Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Ambtenaren - Beroep - Voorwerp - Bevel aan administratie - Niet-ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
2 Procedure - Inleidend verzoekschrift - Vaststelling van voorwerp van vordering - Nieuwe vordering geformuleerd in repliek - Niet-ontvankelijkheid - Verzoek om aanvullende vordering afzonderlijk te behandelen - Afwijzing - Indiening van nieuwe middelen tijdens procedure - Voorwaarden
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1, en 48, lid 2)
3 Ambtenaren - Vacature - Interne richtlijn van instelling betreffende indiening van sollicitaties - Rechtsgevolgen
4 Ambtenaren - Vacature - Voorziening door bevordering of overplaatsing - Vergelijking van verdiensten van kandidaten - In aanmerking te nemen factoren - Beoordelingsrapporten - Beoordelingsvrijheid van tot aanstelling bevoegd gezag
(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1)
5 Ambtenaren - Bevordering - Toezeggingen - Miskenning van bepalingen van Statuut - Gewettigd vertrouwen - Geen
(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1)
Samenvatting
6 Het Gerecht kan in het kader van zijn wettigheidstoezicht geen bevelen geven aan de gemeenschapsautoriteiten zonder op hun prerogatieven inbreuk te maken.
7 Blijkens artikel 44, lid 1, juncto artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het voorwerp van het geding in het verzoekschrift worden bepaald en wijzigt een voor het eerst in repliek geformuleerde vordering het oorspronkelijke voorwerp van het beroep, zodat deze als een nieuwe en, bijgevolg, niet-ontvankelijke vordering is te beschouwen. Bovendien geeft het Reglement voor de procesvoering het Gerecht niet de mogelijkheid een dergelijke aanvullende vordering te behandelen als een verzoekschrift in de zin van artikel 44 van het Reglement, dat in een afzonderlijke procedure zou moeten worden behandeld. Daarentegen moet het voordragen van een nieuw middel dat berust op feitelijke gegevens waarvan in de loop van de behandeling is gebleken, ingevolge artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden toegestaan.
8 Een dienstnota van een instelling betreffende de procedure van indiening van sollicitaties voor de voorziening in vacatures, die ter kennis is gebracht van het gehele personeel, is een interne richtlijn, waarin de administratie zichzelf gedragsregels oplegt en waarvan zij niet zonder vermelding van redenen kan afwijken, op straffe van schending van het beginsel van gelijke behandeling.
9 In de verplichting, een onderzoek te doen waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken, komt zowel het beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren tot uitdrukking als het beginsel dat zij recht hebben op een carrière. Door in eerste instantie een selectie van sollicitanten te maken op basis van hun globaal in aanmerking genomen beoordelingsrapporten en de beschikbare verdere informatie, en, in tweede instantie, na de sollicitanten aldus tot een kleine groep te hebben teruggebracht, een vergelijking te maken van de bekwaamheden van die sollicitanten, gevolgd door een beoordeling in het licht van de door de kennisgevingen van vacature vereiste bijzondere kwalificaties, is een geldig vergelijkend onderzoek gehouden.
Het feit dat, nu de selectie werd gemaakt in de periode dat de nieuwe beoordelingsrapporten werden opgesteld, de rapporten betreffende de voorafgaande periode in overweging zijn genomen, is niet onregelmatig, aangezien deze werden aangevuld met andere gegevens. Evenmin onregelmatig is het feit dat de instantie die de selectie van de kandidaten had gemaakt, toen zij werd verzocht haar voordracht te rechtvaardigen, deze bevestigde nadat zij uitsluitend de inmiddels opgestelde, nieuwe beoordelingsrapporten van de geselecteerde sollicitanten had geraadpleegd.
Bovendien kan weliswaar de anciënniteit in rang en leeftijd in aanmerking worden genomen, maar dit zijn geen relevante factoren wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag in staat is, met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover het beschikt, een selectie te maken op basis van de kwalificaties en verdiensten van de kandidaten.
10 Een toezegging van bevordering die is gedaan zonder rekening te houden met de bepalingen van het Statuut, kan bij degene aan wie zij is gedaan, geen gewettigd vertrouwen wekken.
Partijen
In zaak T-22/92,
R. Weissenfels, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Bereldange (Luxemburg), vertegenwoordigd door G. Maximini, advocaat te Trier, domicilie gekozen hebbende te Bereldange bij M.-B. Weissenfels, Rue de la Paix 1,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur J. Campinos, bijgestaan door J. Schoo, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij zijn secretariaat-generaal, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van twee besluiten van de voorzitter van het Europees Parlement van 3 juli 1991 houdende benoeming van T. en L. in de vacatures nrs. II/A/645 en II/A/680,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, kamerpresident, H. Kirschner en C. P. Briët, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 18 februari en 5 mei 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoeker, R. Weissenfels, is sinds 1 april 1982 in dienst van het Europees Parlement (hierna: "Parlement"). Sinds 1 januari 1985 is hij administrateur in de rang A 6 en sinds 1 juli 1987 is hij tewerkgesteld bij de algemene directie Commissies en delegaties (hierna: "DG II") van het secretariaat-generaal.
2 Op 10 december 1990 publiceerde het Parlement de kennisgevingen van vacature nrs. 6478 en 6479 betreffende twee ambten van hoofdadministrateur (loopbaan A 5/A 4), respectievelijk de posten nrs. II/A/680 en II/A/645, bij DG II. De sluitingsdatum voor de indiening van sollicitaties was bepaald op 21 december 1990. Bij sollicitaties van 19 december 1990, door de dienst aanwerving van de algemene directie Personeel, begroting en financiën ontvangen op 20 december 1990, solliciteerde verzoeker naar die twee ambten.
3 In zijn advies van 1 februari 1991 aan de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën droeg de directeur-generaal van DG II T. voor bevordering op post nr. II/A/680 voor en L. voor bevordering op post nr. II/A/645.
4 Bij twee besluiten van 3 juli 1991 benoemde het tot aanstelling bevoegd gezag T. en L. op de betrokken posten.
5 Op 9 juli 1991 werd verzoeker in kennis gesteld van het besluit tot bevordering van L. (post nr. II/A/645) en op 18 juli 1991 van het besluit tot bevordering van T. (post nr. II/A/680).
6 Bij nota van 7 oktober 1991 diende verzoeker een klacht in tegen het besluit tot bevordering van L. en bij nota van 14 oktober 1991 een klacht tegen het besluit tot bevordering van T.
7 In zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag wees de voorzitter van het Parlement deze klachten af bij besluit van 10 januari 1992, ter kennis van verzoeker gekomen op 13 januari 1992.
8 Intussen was op 14 februari 1991 verzoekers beoordelingsrapport over het tijdvak 1 januari 1989 tot 1 januari 1991 door de eindbeoordelaar ondertekend. Op 30 april 1991 maakte verzoeker zijn opmerkingen over het rapport en op 25 juni 1991 diende hij er een klacht over in. Op 11 juli 1991 bracht de eindbeoordelaar twee wijzigingen in het rapport aan, na een onderhoud met verzoeker en raadpleging van diens hiërarchieke meerderen. In antwoord op een brief van verzoeker van 26 november 1991 verklaarde de secretaris-generaal van het Parlement bij brief van 18 december 1991, dat hij geen bezwaar had gehad om het dossier opnieuw te onderzoeken en dat hij de klacht van 25 juni 1991 op alle onderdelen had onderzocht. Hij deelde hem mee, te hebben besloten het beoordelingsrapport te handhaven in de in juli 1991 gewijzigde vorm. Bij brief van 19 maart 1992 diende verzoeker tegen zijn definitieve beoordelingsrapport een klacht in. Deze klacht werd bij besluit van de voorzitter van het Parlement van 4 juni 1992 afgewezen.
Het procesverloop
9 Daarop heeft verzoeker bij op 23 maart 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
10 De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten, zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft evenwel bij brief van de griffier van 21 januari 1993 verweerder een vraag gesteld. Deze heeft daarop geantwoord bij een op 3 februari 1993 ter griffie neergelegde brief, waarbij een nota van 1 februari 1993 van de directeur-generaal van DG II aan de juridisch adviseur van het Parlement was gevoegd.
11 De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 18 februari 1993. Partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben vragen van het Gerecht beantwoord. Ter terechtzitting heeft het Parlement een stuk overgelegd.
12 Na de sluiting van de mondelinge behandeling heeft het Parlement bij een op 19 februari 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief geantwoord op een door het Gerecht ter terechtzitting gestelde vraag. Verzoeker heeft twee brieven neergelegd op respectievelijk 5 en 8 maart 1993.
13 Bij beschikking van 16 maart 1993 heeft het Gerecht de heropening van de mondelinge behandeling gelast.
14 Bij brief van de griffier van 24 maart 1993 heeft het Gerecht het Parlement verzocht de volledige dossiers van de kennisgevingen van vacature nrs. 6478 en 6479 ter voorziening in de vacatures nrs. II/A/680 en II/A/645 over te leggen. Op 13 april 1993 heeft het Parlement deze dossiers ter griffie neergelegd. Het Gerecht heeft het Parlement voorts verzocht, tijdens de nieuwe terechtzitting zijn gemachtigde te doen vergezellen door de directeur-generaal van DG II.
15 Na te hebben kennisgenomen van de door het Parlement overgelegde dossiers heeft verzoeker bij brief, neergelegd ter griffie op 28 april 1993, een nieuw middel voorgedragen, te weten schending van de procedure voor de indiening van sollicitaties, neergelegd in dienstnota nr. 89/4 van 7 december 1989 betreffende de procedure voor de voorziening in vacatures bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement (hierna: "dienstnota nr. 89/4"). Partijen zijn ten tweede male gehoord tijdens de nieuwe terechtzitting op 5 mei 1993. Tijdens deze zitting heeft het Parlement afstand gedaan van zijn recht ingevolge artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering om schriftelijk te antwoorden op het nieuwe middel van verzoeker. Het heeft evenwel twee stukken overgelegd.
Conclusies van partijen
16 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
1) nietig te verklaren de besluiten van verweerder van 3 juli 1991, waarbij de ambtenaren L. en T. per 1 januari 1991 tot hoofdadministrateur (A 5/A 4) zijn bevorderd op de vacante posten nrs. II/A/645 en II/A/680;
2) nietig te verklaren het aan verzoeker op 13 januari 1992 ter kennis gebrachte besluit van verweerder van 10 januari 1992, waarbij verzoekers klachten van 7 en 14 oktober 1991 zijn afgewezen;
3) verweerder te verplichten verzoekers sollicitaties van 19 december 1990 naar de bij kennisgevingen nrs. 6478 en 6479 ter kennis gebrachte vacatures opnieuw te onderzoeken en zijn in artikel 45, lid 1, van het Ambtenarenstatuut bedoelde keuze met inachtneming van de uitspraak van het Gerecht eerst te maken nadat van verzoeker een geldig beoordelingsrapport in de zin van artikel 43 van het Ambtenarenstatuut over de kalenderjaren 1989 en 1990 is opgesteld;
4) verweerder te verwijzen in de kosten van het geding, daaronder begrepen de kosten van verzoeker.
17 In zijn verweerschrift concludeert het Parlement in de eerste plaats, dat het het Gerecht behage:
- niet-ontvankelijk te verklaren het verzoek om de klacht van verzoeker van 19 maart 1992 in de onderhavige procedure in aanmerking te nemen;
subsidiair,
- de procedure overeenkomstig artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering te schorsen totdat zal zijn beslist op de klacht van 19 maart 1992.
In de tweede plaats concludeert het dat het het Gerecht behage:
1) het beroep te verwerpen;
2) over de kosten te beslissen overeenkomstig artikel 88 van het Reglement voor de procesvoering.
18 Na het besluit van de voorzitter van het Parlement van 4 juni 1992 tot afwijzing van de klacht van verzoeker van 19 maart 1992 tegen zijn beoordelingsrapport, concludeert verzoeker aanvullend, in repliek, dat het het Gerecht behage:
1) te verklaren dat de beoordelingsprocedure betreffende verzoeker over de kalenderjaren 1989 en 1990 nietig is, daaronder begrepen het definitieve besluit van de secretaris-generaal van 18 december 1991 en de individuele beoordelingen in punt 10, sub 1, van het formulier;
subsidiair,
te verklaren dat de beoordelingsprocedure betreffende verzoeker over de kalenderjaren 1989 en 1990, het definitieve besluit van de secretaris-generaal van 18 december 1991 en de individuele beoordelingen in punt 10, sub 1, van het formulier, ongeldig zijn;
2) nietig te verklaren het besluit van verweerder van 4 juni 1992 houdende afwijzing van verzoekers klacht van 19 maart 1992;
3) verweerder te verplichten, de beoordelingsprocedure van verzoeker te heropenen, onder voorbehoud van aanwijzing van een onpartijdig beoordelaar;
4) verweerder voorts te verwijzen in de kosten van de onderhavige aanvullende vordering, daaronder begrepen de kosten van verzoeker.
19 In dupliek concludeert verweerder, dat het het Gerecht behage:
1) de aanvullende vordering niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair ze te verwerpen;
2) het beroep te verwerpen;
3) over de kosten te beslissen overeenkomstig artikel 88 van het Reglement voor de procesvoering.
20 In zijn op 5 maart 1993 neergelegde brief concludeert verzoeker, dat het het Gerecht behage:
alle latere (ter terechtzitting ingediende) stellingen van verweerder te verwerpen overeenkomstig artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, op grond dat zij te laat zijn ingediend.
De ontvankelijkheid
Het derde onderdeel van het beroep: bevel aan verweerder om de sollicitaties van verzoeker opnieuw te onderzoeken en geen beslissing te nemen over de vacatures nrs. II/A/645 en II/A/680 voordat een geldig beoordelingsrapport is opgesteld
Argumenten van partijen
21 Het Parlement heeft een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen tegen het derde onderdeel van het beroep, inzake het heronderzoek van verzoekers sollicitaties na de opstelling van een geldig beoordelingsrapport. Dit middel zou niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat verzoeker slechts de nietigverklaring kan vorderen van besluiten waardoor hij zich bezwaard voelt. De instelling moet de uit het arrest van het Gerecht voortvloeiende maatregelen treffen, zonder dat daartoe een bijzondere vordering behoeft te worden ingesteld.
22 Volgens verzoeker is het derde onderdeel niet alleen ontvankelijk, maar ook logisch en noodzakelijk. Slechts door een nieuw onderzoek van zijn sollicitaties naar de vacatures bedoeld in de kennisgevingen van vacature nrs. 6478 en 6479, kan aan zijn grieven worden tegemoetgekomen. Hij moet in de situatie worden gebracht waarin hij had verkeerd wanneer de onrechtmatigheid waardoor hij is geschaad, zich niet had voorgedaan. Met de gevraagde maatregelen beoogt hij te voorkomen, dat het Parlement na de nietigverklaring van de bestreden besluiten in feite opnieuw dezelfde besluiten neemt door middel van "op maat gesneden" kennisgevingen van vacature met een andere motivering. Ter terechtzitting heeft verzoeker hieraan toegevoegd, dat artikel 176 EEG-Verdrag alleen verklaart dat de instelling verplicht is een arrest uit te voeren, en dat indien het Gerecht de instelling veroordeelt tot een bepaalde maatregel, die die uitvoering zal vergemakkelijken.
Beoordeling door het Gerecht
23 Met dit onderdeel verlangt verzoeker van het Gerecht, dat het reeds nu bevelen richt tot de autoriteit die dit arrest zal moeten uitvoeren. Volgens vaste rechtspraak evenwel kan het Gerecht in het kader van zijn wettigheidstoezicht geen bevelen geven aan de gemeenschapsautoriteiten zonder op hun prerogatieven inbreuk te maken. Dit onderdeel van het beroep moet derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
De in repliek ingestelde aanvullende vordering
Argumenten van partijen
24 In dupliek werpt het Parlement een exceptie van niet-ontvankelijkheid op tegen de door verzoeker in repliek ingestelde aanvullende vordering. Allereerst stelt het Parlement vast, dat in het Reglement voor de procesvoering geen procedure voor aanvullende vorderingen is voorzien. De aanvullende vordering is dus een poging van de zijde van verzoeker om, te laat, rechtsmiddelen voor te dragen waarop geen beroep is gedaan in zijn klacht van 19 maart 1992 tegen het besluit houdende definitieve vaststelling van zijn beoordelingsrapport over het tijdvak 1989-1990. Verzoeker tracht daarmee het verbod van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering te omzeilen.
25 Voorts heeft de klacht van 19 maart 1992 volgens het Parlement een op zichzelf staand voorwerp, namelijk de beweerde onwettigheid van de beoordelingsprocedure, en verschilt zij daarmee zowel van de klachten van 7 en 14 oktober 1991, die een ander voorwerp hebben, als van het beroep zoals dat is ingesteld met het op 23 maart 1992 ingediende verzoekschrift. Door de aanvullende vordering ontneemt verzoeker bovendien zichzelf, en vooral ook verweerder, de mogelijkheid de nieuwe argumenten gedetailleerd te onderzoeken.
26 Ter terechtzitting heeft verzoeker betoogd, dat een aanvullende vordering volgens de algemeen geldende rechtsbeginselen toelaatbaar is zodra, gelijk in casu, het voorwerp ervan nauw samenhangt met dat van de oorspronkelijke vordering. Wat in het Reglement voor de procesvoering niet uitdrukkelijk niet-ontvankelijk wordt genoemd, is ontvankelijk. Voor het geval evenwel het Gerecht de aanvullende vordering niet-ontvankelijk zou achten, verzoekt verzoeker, ze van de onderhavige procedure te scheiden en in een afzonderlijke procedure te behandelen.
Beoordeling door het Gerecht
27 Volgens vaste rechtspraak (zie bij voorbeeld arrest Gerecht van 8 maart 1990, zaak T-41/89, Schwedler, Jurispr. 1990, blz. II-79) blijkt uit artikel 44, lid 1, juncto artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat het voorwerp van het geding in het verzoekschrift moet worden bepaald en dat een voor het eerst in repliek geformuleerde vordering het oorspronkelijke voorwerp van het beroep wijzigt en dus als een nieuwe en, bijgevolg, niet-ontvankelijke vordering is te beschouwen. In casu blijkt bij onderzoek van het oorspronkelijke verzoekschrift, dat dit alleen betrekking had op de besluiten houdende bevordering van L. en T. Eerst in repliek heeft verzoeker het voorwerp van het geding uitgebreid, en dus gewijzigd, door nietigverklaring te vorderen van het besluit van 4 juni 1992 waarbij zijn klacht van 19 maart 1992 ongegrond is verklaard.
28 Mitsdien is de in repliek ingestelde aanvullende vordering een nieuwe vordering en dus niet-ontvankelijk.
29 Bovendien geeft het Reglement voor de procesvoering het Gerecht niet de mogelijkheid een in repliek ingestelde nieuwe vordering te behandelen als een verzoekschrift in de zin van artikel 44 van het Reglement. Derhalve moet ook het door verzoeker ter terechtzitting geformuleerde verzoek, de aanvullende vordering van de onderhavige procedure te scheiden en in een afzonderlijke procedure te behandelen, worden afgewezen.
Het tijdens de procedure aangevoerde nieuwe middel, ontleend aan schending van de in dienstnota nr. 89/4 neergelegde procedure voor de indiening van sollicitaties
30 Tijdens de tweede terechtzitting op 5 mei 1993 heeft verzoeker gesteld, dat de bevordering van T. onwettig is, op grond dat in zijn geval sprake is geweest van schending van de procedure voor de indiening van sollicitaties als neergelegd in punt IV van dienstnota nr. 89/4, waarbij dienstnota nr. 87/3 van 11 november 1987 is vervangen en met name de uitvoeringsbepalingen voor de kennisgevingen van vacature en de indiening van sollicitaties zijn vastgesteld. Verzoeker stelt in wezen, dat T. in beide bevorderingsprocedures zijn sollicitatie heeft ingediend na de uiterste indieningsdatum vermeld in de kennisgevingen van vacature nrs. 6478 en 6479.
Argumenten van partijen
31 Het Parlement werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op tegen dit tijdens de procedure ingediende nieuwe middel, inhoudende dat de sollicitatie van T. te laat is ingediend. Verzoeker had de administratie kunnen vragen om inzage in de sollicitaties naar de twee vacatures vóór het instellen van het beroep, dan wel had hij het Gerecht kunnen verzoeken, hem het gehele dossier ter beschikking te stellen.
32 Verzoeker is van mening, dat zijn nieuwe middel ontvankelijk is. Van de feitelijke gegevens waarop zijn verzoek steunt, heeft hij eerst kennis gekregen toen hij de dossiers betreffende de kennisgevingen van vacature nrs. 6478 en 6479 raadpleegde, nadat deze op verzoek van het Gerecht ter griffie waren neergelegd. De dossiers betreffende de sollicitaties van T. en L. heeft hij eerst kunnen inzien nadat het Gerecht om overlegging daarvan had verzocht.
Beoordeling door het Gerecht
33 Vooraf herinnert het Gerecht eraan, dat artikel 48, lid 2, eerste alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat het voordragen van nieuwe middelen in de loop van het geding verboden is tenzij deze middelen steunen op gegevens, hetzij feitelijk of rechtens, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
34 In casu zijn blijkens de stukken enerzijds de tot staving van het betrokken middel ingeroepen feitelijke gegevens door verzoeker ontdekt bij de bestudering van de administratieve dossiers betreffende de vacante functies nrs. 6478 en 6479, die door het Parlement desgevraagd aan het Gerecht zijn overgelegd na de heropening van de mondelinge behandeling; deze dossiers zijn normaal gesproken niet voor verzoeker toegankelijk. Anderzijds blijkt, dat verzoeker ook niet op andere wijze van die feitelijke gegevens kennis kon hebben. De door het Parlement gesuggereerde mogelijkheid om de administratie te verzoeken om inzage in de sollicitaties van de andere sollicitanten, doet hieraan op zich niet af.
35 Derhalve berust dit middel op feitelijke gegevens waarvan in de loop van de behandeling is gebleken, zoals artikel 48 van het Reglement voor de procesvoering dat eist, zodat het voordragen ervan moet worden toegestaan en de ertegen opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
Ten gronde
36 Tot staving van zijn beroep draagt verzoeker drie middelen voor. Het eerste is ontleend aan schending van de artikelen 45, lid 1, en 5, lid 3, Ambtenarenstatuut (hierna: "Statuut"), het tweede aan schending van een mondelinge toezegging van bevordering die hem zou zijn gedaan, en het derde aan schending van de procedure voor de indiening van sollicitaties, neergelegd in dienstnota nr. 89/4. Het derde middel moet het eerst worden onderzocht.
Het middel ontleend aan schending van de procedure voor de indiening van sollicitaties, neergelegd in dienstnota nr. 89/4
Argumenten van partijen
37 Tot staving van dit middel stelt verzoeker, dat naar hij heeft vastgesteld, een van de twee bevorderde ambtenaren, T., zijn sollicitatie in de beide bevorderingsprocedures had ingediend na het verstrijken van de termijn en voor die termijnoverschrijding geen geldig excuus had opgegeven, noch ook voldoende gronden had aangevoerd voor een verzoek om verlenging van de termijn. De dienstdoend ambtenaar van de dienst aanwerving had dan ook aanvankelijk de sollicitaties van de betrokken ambtenaar afgewezen omdat zij te laat waren ingediend, maar twee dagen later op aanwijzing van zijn chef en zonder opgaaf van redenen genoteerd, dat de betrokken sollicitaties niettemin waren aanvaard. Aangezien ook verzoeker kandidaat was voor de vacante functies, meent hij, dat de bevordering van de betrokken ambtenaar onwettig is en dat het desbetreffende besluit nietig moet worden verklaard.
38 Het Parlement zet onder verwijzing naar de paragrafen B en C van hoofdstuk IV, "Procedure voor de indiening van sollicitaties", van dienstnota nr. 89/4 uiteen - zonder op dit punt door verzoeker te worden weersproken -, dat volgens een algemene administratieve praktijk ambtenaren op dienstreis naar Brussel of Straatsburg hun sollicitaties naar vacante functies na de termijn mogen indienen. Deze ambtenaren zijn voor de periode van hun dienstreis geëxcuseerd, aangezien zij enerzijds normaal gesproken geen tijd hebben om zich met het solliciteren op vacante functies bezig te houden en anderzijds moeilijk kennis kunnen nemen van de kennisgevingen van vacature. Zij kunnen wel een sollicitatie per fax indienen, maar de administratie beschouwt een dienstreis als excuus.
39 Het Parlement wijst erop, dat de kennisgevingen van vacature nrs. 6478 en 6479 van 10 tot en met 21 december 1990 zijn bekendgemaakt. Voor deze gehele periode heeft T. een geldig excuus. In de week van 10 tot 14 december 1990 was hij op dienstreis naar Straatsburg en voor de periode van 17 tot 21 december 1990 heeft hij een medische verklaring overgelegd. In deze omstandigheden heeft het Parlement zijn termijnoverschrijding derhalve als geëxcuseerd beschouwd.
Beoordeling door het Gerecht
40 De kennisgevingen van vacature nrs. 6478 en 6479, waarbij de twee in geding zijnde vacante functies ter kennis van het personeel van het Parlement werden gebracht, verwijzen voor de procedure van indiening van sollicitaties naar dienstnota nr. 89/4. Deze dienstnota, ondertekend door de directeur Personeel, begroting en financiën, is gericht tot het gehele personeel en beoogt, de ambtenaren en andere personeelsleden van het secretariaat-generaal van het Parlement die solliciteren op een vacante functie die hen ter kennis is gebracht door bekendmaking, een identieke procedure van voorziening in de vacante functies te garanderen, alsook een identieke wijze van publikatie en indiening van sollicitaties. Zij is dus een interne richtlijn, die de administratie zichzelf oplegt en waarvan zij niet zonder vermelding van redenen kan afwijken, op straffe van schending van het beginsel van gelijke behandeling (zie bij voorbeeld arrest Hof van 29 maart 1984, zaak 25/83, Buick, Jurispr. 1984, blz. 1773).
41 In dienstnota nr. 89/4 is de indiening van sollicitaties geregeld in hoofdstuk IV, paragrafen B en C. Deze paragrafen luiden als volgt:
"B. Personeelsleden die in Brussel en Straatsburg werken of die aldaar op dienstreis zijn en degenen die bij de voorlichtingsbureaus werken, kunnen hun sollicitatie per telefax (nr. 43.58.45) indienen, mits deze tegelijkertijd wordt bevestigd door de inzending, in de speciale envelop, van het originele sollicitatieformulier.
Op deze wijze kunnen eventuele vertragingen bij het doorzenden naar de dienst aanwerving te Luxemburg worden voorkomen.
C. Sollicitaties die na het verstrijken van de uiterste datum binnenkomen, worden niet in aanmerking genomen, tenzij om gegronde redenen, zoals afwezigheid wegens jaarlijks verlof, een dienstreis of ziekteverlof gedurende de gehele periode waarin de vacature op het mededelingenbord heeft gehangen, van deze regel wordt afgeweken. In dit geval moet een rechtvaardiging voor de te late indiening bij het sollicitatieformulier worden gevoegd in de vorm van een kopie van de verlofaanvraag, de dienstreisopdracht of formulier F 501 ($Kennisgeving van afwezigheid in verband met ziekte of ongeval'), dat bij de medische dienst verkrijgbaar is.
Sollicitaties die niet aan deze criteria voldoen, worden terzijde gelegd."
42 Uit deze bepalingen blijkt in de eerste plaats, dat personeel dat op dienstreis naar Brussel en Straatsburg is, de mogelijkheid heeft per fax naar een vacature te solliciteren, en in de tweede plaats, dat een sollicitatie die na de indieningstermijn wordt ingediend door een sollicitant die gedurende de gehele periode waarin de vacature op het mededelingenbord heeft gehangen, op dienstreis of met ziekteverlof is geweest, niettemin in aanmerking wordt genomen. Met betrekking tot sollicitanten die op dienstreis naar Straatsburg of Brussel zijn, blijkt uit de tekst van de dienstnota immers niet, dat zij hun sollicitatie, eventueel per fax, moeten indienen vóór het verstrijken van de sollicitatietermijn. In die omstandigheden is de algemeen gangbare administratieve praktijk waarop het Parlement zich onweersproken door verzoeker beroept, erin bestaande dat ambtenaren die in genoemde twee steden op dienstreis zijn, na de indieningstermijn kunnen solliciteren, geen schending van het beginsel van gelijke behandeling, voor zover deze wordt gerechtvaardigd door het feit dat de werkbelasting van ambtenaren die op dienstreis naar Brussel of Straatsburg zijn, hen kan beletten, binnen de termijn te solliciteren op een kennisgeving van vacature.
43 In casu blijkt uit de uiteenzetting van het Parlement ter terechtzitting van 5 mei 1993, dat er in de week van maandag 10 tot vrijdag 14 december 1990 een zitting van het Parlement is gehouden. Uit de dossiers die het Parlement op verzoek van het Gerecht heeft overgelegd, blijkt voorts, dat T. ter rechtvaardiging van de overschrijding van de termijn voor de indiening van sollicitaties een door dr. E. te Straatsburg op maandag 17 december 1990 ingevulde verlenging van arbeidsongeschiktheid tot 7 januari 1991 heeft overgelegd, dat T. zijn sollicitaties heeft ondertekend op 8 januari 1991, dat de dienst aanwerving van de algemene dienst Personeel, begroting en financiën deze heeft ontvangen op 9 januari 1991 en ze heeft aanvaard op 11 januari 1991. Uit deze dossiers blijkt verder, dat de dienst aanwerving de op 11 januari 1991 gedateerde sollicitatie heeft aanvaard van een andere sollicitant, die met verlof was van 17 december 1990 tot 6 januari 1991 en vervolgens van 7 tot 10 januari 1991 te Brussel aanwezig was bij een vergadering van de politieke commissie van het Parlement.
44 Gelet op een en ander komt het Gerecht tot de conclusie, dat T. niet verplicht was zijn sollicitaties naar de vacatures uiterlijk op 21 december 1990 in te dienen, de datum die in de kennisgevingen van vacature nrs. 6478 en 6479 werd vermeld, en dat hij mocht aannemen te hebben gehandeld overeenkomstig de geldende administratieve praktijk. Enerzijds heeft T. derhalve niet gehandeld in strijd met de bij dienstnota nr. 89/4 voorgeschreven sollicitatieprocedure door zijn sollicitaties op 8 januari 1991 in te dienen, en anderzijds heeft de administratie deze procedure niet geschonden door deze sollicitaties te aanvaarden.
45 Ter terechtzitting van 5 mei 1993 heeft verzoeker erop gewezen, dat de naam van T. reeds voorkwam in de nota's van 7 januari 1991, waarin L. Katgerman, adviseur bij de dienst Personeel, begroting en financiën, de ontvankelijke sollicitaties vermeldde die op de bekendmaking van de twee kennisgevingen van vacature nrs. 6478 en 6479 waren ingekomen, en vervolgens de directeur-generaal van DG II verzocht, hem binnen vijftien werkdagen na 15 januari 1991 te adviseren over het daaraan te geven gevolg ter voorziening in de posten nrs. II/A/680 en II/A/645. Hieruit blijkt volgens hem, dat het Parlement van meet af aan de sollicitaties van de twee bevorderde kandidaten naar voren heeft geschoven.
46 Dienaangaande stelt het Gerecht vast, dat de sollicitaties van T. inderdaad worden genoemd in de nota's van 7 januari 1991, ofschoon deze ambtenaar zijn sollicitaties eerst op 8 januari 1991 heeft ondertekend. Op verzoek van het Gerecht en na raadpleging van Katgerman heeft het Parlement ter terechtzitting uitgelegd, dat die nota's zijn opgesteld met gebruikmaking van een standaardformulier waarop de namen van de ambtenaren die hebben gesolliciteerd, worden ingevuld. Ofschoon de nota's zijn opgesteld op 7 januari 1991, zijn zij eerst op 11 januari 1991 verzonden, dat wil zeggen na de ontvangst en, eventueel, de aanvaarding van te laat ingekomen sollicitaties, met name die van T. Dit blijkt volgens het Parlement uit de met de hand ingevulde datum van 15 januari 1991 als begin van de termijn voor het gevraagde advies.
47 Het Gerecht stelt enerzijds vast, dat de naam van T. niet voorkomt op de lijst van 7 januari 1991, waarop de laatste beoordelingsrapporten van de sollicitanten naar de functies nrs. II/A/680 en II/A/645 worden geanalyseerd, terwijl zijn naam wel op de aanvullende lijst van 11 januari 1991 staat, en dat alle betrokken lijsten bij de nota's van Katgerman zijn gevoegd. Het Gerecht maakt daaruit op, dat deze nota's door een administratieve vergissing op 7 januari 1991 zijn gedateerd.
48 Aangezien niet is aangetoond, dat de sollicitaties die in de nota's van Katgerman met als datum 7 januari 1991 worden genoemd, niet werkelijk zijn ingediend, is niet in strijd met de sollicitatieprocedure gehandeld.
49 Het eerste middel kan derhalve niet slagen.
Het middel ontleend aan schending van de artikelen 45, lid 1, en 5, lid 3, van het Statuut
Argumenten van partijen
50 Verzoeker is van mening, dat het tot aanstelling bevoegd gezag geen vergelijkend onderzoek heeft verricht van de verdiensten van de ambtenaren die voor bevordering in aanmerking kwamen, noch van hun beoordelingsrapporten.
51 In de eerste plaats zou verweerder de sollicitaties die verzoeker op 19 december 1990 na de publikatie van de kennisgevingen van vacature nrs. 6478 en 6479 had ingediend, niet in aanmerking hebben genomen met het oog op een bevordering in de loopbaan A 5/A 4, ofschoon hij wel aan de voorwaarden daarvoor voldeed.
52 In de tweede plaats zouden de bestreden besluiten eerst genomen hebben kunnen worden na de definitieve vaststelling van zijn beoordelingsrapport over de periode 1989-1990.
53 Verzoeker merkt op, dat zijn beoordelingsrapport over die periode op die datum nog niet was opgesteld, maar die van de twee bevorderde ambtenaren wel. Ter terechtzitting van 18 februari 1993 voegde hij daaraan toe, dat aangezien in casu de beoordelaars en degenen die een besluit over de bevordering moesten nemen, dezelfde personen waren, of althans personen die onderling veel contact hadden, de bijstands- of zorgplicht had verlangd dat de beoordelingsrapporten snel werden opgesteld, vooral nu er voor één vacature verscheidene sollicitanten waren. Bovendien waren in casu de termijnen voor de beoordeling van de ambtenaren niet in acht genomen. De administratie had de bevorderingsbesluiten kunnen uitstellen tot juli 1991 teneinde rekening te kunnen houden met de beoordelingsrapporten van alle kandidaten.
54 Verzoeker betoogt in de derde plaats, dat het feit dat in zijn geval, omdat het rapport over 1989-1990 ontbreekt, uitsluitend wordt verwezen naar het beoordelingsrapport over 1987-1988, welk rapport dus een periode betreft van tweeëneenhalf tot viereneenhalf jaar vóór het tijdstip van het bevorderingsbesluit, een gebrek aan objectiviteit is en derhalve een ernstige beoordelingsfout oplevert. Voorts zijn in andere gevallen meer recente beoordelingsrapporten in aanmerking genomen, en was het dus onmogelijk, de rapporten van alle sollicitanten met elkaar te vergelijken.
55 Onder verwijzing naar de nota, op 1 februari 1991 door de directeur-generaal van DG II gericht tot de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën, stelt verzoeker allereerst, dat daaruit enerzijds blijkt, dat niet het tot aanstelling bevoegd gezag de in artikel 45, lid 1, van het Statuut voorgeschreven "selectie" heeft gemaakt, en anderzijds, dat de bevorderingsbesluiten niet zijn genomen "op voordracht van de secretaris-generaal", anders dan daarin wordt vermeld.
56 Voorts heeft DG II blijkens de nota van 1 februari 1991 de selectie van de sollicitanten niet verricht overeenkomstig artikel 45 van het Statuut. In deze nota worden niet de vijftien kandidaten voor een interne bevordering binnen DG II genoemd en hun verdiensten zijn niet het voorwerp geweest van een reëel vergelijkend onderzoek. Blijkens deze nota zijn de beoordelingsrapporten van de belanghebbenden over 1989-1990 gebruikt als basis voor de voordracht tot bevordering.
57 Onder voorbehoud van rechten betwist verzoeker, dat die rapporten op 1 februari 1991 nog niet klaar waren en dat het onderhoud met de bevorderde ambtenaren na die datum heeft plaatsgehad. Hij bestrijdt tevens, dat de beoordelingsrapporten van de bevorderde ambtenaren beter waren dan het zijne.
58 Ten slotte is volgens verzoeker bij het vergelijkend onderzoek naar de verdiensten van de kandidaten voor bevordering blijkbaar geen rekening gehouden met vergelijkbare gegevens, of anders zijn deze onjuist toegepast. Bij wijze van voorbeeld wijst hij op de verschillen in de beoordeling van de uitgeoefende functies, de kwalificatie en de buiten de instelling verworven beroepservaring, de anciënniteit in rang en zijn leeftijd. Verwijzend naar de nota van 1 februari 1991 van de directeur-generaal van DG II aan de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën, merkt hij op, dat het Parlement weliswaar een ruime beoordelingsvrijheid heeft, maar dat de gemeenschapsrechter op zijn minst de mogelijkheid moet hebben, de overwegingen te begrijpen die tot een bevorderingsbesluit hebben geleid, teneinde een niet-onrechtmatige van een willekeurige gedraging te onderscheiden (arrest Gerecht van 30 januari 1992, zaak T-25/90, Schoenherr, Jurispr. 1992, blz. II-63). Hij ziet niet, waarom de werkzaamheden van de twee bevorderde ambtenaren van hogere kwaliteit zouden zijn dan de zijne. Zijn verdiensten (een voltooide juridische opleiding, meer dan zeven jaar ervaring als advocaat, negen jaar beroepservaring) zijn groter en betekenen dat hij op veel plaatsen inzetbaar is.
59 Verweerder constateert allereerst, dat verzoeker in zijn verzoekschrift geen specifieke argumenten naar voren heeft gebracht met betrekking tot de schending van artikel 5 van het Statuut.
60 De procedure tot bevordering van L. en T. is regelmatig en in overeenstemming met het beginsel van behoorlijk bestuur verlopen en de bevorderingsbesluiten van 3 juli 1991 zijn genomen met inachtneming van de artikelen 45 en 5 van het Statuut.
61 De kennisgevingen van vacature betreffende de twee vacatures nrs. II/A/645 en II/A/680 zijn uitgehangen van 10 tot 21 december 1990 en de personeelsadministratie heeft vervolgens bij vier nota's de lijst van de sollicitanten meegedeeld aan de directeur-generaal onder wie de posten ressorteerden, met het verzoek zich uit te spreken over de toewijzing van die posten. Een uittreksel uit de laatste beoordelingsrapporten van de sollicitanten was bij deze nota's gevoegd. Op basis van deze en, in voorkomend geval van andere informatie heeft de bevoegde directeur-generaal een voorlopige selectie gemaakt en zijn advies bij nota van 1 februari 1991 aan de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën meegedeeld. Dit advies is door de personeelsadministratie aan de secretaris-generaal overgebracht, die het heeft onderzocht en heeft ingestemd met de door de bevoegde directeur-generaal gemaakte voorselectie. De formele voordracht van de secretaris-generaal is terug te vinden in het ontwerp-besluit, dat te zamen met de andere stukken aan de voorzitter is voorgelegd, die er aldus blijk van heeft gegeven in te stemmen met de in de nota door de bevoegde directeur-generaal gemaakte voorlopige selectie. Ten slotte heeft de voorzitter op 3 juli 1991 de ontwerp-besluiten, die reeds de handtekening van de secretaris-generaal droegen, ondertekend.
62 Volgens verweerder waren de beoordelingsrapporten van de belanghebbenden over de periode 1989-1990 op 1 februari 1991 nog niet klaar, zodat de bevorderingsvoorstellen van die datum alle op de beoordelingsrapporten over de periode 1987-1988 waren gebaseerd, ook in het geval van verzoeker. Dit blijkt uit de nota van 1 februari 1991 en uit de op 7 januari 1991 opgestelde lijsten. Het tot aanstelling bevoegd gezag had trouwens het recht om de bevorderingsbesluiten enerzijds te baseren op de reeds definitief vastgestelde beoordelingsrapporten over 1989-1990 betreffende de bevorderde ambtenaren en anderzijds op het laatste definitieve beoordelingsrapport van verzoeker. Er is geen sprake geweest van een aan de administratie verwijtbare belangrijke vertraging of schending van het beginsel van behoorlijk bestuur met betrekking tot de vaststelling van verzoekers beoordelingsrapport over 1989-1990, aangezien de eindbeoordelaar eerst op 11 juli 1991 in plaats van 30 mei 1991 heeft geantwoord op de door verzoeker tegen zijn rapport ingebrachte bezwaren. Verzoeker kan niet verlangen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn bevorderingsbesluit uitstelt totdat definitief zal zijn beslist op alle door verzoeker tegen zijn beoordelingsrapport ingebrachte rechtsmiddelen. Een dergelijke vertraging zou onverenigbaar zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur en met goede administratieve praktijken.
63 Voorts heeft de voorzitter van het Parlement in zijn besluit van 10 januari 1992 tot afwijzing van de door verzoeker ingediende klacht, het beoordelingsrapport van verzoeker over 1989-1990, zoals inmiddels verbeterd, vergeleken met de beoordelingsrapporten van de bevorderde ambtenaren over dezelfde periode. Deze rapporten waren beter dan dat van verzoeker en de voorzitter was dan ook tot de overtuiging gekomen, dat overeenkomstig de wettelijke voorschriften tot de bevorderingen was besloten.
64 Het Parlement herinnert eraan, dat het tot aanstelling bevoegd gezag bij bevorderingen over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt om de verdiensten van de ambtenaren te beoordelen, welke vrijheid bijzonder ruim is wanneer het gaat om de beoordeling van buiten de instelling verworven kwalificaties die geen enkel verband houden met de bij het Parlement verrichte werkzaamheden. In casu is volledig rekening gehouden met de bijzondere verdiensten van de bevorderde ambtenaren die verband hielden met hun huidige beroepswerkzaamheid, zoals blijkt uit de nota van 1 februari 1991 van de directeur-generaal van DG II, die daarop met nadruk wijst. Aangezien de beoordeling van de verdiensten van de ambtenaren het beslissende criterium was, konden de leeftijd en de anciënniteit in casu geen beslissende invloed hebben. Blijkens de nota van 1 februari 1991 is meer gewicht gehecht aan de binnen het Parlement vóór de vaste aanstelling uitgeoefende functies dan aan de daarbuiten verworven ervaring, hetgeen een legitieme keuze is. Zo is de binnen een kabinet of een fractie verworven beroepservaring, die in direct verband staat met de vervolgens binnen de administratie van het Parlement verrichte werkzaamheden, in genoemde nota vermeld, terwijl de door verzoeker buiten het Parlement verworven beroepservaring daarin om dezelfde reden niet wordt genoemd.
65 Ter terechtzitting van 18 februari 1993 heeft het Parlement, wederom onder verwijzing naar de nota van 1 februari 1991 van de directeur-generaal van DG II, betoogd, dat het tot aanstelling bevoegd gezag binnen zijn beoordelingsbevoegdheid is gebleven bij de voordracht voor bevordering van T. en L., en dat de gemaakte keuze niet betwistbaar is. Het ging om de voorziening in functies van hoofdadministrateur voor de secretariaten van parlementaire commissies, die in direct contact met de leden van het Parlement werken, hetgeen een zeer grote bekwaamheid in de opstelling van rapporten en werkdocumenten vergt, een grote ervaring op de gespecialiseerde terreinen waarop de commissie werkzaam is, en vooral de nodige geschiktheid én bereidheid om, vaak onder druk, in een klein team te werken. De twee bevorderde ambtenaren zijn gekozen omdat zij deze kwaliteiten in het bijzonder bezaten. Een vergelijking van de beoordelingsrapporten van de twee bevorderde ambtenaren met die van verzoeker met betrekking tot deze capaciteiten en geschiktheid leverde zeer grote verschillen op. Inzake het in de twee kennisgevingen van vacature genoemde vereiste van de geschiktheid om in een team te werken, verwijst het Parlement naar een incident dat zich in de zomer van 1990 heeft voorgedaan en waaruit zou blijken dat verzoeker die collegialiteit niet bezat.
Beoordeling door het Gerecht
66 Met betrekking tot dit middel moet er allereerst aan worden herinnerd, dat het onderzoek naar de mogelijkheden van overplaatsing of bevordering ingevolge artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut moet plaatsvinden overeenkomstig artikel 45 van het Statuut, dat uitdrukkelijk een onderzoek voorschrijft "waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken". In deze verplichting komt zowel het beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren tot uitdrukking als het beginsel dat zij recht hebben op ontwikkeling van hun carrière (zie arrest Hof van 13 december 1984, gevoegde zaken 20/83 en 21/83, Vlachos, Jurispr. 1984, blz. 4149).
67 Het staat derhalve aan het Gerecht om na te gaan, of het Parlement metterdaad een regulier vergelijkend onderzoek van de sollicitaties naar de bij kennisgevingen van vacature nrs. 6478 en 6479 vacant verklaarde posten heeft verricht, in het kader van zijn beoordelingsvrijheid.
68 In casu blijkt uit alle stukken, de door het Parlement op verzoek van het Gerecht overgelegde documenten en de door partijen ter terechtzitting gegeven toelichting, dat de procedure die tot de omstreden bevorderingen heeft geleid, als volgt is verlopen.
69 Na de publikatie op 10 december 1990 van de kennisgevingen van vacature nrs. 6478 en 6479 betreffende de voorziening in twee functies van hoofdadministrateur bij DG II, en na ontvangst van de sollicitaties, heeft de algemene dienst Personeel, begroting en financiën bij twee nota's van 7 januari 1991, aangevuld met twee nota's van 15 januari 1991, alle vier ondertekend door L. Katgerman, adviseur bij deze directie, aan de directeur-generaal van DG II de namen meegedeeld van de kandidaten die ontvankelijke sollicitaties hadden ingediend. Verzoekers naam komt voor in de twee nota's van 7 januari 1991. In die nota's werd de directeur-generaal van DG II verzocht, zijn advies te geven over de voorziening in de twee genoemde posten. De vier nota's gingen vergezeld van lijsten, die onder meer een analyse bevatten van de beoordelingsrapporten van de sollicitanten over 1987-1988; ook de naam van verzoeker, met de analyse van zijn beoordelingsrapport, stond op deze lijsten. Na ontvangst van deze nota's begon de directie van DG II, daaronder begrepen de drie directeuren en de verschillende adjunct-directeuren, met het overleg over de te maken keuze.
70 Bij nota van 1 februari 1991 deelde de directeur-generaal van DG II aan de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën de uitslag van dit overleg mee. Volgens deze nota hadden de directeur-generaal en zijn collega's de verdiensten van de sollicitanten vergeleken en om verschillende redenen geen van de kandidaturen voor overplaatsing aanvaard. Behalve over de beoordelingsrapporten van de sollicitanten beschikte de directie nog over andere gegevens voor hun beoordeling, hetzij omdat zij op dat tijdstip hun functie uitoefenden binnen DG II, hetzij omdat zij dat voorheen hadden gedaan, hetzij door de incidentele contacten die zij tot de dag van het overleg met hen hadden gehad. De directie heeft aldus degenen die in vergelijking met anderen het meest in aanmerking kwamen voor bevordering, geselecteerd, daarbij rekening houdend met een op dat moment gaande zijnde "loopbaanherziening", en de bevordering voorgesteld van T. en L., van wie zij de bekwaamheid, de kwaliteit van hun werk en de toewijding jarenlang had kunnen waarderen.
71 Ter terechtzitting van 5 mei 1993 heeft de directeur-generaal van DG II uiteengezet, hoe de procedure is verlopen op basis van de nota van 1 februari 1991. Om te verzekeren dat de verschillende gegevens over alle sollicitanten vergelijkbaar waren, heeft de directie hun beoordelingsrapporten over 1987-1988 in aanmerking genomen. Voor de niet bij DG II werkzame sollicitanten heeft zij ter nadere informatie tevens hun persoonsdossiers onderzocht. Dit is niet gebeurd voor de sollicitanten die bij DG II werkzaam waren of waren geweest, aangezien de leden van de directie reeds door hun persoonlijke contacten over aanvullende gegevens hen betreffende beschikten. Rekening houdend met een aantal bevorderingsprocedures en herindeling van posten, die tegelijkertijd gaande waren en op hetzelfde moment andere bevorderingsmogelijkheden boden, heeft de directie op basis van de globaal in aanmerking genomen beoordelingsrapporten en de aanvullende informatie waarover zij beschikte, een algemene beoordeling van de sollicitanten gemaakt en het aantal sollicitanten voor de in geding zijnde posten tot een kleine groep teruggebracht. Vervolgens heeft zij de sollicitanten van deze kleine groep vergeleken vanuit het oogpunt van hun bekwaamheden zoals deze in hun beoordelingsrapporten waren gewaardeerd. Deze beoordeling vergrootte het verschil tussen de globaal in aanmerking genomen beoordelingsrapporten van T. en L. en dat van verzoeker. Ten slotte heeft de directie de verdiensten van de kleine groep beoordeeld vanuit het oogpunt van de in de kennisgevingen van vacature vereiste bijzondere kwalificaties, en heeft zij haar keuze op T. en L. laten vallen.
72 Bij nota van 28 februari 1991 heeft de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën de directeur-generaal van DG II verzocht, zijn voordracht te heroverwegen, gelet op de vergelijkende lijst, waaruit zou zijn gebleken dat zeven sollicitanten die voor bevordering in aanmerking kwamen, een beter beoordelingsrapport hadden dan T. en L.
73 Op deze nota werd door de directeur-generaal van DG II geantwoord bij nota van 12 maart 1991. Hij beklemtoonde, dat de directie van DG II de verdiensten van de te bevorderen ambtenaren, alsook hun beoordelingsrapporten had vergeleken en dat de verzoekende dienst de mogelijkheid had, een keuze te maken. De directie had het haar plicht geacht een zo groot mogelijk aantal gegevens te verzamelen, daaronder begrepen de beoordelingsrapporten van de te bevorderen ambtenaren, teneinde voor de te vervullen functies een of meer kandidaten te kunnen aanbevelen die zij het meest verdienstelijk achtte, totdat het aantal te vervullen posten was bereikt. Om deze redenen bevestigde hij de voordracht.
74 De secretaris-generaal zond vervolgens de voordracht van de directie van DG II naar de voorzitter van het Parlement in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, te zamen met zijn officieel advies voor een ontwerp-besluit. Bij nota van 16 mei 1991 vroeg de directeur van het kabinet van de voorzitter aan de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën, de criteria te rechtvaardigen op grond waarvan de keuze van de kandidaten voor bevordering was gemaakt.
75 De directeur-generaal van DG II beantwoordde de vraag van de kabinetschef van de voorzitter bij nota van 22 mei 1991 ter attentie van de directeur-generaal Personeel, begroting en financiën. Hij beklemtoonde, dat de bevordering van T. en L. uitsluitend werd voorgesteld op basis van de criteria van artikel 45 van het Statuut, toegepast in verband met de aard van de functies en de in de twee kennisgevingen van vacature vereiste kwalificaties. Vervolgens zette hij uiteen, dat de beoordelingsrapporten van de verschillende kandidaten, die voorkwamen op de lijsten waarin een analyse was gemaakt van de beoordelingsrapporten over 1987-1988, moesten worden beoordeeld met inaanmerkingneming van hun datum van opstelling, naar gelang deze was gelegen vóór of na de vaststelling in 1989 van de nieuwe beoordelingsmethode (waarbij de percentages voor de verschillende vermeldingen werden aangegeven). Aldus waren de vier sollicitanten, waaronder T. en L., gekozen.
76 Deze vier sollicitanten hadden op basis van hun beoordelingsrapporten over 1989-1990 een gelijk aantal punten (57). De directie had daarom ook de leeftijd en de anciënniteit van de sollicitanten vergeleken en besloten, de voordracht tot bevordering van T. en L. te bevestigen.
77 De voorzitter ondertekende de twee bevorderingsbesluiten op 3 juli 1991.
78 Het Gerecht stelt allereerst vast, dat blijkens het voorgaande het tot aanstelling bevoegd gezag de sollicitaties van verzoeker naar de bij kennisgevingen van vacature nrs. 6478 en 6479 vacant verklaarde posten wel degelijk in overweging heeft genomen. Op de lijsten waarin een analyse is gemaakt van de beoordelingsrapporten van de sollicitanten over 1987-1988, staat de naam van verzoeker met een analyse van zijn beoordelingsrapport. Op basis van deze lijsten is door de directie van DG II een vergelijking gemaakt van de verdiensten van de sollicitanten. De door verzoeker in dit verband geuite grief dient dan ook te worden afgewezen.
79 Wat betreft verzoekers grief, dat de administratie de bevorderingsbesluiten had kunnen uitstellen tot juli 1991, de datum waarop de beoordelingsrapporten over 1989-1990 van alle sollicitanten in overweging hadden kunnen worden genomen, herinnert het Gerecht eraan, dat enerzijds blijkens het voorgaande de voordracht van 1 februari 1991 van de directie van DG II was gebaseerd op een analyse van de beoordelingsrapporten over 1987-1988, en anderzijds, dat de directeur-generaal van DG II tijdens de tweede terechtzitting heeft bevestigd, dat op die datum nog van geen van de sollicitanten een beoordelingsrapport beschikbaar was. De beoordelingsprocedure voor 1989-1990 was gaande, maar nog niet afgesloten.
80 In die omstandigheden vormde het ontbreken van het beoordelingsrapport van de sollicitanten over 1989-1990 geen beletsel voor een vergelijkend onderzoek van hun verdiensten en was dat derhalve niet van beslissende betekenis voor de procedure ter voorziening in de betrokken posten (arrest Gerecht van 3 maart 1993, zaak T-25/92, Vela Palacios, Jurispr. 1993, blz. II-201). Hieraan doet niet af, dat de beoordelingsrapporten 1987-1988 een periode betreffen die tweeëneenhalf tot viereneenhalf jaar terug lag. Die omstandigheid was evenmin een beletsel voor een vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de sollicitanten, omdat de directie van DG II beschikte over andere gegevens over de functies en het gedrag in de dienst van alle sollicitanten.
81 Met betrekking tot verzoekers grief, dat het Parlement beoordelingsrapporten over 1989-1990 in aanmerking heeft genomen, maar niet het zijne, herinnert het Gerecht er om te beginnen aan, dat blijkens de nota van 22 mei 1991 de directie van DG II de beoordelingsrapporten over 1989-1990 eerst heeft geraadpleegd nadat de directeur van het kabinet van de voorzitter had verzocht om rechtvaardiging van de voordrachten, en dat dit slechts betrekking had op twee van de vier sollicitanten die begin 1991 waren geselecteerd op basis van de analyse van hun beoordelingsrapporten over 1987-1988.
82 In de eerste plaats stelt het Gerecht vast, dat naar uit het procesverloop blijkt, het argument van verzoeker, dat de beoordelingsrapporten over 1989-1990 als grondslag hebben gediend voor de voordracht voor bevordering van 1 februari 1991, ongegrond is. In de tweede plaats is het Gerecht van oordeel, dat de raadpleging van de beoordelingsrapporten over 1989-1990, die inmiddels klaar waren, van de reeds begin 1991 geselecteerde sollicitanten, na een verzoek van de directeur van het kabinet van de voorzitter van het Parlement om de begin 1991 gedane voordrachten te rechtvaardigen, slechts een bevestiging is geweest van de reeds gemaakte selectie en dus heeft plaatsgehad in het belang van een goede administratie. Deze raadpleging vormde derhalve geen schending van de bevorderingsprocedure. Dat de definitieve versie van verzoekers beoordelingsrapport over 1989-1990 op dat moment nog niet beschikbaar was, doet daaraan niet af.
83 In de derde plaats is het Gerecht van oordeel, dat door in eerste instantie een selectie van sollicitanten te maken op basis van hun globaal in aanmerking genomen beoordelingsrapporten en de beschikbare verdere informatie, en, in tweede instantie, na de sollicitanten aldus tot een kleine groep te hebben teruggebracht, een vergelijking te maken van de bekwaamheden van die sollicitanten, gevolgd door een beoordeling in het licht van de door de kennisgevingen van vacature vereiste bijzondere kwalificaties, de directie wel degelijk een geldig vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de sollicitanten heeft verricht.
84 Deze conclusie vindt steun in de omstandigheid, dat de directie in overeenstemming met de in de twee kennisgevingen van vacature uitdrukkelijk vermelde voorwaarde dat de "werkzaamheden geschiktheid om in teamverband te werken vereisen", verzoekers collegialiteit binnen de dienst heeft onderzocht, zoals blijkt uit de opmerking van het Parlement ter terechtzitting van 18 februari 1993 over een niet-betwiste nota van 25 juni 1990 van verzoeker aan de directeur-generaal van DG II, waarin hij verklaarde, dat het hem ten enen male onmogelijk was samen te werken met zijn chef, V. ("..., dass es mir slechterdings unmoeglich ist, in irgendeiner Form mit Herrn V. zusammenzuarbeiten"). Gelet op de ruime keuzevrijheid van het tot aanstelling bevoegd gezag ter zake, mocht het deze nota in aanmerking nemen als een belangrijke beoordelingsfactor.
85 Wat verzoekers grief betreft, dat de administratie bij het vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de sollicitanten geen andere verdiensten van de sollicitanten had vergeleken, zoals de buiten de instelling verworven beroepservaring, anciënniteit in de rang en leeftijd, herinnert het Gerecht eraan, dat volgens vaste rechtspraak het tot aanstelling bevoegd gezag de leeftijd van de kandidaten en de anciënniteit in de dienst of in de rang in aanmerking kan nemen, en zelfs als beslissende factor, wanneer de kwalificaties en verdiensten van de kandidaten gelijk zijn (arrest Hof van 24 maart 1983, zaak 298/81, Colussi, Jurispr. 1983, blz. 1131).
86 Uit het onderzoek van de beoordelingsrapporten over 1987-1988 blijkt, dat de bevorderde kandidaten duidelijk betere beoordelingen hadden gekregen dan verzoeker. Derhalve was noch de anciënniteit in de rang noch de leeftijd in casu relevant. Betreffende het argument van verzoeker, dat zijn verdiensten (voltooide juridische opleiding, meer dan zeven jaar ervaring als advocaat, negen jaar beroepservaring) groter waren en hij daardoor veelzijdiger inzetbaar was, is het Gerecht van oordeel, dat het in aanmerking nemen en het beoordelen van die factoren een zaak is die onder de ruime beoordelingsvrijheid van het tot aanstelling bevoegd gezag valt, en dat dit in casu geen kennelijk onjuist gebruik van die vrijheid heeft gemaakt.
87 Ten slotte blijkt uit het voorgaande, dat de voorzitter van het Parlement in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag de officiële voorstellen van de secretaris-generaal heeft overgenomen en dat hij na verificatie door zijn kabinetschef de bevorderingsbesluiten van T. en L. heeft getekend. Het Gerecht meent in de eerste plaats, dat tot de bevordering van T. en L. aldus wel degelijk is besloten door het tot aanstelling bevoegd gezag in de zin van artikel 45 van het Statuut, en in de tweede plaats, dat de betrokken besluiten, zoals in de tekst ervan is vermeld, zijn genomen op voorstel van de secretaris-generaal. Verzoekers grieven ter zake moeten derhalve worden afgewezen.
88 Uit het voorgaande volgt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, dat niet alleen met betrekking tot het vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten, zoals bepaald in artikel 45 van het Statuut, maar ook inzake het bevorderingsbesluit, beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid, zijn bevoegdheid heeft uitgeoefend overeenkomstig artikel 45 van het Statuut, door binnen niet voor kritiek vatbare grenzen te blijven en zonder van zijn bevoegdheid op onjuiste wijze gebruik te maken.
89 Daar op grond van verzoekers grieven evenmin kan worden geconcludeerd tot schending van artikel 5, lid 3, van het Statuut, moet het middel als ongegrond worden afgewezen.
Het middel ontleend aan schending van een gestelde mondelinge toezegging
Argumenten van partijen
90 Verzoeker stelt, dat M., adjunct-directeur-generaal van DG II, hem via de voorzitter van de commissie reglement herhaaldelijk heeft verzekerd, dat hij per 1 januari 1991 tot hoofdadministrateur zou worden bevorderd. De aangevochten bevorderingsbesluiten zijn met deze toezeggingen in tegenspraak. Ofschoon hij erkent, dat de adjunct-directeur-generaal niet het tot aanstelling bevoegd gezag vertegenwoordigt, is hij van mening, dat verweerder door deze toezeggingen is gebonden en niet in tegenspraak daarmee kan handelen. Het tot aanstelling bevoegd gezag zou op grond van het vertrouwensbeginsel gehouden zijn, hem de welverdiende bevordering op een van de in geding zijnde vacante posten te garanderen. Tijdens de eerste terechtzitting voegde hij hieraan toe, dat de bevorderingsbelofte hem was gedaan door een directeur-generaal, een belangrijk persoon die binnen het Parlement een gewichtige rol speelt, en dat hij daarop dan ook had mogen vertrouwen.
91 In de eerste plaats betwist verweerder, dat een dergelijke toezegging aan verzoeker is gedaan. In de tweede plaats is hij van mening, dat mondelinge toezeggingen door ambtenaren of zelfs parlementsleden voor het tot aanstelling bevoegd gezag niet bindend zijn, daar alleen het tot aanstelling bevoegd gezag na een formele procedure de benoemingsbesluiten kan nemen. Dergelijke toezeggingen hebben geen juridische waarde en kunnen geen gewettigd vertrouwen wekken waarop een kandidaat voor bevordering zich kan beroepen.
Beoordeling door het Gerecht
92 Met betrekking tot de beweerdelijk door de adjunct-directeur-generaal van DG II gedane toezegging dat verzoeker tot hoofdadministrateur zou worden bevorderd, merkt het Gerecht op, dat een dergelijke toezegging, zo zij al bewezen was, bij verzoeker geen gewettigd vertrouwen kon wekken, aangezien zij is gedaan zonder rekening te houden met de bepalingen van het Statuut (zie bij voorbeeld arrest Gerecht van 14 mei 1991, zaak T-30/90, Zoder, Jurispr. 1991, blz. II-207).
93 Dit middel kan derhalve niet slagen.
94 Gelet op het voorgaande moet het beroep in zijn geheel worden verworpen, zonder dat het Gerecht zich behoeft uit te spreken over de vraag, of de klacht van verzoeker van 19 maart 1992, die is gericht tegen zijn beoordelingsrapport over 1989-1990, in de onderhavige procedure in aanmerking kan worden genomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
95 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 88 van dit Reglement evenwel blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
96 Gelet evenwel op het feit, enerzijds, dat het Parlement verzoekers klachten van 7 en 14 oktober 1991 bij brief van de voorzitter van 10 januari 1992 heeft afgewezen en de voorzitter daarin geen melding heeft gemaakt van de procedure die door de directie van DG II was gevolgd om tot de voorstellen tot bevordering van T. en L. te komen, noch van de procedure die daarna door de administratie was gevolgd om tot de door het tot aanstelling bevoegd gezag genomen bevorderingsbesluiten te komen, en anderzijds, dat niet valt uit te sluiten, dat het ontbreken van deze informatie verzoeker tot het instellen van het onderhavige beroep heeft gebracht, moet het Parlement ingevolge artikel 87, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering worden veroordeeld tot vergoeding van de helft van de door verzoeker gemaakte kosten.
97 Mitsdien zal het Parlement zijn eigen kosten dragen en de helft van die van verzoeker, die zelf de andere helft van zijn kosten zal dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst het Parlement in zijn eigen kosten en in de helft van die van verzoeker, die zelf de andere helft van zijn kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy