Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Bijstandsverplichting van administratie ° Draagwijdte
(Ambtenarenstatuut, art. 24)
2. Ambtenaren ° Bezwarend besluit ° Motiveringsplicht ° Doel
(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea)
Samenvatting
1. Ofschoon artikel 24 van het Statuut allereerst de bescherming van de gemeenschapsambtenaren tegen aanvallen van derden op het oog heeft, geldt de in deze bepaling neergelegde bijstandsplicht eveneens in gevallen waarin de daarin bedoelde feiten door een ambtenaar van de Gemeenschappen worden begaan.
Wanneer de instelling geconfronteerd wordt met een incident dat in een ordelijke, serene ambtelijke sfeer geen pas geeft, moet zij met de nodige energie en met de door de omstandigheden van het concrete geval geëiste spoed en zorg optreden om de feiten te achterhalen en er, met kennis van zaken, de passende consequenties aan te verbinden.
2. De verplichting om een bezwarend besluit te motiveren heeft tot doel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het bestreden besluit en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te stellen of het besluit gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist.
Partijen
In zaak T-5/92,
S. Tallarico, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Mamer (Luxemburg), vertegenwoordigd door A. Lorang, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg te diens kantore, Rue Albert Ier 51,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, rechtsgeleerd adviseur, en M. Peter, afdelingshoofd, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 28 oktober 1991 houdende weigering om verzoeker de in artikel 24 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen bedoelde bijstand te verlenen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Biancarelli, kamerpresident, B. Vesterdorf en R. García-Valdecasas, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 11 december 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De aan het beroep ten grondslag liggende feiten
1 Verzoeker, S. Tallarico, is ambtenaar van het Europees Parlement (hierna: "Parlement") in de categorie C. Nadat hij op 1 december 1983 op basis van de bijzondere voorwaarden voor gehandicapten was aangeworven, werd hij op 2 februari 1986 aangesteld als ambtenaar in vaste dienst.
2 Blijkens de stukken staat verzoeker al een aantal jaren bloot aan kwaadwillige handelingen, die zich onder meer hebben geuit in de volgende feiten die zich hebben voorgedaan in zijn werkkamer in het gebouw van het Parlement te Luxemburg: een opengebroken lade in april 1986; vernieling van een stopcontact in april 1986; anonieme telefoontjes en beledigingen in 1986; diefstal van twee persoonlijke foto' s met hun lijsten op 13 juli 1987; diefstal van een wandtapijt op 17 juli 1987; beschadiging van drie schilderijen op 20 en 21 juli 1987; verdwijning van zijn orthopedische stoel op 5 augustus 1987; beschadiging en blokkering van het slot van de deur van zijn werkkamer op 21 december 1988 en 13 januari 1989; beschadigingen op de deur van zijn werkkamer op 5 januari 1990; verdwijning van een schrijfmachine uit zijn werkkamer op 5 november 1990.
3 Verzoeker stelt ook buiten zijn werkkamer het slachtoffer te zijn geworden van kwaadwillige handelingen: "geknoei" met de geluidsversterkers waarvoor hij zorg draagt in de gebouwen van het Parlement te Straatsburg op 11 en 12 juni 1991; beschadiging van de carrosserie van zijn voertuig op het parkeerterrein van het Parlement te Luxemburg op 27 mei en 31 oktober 1991.
4 Na elk van deze kwaadwillige handelingen stelde de veiligheidsdienst van het Parlement een onderzoek in, zoals onder meer blijkt uit de op 19 augustus 1987 door X, ambtenaar bij de directie Infrastructuur en interne diensten, aan de directeur van de veiligheidsdienst gezonden nota, de op 26 mei 1988 door de directeur van de veiligheidsdienst aan de secretaris-generaal gezonden nota, de op 24 januari 1989 door de directeur van de veiligheidsdienst aan verzoeker gezonden nota, de op 7 februari 1989 door de directeur van de veiligheidsdienst aan de secretaris-generaal gezonden nota, de op 4 oktober 1989 door de directeur-generaal Administratie aan de verantwoordelijke van de veiligheidsdienst gezonden nota en, ten slotte, de op 5 februari 1991 door de directeur van de veiligheidsdienst aan de rechtsgeleerde adviseur van het Parlement gezonden nota. Geen van deze onderzoeken leidde tot identificatie van de daders en volgens laatstgenoemde nota "leidden alle onderzoeken tot de conclusie, dat er een slechte verstandhouding bestond tussen Tallarico en zijn collega' s, en dat niet kon worden aangenomen, dat er sprake was van duidelijk misdadige handelingen". De conclusies van deze nota zijn bevestigd door een nota van de juridische dienst van 29 april 1991 aan de secretaris-generaal van het Parlement, waarin de melding wordt gemaakt van de opvattingen van de geraadpleegde personen, te weten de directeur van de veiligheidsdienst, de directeur-generaal Administratie, de raadgevende arts van de instelling en de rechtsgeleerde adviseur van het Parlement.
5 Om een einde te maken aan bovengenoemde feiten besloot het Parlement tijdens een vergadering op 30 juni 1988, waaraan de directeur van de veiligheidsdienst, een lid van de juridische dienst, een lid van het personeelscomité en verzoeker deelnamen, een aantal maatregelen te treffen. Besloten werd, dat Tallarico zich voor elk probleem dat zich zou voordoen, rechtstreeks tot het hoofd van de veiligheidsdienst kon wenden om een grondig onderzoek mogelijk te maken en de daders van de kwaadwillige handelingen te kunnen vervolgen.
6 Na een volgende vergadering, die op 13 juli 1988 werd gehouden tussen de directeur van de interne diensten en verzoeker, vergezeld van een lid van het personeelscomité, stelde het Parlement de volgende maatregelen vast: verzoeker kreeg een eigen werkkamer toegewezen, hij kreeg een sleutel waarmee hij deze werkkamer kon afsluiten, zijn interne en externe telefoongesprekken werden gecontroleerd en hij kreeg een geheim telefoonnummer toegewezen dat niet werd vermeld op de telefoonlijst van het Parlement.
7 Op 14 september 1988 onderwierp verzoeker zich op verzoek van de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën aan een onderzoek door de raadgevende arts. Na afloop van dit onderzoek verklaarde Tallarico tevreden te zijn met zijn situatie en niet geïnteresseerd te zijn in een overplaatsing.
8 In het kader van de nieuwe maatregelen van het Parlement om de incidenten te beëindigen, liet de directeur van de veiligheidsdienst de secretaris-generaal van het Parlement bij nota van 7 februari 1989 weten, dat hij, ten eerste, het personeel van de bewakingsdienst op de hoogte had gesteld, ten tweede, had gelast een "observatie- en controledienst" in te stellen door middel van veelvuldige rondes in de nabijheid van verzoekers werkkamer en, ten slotte, de hoofdinspecteur veiligheid in het gebouw speciaal had gewaarschuwd. In een interne nota aan de veiligheidsdienst van 27 september 1989 werden dezelfde maatregelen genoemd.
9 Eind 1990 werd een nieuw onderzoek ingesteld naar de situatie van Tallarico, waaraan diens hiërarchieke meerderen, de veiligheidsdienst, de juridische dienst en de raadgevende arts deelnamen. Daarbij werden verschillende incidenten vastgesteld die niet als ernstig of misdadig konden worden aangemerkt en waarvan de daders niet konden worden geïdentificeerd. Er werd eveneens vastgesteld, dat de problemen, ondanks de ten gunste van verzoeker genomen maatregelen, niet waren opgelost. Voorts werd vastgesteld, dat verzoeker buitengewoon gevoelig was, dat zijn betrekkingen met zijn collega' s slecht waren en dat zijn reactie soms niet evenredig was met feiten. Na dit onderzoek werden nieuwe maatregelen genomen:
° op suggestie van de raadgevende arts werd aan verzoeker voorgesteld zich door een specialist te laten behandelen om zijn problemen te overwinnen, hetgeen verzoeker weigerde;
° aan verzoeker werd de mogelijkheid geboden zich tot de maatschappelijk werkster en tot een lid van het kabinet van de secretaris-generaal te wenden, die hem zou ontvangen om met hem zijn eventuele wensen te bespreken.
10 Bij brief van 12 november 1990 aan het directoraat-generaal Griffie (veiligheidsdienst) van het Parlement, verzocht Tallarico krachtens artikel 24 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") om bijstand van de instelling. Bij een op 27 februari 1991 aan de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën gerichte brief verzocht hij voorts krachtens artikel 25 van het Statuut om een onderzoek naar de kwaadwillige handelingen die vóór die datum hadden plaatsgevonden. Het Parlement vatte deze brief op als een nieuw verzoek om bijstand, naast het verzoek van 12 november 1990.
11 Bij brief van 10 mei 1991 beantwoordde de secretaris-generaal van het Parlement Tallarico' s verzoek om bijstand als volgt:
"Naar aanleiding van uw verzoek heb ik de bevoegde diensten verzocht nogmaals alle feiten te onderzoeken waarvan u in uw verzoek melding maakt, alsmede alle mogelijke maatregelen te nemen om dit soort incidenten te voorkomen. De uitkomst van dit onderzoek is, dat niet kan worden gesteld, dat er in de dienst sprake is van een bedreigende of agressieve houding jegens uw persoon of goed noch dat andere preventieve maatregelen moeten worden genomen naast die welke u sinds september 1988 geniet.
Het spijt mij oprecht, dat u zich in een moeilijke psychische positie bevindt en wantrouwen koestert, maar, geloof mij, niemand in uw werkkring heeft negatieve gevoelens jegens u. Heb vertrouwen in uw collega' s, want ik ben ervan overtuigd, dat zij dit in u hebben en zullen hebben.
Ook al sta ik open voor uw verzoek, in alle openheid en eerlijkheid meen ik u eraan te moeten herinneren, dat goede betrekkingen tussen collega' s alleen op wederzijdse basis tot stand komen. Zelfs al zijn u enkele gemene streken geleverd, u mag zich niet overgeven aan die kleingeestigheden door u als slachtoffer te gedragen, maar u moet positief reageren, door de contacten met de collega' s te herstellen, in plaats van u te isoleren.
Ik wil daarom aan uw moed en openheid van geest appelleren, omdat de dingen thans nog van beperkte omvang zijn. In dit kader van wederzijdse hulp kunt u zich altijd, indien daaraan behoefte bestaat, tot onze maatschappelijk werkster wenden. De heer X van mijn kabinet is eveneens bereid u te ontvangen om uw eventuele wensen met u te bespreken.
Ik hoop dat u deze uitdaging wilt aangaan, want ik weet dat u hiertoe in staat bent. Ik heb overigens geconstateerd, dat bij alle collega' s van uw dienst de wil aanwezig is om een klimaat van vertrouwen en samenwerking te creëren, dat in elke werkgemeenschap vereist is."
12 Bij brief van 5 juli 1991 diende verzoeker een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut in. Daarin stelde hij onder meer, dat alle feiten waarvan hij het slachtoffer was geworden, door de veiligheidsdienst op schrift waren gesteld, en dat hij de conclusie van de secretaris-generaal, volgens welke zijn klacht ongegrond was, niet kon aanvaarden. Hij stelde vast, dat geen enkel onderzoek was ingesteld om de daders van de herhaalde kwaadwillige handelingen jegens hem op te sporen, en dat zijn wil om met de instelling samen te werken blijkt uit het feit, dat hij de veiligheidsdienst van elke kwaadwillige handeling jegens hem op de hoogte heeft gesteld. De conclusie van de secretaris-generaal getuigt zijns inziens van de vaste wil de schuldigen niet op te sporen.
13 Bij nota van 28 oktober 1991 wees de secretaris-generaal van het Parlement verzoekers klacht af en bevestigde hij de inhoud van zijn reeds genoemde brief van 10 mei 1991, waarnaar hij uitdrukkelijk verwees.
Het procesverloop en de conclusies van partijen
14 Onder deze omstandigheden heeft verzoeker bij op 29 januari 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
15 Verzoeker concludeert, dat het Gerecht behage:
° het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
° vast te stellen dat het Parlement de krachtens artikel 24 van het Statuut op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
° het Parlement te gelasten, hem bijstand te verlenen "in verband met de bedreigingen en vergrijpen tegen persoon en goed, waaraan hij blootstaat";
° het Parlement te veroordelen om hem het bedrag van 1 ECU te betalen als vergoeding voor zijn morele schade;
° het Parlement in alle kosten te verwijzen.
16 Het Parlement concludeert, dat het Gerecht behage:
° het beroep niet-ontvankelijk, althans ongegrond, te verklaren;
° over de kosten te beslissen als naar recht.
17 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft het Parlement echter verzocht alle stukken over het onderzoek bedoeld in het antwoord van de secretaris-generaal van 10 mei 1991 op Tallarico' s verzoek om bijstand over te leggen alsmede, in voorkomend geval, de stukken betreffende elk ander onderzoek dat voordien naar Tallarico' s situatie zou zijn ingesteld. Ter voldoening aan dit verzoek heeft het Parlement op 23 november 1992 een aantal documenten overgelegd.
18 Op 3 december 1992 heeft verzoeker zijn opmerkingen over de door het Parlement overgelegde stukken ingediend.
19 Ter terechtzitting van 11 december 1992 zijn de vertegenwoordigers van partijen in hun pleidooien en antwoorden op de door het Gerecht gestelde vragen gehoord.
20 Na afloop van de terechtzitting heeft de president van de Derde kamer de mondelinge behandeling geschorst teneinde partijen de gelegenheid te geven tot een minnelijke schikking van het geding te komen.
21 Bij brief van 12 februari 1993 deelde het Parlement het Gerecht mee, dat de pogingen om tot een minnelijke schikking van het geding te komen geen resultaat hadden opgeleverd, omdat verzoeker hiermee niet instemde en in het kader van het gezochte compromis om een financiële vergoeding en om bevordering naar de categorie B had verzocht.
22 Bij brief van 15 februari 1993, aangevuld bij een nieuwe brief van 25 februari 1993, deelde verzoeker het Gerecht mee, dat een minnelijke schikking van het geding niet alleen uit financiële overwegingen niet mogelijk was geweest, maar ook omdat partijen het niet eens waren geworden over de formulering van de minnelijke schikking. Hij bevestigde eveneens, dat hij op 7 januari 1993 bij het Parlement een verzoek om schadevergoeding had ingediend, dat, ofschoon ingediend in het kader van een globale regeling, buiten het kader van het voor het Gerecht aanhangige geding viel.
23 Onder deze omstandigheden is de mondelinge behandeling op 17 februari 1993 gesloten.
De conclusies strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 28 oktober 1991 houdende weigering om verzoeker de in artikel 24 van het Statuut bedoelde bijstand te verlenen
24 Tot staving van deze conclusies voert verzoeker twee middelen aan, te weten ontoereikende motivering van de besluiten van de secretaris-generaal van 10 mei en 28 oktober 1991 en schending van artikel 24 van het Statuut. Aangezien deze twee middelen nauw met elkaar zijn verbonden, acht het Gerecht het juist deze gezamenlijk te onderzoeken.
Argumenten van partijen
25 Verzoeker betoogt, dat het Parlement zich in zijn besluit van 28 oktober 1991 houdende afwijzing van zijn klacht, uitsluitend baseert op de inhoud van de in antwoord op zijn verzoek van 12 november 1990 gedane mededeling van 10 mei 1991. Deze mededeling, volgens welke niet kan worden gesteld, dat er in de dienst sprake is van een bedreigende of agressieve houding jegens verzoeker, legt echter niet uit waarom de kwaadwillige handelingen die door de daartoe bevoegde functionarissen naar behoren zijn vastgesteld, in werkelijkheid niet zouden bestaan. Het antwoord van het Parlement biedt hem niet de mogelijkheid het tegenbewijs te leveren en zijn verweermiddelen aan te voeren.
26 Verzoeker stelt voorts, dat de kwaadwillige handelingen waarvan hij het slachtoffer is geweest, door de veiligheidsdienst van het Parlement nauwkeurig zijn aangetoond en vastgesteld. Met zijn oordeel dat de bij hem ingediende klacht ongegrond was, zou de secretaris-generaal van het Parlement derhalve een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt. Aangezien de bevoegde diensten hadden vastgesteld, dat de gewraakte feiten, die binnen de werkingssfeer van artikel 24 van het Statuut vielen, zich daadwerkelijk hadden voorgedaan, diende het Parlement de nodige maatregelen te nemen om zijn bescherming te verzekeren. Het Parlement heeft geen enkel concreet voorstel gedaan om het probleem doeltreffend op te lossen en zijn secretaris-generaal heeft zich tevredengesteld met een algemene betwisting van de kwaadwillige handelingen waaronder hij te lijden had gehad. Het Parlement is derhalve de in artikel 24 van het Statuut genoemde bijstandsplicht niet nagekomen.
27 Dat de door het Parlement aangedragen oplossingen onvoldoende waren om zijn situatie te verbeteren, kan hem, verzoeker, niet worden aangerekend. De instelling dient immers nieuwe voorstellen te doen om de situatie het hoofd te bieden en het gaat niet aan, dat zij het slachtoffer vraagt hierin te berusten.
28 Het Parlement stelt, dat het beroep alleen dan als gegrond kan worden aangemerkt, indien de instelling haar zorgplicht jegens verzoeker niet is nagekomen. De instelling heeft echter herhaaldelijk pogingen gedaan om Tallarico te helpen. In dit verband geeft het Parlement een opsomming van alle door hem genomen en hierboven (r.o. 4-9) genoemde maatregelen. Voorts is elke door verzoeker gemelde kwaadwillige handeling onmiddellijk door de veiligheidsdienst onderzocht en hebben zijn hiërarchieke meerderen, de verantwoordelijken van de administratie en de raadgevende arts hem verschillende keren ontvangen om zijn klachten aan te horen en zijn situatie te onderzoeken. Het Parlement meent derhalve, dat het volledig aan zijn zorgplicht heeft voldaan, en dat het zelfs meer heeft gedaan dan een ambtenaar, zelfs in een moeilijke situatie, van hem mag verwachten. Artikel 24 van het Statuut voorziet in een op het beginsel van de zorgplicht gebaseerde bescherming van de ambtenaar, dat wil zeggen dat het tot aanstelling bevoegd gezag alle ambtenaren als een "bonus pater familias" moet behandelen. Het Parlement meent in ruime mate aan deze verplichting te hebben voldaan.
Beoordeling door het Gerecht
29 Volgens artikel 24, eerste alinea, van het Statuut "verlenen de Gemeenschappen bijstand aan de ambtenaar, inzonderheid bij rechtsvervolgingen van hen die zich hebben schuldig gemaakt aan bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen, smaad of vergrijpen tegen persoon of goed, waaraan hijzelf of de leden van zijn gezin uit hoofde van zijn hoedanigheid en functie blootstaan".
30 Volgens vaste rechtspraak geldt de in artikel 24 omschreven bijstandsplicht, ofschoon deze bepaling, inzonderheid de eerste alinea ervan, allereerst de bescherming van de ambtenaren der Gemeenschappen tegen aanvallen van derden op het oog heeft, ook voor gevallen waarin de in deze bepaling bedoelde feiten door een andere ambtenaar van de Gemeenschappen worden begaan (zie arresten Hof van 14 juni 1979, zaak 18/78, V., Jurispr. 1979, blz. 2093, r.o. 15, en 17 december 1981, zaak 178/80, Bellardi-Ricci e.a., Jurispr. 1981, blz. 3187, r.o. 23).
31 Uit deze rechtspraak volgt eveneens, dat wanneer de instelling geconfronteerd wordt met een incident dat in een ordelijke, serene ambtelijke sfeer geen pas geeft, zij met de nodige energie en met de door de omstandigheden van het concrete geval geëiste spoed en zorg moet optreden om de feiten te achterhalen en er, met kennis van zaken, de passende consequenties aan te verbinden.
32 Derhalve moet worden onderzocht of het Parlement in deze zaak, gelijk verzoeker stelt, heeft nagelaten de voor de omstandigheden van het geval geëigende maatregelen te nemen, en dus is tekortgeschoten in de in artikel 24 van het Statuut bedoelde bijstandsplicht.
33 Het Gerecht stelt vast, dat uit de stukken blijkt, dat het Parlement, geconfronteerd met de kwaadwillige handelingen waaraan verzoeker blootstond, een aantal maatregelen heeft genomen om de daders van deze handelingen te identificeren, te voorkomen dat de handelingen zouden voortduren, en verzoeker gerust te stellen, namelijk:
° de opstelling van een proces-verbaal door de veiligheidsdienst en het instellen van een onderzoek na elke door verzoeker gemelde kwaadwillige handeling;
° het intensiveren van de waakzaamheid op de verdieping waar verzoekers werkkamer zich bevindt, door meer surveillancerondes te laten uitvoeren en door het personeel van de bewakingsdienst op de hoogte te brengen van verzoekers bijzondere geval;
° de talrijke vergaderingen tussen de betrokkene en de verantwoordelijken van de administratie en de veiligheidsdienst van de instelling om onderzoeken in te stellen en de schuldigen te identificeren;
° de mogelijkheid voor verzoeker om zich op elk ogenblik tot de directeur van de veiligheidsdienst, een lid van het kabinet van de secretaris-generaal en de sociale dienst van de instelling te wenden;
° de toewijzing van een eigen werkkamer die door de betrokkene kan worden afgesloten;
° het controleren van de telefoongesprekken door de centrale en vervolgens, gelet op de ondoeltreffendheid van deze maatregel, de toewijzing van een geheim telefoonnummer;
° het aanbod van overplaatsing.
34 Onder deze omstandigheden en gelet op de aard en de omvang van de kwaadwillige handelingen is het Gerecht van oordeel, dat alle hierboven genoemde maatregelen van het Parlement als evenredig met en geëigend voor de omstandigheden van het onderhavige geval moeten worden beschouwd. Deze maatregelen waren er immers zoveel als mogelijk op gericht de daders van de kwaadwillige handelingen te identificeren, te voorkomen dat deze handelingen weer zouden plaatsvinden en verzoeker nieuwe moed in te spreken. Juist deze benadering komt naar voren in de brieven van de secretaris-generaal van 10 mei en 28 oktober 1991. Hieruit volgt, dat het Parlement niet is tekortgeschoten in de krachtens artikel 24 van het Statuut op hem rustende bijstandsplicht.
35 Wat de motivering van het besluit van 28 oktober 1991 betreft, zij opgemerkt, dat dit besluit uitdrukkelijk is gemotiveerd met een verwijzing naar het antwoord van de secretaris-generaal van 10 mei 1991 op Tallarico' s verzoek. Volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht heeft de verplichting om een bezwarend besluit te motiveren tot doel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het besluit, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te stellen of het besluit gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid ervan kan worden betwist (arrest Hof van 26 november 1981, zaak 195/80, Michel, Jurispr. 1981, blz. 2861; arrest Gerecht van 21 oktober 1992, zaak T-23/91, Maurissen, Jurispr. 1992, blz. II-2377).
36 In casu volstaat de vaststelling, dat in het bestreden besluit ° anders dan verzoeker stelt en ook al wordt daarin op algemene wijze geconcludeerd, dat er "in de dienst geen sprake is van een bedreigende of agressieve houding" ° niet wordt ontkend, dat de door verzoeker aangevoerde kwaadwillige handelingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, wordt geprobeerd verzoeker moed in te spreken, en wordt verklaard, dat alle maatregelen die nodig zijn om herhaling van dergelijke handelingen te voorkomen, reeds zijn genomen. Verder heeft verzoeker met kennis van zaken de wettigheid van het bestreden besluit kunnen betwisten door daartegen al zijn middelen en argumenten aan te voeren, en is de gemeenschapsrechter in staat geweest zijn wettigheidscontrole volledig uit te oefenen. Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het besluit van 10 mei 1991 en dus ook het besluit van 28 oktober 1991 het door verzoeker gestelde motiveringsgebrek niet vertonen.
De conclusies strekkende tot veroordeling van het Parlement tot betaling aan verzoeker van het bedrag van 1 ECU als vergoeding voor morele schade
37 Het Gerecht kan volstaan met de vaststelling dat, zoals hierboven gezegd, de besluiten van 10 mei en 28 oktober 1991 geen enkele onwettigheid vertonen die een dienstfout van het Parlement oplevert waardoor het gerechtvaardigd zou zijn het Parlement te veroordelen tot vergoeding van de door verzoeker gestelde morele schade. Aangezien verzoeker zijn conclusies strekkende tot schadevergoeding alleen op de onwettigheid van deze besluiten baseert, moeten zij in elk geval worden afgewezen.
De conclusies ertoe strekkende dat het Gerecht het Parlement gelast verzoeker bijstand te verlenen
38 Volgens vaste rechtspraak kan het Gerecht in het kader van zijn wettigheidstoetsing de communautaire autoriteiten geen bevelen geven en zijn beslissing niet in de plaats stellen van die van deze autoriteiten (zie, laatstelijk, arrest Gerecht van 16 maart 1993, gevoegde zaken T-33/89 en T-74/89, Blackman, Jurispr. 1993, blz. II-249). Deze conclusies moeten derhalve in elk geval niet-ontvankelijk worden verklaard.
39 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de door het Parlement opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
40 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, indien zulks is gevorderd. Volgens artikel 88 van hetzelfde reglement blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, echter te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy