door de dienst sociale verzekeringen van het Parlement was gericht aan professor Van der Ghinst, het door de beide andere artsen te zamen aangewezen lid van de medische commissie, bedoelde stukken ook aan deze zijn toegezonden.
41 Tijdens de tweede terechtzitting op 14 januari 1993 heeft verweerder op een vraag van het Gerecht gepreciseerd, dat hij de stukken niet aan professor Hess, het door verzoeker aangewezen lid van de medische commissie, had gezonden. Verzoeker heeft bevestigd, dat ook hij deze stukken niet aan professor Hess heeft verstrekt. Met betrekking tot de roentgenfoto' s waarnaar in de verslagen van dokter Vandresse wordt verwezen, hebben partijen verklaard, dat deze door verzoeker aan de dienst sociale verzekeringen van het Parlement zijn gezonden en door deze dienst aan hem zijn geretourneerd, zonder dat nog te achterhalen valt of dit vóór of na de vergadering van de medische commissie is gebeurd. Verzoeker zelf heeft ze niet aan de medische commissie doen toekomen.
Beoordeling van het Gerecht
42 Gelet op de verklaringen van partijen tijdens de terechtzittingen, stelt het Gerecht vast, dat de twee verslagen van dokter Vandresse van 19 juni en 18 december 1990 door verzoeker zijn bezorgd aan de dienst sociale verzekeringen van het Parlement en dat deze dienst ze op 14 februari 1991 aan dokter De Meersman en professor Van der Ghinst heeft gezonden om ze in het dossier van de medische commissie te doen opnemen. Verweerder heeft in zijn verweerschrift dus ten onrechte verklaard, dat deze toezending niet heeft plaatsgevonden (zie r.o. 37 supra).
43 Onder deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat verzoeker mocht aannemen, dat die stukken in het dossier van de commissie zouden worden opgenomen. Verweerders argument, dat de medische staf van een instelling niet voor die toezending behoeft te zorgen, welk argument een der motieven voor de verwerping van de klacht was, is niet relevant voor de beslechting van het geding, omdat het niet overeenstemt met de feiten.
44 Ofschoon dus in het rapport van de medische commissie niet naar de beide verslagen van dokter Vandresse wordt verwezen, staat wel vast, dat deze stukken bij genoemde brieven van 14 februari 1991 onder de aandacht van dokter De Meersman en professor Van der Ghinst zijn gebracht.
45 Hieruit volgt, dat ten minste twee leden van de medische commissie op de hoogte waren van het bestaan van deze verslagen en de daarin vervatte mening van dokter Vandresse kenden. Het derde lid van de medische commissie, professor Hess, de door verzoeker aangewezen arts, had verzoeker reeds onderzocht en een aantal roentgenfoto' s van hem gemaakt (zie r.o. 6 supra en 54 infra). Ook wanneer bedoelde stukken niet onder zijn aandacht zouden zijn gebracht, moet hij niettemin worden geacht op de hoogte te zijn geweest van verzoekers gezondheidstoestand.
46 Onder deze omstandigheden is het feit dat in het rapport van de medische commissie van 23 april 1991 niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar de verslagen van dokter Vandresse, op zich niet voldoende om de geldigheid van dat rapport aan te tasten, te meer omdat het op de weg van de medische commissie ligt te beslissen, in hoeverre eerdere medische rapporten in aanmerking moeten worden genomen (arrest Biedermann, reeds aangehaald, r.o. 19). Ook wat de roentgenfoto' s betreft, diende de medische commissie te beslissen, welke foto' s relevant waren en of nog andere foto' s bestudeerd moesten worden.
47 Voorts kan een onregelmatigheid in de procedure in de regel slechts tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een besluit leiden, indien vaststaat dat het besluit zonder die onregelmatigheid een andere inhoud zou hebben gehad (arrest Hof van 23 april 1986, zaak 150/84, Bernardi, Jurispr. 1986, blz. 1375, r.o. 28, overgenomen uit arrest van 29 oktober 1980, gevoegde zaken 209/78-215/78 en 218/78, Van Landewyck, Jurispr. 1980, blz. 3125). Verzoeker heeft echter niets aangevoerd wat grond zou kunnen bieden voor de gedachte, dat bedoelde twee roentgenonderzoeken door dokter Vandresse de conclusies van de medische commissie hadden kunnen beïnvloeden met betrekking tot een causaal verband tussen de stoornissen waarover verzoeker klaagt, en de hem op 6 augustus 1985 en 16 mei 1988 overkomen ongevallen.
48 Voorts blijkt uit het rapport van de medische commissie, dat de drie betrokken artsen verzoeker op 23 april 1991 klinisch hebben onderzocht en bepaalde roentgenfoto' s, waarvan een van de linkerhand, hebben bestudeerd. Na dat onderzoek heeft de medische commissie vastgesteld, dat geen sprake was van verergering van de in het rapport van de medische commissie van 11 januari 1988 beschreven gevolgen en dat het ongeval van 16 mei 1988 geen gevolgen had gehad. Er zij op gewezen, dat de commissie eenstemmig tot deze conclusies is gekomen en dat ook professor Hess, de door verzoeker aangewezen arts, ermee heeft ingestemd.
49 Voorts moet worden opgemerkt, dat ook de uit de artsen Bleser, Lamy en Daro bestaande medische commissie, die het eerste rapport van 11 januari 1988 heeft opgesteld, tot de conclusie was gekomen, dat er geen sprake was van een verergering van de gevolgen van het ongeval van 6 augustus 1985 na de consolidatie op 5 januari 1987. Waar twee medische commissies, bestaande uit in totaal zes artsen (waarvan twee door verzoeker zelf aangewezen), na onderzoek van verzoeker in 1988 en wederom in 1991 eenstemmig tot deze conclusie zijn gekomen, is het Gerecht van oordeel, dat verzoeker niets naar voren heeft gebracht waaruit kan worden afgeleid dat het rapport van de medische commissie op onregelmatige wijze tot stand is gekomen. Mitsdien moet verzoekers tweede middel worden afgewezen.
De gestelde kennelijke dwaling in het rapport van de medische commissie
50 Tot staving van dit middel voert verzoeker twee argumenten aan: het rapport van dokter De Meersman van 17 januari 1990, waarop dat van de medische commissie zou berusten, zou ongeloofwaardig zijn, en de medische commissie zou hebben gedwaald ten aanzien van de feiten, hetgeen zou blijken uit de niet in aanmerking genomen rapporten van dokter Ruhland van 29 juli 1991. Deze beide argumenten moeten afzonderlijk worden onderzocht.
Eerste argument: ongeloofwaardigheid van het rapport van dokter De Meersman
Argumenten van partijen
51 Verzoeker betoogt, dat het rapport van de medische commissie grotendeels berust op dat van dokter De Meersman van 17 januari 1990. Dit laatste zou volstrekt ongeloofwaardig zijn, omdat het is opgesteld daags nadat dokter De Meersman om roentgenfoto' s had gevraagd en dus voordat hij deze kon hebben gekregen. Het rapport van 17 januari 1990 moet dus juridisch van nul en generlei waarde worden geacht. Ook indien de datum van het rapport onjuist zou zijn, zoals verweerder stelt, blijkt daaruit toch een kennelijke niet-inachtneming van de procedure. Het opstellen van een expertise vergt immers een minimum aan formalisme en nauwkeurigheid, omdat anders de geloofwaardigheid ervan ernstig wordt aangetast. Verzoeker beklaagt zich voorts over het feit, dat dokter De Meersman niet beschikte over een volledig dossier betreffende het ongeval van 6 augustus 1985 en dat het certificaat van dokter Morelli daarin onvolledig is weergegeven.
52 Verweerder wijst de kritiek op het rapport van dokter De Meersman van de hand. Hij betreurt, dat deze de datum van het rapport niet heeft gewijzigd en niet heeft aangegeven, op welke datum hij het heeft ondertekend. Hij meent echter, dat uit de verwijzing in het rapport naar het roentgenonderzoek van 5 februari 1990 blijkt, dat althans het laatste deel en de conclusies van het rapport na 17 januari 1990 zijn geschreven en dat dokter De Meersman het rapport pas heeft voltooid toen hij beschikte over de resultaten van het aanvullende roentgenonderzoek waarom hij had gevraagd. Bovendien blijkt uit het ontvangststempel van de dienst sociale zaken, dat het document op 13 maart 1990 bij het Parlement is binnengekomen.
Beoordeling van het Gerecht
53 Ter terechtzitting hebben partijen vragen van het Gerecht beantwoord over de op de bladzijden 5 en 6 van het rapport van dokter De Meersman genoemde roentgenfoto' s. Gelet op deze preciseringen en de aan de memories van partijen gehechte documenten, stelt het Gerecht het volgende vast.
54 Dokter De Meersman heeft verzoeker op 16 januari 1990 onderzocht en hem een op die dag gedateerd formulier ter hand gesteld, dat zonder nadere precisering was geadresseerd aan "Dienst radiologie". Dit formulier bevatte een verzoek om een roentgenonderzoek, met belasting, van de wervelkolom, de beide knieën en de linkerenkel. Naar verzoeker ter terechtzitting heeft verklaard, heeft hij dit formulier aan professor Hess gegeven, die al op 1 september 1989 een aantal roentgenfoto' s van hem had gemaakt. Om die reden meende professor Hess, dat ermee kon worden volstaan, één nieuwe roentgenfoto te maken en wel van de linkerenkel. Nadat dit op 5 februari 1990 was gebeurd, deed verzoeker de door professor Hess op 1 september 1989 gemaakte roentgenfoto' s en de nieuwe roentgenfoto van 5 februari 1990 aan dokter De Meersman toekomen. Verzoeker betwist niet, dat het bij de op de bladzijden 5 en 6 van het rapport van dokter De Meersman beschreven roentgenfoto' s gaat om die welke door professor Hess zijn gemaakt.
55 Het Gerecht stelt dus vast, dat het rapport van dokter De Meersman, hoewel gedateerd op 17 januari 1990, pas na 5 februari 1990 kan zijn voltooid, namelijk nadat dokter De Meersman de door professor Hess gemaakte roentgenfoto' s van verzoeker had ontvangen. Uit het erop geplaatste ontvangststempel blijkt, dat dit rapport op 13 maart 1990 bij de dienst sociale verzekeringen van het Parlement is binnengekomen.
56 Uit de verwijzing, op bladzijde 6 van dat rapport, naar het eerdere rapport van de medische commissie van 11 januari 1988 betreffende het ongeval van 6 augustus 1985 blijkt voorts dat, anders dan verzoeker stelt, dokter De Meersman dat eerdere rapport wel degelijk had ontvangen voordat hij zijn eigen rapport voltooide.
57 Uit het voorgaande volgt, dat verzoekers argument, dat dokter De Meersmans rapport is opgesteld op 17 januari 1990, daags na het klinisch onderzoek en zonder rekening te houden met de door dokter De Meersman zelf gevraagde roentgenfoto' s, moet worden verworpen. Bovendien blijkt nergens uit, dat het dossier waarover dokter De Meersman beschikte, materieel onvolledig was op het moment waarop hij zijn conclusies formuleerde.
58 Wat het certificaat van dokter Morelli betreft, heeft het Gerecht geen enkele onjuistheid in de weergave daarvan in dokter De Meersmans rapport kunnen vaststellen.
59 Al valt de verwarring omtrent de datering van dokter De Meersmans rapport te betreuren, niettemin moet, gelet op de door partijen in de loop van het geding verstrekte toelichtingen, worden vastgesteld, dat verzoeker geen bewijs heeft weten te leveren voor zijn stelling, dat dit rapport onregelmatigheden vertoont die de geldigheid ervan kunnen aantasten.
60 Mitsdien kan verzoekers argument, dat het rapport van de medische commissie berust op een rapport dat zelf ongeloofwaardig is, niet worden aanvaard.
Tweede argument: feitelijke dwaling van de medische commissie, bevestigd door de rapporten van dokter Ruhland
Argumenten van partijen
61 Verzoeker stelt, dat het rapport van de medische commissie, in zoverre het een bevestiging inhoudt van een blijvende gedeeltelijke invaliditeit van 3 %, ongeldig is wegens kennelijke dwaling omtrent de feiten, gelet op de medische rapporten van dokter Ruhland van 29 juli 1991, waarin deze tot de conclusie komt, dat het verzoeker op 6 augustus 1985 overkomen ongeval tot een invaliditeit van ten minste 20 % heeft geleid. Deze rapporten zijn aan het tot aanstelling bevoegd gezag voorgelegd op 17 oktober 1991, dus daags voordat dat gezag besloot verzoekers klacht af te wijzen. Dit besluit had kunnen worden aangehouden totdat het dossier volledig was. Doordat verzoeker de mogelijkheid werd ontnomen medische stukken over te leggen die de conclusies van de expertise tegenspraken, werd het hem tevens onmogelijk gemaakt ook maar de geringste kritiek op de expertise te formuleren. Daardoor zijn de rechten van de verdediging geschonden.
62 Volgens verweerder is dit argument niet-ontvankelijk, althans ongegrond. Verzoekers brief van 17 oktober 1991 aan de directeur-generaal Personeelszaken, begroting en financiën, waarmee hij de rapporten van dokter Ruhland verstuurde, is pas op 18 oktober 1991 bij de postdienst van het Parlement binnengekomen en kon dus niet aan het tot aanstelling bevoegd gezag worden doorgezonden voordat dit zijn besluit van 18 oktober 1991 had genomen. Het was dus onmogelijk deze documenten in aanmerking te nemen. En omdat het ging om expertises die dateerden van na de besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag van 27 mei 1991, konden zij hoe dan ook geen grond opleveren om van die besluiten terug te komen, en waren zij hooguit te beschouwen als constatering van een verergering die kon leiden tot een aangifte in de zin van artikel 22 van de ongevallenregeling. Ter terechtzitting heeft verweerder erop gewezen, dat die rapporten in het kader van een procedure tot vaststelling van een dergelijke verergering zijn onderzocht en dat verzoeker er later een antwoord op heeft ontvangen.
63 Voorts herinnert verweerder eraan, dat het rapport van de medische commissie van 23 april 1991 eenstemmig is vastgesteld op basis van een contradictoir onderzoek door drie artsen, waaronder de door verzoeker aangewezen arts. Dit sluit de mogelijkheid uit van een vergissing, die dan noodzakelijkerwijs een vergissing van die drie artsen gezamenlijk zou zijn geweest.
Beoordeling van het Gerecht
64 Het door verzoeker aangevoerde argument is tweeledig; enerzijds stelt hij, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de rapporten van dokter Ruhland in aanmerking had moeten nemen bij zijn besluit van 18 oktober 1991 om verzoekers klacht af te wijzen, en, anderzijds, dat uit deze rapporten een kennelijke vergissing van de medische commissie blijkt.
65 Vaststaat, dat de twee rapporten van dokter Ruhland zijn opgesteld na de datum van ondertekening van het rapport van de medische commissie en na de datum van de twee besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag van 27 mei 1991. Met betrekking tot de verplichtingen van het tot aanstelling bevoegd gezag in een dergelijk geval bepaalt artikel 19 van de ongevallenregeling:
"De besluiten (...) betreffende de vaststelling van de graad van blijvende invaliditeit worden overeenkomstig de in artikel 21 vervatte procedure genomen door het tot aanstelling bevoegde gezag
° op de grondslag van de conclusie van de door de instellingen aangewezen arts of artsen,
° en, indien de ambtenaar zulks verlangt, na raadpleging van de medische commissie bedoeld in artikel 23."
Eenmaal in het bezit van de rapporten van dokter De Meersman en van de medische commissie, diende het tot aanstelling bevoegd gezag zijn besluit derhalve uitsluitend te nemen op basis van die documenten, zonder rekening te hoeven houden met de later door de belanghebbende overgelegde rapporten.
66 Zelfs indien de rapporten van dokter Ruhland aan het tot aanstelling bevoegd gezag waren overgelegd voordat dit zijn besluit van 18 oktober 1991 had genomen, was het dus toch niet verplicht geweest ze in aanmerking te nemen.
67 Voorts zij eraan herinnerd, dat de conclusies van een medische commissie, die de haar gestelde vragen op regelmatige wijze heeft beantwoord, als definitief moeten worden beschouwd en niet voor betwisting vatbaar zijn zolang geen nieuw feit aan het licht komt. Dit nieuwe feit kan niet bestaan in de aanbieding, door verzoeker, van medische attesten die twijfel kunnen doen rijzen aan de conclusies van de medische commissie, maar die niets bevatten wat erop zou kunnen wijzen, dat die commissie geen kennis heeft gehad van de voornaamste gegevens van het dossier van de belanghebbende (arrest Hof van 12 juni 1980, zaak 107/79, Schuerer, Jurispr. 1980, blz. 1845, r.o. 10 en 11). De rapporten van dokter Ruhland nu bevatten niets van dien aard.
68 Uit het voorgaande volgt, dat verzoekers argument dat het rapport van de medische commissie mank gaat aan feitelijke dwaling, hetgeen zou blijken uit de niet in aanmerking genomen rapporten van dokter Ruhland, niet kan worden aanvaard.
69 Mitsdien moet verzoekers derde middel worden afgewezen.
Het gestelde motiveringsgebrek
Argumenten van partijen
70 Verzoeker stelt, dat in het rapport van de medische commissie geen begrijpelijk verband wordt gelegd tussen de medische vaststellingen en de conclusies die daaraan worden verbonden, zoals volgens vaste rechtspraak vereist is. Hij verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van 10 december 1987 (zaak 277/84, Jaensch, Jurispr. 1987, blz. 4923, r.o. 15).
71 Verweerder herinnert eraan, dat het volgens die rechtspraak niet op de weg van het Gerecht ligt, zich uit te spreken over medische beoordelingen in eigenlijke zin van de medische commissie, tenzij in haar rapport een dergelijk verband niet wordt gelegd. Het Parlement kan haar beoordeling niet in de plaats stellen van die van de artsen. Het is van mening, dat ° binnen de grenzen die de gemeenschapsrechter aan zijn toezicht heeft gesteld ° het rapport van de medische commissie niets bevat waaruit het tot aanstelling bevoegd gezag tot het bestaan van een kennelijke beoordelingsfout had kunnen besluiten.
Beoordeling van het Gerecht
72 Volgens de rechtspraak van het Hof, zoals die met name is neergelegd in bovengenoemd arrest Jaensch, is het Gerecht slechts bevoegd beslissingen van een medische commissie nietig te verklaren, wanneer de onwettigheid ervan voortvloeit uit het feit dat zij niet relevant zijn. Dienaangaande kan worden volstaan met vast te stellen dat, anders dan verzoeker zonder nadere adstructie beweert, bij lezing van het rapport van de medische commissie van 23 april 1991 niet blijkt, dat het verband tussen de medische vaststellingen en de daaraan verbonden conclusies ontbreekt.
73 Mitsdien moet ook dit middel worden afgewezen.
74 Nu bij onderzoek van verzoekers middelen niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de nietigverklaring van de betwiste besluiten of de wenselijkheid een expertise te gelasten, kunnen rechtvaardigen, moet het beroep in al zijn onderdelen worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
75 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Volgens artikel 87, lid 3, tweede alinea, van het Reglement kan het Gerecht een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, veroordelen tot vergoeding van de door haar toedoen aan de wederpartij opgekomen kosten, die naar het oordeel van het Gerecht nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt. Volgens artikel 88 van het Reglement blijven voorts in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
76 Het Gerecht stelt vast, dat verzoeker eerst in de loop van het geding uitsluitsel heeft verkregen over de vraag of bepaalde medische rapporten in aanmerking waren genomen. Verder is het verloop van de procedure vertraagd door een onjuiste verklaring van verweerder in zijn verweerschrift (zie r.o. 42 supra), ter opheldering waarvan een tweede terechtzitting noodzakelijk was. Onder deze omstandigheden en gelet op de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering, is het Gerecht van oordeel, dat verweerder een kwart van verzoekers kosten dient te dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verweerder in zijn eigen kosten en in een vierde van de kosten van verzoeker.
3) Verstaat dat verzoeker zijn overige kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy