Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Persoonsdossier ° Te laat opbergen van beoordelingsrapport ° Dienstfout die immateriële schade veroorzaakt
(Ambtenarenstatuut, art. 26)
Samenvatting
Het te late opbergen van een beoordelingsrapport in het persoonsdossier van een ambtenaar levert een dienstfout op wanneer de ambtenaar niet in belangrijke mate aan deze vertraging heeft bijgedragen. Immers, wanneer een beoordelingsrapport wel is vastgesteld, maar in strijd met artikel 26 van het Statuut niet in het persoonsdossier is opgenomen, kunnen degenen die advies moeten uitbrengen of beslissingen moeten nemen over het carrièreverloop van de betrokken ambtenaar, geen rekening houden met deze belangrijke beoordelingsfactor, met name in het kader van een bevorderingsprocedure.
Een dergelijke vertraging doet recht ontstaan op vergoeding van de immateriële schade die is geleden door de ambtenaar, wiens kansen op bevordering of overplaatsing naar verschillende vacatures zijn bedorven door het ontbreken van een beoordelingsrapport in zijn persoonsdossier op het moment dat zijn sollicitatie wordt onderzocht, wanneer niet is aangetoond, dat het ontbreken hiervan werd gecompenseerd door het bestaan van gelijkwaardige informatie over de verdiensten van de betrokkene, en geen enkele bijzondere omstandigheid de vertraging van de administratie kan rechtvaardigen.
Bij de begroting ex aequo et bono van de immateriële schade moet er rekening mee worden gehouden, dat de kansen voor de betrokkene op bevordering of overplaatsing in de toekomst wegens zijn leeftijd beperkt zijn.
Partijen
In zaak T-13/92,
A. M. Moat, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, aanvankelijk vertegenwoordigd door E. Moons, vervolgens door L. Govaert, advocaten te Brussel, en ter terechtzitting door I. Forrester, QC, advocaat bij de Schotse balie, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Dupong, Rue des Bains 14A,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur Th. F. Cusack als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot vergoeding van de schade die verzoeker zou hebben geleden doordat de hem betreffende beoordelingsrapporten te laat in zijn persoonsdossier zijn opgenomen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. P. M. Barrington, kamerpresident, R. Schintgen en K. Lenaerts, rechters,
griffier: L. Kintzelé-Prussen, referendaris
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 17 december 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoeker, A. M. Moat, is sinds 1974 ambtenaar in de rang A4 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Commissie"). In zijn beoordelingsrapporten over de jaren 1981-1983 en 1983-1985 wordt in lovende bewoordingen gesproken over zijn leidinggevende capaciteiten en wordt zijn bevordering aanbevolen.
2 In de tweede helft van 1989 en 1990 solliciteerde verzoeker op 24 kennisgevingen van vacature, doch in geen van die gevallen viel de keuze op hem.
3 Op 19 oktober 1989 ondertekende verzoeker zijn beoordelingsrapport over de periode van 1 juli 1985 tot 30 juni 1987, dat hij op zijn vroegst op 12 oktober 1989 had ontvangen. Op 24 juli 1990 ondertekende hij zijn beoordelingsrapport over de periode van 1 juli 1987 tot 30 juni 1989, dat hem op zijn vroegst op 19 juli 1990 was overhandigd.
4 Op 9 augustus 1990 ontdekte verzoeker, dat zijn beoordelingsrapporten over de periode na 30 juni 1985 niet in zijn persoonsdossier waren opgenomen. Bij schrijven van 10 augustus 1990 bracht hij dit feit ter kennis van de secretaris-generaal van de Commissie en vroeg hij hem, of de benoemingen die intussen hadden plaatsgevonden, geldig waren.
5 In zijn antwoord van 29 oktober 1990 erkende de secretaris-generaal van de Commissie, dat er vertraging was opgetreden bij het opbergen van de documenten in de persoonsdossiers, en verklaarde hij, dat er verbetering in deze situatie was gekomen. Hij voegde eraan toe, dat zowel de directeur-generaal die voor zijn beoordelingsrapporten verantwoordelijk was, als het Raadgevend comité benoemingen over het curriculum vitae van verzoeker beschikten, zodat zij steeds in staat waren geweest, de sollicitaties van verzoeker te onderzoeken en ze met die van de andere kandidaten te vergelijken.
6 Bij brief van 14 maart 1991 diende verzoeker een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut in. Deze brief werd op 20 maart 1991 per abuis ingeschreven als een klacht en niet als een verzoek. Hij herinnerde eraan, dat zijn beoordelingsrapporten niet in zijn persoonsdossier waren opgenomen, en onder verwijzing naar de arresten van het Gerecht van 24 januari 1991 (zaak T-63/89, Latham, en zaak T-27/90, Latham, Jurispr. 1991, blz. II-19 resp. II-35) vorderde hij een exemplarische schadevergoeding overeenkomstig die welke het Gerecht in voornoemde zaken had toegekend, ongetwijfeld, aldus verzoeker, om de Commissie ertoe te brengen, "orde op zaken te stellen". Na te hebben gepreciseerd, dat het hem niet te doen was om annulering van de diverse aanstellingen die inmiddels hadden plaatsgevonden, eindigde hij met de Commissie te verzoeken om een schadeloosstelling van 150 000 BFR wegens haar verzuim zijn persoonsdossier bij te houden zoals het Ambtenarenstatuut dat vereist, en haar daaruit voortvloeiend verzuim zijn sollicitaties naar verschillende ambten niet serieus in overweging te nemen.
7 Op 19 juli 1991 diende verzoeker een klacht krachtens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut in tegen de stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek van 14 maart 1991.
8 Op die klacht werd door de Commissie niet gereageerd.
9 Op 9 oktober 1991 stelde verzoeker beroep in tegen de stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek van 14 maart 1991. Dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard bij beschikking van het Gerecht van 22 mei 1992 (zaak T-72/91, Moat, Jurispr. 1992, blz. II-1771), op grond dat het prematuur was, daar verzoeker het antwoord van de Commissie op zijn klacht van 19 juli 1991 niet had afgewacht. De hogere voorziening die verzoeker tegen deze beschikking heeft ingesteld, is afgewezen bij beschikking van het Hof van 1 februari 1993 (zaak C-318/92 P, Moat, Jurispr. 1993, blz. I-481).
Het procesverloop
10 Onder deze omstandigheden heeft verzoeker bij op 17 februari 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden, doordat de hem betreffende beoordelingsrapporten te laat in zijn persoonsdossier zijn opgenomen.
11 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
2) de hem bezwarende besluiten nietig te verklaren;
3) de Commissie te veroordelen om hem 150 000 BFR schadevergoeding te betalen wegens haar verzuim zijn persoonsdossier bij te houden zoals het Ambtenarenstatuut dat vereist, en wegens haar daaruit voortvloeiend verzuim zijn sollicitaties naar verschillende ambten niet serieus in overweging te nemen.
12 Ter terechtzitting heeft verzoeker voorts geconcludeerd tot verwijzing van verweerster in de kosten.
13 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
1) over de ontvankelijkheid van het beroep te beslissen krachtens zijn bevoegdheid ex artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering;
2) het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
3) het beroep ongegrond te verklaren en te verwerpen;
4) te beslissen over de kosten naar recht.
14 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
15 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 december 1992. De vertegenwoordigers van partijen zijn gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op vragen van het Gerecht. Het Gerecht heeft akte genomen van de afspraak tussen partijen, dat verweerster een document overlegt met de data waarop het Raadgevend comité benoemingen de sollicitaties naar de in verzoekers repliek genoemde ambten heeft onderzocht, en de data waarop in deze ambten is voorzien, en heeft verweerster tot 15 januari 1993 de tijd gegeven om dat document over te leggen.
16 Op 18 februari 1993 heeft de president de mondelinge behandeling gesloten verklaard.
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
17 Verweerster concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het beroep, op grond dat verzoeker schadevergoeding vordert enkel op basis van een gestelde dienstfout van de administratie, zonder zich te beroepen op het bestaan van een eventuele specifieke schade of aan te geven of het om materiële of immateriële schade gaat, en zonder nadere aanduidingen om de omvang ervan te kunnen bepalen. Voorts is het enige belang waarop verzoeker zich beroept, het verkrijgen van een "exemplarische" schadevergoeding, zonder verdere precisering.
18 Het onderhavige beroep verschilt volgens verweerster van het beroep dat tot het arrest Latham heeft geleid, waarin het Gerecht schadevergoeding heeft toegekend voor de door een dienstfout van de Commissie geleden immateriële schade en geen "exemplarische schadevergoeding", zoals verzoeker stelt.
19 Verzoeker antwoordt, dat de argumenten van verweerster tot staving van haar middel van niet-ontvankelijkheid geen betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het beroep, maar op de grond ervan.
Beoordeling door het Gerecht
20 Het Gerecht merkt vooraf op, dat verzoeker ter terechtzitting afstand heeft gedaan van zijn conclusies tot nietigverklaring van de bezwarende handelingen.
21 Hieruit volgt, dat het onderhavige beroep een beroep tot schadevergoeding is, waarin enkel vergoeding wordt gevorderd van de schade die verzoeker zou hebben geleden door de verwijtbare vertraging waarmee de Commissie twee hem betreffende beoordelingsrapporten heeft opgeborgen.
22 Dienaangaande stelt het Gerecht vast, dat het beroep tegen een verzuim dat bezwarend kon zijn, is ingesteld binnen de in artikel 91, lid 3, Ambtenarenstatuut gestelde termijn na een volledige precontentieuze procedure, en dat de argumenten van de Commissie, volgens welke verzoeker slechts een "exemplarische" schadevergoeding vordert en de aard van de gestelde schade niet preciseert, verband houden met het bestaan en het bewijs van de gestelde schade en dus de grond van de zaak betreffen, waarmee zij te zamen moeten worden onderzocht.
23 Bijgevolg is het beroep ontvankelijk.
Ten gronde
De dienstfout
Argumenten van partijen
24 Verzoeker betoogt, dat de Commissie, door het persoonsdossier van een ambtenaar niet bij te houden ° dat wil zeggen door zijn beoordelingsrapport niet in zijn persoonsdossier op te nemen °, artikel 26 Ambtenarenstatuut heeft geschonden en deze ambtenaar aldus schade heeft berokkend (zie arrest Gerecht van 5 december 1990, zaak T-82/89, Marcato, Jurispr. 1990, blz. II-735). Volgens de rechtspraak van het Gerecht (zie arrest Latham, reeds aangehaald) is het beoordelingsrapport een belangrijk document wanneer beslissingen over het carrièreverloop van een ambtenaar worden genomen, en heeft de Commissie de verplichting ervoor te zorgen, dat de beoordelingsrapporten binnen een redelijke termijn in het persoonsdossier worden opgenomen.
25 Het verzuim om het persoonsdossier van een ambtenaar bij te houden, is aan te merken als schending van artikel 45 Ambtenarenstatuut, volgens hetwelk de rapporten bij de beslissing over bevorderingen moeten worden geraadpleegd.
26 Verzoeker stelt, dat de schending van deze bepalingen van het Ambtenarenstatuut in casu een aan de Commissie toe te rekenen dienstfout heeft opgeleverd.
27 Om de ernst van de fout van de Commissie te beklemtonen, heeft hij in repliek en ter terechtzitting gewezen op de late vaststelling van zijn beoordelingsrapporten, wat men in feite nog moet optellen bij de vertraging waarmee die rapporten in het persoonsdossier zijn opgenomen.
28 Verweerster erkent, dat er een vertraging van bijna een jaar was ontstaan bij het opbergen van verzoekers beoordelingsrapport over de periode van 1 juli 1985 tot 30 juni 1987, en een vertraging van drie maanden bij het opbergen van het beoordelingsrapport over de periode van 1 juli 1987 tot 30 juni 1989, maar zij stelt, dat de enkele niet-naleving van de artikelen 26 en 45 Ambtenarenstatuut geen recht op financiële compensatie kan doen ontstaan.
29 Het beroep dat verzoeker in repliek doet op de vertraging bij de vaststelling van zijn beoordelingsrapporten, is aan te merken als een nieuw middel, dat ingevolge artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door het Gerecht
30 Het Gerecht stelt om te beginnen vast dat, voor zover het beroep is gebaseerd op vertraging bij de vaststelling van verzoekers beoordelingsrapporten, en niet bij het opbergen ervan in het persoonsdossier, het berust op een nieuw middel dat voor het eerst in repliek is voorgedragen, zonder dat het berust op gegevens rechtens waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Vaststaat immers, dat verzoeker reeds vóór de instelling van zijn beroep wist van de vertraging bij de vaststelling van zijn beoordelingsrapporten.
31 Dit is mitsdien een nieuw middel in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat bijgevolg niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
32 Tussen partijen staat vast, dat verzoekers beoordelingsrapporten over de periodes 1985-1987 en 1987-1989 veel te laat in zijn persoonsdossier zijn opgenomen. Het eerste rapport, vastgesteld op 19 oktober 1989, is eerst op 29 oktober 1990 in het persoonsdossier opgenomen, dus ongeveer een jaar later dan volgens de regels die de Commissie zichzelf heeft gesteld, het geval had moeten zijn. Het tweede rapport, opgesteld op 24 juli 1990, is op dezelfde dag als het voorgaande opgeborgen, dus met een vertraging van ongeveer drie maanden.
33 Volgens de rechtspraak van het Gerecht levert het feit dat het beoordelingsrapport van een ambtenaar niet binnen de door het Statuut gestelde termijn is vastgesteld, een dienstfout op wanneer de ambtenaar niet in belangrijke mate aan het ontstaan van de vertraging heeft bijgedragen (zie laatstelijk arrest Gerecht van 10 juli 1992, zaak T-68/91, Barbi, Jurispr. 1992, blz. II-2127, r.o. 45). Het Gerecht is van oordeel, dat hetzelfde geldt voor de vertraging bij het opbergen van het beoordelingsrapport van een ambtenaar in zijn persoonsdossier. Immers, wanneer een beoordelingsrapport wel is vastgesteld, maar in strijd met artikel 26 van het Statuut niet in het persoonsdossier is opgenomen, kunnen degenen die adviezen moeten uitbrengen of beslissingen moeten nemen over het carrièreverloop van de betrokken ambtenaar, geen rekening houden met deze belangrijke beoordelingsfactor, met name in het kader van de toepassing van artikel 45 van het Statuut.
34 Bijgevolg heeft de Commissie, door verzoekers beoordelingsrapporten over de periodes 1985-1987 en 1987-1989 veel te laat in zijn persoonsdossier op te nemen, een dienstfout begaan waarvoor zij aansprakelijk kan worden gesteld indien blijkt dat verzoeker daardoor schade heeft geleden.
De schade en het causaal verband
Argumenten van partijen
35 Verzoeker stelt, dat de door hem aan de kaak gestelde fout hem schade heeft berokkend, aangezien tal van besluiten die invloed konden hebben op de ontwikkeling van zijn loopbaan, hoogstwaarschijnlijk zijn genomen zonder dat men kennis had van de uitvoerige positieve beoordelingen door zijn meerderen in zijn beoordelingsrapporten. Verzoeker verklaart in dit verband, dat hij tussen 1 september 1989 en 30 oktober 1990 naar 24 vacatures heeft gesolliciteerd. De schade die hij door die fout heeft geleden, is bijzonder groot, omdat hij ten minste sinds 1981 op een bevordering wacht en herhaaldelijk zijn wens tot overplaatsing kenbaar heeft gemaakt. Deze situatie heeft bij hem veel psychische spanning teweeggebracht, zoals uit verschillende medische attesten blijkt. Deze spanning was nog verergerd, toen hij in 1990 ontdekte, dat de Commissie zijn laatste twee beoordelingsrapporten niet in zijn persoonsdossier had opgenomen.
36 Wat de immateriële dan wel materiële aard van de schade betreft, betoogt verzoeker, dat men ermee kan volstaan vast te stellen dat er schade is, zonder dat behoeft te worden aangegeven of het om materiële dan wel immateriële schade gaat.
37 Ter terechtzitting heeft verzoeker gepreciseerd, dat de schade waarvan hij vergoeding vordert, zowel gelegen is in het feit dat hij kansen op overplaatsing of bevordering heeft verloren, als in zijn teleurstelling omdat hij niet is overgeplaatst naar een ander ambt van dezelfde rang of bevorderd naar een hogere rang. Zijn schadevordering strekt enkel tot herstel van de immateriële schade die voor hem voortvloeit uit het feit dat hij geen genoegdoening heeft gekregen, zoals uit het bedrag van de gevorderde vergoeding blijkt.
38 Ter terechtzitting heeft verzoeker het Gerecht voorts nog verzocht, bij de begroting van zijn schade rekening te houden met zijn leeftijd, daar zijn kansen om alsnog te worden bevorderd of overgeplaatst, van jaar tot jaar kleiner worden.
39 Verweerster antwoordt, dat hoewel verzoeker van immateriële schade spreekt, hij in feite vergoeding vordert van de materiële schade die zou zijn ontstaan doordat hij niet is bevorderd. Zelfs indien het late opbergen van verzoekers beoordelingsrapporten een dienstfout zou zijn, kan niet worden geconcludeerd, dat verzoekers loopbaanvooruitzichten daardoor zijn geschaad, en kan nog minder de omvang van de eventueel geleden schade worden bepaald. Bijgevolg heeft verzoeker geen causaal verband aangetoond tussen het late opbergen van zijn beoordelingsrapporten en het feit dat hij niet is bevorderd of overgeplaatst. Volgens vaste rechtspraak is een dergelijk causaal verband een noodzakelijke voorwaarde voor een vordering tot schadevergoeding (zie arrest Latham, reeds aangehaald).
40 Met betrekking tot de rechtspraak die verzoeker tot staving van zijn beroep heeft aangevoerd (arresten in de zaken T-63/89 en T-27/90, Latham, reeds aangehaald), merkt verweerster op, dat de feiten die aan die arresten ten grondslag lagen, verschilden van die in de onderhavige zaak. In die zaken heeft het Gerecht weliswaar schadevergoeding toegekend, maar dat was om de immateriële schade te herstellen van een ambtenaar die in onzekerheid en ongerustheid over zijn ambtelijke toekomst verkeerde; voorts was die schade niet veroorzaakt doordat de beoordelingsrapporten van de betrokkene te laat waren opgeborgen, maar doordat zij te laat waren vastgesteld, in een van de gevallen bovendien meer dan drie jaar te laat.
41 In het onderhavige geval zijn de beoordelingsrapporten regelmatig opgesteld en is verzoeker, nadat hij in augustus 1990 de vertraging bij het opbergen van zijn rapporten had bemerkt, twee maanden later ervan in kennis gesteld, dat zijn dossier weer in orde was.
42 Verweerster wijst erop, dat verzoeker noch in zijn precontentieuze klacht noch in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd, dat hij tijdens die twee maanden ongerust, gespannen of onzeker was, en zij is van mening, dat er geen sprake kan zijn van vergoeding van een eventuele immateriële schade.
43 Ten slotte betoogt zij, dat het ontbreken van de beoordelingsrapporten hoe dan ook werd gecompenseerd door het feit dat die rapporten dezelfde gunstige beoordelingen bevatten als de eerdere, die zich wel in zijn dossier bevonden toen zijn diverse sollicitaties werden onderzocht. Zij merkt in het bijzonder op, dat het rapport over de periode 1981-1983 onder de rubriek "Algemene beoordeling" vermeldt, dat verzoeker "gezien zijn competentie en dynamische opstelling stellig voor bevordering in aanmerking komt". Ook al is deze aanbeveling niet uitdrukkelijk herhaald in de algemene beoordeling over de periode 1983-1985, aangenomen moet worden, dat zij wegens haar uitermate gunstig karakter niets aan waarde heeft verloren. Hetzelfde geldt voor de rapporten over de periodes 1985-1987 en 1987-1989, waarvan het laatste vermeldt, dat verzoeker "duidelijk leidinggevende capaciteiten heeft", hetgeen de vroegere aanbeveling voor bevordering bevestigt.
Beoordeling door het Gerecht
44 Het Gerecht is van oordeel, dat uit het gehele betoog van verzoeker blijkt, dat hij zich voor zijn schadevordering beroept op het bestaan van immateriële schade, doordat zijn kansen op bevordering of op een overplaatsing waarom hij had gevraagd, waren bedorven door de omstandigheid dat zijn beoordelingsrapporten over de periodes van 1 juli 1985 tot 30 juni 1989 in zijn persoonsdossier ontbraken. Volgens vaste rechtspraak is de te late vaststelling van beoordelingsrapporten als zodanig reeds nadelig voor de ambtenaar, doordat zijn carrièreverloop ongunstig kan worden beïnvloed wanneer een dergelijk rapport ontbreekt op het moment waarop over hem beslissingen moeten worden genomen (arrest Hof van 6 februari 1986, gevoegde zaken 173/82, 157/83 en 186/84, Castille, Jurispr. 1986, blz. 497, r.o. 36, en arrest Gerecht, Latham, reeds aangehaald, r.o. 36).
45 In casu staat tussen partijen vast, dat tussen het tijdstip waarop verzoekers beoordelingsrapport over de periode 1985-1987 in zijn persoonsdossier had moeten worden opgenomen, te weten november 1989, en het tijdstip waarop dat daadwerkelijk is gebeurd, te weten 29 november 1990, zeventien sollicitaties van verzoeker naar diverse vacatures hetzij door een Raadgevend comité benoemingen, hetzij door een "comité d' accompagnement" zijn onderzocht. Van deze sollicitaties hadden er elf betrekking op vacante ambten van het middenkader. Het betreft de sollicitaties naar aanleiding van de kennisgevingen van vacature COM/103/89, op 16 november 1989 door het Raadgevend comité benoemingen onderzocht, COM/201/89 en COM/202/89, op 21 december 1989 onderzocht, COM/209/89 en COM/15/90, op 1 maart 1990 onderzocht, COM/74/90, op 4 juli 1990 onderzocht, COM/83/90, COM/84/90, COM/85/90 en COM/86/90, op 19 juli 1990 onderzocht, alsmede het aanbod van herindeling RED/C/2/90 in het kader van de herplaatsingsprocedure, dat op 21 mei 1990 door het "comité d' accompagnement" is onderzocht. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, waren noch de Raadgevende comité' s benoemingen noch het "comité d' accompagnement", die de sollicitaties naar deze ambten moesten onderzoeken, bekend met verzoekers beoordelingsrapporten over de periodes 1985-1987 en 1987-1989 op het moment waarop zij zijn sollicitaties in overweging namen.
46 Het onderzoek van de door verzoeker naar aanleiding van die verschillende kennisgevingen van vacature ingediende sollicitaties is derhalve ongunstig beïnvloed door het ontbreken van genoemde beoordelingsrapporten in zijn persoonsdossier.
47 De Commissie kan niet staande houden, dat het ontbreken van die beoordelingsrapporten in verzoekers persoonsdossier geen invloed heeft gehad op zijn bevorderings- of overplaatsingskansen, omdat die beoordelingsrapporten niets zouden hebben kunnen toevoegen aan zijn eerdere uitstekende rapporten. Immers, het laatste beschikbare beoordelingsrapport (1983-1985) was weliswaar in zijn geheel zeer gunstig voor verzoeker, maar bevatte onder de rubriek "Menselijke relaties" een minder goede beoordeling dan een van de eerdere rapporten (1979-1981). De aanmerkelijke verbetering van zowel de analytische (in het bijzonder onder genoemde rubriek "Menselijke relaties") als de algemene beoordelingen in verzoekers beoordelingsrapporten over de periodes 1985-1987 en 1987-1989 was derhalve van bijzonder belang en had een van de in aanmerking te nemen factoren moeten zijn bij het onderzoek van verzoekers sollicitaties met het oog op bevordering of overplaatsing. Daarbij moet erop worden gewezen, dat verweerster ter terechtzitting heeft erkend, dat ook al bevestigden de ontbrekende beoordelingsrapporten de in de eerdere rapporten vervatte beoordelingen, zij daaraan ontegenzeglijk een zekere "glans" gaven.
48 Hieruit volgt, dat het late opbergen van de beoordelingsrapporten nadelig is geweest voor verzoeker, daar het verloop van zijn loopbaan door het ontbreken van een dergelijk rapport ongunstig kan zijn beïnvloed op een moment waarop over hem beslissingen werden genomen. Aangezien de Commissie niet heeft weten aan te tonen, dat degenen die dergelijke beslissingen moesten nemen, kennis konden hebben van informatie van gelijke waarde als die vervat in de beoordelingsrapporten, en aangezien zij geen enkele bijzondere omstandigheid heeft aangevoerd die de vertraging kan rechtvaardigen ° aan het ontstaan waarvan, zo moet worden opgemerkt, verzoeker op geen enkele wijze heeft bijgedragen °, moet worden vastgesteld, dat de Commissie een dienstfout heeft begaan die voor verzoeker recht doet ontstaan op vergoeding van de door hem geleden immateriële schade.
49 Bij de begroting van de immateriële schade moet rekening worden gehouden met de leeftijd van verzoeker. Hij is 63 jaar en kan nog slechts enkele jaren bij bevorderings- of overplaatsingsprocedures worden betrokken. Onder deze omstandigheden is het Gerecht op grond van een schadebegroting ex aequo et bono van oordeel, dat een bedrag van 90 000 BFR een passende schadeloosstelling voor verzoeker vormt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
50 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. In casu is de Commissie in het ongelijk gesteld en heeft verzoeker ter terechtzitting gevorderd, dat de Commissie in de kosten wordt verwezen. Volgens de rechtspraak van het Hof en het Gerecht staat het feit dat de in het gelijk gestelde partij dat eerst ter terechtzitting heeft gevorderd, niet eraan in de weg, dat die vordering wordt toegewezen (zie arrest Hof van 29 maart 1979, zaak 113/77, NTN Toyo Bearing Company, Jurispr. 1979, blz. 1185, met conclusie van advocaat-generaal Warner, blz. 1274, en arrest Gerecht van 10 juli 1990, zaak T-64/89, Automec, Jurispr. 1990, blz. II-367). Mitsdien moet de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Veroordeelt de Commissie tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding van 90 000 BFR.
2) Verwijst de Commissie in de kosten van het geding.
Full & Egal Universal Law Academy