Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Beroep ° Bezwarend besluit ° Begrip ° Stilzwijgende afwijzing van verzoek om bevordering ° Geen rechtstreekse en onmiddellijke gevolgen voor rechtspositie van belanghebbende ° Daarvan uitgesloten
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
2. Ambtenaren ° Beroep ° Procesbelang ° Beroep tot nietigverklaring van aanstelling van andere ambtenaar ° Verzoeker niet benoembaar ° Niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
3. Ambtenaren ° Beroep ° Beroep tot schadevergoeding ° Middelen ° Onwettigheid van besluit van tot aanstelling bevoegd gezag, waartegen niet tijdig is opgekomen ° Niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
4. Ambtenaren ° Beroep ° Beroep tot schadevergoeding ingesteld zonder precontentieuze procedure volgens Statuut ° Niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
Samenvatting
1. Wanneer er geen sprake is van rechtstreekse en onmiddellijke gevolgen voor de rechtspositie van de belanghebbende, kan de stilzwijgende afwijzing van een in zeer algemene bewoordingen gesteld verzoek om bevordering niet als een bezwarend besluit worden beschouwd.
2. Wanneer een ambtenaar ingevolge de bij de betrokken instelling geldende regels voor de voorziening in bepaalde ambten geen aanspraak op een dergelijk ambt kan maken, kan hij geen wettig belang doen gelden om de aanstelling van een andere ambtenaar in een dergelijk ambt te betwisten.
3. Een ambtenaar die heeft nagelaten binnen de termijnen van de artikelen 90 en 91 van het Statuut beroep in te stellen tot nietigverklaring van een hem naar zijn zeggen bezwarende handeling, kan die nalatigheid niet herstellen en een nieuwe beroepstermijn voor zich doen ingaan door een beroep tot vergoeding van de door die handeling veroorzaakte schade.
4. In het kader van de artikelen 90 en 91 van het Statuut moet een beroep tot vergoeding van schade die niet is veroorzaakt door een bezwarende handeling waarvan nietigverklaring wordt gevraagd, maar door een aantal beweerdelijk door de administratie begane fouten en nalatigheden, op straffe van niet-ontvankelijkheid worden voorafgegaan door een procedure in twee fasen. Deze moet noodzakelijkerwijs beginnen met de indiening van een verzoek aan het tot aanstelling bevoegd gezag om de gestelde schade te vergoeden, en eventueel worden voortgezet met de indiening van een klacht tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek.
Partijen
In zaak T-20/92,
A. M. Moat, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door E. J. H. Moons en later door L. Govaert, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Dupong, advocaat aldaar, Rue des Bains 14A,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur T. F. Cusack, domicilie gekozen hebbende bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep strekkende tot veroordeling van de Commissie om verzoeker naar de rang A 3 te bevorderen of hem naar een andere functie over te plaatsen, en om hem met terugwerkende kracht tot 1 december 1986 het met deze rang overeenkomende salaris te betalen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. P. M. Barrington, kamerpresident, R. Schintgen en K. Lenaerts, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 5 mei 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoeker A. M. Moat is ambtenaar in de rang A 4 bij de Commissie. Aangezien zijn beoordelingsrapporten zich sinds 1981 lovend uitlaten over zijn leidinggevende capaciteiten en zijn bevordering aanbevelen, meent hij wettige aanspraak op bevordering of overplaatsing te kunnen maken.
2 Verzoeker merkt in het bijzonder op, dat zijn directeur hem in zijn beoordelingsrapport over het tijdvak van 1 juli 1979 tot 30 juni 1981 heeft aanbevolen voor bevordering, op grond dat hij heeft bewezen dat hij in staat is leiding te geven aan een team van ongeveer 28 man. Hieruit blijkt, dat hij tien jaar geleden al voldeed aan een van de impliciete vereisten voor bevordering naar de rang A 3, die voortvloeien uit de "leidraad voor het loopbaanprofiel voor ambtenaren van het middenkader", opgenomen in de bijlage bij het besluit van de Commissie van 19 juli 1988 houdende voorziening in posten van het middenkader [COM(88) PV928; hierna: "besluit van 19 juli 1988"]. Volgens verzoeker wordt hij in de beoordelingsrapporten over de jaren 1981-1983, 1983-1985, 1985-1987 en 1987-1989 steeds weer voor bevordering aanbevolen.
3 Bij besluit van 19 juli 1988 werd het stelsel van voorziening in posten van afdelingshoofd en hoofd van een gespecialiseerde dienst herzien. In dat stelsel berusten de grondbeginselen voor de voorziening in posten van hoofd van een eenheid en de bevorderingen naar de rang A 3 op de ontkoppeling van rang en functie, waarbij A 3-posten worden voorbehouden voor de functie van hoofd van een eenheid en, in een aantal bijzondere gevallen, voor adviseurs op hoog niveau. Bevorderingen naar de rang A 3 geschieden enerzijds door benoeming op posten van hoofd van een eenheid, waarvan de vacatures worden bekendgemaakt en die ingevolge paragraaf 3 van het besluit zijn voorbehouden aan kandidaten met de vereiste bekwaamheden, en anderzijds ingevolge paragraaf 4 door de vorming van een reserve van A 3-posten, waarvan het aantal jaarlijks door het lid van de Commissie belast met personeelszaken wordt vastgesteld, uit de posten waarin in het kader van de procedure ter voorziening van posten van afdelingshoofd bedoeld in paragraaf 3 van het besluit niet is voorzien. Voor de aanwending van deze reserve brengt het adviescomité inzake benoemingen (hierna: "ACB"), in overleg met de directeuren-generaal en de hoofden van dienst eenmaal per jaar een beoordeling uit over de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren die meer in het bijzonder in aanmerking moeten worden genomen voor bevordering naar de rang A 3. De aldus opgestelde lijst overtreft de door de reservelijst geschapen bevorderingsmogelijkheden met 50 %. Na onderzoek door de kabinetchefs worden de besluiten tot bevordering in deze gevallen genomen door het lid van de Commissie belast met personeelszaken en administratie, in overleg met de betrokken leden van de Commissie.
4 Bij brief van 9 april 1991 diende verzoeker op grond van artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut, een verzoek in, luidende als volgt:
"1) Verzoeker vraagt de Commissie hem te bevorderen naar de rang A 3.
2) Het besluit van de Commissie van 19 juli 1988 inzake de benoeming op posten van het middenkader ontkoppelde de bevordering naar de rang A 3 van de benoeming op een post van afdelingshoofd. Het voegde de omschrijving van de post 'administrateur in algemene dienst' toe aan de andere omschrijvingen van posten van de loopbaan A 3.
3) Artikel 45 van het Statuut verplicht de Commissie tot bevorderingen te besluiten na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken.
4) In mijn beoordelingsrapport over het tijdvak van 1 juli 1979 tot 30 juni 1981 heeft mijn directeur mij aanbevolen voor bevordering, nadat ik had aangetoond dat ik in staat was leiding te geven aan een team van ongeveer 28 man (onderstreping van de directeur). Daaruit blijkt, dat ik tien jaar geleden voldeed aan het impliciete vereiste voor bevordering naar de post van hoofd van een eenheid met de rang A 3, dat door de Commissie wordt verlangd in haar 'leidraad voor het loopbaanprofiel voor ambtenaren van het middenkader' (bijlage bij het besluit van 19 juli 1988). Twee volgende directeuren hebben mijn bevordering in alle latere beoordelingsrapporten aanbevolen."
5 Bij nota van 13 augustus 1991 diende verzoeker een klacht op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut in tegen de stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek van 9 april 1991.
6 Verzoeker ontving geen antwoord op zijn klacht.
7 Op 9 oktober 1991 stelde verzoeker een beroep in tegen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van het verzoek van 9 april 1991. Dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard bij beschikking van het Gerecht van 22 mei 1992 (zaak T-72/91, Moat, Jurispr. 1992, blz. II-1771), op grond dat verzoeker niet kon vragen de Commissie te veroordelen om hem te bevorderen naar de rang A 3 of over te plaatsen naar een andere post, en hij bovendien voorbarig was opgetreden, omdat hij het antwoord van de Commissie op zijn klacht van 13 augustus 1991 niet had afgewacht alvorens beroep in te stellen. Verzoekers hogere voorziening tegen deze beschikking is verworpen bij beschikking van het Hof van 1 februari 1993 (zaak C-318/92 P, Moat, Jurispr. 1993, blz. 481).
Procesverloop
8 Onder deze omstandigheden heeft verzoeker bij op 11 maart 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
9 De president van het Gerecht heeft de zaak aan de Vierde kamer toegewezen en een rechter-rapporteur benoemd.
10 De Commissie heeft geen verweerschrift ten gronde ingediend, doch een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen het beroep opgeworpen, dat op 30 maart 1992 ter griffie van het Gerecht is ingeschreven.
11 Bij beschikking van het Gerecht van 10 juli 1992 is verweersters exceptie van niet-ontvankelijkheid gevoegd met de hoofdzaak.
12 Bij besluit van het Gerecht van 18 september 1992 is de rechter-rapporteur ingedeeld in de Vijfde kamer, waaraan de zaak bijgevolg is toegewezen.
13 Het Gerecht (Vijfde kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten de mondelinge behandeling te openen, en heeft partijen uitgenodigd de volgende vraag te beantwoorden:
"Met het oog op het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep en meer in het bijzonder ter bepaling van het voorwerp ervan, wordt partijen verzocht, vóór 15 april 1993 mede te delen of voor alle A 3-vacatures waarin van 1988 tot april 1991 in het kader van het besluit van 19 juli 1988 inzake de aanwerving op posten voor het middenkader is voorzien, een kennisgeving van vacature is opgesteld en bekendgemaakt, eventueel met vermelding van de kennisgevingen van vacature waarnaar verzoeker heeft gesolliciteerd, en voorts aan te geven of verzoeker was ingeschreven op de in paragraaf 4 van genoemd besluit bedoelde lijst."
14 Bij op 29 maart 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft verzoeker heropening van de schriftelijke procedure gevraagd om een nieuw middel aan te voeren, ontleend aan schending van artikel 45 van het Statuut en gebaseerd op een gegeven dat eerst na afsluiting van de schriftelijke procedure op 14 december 1992 aan het licht is gekomen.
15 Bij op 15 april 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie concludeerde verweerster, dat "de beweerdelijk nieuwe bewijsmiddelen irrelevant zijn voor de oplossing van het in casu aan het Gerecht voorgelegde geschil en dat de in het verzoekschrift geformuleerde verzoeken op alle onderdelen moeten worden afgewezen".
16 Ter terechtzitting van 5 mei 1993 zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord.
Conclusies van partijen
17 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
2) de Commissie te veroordelen om hem te bevorderen naar de rang A 3;
3) de Commissie te veroordelen om hem over te plaatsen naar een post die hem in staat zal stellen de Commissie tot haar en zijn eigen tevredenheid te dienen voor de verdere duur van zijn loopbaan;
4) de Commissie te veroordelen om hem salaris en pensioen te betalen overeenkomend met de bedragen die hij zou hebben ontvangen indien hij op 1 december 1986 was bevorderd, met interest vanaf die datum, of hem de huidige nettowaarde te betalen van het verschil tussen dit salaris en pensioen en zijn huidige salaris en pensioen, welk bedrag actuarieel te berekenen is naar zijn levensverwachting en de feitelijke datum van het besluit van de Commissie ter uitvoering van de uitspraak van het Gerecht op het tweede onderdeel van zijn conclusies.
18 Naar aanleiding van de door verweerster opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft verzoeker in zijn opmerkingen over deze exceptie nader geconcludeerd dat het het Gerecht behage:
° het besluit van de Commissie om hem niet te bevorderen naar de rang A 3, nietig te verklaren.
19 In zijn verzoek om heropening van de schriftelijke procedure concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:
1) de schriftelijke procedure te heropenen en bijgevoegd document te onderzoeken;
2) de Commissie te veroordelen wegens niet-naleving van artikel 90 van het Statuut of althans wegens het niet eerder mededelen van het nieuwe document;
3) de Commissie te veroordelen omdat zij zijn verzoek en klacht in het geheel niet of niet conform artikel 45 van het Statuut heeft onderzocht;
4) de Commissie te veroordelen om hem een door het Gerecht naar billijkheid te bepalen vergoeding te betalen.
20 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
1) uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het beroep met gebruikmaking van de bevoegdheden waarover het beschikt krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering;
2) het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
3) het beroep ongegrond te verklaren en te verwerpen;
4) kosten rechtens.
21 In haar opmerkingen over het verzoek om heropening van de procedure concludeert verweerster tot afwijzing van de in het verzoekschrift gedane verzoeken op alle onderdelen.
De ontvankelijkheid
Middelen en argumenten van partijen
22 Verzoeker vraagt het Gerecht een onderzoek in te stellen naar de wettigheid van de verschillende naar zijn mening voor hem bezwarende handelingen en uitspraak te doen over de vordering tot schadeloosstelling, die volgens hem nauw met elkaar verband houden. Hij was ertoe gebracht dit beroep in te stellen, "in het licht van eerdere besluiten van de Commissie" om hem niet te bevorderen naar posten waarnaar hij had gesolliciteerd. Hij acht het namelijk zeer waarschijnlijk, dat ettelijke besluiten die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling van zijn loopbaan, zijn genomen terwijl zijn beoordelingsrapporten niet beschikbaar waren, zodat men in onwetendheid verkeerde omtrent de gunstige en uitvoerige verklaringen van zijn hiërarchische meerderen in de beoordelingsrapporten.
23 Verzoeker herinnert eraan, dat bevorderingen naar de rang A 3 sedert het besluit van 19 juli 1988 kunnen geschieden hetzij door benoeming op een vacant verklaarde post, hetzij door middel van een afzonderlijke bevorderingsronde, die ten minste eenmaal per jaar plaatsvindt. De voor deze ronden toegepaste regels en hun verloop zijn niet nauwkeurig bepaald en weinig bekend. Aangezien hij sedert 1986 in aanmerking wenste te komen voor overgang naar een andere post en sinds 1981 voor bevordering, heeft hij een verzoek op grond van artikel 90 van het Statuut ingediend, nadat hij had bemerkt dat de Commissie was overgegaan tot aanwerving voor posten waarvoor hij de nodige ervaring bezat. Enerzijds heeft de Commissie nagelaten hem deze posten ter kennis te brengen, en anderzijds heeft zij zijn beoordelingsrapporten te laat opgesteld en deze pas nog later in zijn persoonsdossier opgenomen.
24 Verzoeker voegt daaraan toe, dat hij met zijn verzoek wilde bereiken dat de Commissie aandacht zou besteden aan de in zijn beoordelingsrapporten uitgebrachte, zeer gunstige beoordelingen en zou besluiten hem te bevorderen. Hij hoopte uit de overwegingen voor de afwijzing van zijn verzoek te vernemen, of de Commissie op grond van andere redenen dan die welke verband hielden met de inhoud van zijn beoordelingsrapporten, hem niet heeft willen bevorderen.
25 Verzoeker betoogt, dat zijn beroep moet worden geacht te zijn gericht tegen het feit dat de Commissie volstrekt geen aandacht heeft besteed aan zijn verzoek, dus tegen de stilzwijgende afwijzing daarvan door de Commissie. Hij geeft toe, dat een beroep van een ambtenaar tegen de Commissie, waarin hij haar verwijt hem bij de voorziening in een post van hoofd van een eenheid niet te hebben bevorderd naar de rang A 3, als regel gericht moet zijn tegen het besluit tot benoeming van een andere ambtenaar, waardoor de betrokkene verneemt dat hij niet is bevorderd. Ook erkent verzoeker dat, in het kader van de jaarlijkse bevorderingsprocedure voor de minder hogere rangen, de bekendmaking van de lijst van bevorderde of het meest voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren een daarin niet genoemde ambtenaar de mogelijkheid biedt op te komen tegen de handeling bestaande in het vaststellen van de lijst waarin hij niet is opgenomen. Hij wijst er echter op, dat de bij het besluit van 19 juli 1988 ingestelde bevorderingsprocedure, die "ten minste een keer per jaar" wordt gevolgd, hem zonder uitdrukkelijk antwoord op zijn klacht niet de mogelijkheid biedt de datum daarvan te kennen of de redenen van het besluit van de Commissie om hem niet te bevorderen. Zonder een met redenen omkleed besluit zijn noch verzoeker noch het Gerecht in staat na te gaan, of zijn kandidatuur voor bevordering conform de vereisten van artikel 45 van het Statuut is onderzocht. Verzoeker herinnert eraan, dat volgens de rechtspraak van het Hof (arrest van 28 mei 1980, gevoegde zaken 33/79 en 75/79, Kuhner, Jurispr. 1980, blz. 1677, r.o. 15), "de motiveringsplicht ten doel heeft, de betrokkene in staat te stellen te beoordelen of het besluit een gebrek vertoont waardoor zijn wettigheid kan worden betwist, alsmede de rechterlijke toetsing mogelijk te maken".
26 In zijn verzoek om heropening van de schriftelijke procedure heeft verzoeker een nieuw middel opgeworpen, ontleend aan schending van artikel 45 van het Statuut. Hij stelt, dat zijn persoonsdossier niet is opgevraagd tussen 9 april 1991, de datum van zijn verzoek om bevordering naar de rang A 3 conform de procedure bedoeld in paragraaf 4 van het besluit van 19 juli 1988, en 13 december 1991, de datum van de stilzwijgende afwijzing van zijn klacht, en dat het ACB dus, in strijd met het besluit van 19 juli 1988, waarin wordt bepaald dat het ACB eenmaal per jaar de bevorderingen naar de rang A 3 onderzoekt en voorstellen aan de Commissie doet, zijn verzoek om bevordering niet heeft onderzocht ofwel zich over de bevordering van andere ambtenaren heeft uitgesproken zonder hun verdiensten en beoordelingsrapporten met de zijne te vergelijken. Verzoeker baseert dit middel op de ontdekking op 8 februari 1993 van een document betreffende de bewegingen van zijn persoonsdossier en de naam van degenen die het hebben opgevraagd. Hij vordert veroordeling van de Commissie tot betaling van schadeloosstelling wegens schending van de artikelen 90 en 45 van het Statuut.
27 Verweerster voert vier middelen van niet-ontvankelijkheid aan. Zij betoogt in de eerste plaats, met verwijzing naar het door haar in zaak T-72/91 (Moat, zie r.o. 7), opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid, dat het Gerecht niet bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige beroep, aangezien de conclusies hiervan identiek zijn aan die in de rechtsoverwegingen 1 tot en met 4 in zaak T-72/91. Daar de in het onderhavige beroep ontwikkelde argumenten identiek zijn aan de argumenten in genoemde zaak, acht zij het overbodig deze opnieuw te onderzoeken. In ieder geval zijn eventuele nieuwe gegevens die in het kader van dit beroep zijn aangevoerd tot staving van de reeds in het kader van zaak T-72/91 gebezigde argumenten, niet-ontvankelijk.
28 Verweerster wijst er in de tweede plaats op, dat de gemeenschapsrechter niet bevoegd is een gemeenschapsinstelling bevelen te geven en bijgevolg uitspraak te doen over een daaraan verbonden beroep tot schadevergoeding.
29 Verweerster betwist dat het onderhavige beroep, dat niet strekt tot nietigverklaring van een handeling van de Commissie, doch tot een bevel aan de Commissie om jegens verzoeker een maatregel bestaande in bevordering en/of overplaatsing te nemen, kan worden gekwalificeerd als een "verzoek om de wettigheid van verschillende handelingen betreffende verzoeker na te gaan".
30 Verweerster merkt op, dat verzoeker geen rechtsmiddel of argument aanvoert ten bewijze dat de Commissie inbreuk gemaakt heeft op een bepaling betreffende de procedure voor toegang tot de rang A 3; het door verzoeker op 9 april 1991 ingediende verzoek en de daarop gevolgde klacht hebben niet betrekking op een bepaalde procedure ter voorziening in een post, zoals een kennisgeving van vacature of een aankondiging van vergelijkend onderzoek, doch vormen een algemeen verzoek van Moat om te worden bevorderd naar de rang A 3.
31 Het feit dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor bevordering en dat deze bevordering feitelijk is aanbevolen, geeft hem nog geen recht op bevordering en wil zeker niet zeggen dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met zijn beoordelingsrapporten, curriculum vitae of kwalificaties, of dat hij volgens haar geen bevordering verdiende. Er is geen besluit genomen om verzoeker niet te bevorderen, en een dergelijk besluit zou, gesteld dat het zou zijn genomen, onwettig zijn daar het dan een bepaalde kandidaat van de in artikel 45 van het Statuut bedoelde keuze zou uitsluiten.
32 Wel echter is er een stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van het verzoek van Moat in de bewoordingen waarin hij dit heeft geformuleerd. Verweerster erkent, dat de door verzoeker tegen dit besluit ingediende klacht eveneens onbeantwoord is gebleven, doch meent dat verzoeker ten onrechte tegen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn klacht aanvoert, dat dit niet met redenen omkleed is, hetgeen per definitie niet het geval kan zijn.
33 Verweerster wijst erop, dat er uiteraard besluiten tot bevordering van andere ambtenaren bestaan, doch dat deze besluiten niet nader zijn genoemd en in het kader van dit beroep niet worden aangevochten.
34 Verweerster heeft ter terechtzitting in de derde plaats betoogd, dat het door verzoeker in zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid gestelde verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie om hem niet te bevorderen, niet-ontvankelijk verklaard moet worden, aangezien artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet toestaat nieuwe middelen voor te dragen, tenzij zij steunen op gegevens waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
35 Verweerster betoogt in de vierde plaats, dat ook de verzoeken om financiële compensatie in het laatste onderdeel van verzoekers conclusies niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, aangezien zij nauw verband houden met het verzoek aan het Gerecht om de Commissie te gelasten verzoeker te bevorderen of over te plaatsen.
Beoordeling door het Gerecht
36 Vooraf zij opgemerkt, dat de gemeenschapsrechter volgens vaste rechtspraak geen bevelen aan een gemeenschapsinstelling kan geven over de statutaire positie van een ambtenaar of de algemene organisatie van haar diensten, zonder inbreuk te maken op de voorrechten van het tot aanstelling bevoegd gezag. Dit beginsel geldt ook in het kader van een beroep tot schadevergoeding (zie arresten Gerecht van 28 januari 1992, zaak T-45/90, Speybrouck, Jurispr. 1992, blz. II-33, r.o. 30-32; 25 september 1991, zaak T-163/89, Sebastiani, Jurispr. 1991, blz. II-715, r.o. 21, en 27 juni 1991, zaak T-156/89, Valverde Mordt, Jurispr. 1991, blz. II-407, r.o. 150, en de reeds aangehaalde beschikking Moat van het Gerecht, bevestigd door de reeds aangehaalde beschikking Moat van het Hof).
37 Hieruit volgt, dat verzoeker niet gerechtigd is te vorderen dat de Commissie wordt veroordeeld om hem te bevorderen naar de rang A 3 of over te plaatsen naar een andere post, en dat verzoekers desbetreffende conclusies mitsdien niet-ontvankelijk zijn.
38 Het Gerecht wijst er voorts op, dat verzoeker, na in zijn verzoekschrift een onderzoek te hebben gevorderd naar de wettigheid van verschillende, naar zijn zeggen voor hem bezwarende handelingen, zonder aan te geven welke handelingen hij ter toetsing aan de gemeenschapsrechter wil voorleggen, in zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid nietigverklaring heeft gevorderd van het besluit om hem niet te bevorderen naar de rang A 3.
39 Het Gerecht herinnert eraan, dat het bestaan van een bezwarende handeling in de zin van de artikelen 90, lid 2, en 91, lid 1, van het Statuut een onmisbare voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van beroepen van ambtenaren tegen de instelling waartoe zij behoren (zie laatstelijk arrest Gerecht van 8 juni 1993, zaak T-50/92, Fiorani, Jurispr. 1993, blz. II-555).
40 Enerzijds heeft verzoeker geen klacht ingediend tegen de besluiten ter voorziening in posten van hoofd van een eenheid in de rang A 3, die door het tot aanstelling bevoegd gezag in de periode van 19 juli 1988 tot 9 april 1991 zijn genomen na de procedure bedoeld in paragraaf 3 van het besluit van 19 juli 1988. Dit geldt met name met betrekking tot de besluiten ter voorziening in vier vacatures waarvoor verweerster toegeeft verzoekers kandidatuur te hebben ontvangen, namelijk kennisgeving van vacature COM/106/88, waarin door het tot aanstelling bevoegd gezag is voorzien op 1 januari 1989, kennisgeving van vacature COM/7/89, waarin is voorzien op 1 maart 1989, kennisgeving van vacature COM/86/88, waarin is voorzien op 1 april 1989, en kennisgeving van vacature COM/209/89, waarin is voorzien op 1 april 1990.
41 Anderzijds heeft verzoeker geen klacht ingediend tegen de besluiten tot bevordering naar de rang A 3, die het tot aanstelling bevoegd gezag heeft genomen gedurende het tijdvak van 9 juli 1988 tot 9 april 1991, na de jaarlijkse bevorderingsprocedure, bedoeld in paragraaf 4 van het besluit van 19 juli 1988.
42 Bijgevolg is verzoekers klacht van 13 augustus 1991 tegen de stilzwijgende afwijzing van zijn ° op 9 april 1991 in zeer algemene bewoordingen gestelde ° verzoek om bevordering noch gericht tegen een besluit tot voorziening in een post van hoofd van een eenheid in de rang A 3, noch tegen een besluit om anderen te bevorderen naar een post van de rang A 3, noch tegen een besluit waarbij hem de gevraagde bevordering wordt geweigerd.
43 Hieruit volgt, dat nu er geen sprake was van rechtstreekse en onmiddellijke gevolgen voor verzoekers rechtssituatie, het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn verzoek om bevordering niet kan worden beschouwd als een hem bezwarende handeling en dat het beroep, voor zover gericht tegen het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de na het verzoek om bevordering ingediende klacht, niet-ontvankelijk moet worden verklaard (zie arresten Gerecht van 18 februari 1993, zaak T-45/91, Mc Avoy, Jurispr. 1993, blz. II-83, en 16 maart 1993, gevoegde zaken T-33/89 en T-74/89, Blackman, Jurispr. 1993, blz. II-249).
44 Het Gerecht merkt voorts op, dat verzoeker in ieder geval, nu hij geen hoofd van een eenheid is, geen aanspraak kan maken op een A 3-post en dus geen wettig belang heeft bij een klacht tegen een besluit ter voorziening in een dergelijke post of een besluit tot bevordering naar een dergelijke post, aangezien in het besluit van 19 juli 1988 de posten van het middenkader van de rang A 3 worden voorbehouden aan hoofden van een eenheid (zie arresten Hof van 30 mei 1984, zaak 111/83, Picciolo, Jurispr. 1984, blz. 2323, en 7 februari 1990, zaak 95/88, Laval, Jurispr. 1990, blz. 253; arrest Gerecht van 11 december 1991, zaak T-169/89, Frederiksen, Jurispr. 1991, blz. II-1403, bevestigd door arrest Hof van 18 maart 1993, zaak C-35/92 P, Parlement/Frederiksen, Jurispr. 1993, blz. I-991, en arrest Gerecht van 28 februari 1992, zaak T-51/90, Moretti, Jurispr. 1992, blz. II-487).
45 Overigens zij hierbij nog opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, volgens hetwelk onder bepaalde omstandigheden in de loop van het geding nieuwe middelen mogen worden voorgedragen, in geen geval aldus kan worden uitgelegd, dat het de verzoeker toestaat nieuwe conclusies aan de gemeenschapsrechter voor te leggen en zodoende het voorwerp van geschil te veranderen (arresten Hof van 25 september 1979, zaak 232/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1979, blz. 2729; 18 oktober 1979, zaak 125/78, Gema, Jurispr. 1979, blz. 3173; 8 februari 1983, zaak 124/81, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1983, blz. 203; 4 december 1986, zaak 205/84, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1986, blz. 3755, en 14 oktober 1987, zaak 278/85, Commissie/Denemarken, Jurispr. 1987, blz. 4069; arresten Gerecht van 18 september 1992, zaak T-28/90, Asia Motor France, Jurispr. 1992, blz. II-2285, en 11 maart 1993, zaak T-87/91, Boessen, Jurispr. 1993, blz. II-235). Mitsdien moet de door verzoeker in zijn opmerkingen over de niet-ontvankelijkheid gestelde vordering tot nietigverklaring eveneens worden verworpen, aangezien zij te laat is ingediend.
46 De vordering tot schadevergoeding, die ertoe strekt verweerster te veroordelen om aan verzoeker een salaris en een pensioen te betalen dat overeenkomt met de bedragen die hij zou hebben ontvangen indien hij was bevorderd, heeft geen zelfstandig bestaan, aangezien zij nauw verband houdt met de vordering om verweerster te veroordelen om verzoeker te bevorderen of over te plaatsen; het Gerecht merkt dienaangaande op, dat volgens de rechtspraak van het Hof "de eerste zin van artikel 91, lid 1, de tweede zin beheerst in dier voege, dat deze bepaling het Hof slechts volledige rechtsmacht toekent voor het geval er sprake is van een geschil als bedoeld in de eerste zin" (arrest van 10 december 1969, zaak 32/68, Grasselli, Jurispr. 1969, blz. 505, r.o. 10). Verzoeker heeft in casu nagelaten, tijdig tegen handelingen die hem naar zijn zeggen bezwaren, op te komen door een beroep tot nietigverklaring in te stellen, en kan deze nalatigheid niet herstellen en als het ware nieuwe beroepstermijnen verkrijgen via een verzoek tot schadevergoeding (zie beschikking Moat van het Gerecht, bevestigd in beschikking Moat van het Hof, beide reeds aangehaald).
47 Met betrekking tot de door verzoeker in zijn verzoek om heropening van de schriftelijke procedure vervatte vordering tot schadevergoeding, die ertoe strekt de Commissie te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens schending van artikel 45 van het Statuut, zij opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht een beroep tot vergoeding van schade die niet is veroorzaakt door een bezwarende handeling waarvan nietigverklaring wordt gevraagd, maar door een aantal beweerdelijk door de administratie begane fouten en nalatigheden, moet worden voorafgegaan door een procedure in twee fasen. Zij moet noodzakelijkerwijs beginnen met de indiening van een verzoek aan het tot aanstelling bevoegd gezag om de gestelde schade te vergoeden, en eventueel worden voortgezet met de indiening van een klacht tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek (zie laatstelijk beschikking Gerecht van 28 januari 1993, zaak T-53/92, Piette de Stachelski, Jurispr. 1993, blz. II-35). Het Gerecht stelt vast dat in casu, zelfs aangenomen dat het document betreffende de bewegingen van zijn persoonsdossier, dat verzoeker tot staving van zijn verzoek heeft aangevoerd, een nieuw middel in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering kan vormen, bovengenoemde schadevordering niet is voorafgegaan door een regelmatige precontentieuze procedure.
48 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep op alle onderdelen niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
49 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Ingevolge artikel 88 van dat Reglement blijven echter in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy