Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren ° Aanwerving ° Benoeming in rang ° Benoeming in hoogste rang van loopbaan ° Toelaatbaarheid ° Voorwaarde ° Specifieke behoeften van dienst van tewerkstelling
(Ambtenarenstatuut, art. 31, lid 2)
Samenvatting
De aanwerving van een ambtenaar in de hoogste rang van de loopbaan met toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut, is slechts bij uitzondering toegestaan, wanneer op grond van de specifieke behoeften van de dienst een ambtenaar met bijzondere kwalificaties moet worden aangeworven.
Anders dan artikel 32, tweede alinea, van het Statuut, op grond waarvan het tot aanstelling bevoegd gezag bij de indeling in salaristrap rekening mag houden met de opleiding en specifieke beroepservaring van de voor het vergelijkend onderzoek geslaagde kandidaat, heeft artikel 31, lid 2, namelijk tot doel het tot aanstelling bevoegd gezag in staat te stellen in de specifieke behoeften van een bepaalde dienst te voorzien door aantrekkelijke voorwaarden te bieden waardoor personen met bijzondere kwalificaties kunnen worden aangeworven.
Partijen
In zaak T-30/92,
U. Klinke, ambtenaar van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Luxemburg, vertegenwoordigd door G. Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Schmitt, Avenue Guillaume 62,
verzoeker,
tegen
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. Millett, hoofdadministrateur, als gemachtigde, bijgestaan door A. May, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen bij T. Millett, Paleis van het Hof van Justitie, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een verzoek tot nietigverklaring van het besluit van de president van het Hof van Justitie van 28 juni 1991, waarbij verzoeker tot administrateur werd benoemd, voor zover hij daarin in rang A 7 en niet in rang A 6 werd ingedeeld,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. P. M. Barrington, kamerpresident, K. Lenaerts en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 15 december 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 U. Klinke (hierna: "verzoeker") is op 1 april 1982 in de hoedanigheid van jurist-vertaler bij de Duitstalige vertaalafdeling in dienst getreden. Eerst werd hij als tijdelijk functionaris aangesteld, en vervolgens op 1 januari 1983 tot ambtenaar op proef benoemd. Op 1 oktober 1983 werd hij in vaste dienst aangesteld en ingedeeld in rang LA 6, tweede salaristrap, met salaristrapanciënniteit vanaf 1 april 1982.
2 Met ingang van 1 juni 1985 werd hij ter beschikking gesteld van de voorlichtingsdienst, nadat een ambtenaar van deze dienst elders was gedetacheerd.
3 Toen het voor de gedetacheerde ambtenaar gereserveerde ambt op 1 juli 1991 vrijkwam, werd verzoeker tot administrateur bij de voorlichtingsdienst benoemd en ingedeeld in rang A 7, derde salaristrap, nadat hij was geslaagd voor een intern vergelijkend onderzoek ter voorziening in het ambt dat hij in het kader van zijn terbeschikkingstelling gedurende zes jaar bezet.
4 Op 9 juli 1991 vroeg verzoeker aan het hoofd van de personeelsafdeling om bij het tot aanstelling bevoegd gezag aan te dringen op intrekking van het besluit tot indeling in rang A 7, en op zijn herindeling in rang A 6.
5 Op 12 juli 1991 besloot het tot aanstelling bevoegd gezag om verzoeker een vergoeding toe te kennen die gelijk was aan het verschil tussen de netto bezoldiging die hij bij zijn vorige indeling in rang A 6, zesde salaristrap, ontving en die welke overeenkwam met zijn nieuwe indeling in rang A 7, derde salaristrap. In deze vergoeding wordt rekening gehouden met eventuele automatische salaristrapverhogingen en met aanpassingen van de bezoldiging.
6 Op 30 september 1991 diende verzoeker een klacht in tegen het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag betreffende zijn benoeming tot administrateur, voor zover hij daarbij in rang A 7 was ingedeeld, en verzocht hij om herindeling in rang A 6.
7 Bij brief van 21 januari 1992, betekend op 27 januari 1992, werd verzoeker van de afwijzing van zijn klacht in kennis gesteld in de volgende bewoordingen:
"Tijdens zijn vergadering van 20 januari 1992 heeft het administratief comité de klacht onderzocht die u op 30 september 1991 heeft ingediend tegen het besluit van 28 juni 1991, waarbij u met ingang van 1 juli 1991 wordt benoemd tot administrateur bij de voorlichtingsdienst in rang A 7.
Het spijt mij u te moeten mededelen, dat het administratief comité heeft besloten uw klacht af te wijzen, omdat de door u bestreden indeling is geschied overeenkomstig de vaste praktijk van het Hof, waartoe met inachtneming van de rechtspraak tijdens de administratieve zitting van 11 juli 1979 was besloten.
Volgens de rechtspraak kan een ambtenaar slechts bij uitzondering in de hoogste rang van de basisloopbanen en van de middenloopbanen worden benoemd en beschikt de administratie ter zake van deze benoeming in elk geval over een discretionaire bevoegdheid.
In de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid heeft het Hof bij zijn reeds genoemde besluit van 11 juli 1979, dat is genomen met het oog op de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel bij de aanwerving van ambtenaren, in beginsel besloten om ambtenaren die uit de talendienst afkomstig zijn, in de rang A 7 aan te stellen.
Gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval heeft het administratief comité geconcludeerd, dat de administratie door dit beginselbesluit op u toe te passen de feiten niet verkeerd heeft beoordeeld en u niet anders heeft behandeld dan andere ambtenaren die soortgelijke functies moeten uitoefenen.
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit, dat u gedurende ongeveer zes jaar ter beschikking van de voorlichtingsdienst bent geweest. In de eerste plaats mag u zich er niet op beroepen, dat dit onwettig zou zijn geweest, omdat u hiermee zelf heeft ingestemd en dit met u persoonlijke ambities overeenkwam. In de tweede plaats is bij uw salaristrapindeling in uw nieuwe rang, binnen de door artikel 32 van het Statuut toegestane grenzen, rekening gehouden met de door u bij de uitoefening van deze functie opgedane beroepservaring.
(...)"
Het procesverloop en de conclusies van partijen
8 Onder deze omstandigheden heeft verzoeker bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 april 1992, het onderhavige beroep ingesteld. De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad.
9 Het Gerecht heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
10 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 december 1992. De vertegenwoordigers van partijen zijn in hun pleidooien gehoord en hebben vragen van het Gerecht beantwoord.
11 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep ontvankelijk te verklaren;
° nietig te verklaren het besluit van de president van het Hof van Justitie, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, om hem tot administrateur bij de voorlichtingsdienst te benoemen, met indeling in rang A 7, derde salaristrap, en voor zover nodig, het besluit van het administratief comité van 21 januari 1992, waarbij zijn benoeming in rang A 7, derde salaristrap, werd bevestigd;
° te erkennen dat hij recht heeft op benoeming in rang A 6;
° het Hof van Justitie in alle kosten te verwijzen.
12 Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen, en
° verzoeker in zijn eigen kosten te verwijzen.
Middelen en argumenten van partijen
13 Tot staving van zijn beroep voert verzoeker vier middelen aan. Het eerste middel betreft de onjuiste motivering van het besluit tot afwijzing van zijn klacht. Het tweede middel is ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten. Het derde middel betreft schending van het discriminatieverbod. Het vierde middel berust op schending van artikel 24 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "het Statuut").
Eerste middel: onjuiste motivering van het besluit tot afwijzing van verzoekers klacht
Argumenten van partijen
14 Verzoeker is van mening, dat de uitlegging die het administratief comité geeft aan het besluit van het Hof van 11 juli 1979, dat wordt aangemerkt als "beginselbesluit om de ambtenaren die afkomstig zijn uit de groep voor de talendienst in rang A 7 aan te stellen", ongegrond is, zodat de motivering van het besluit tot afwijzing van zijn klacht onjuist is.
15 Volgens verzoeker houdt een "beginselbesluit om de ambtenaren die afkomstig zijn uit de groep voor de talendienst in rang A 7 aan te stellen" in, dat ambtenaren met de rang LA 6 automatisch overgaan naar rang A 7. Een dergelijke uitlegging is onverenigbaar met zowel de geest als de tekst van het besluit van 11 juli 1979, dat de overgang van ambtenaren van rang LA 6 naar rang A 6 niet verbiedt, maar enkel bepaalt, dat een dergelijke loopbaanontwikkeling niet automatisch kan zijn.
16 Verweerder daarentegen is van mening, dat het besluit tot afwijzing van de klacht de strekking van het besluit van 11 juli 1979 getrouw volgt. In het bijzonder de term "beginselbesluit" wijst er duidelijk op, dat het Hof een algemene regel heeft vastgesteld waarop in bijzondere gevallen uitzonderingen mogelijk blijven. Deze uitzondering wordt bovendien bevestigd door de vijfde alinea van het afwijzingsbesluit, waaruit blijkt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag rekening heeft gehouden met verzoekers bijzondere situatie, maar van mening was, dat de omstandigheden van het geval een uitzondering op de algemene regel juist niet rechtvaardigden.
Beoordeling door het Gerecht
17 Tussen partijen staat vast, dat het Hof tijdens de administratieve zitting van 11 juli 1979 het volgende besluit heeft genomen:
"Ambtenaren van de groep LA die in hun groep reeds de rang LA 6 hebben, kunnen geen aanspraak erop maken om automatisch in de rang A 6 te worden benoemd. Artikel 31 van het Statuut bepaalt namelijk, dat ambtenaren in de aanvangsrang van hun loopbaan worden aangesteld. Gelet op het beperkte aantal beschikbare posten in de hoogste rang van loopbaan A 7/A 6, zou de overgang van LA 6 naar A 6 bovendien tot gevolg hebben, dat de ambtenaren in rang A 7 in deze loopbaan worden geblokkeerd, waardoor hun kans op bevordering naar de hoogste rang van de loopbaan aanzienlijk zou verminderen."
18 Het Gerecht is van oordeel, dat de zinsnede "beginselbesluit om de ambtenaren die afkomstig zijn uit de groep voor de talendienst in rang A 7 aan te stellen" niet aldus mag worden uitgelegd, dat dit zou betekenen, dat ambtenaren in rang LA 6 automatisch naar rang A 7 overgaan.
19 Zoals verweerder heeft gesteld, houdt het gebruik van de term "beginselbesluit" in, dat het om een algemene regel gaat waarop uitzonderingen mogelijk blijven. In de eerste plaats komt een dergelijke uitlegging van deze term overeen met de gebruikelijke betekenis ervan, en in de tweede plaats is enkel deze uitlegging verenigbaar met de structuur van het besluit tot afwijzing van de klacht, nu de vijfde en de zesde alinea van dit besluit overbodig zouden zijn indien verweerder de term "beginselbesluit" had gebruikt om elke uitzondering op de algemene regel uit te sluiten.
20 Deze uitlegging van het besluit van 11 juli 1979 is bovendien in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof en van het Gerecht, dat ingevolge artikel 31, lid 2, van het Statuut aanstelling in de hoogste rang van een loopbaan slechts bij uitzondering mogelijk is (laatstelijk arrest van het Gerecht van 7 mei 1991, zaak T-18/90, Jongen, Jurispr. 1991, blz. II-187, r.o. 12).
21 Hieruit volgt dat het eerste middel moet worden afgewezen.
Tweede middel: kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten
Argumenten van partijen
22 Verzoeker stelt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, gelet op zijn lange ervaring bij de voorlichtingsdienst en zijn kundigheid die door zijn hiërarchieke meerdere zeer werd gewaardeerd, voor zover het van mening was, dat zijn persoonlijke situatie een aanstelling in rang A 7 rechtvaardigde, een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.
23 Verweerder antwoordt dat hij de genoemde zes dienstjaren in aanmerking heeft genomen door betrokkene in rang A 7, derde salaristrap, te benoemen en hem een vergoeding toe te kennen die gelijk is aan het verschil tussen zijn oude en nieuwe bezoldiging. Aldus zou hij zijn beoordelingsbevoegdheid in redelijkheid hebben gebruikt. Hij herinnert er in dit verband aan, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof, "het tot aanstelling bevoegd gezag, binnen het kader van de artikelen 31 en 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut of van de interne besluiten ter uitvoering hiervan, bij de beoordeling van de vroegere beroepservaring van iemand die als ambtenaar wordt aangesteld, beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid, zowel met betrekking tot de aard en de duur van die ervaring als ten aanzien van de mate waarin zij relevant is voor de te bezetten post" (arrest van 5 oktober 1988, De Szy-Tarisse, gevoegde zaken 314/86 en 315/86, Jurispr. 1988, blz. 6013).
Beoordeling door het Gerecht
24 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekers redenering onderstelt, dat bij de vraag of artikel 31, lid 2, van het Statuut al dan niet zal worden toegepast, de beoordeling van zijn kwalificaties door het tot aanstelling bevoegd gezag een rol speelt.
25 In dit verband herinnert het Gerecht eraan, dat blijkens 's Hofs rechtspraak de aanwerving in de hoogste rang van een loopbaan slechts bij hoge uitzondering is toegestaan, wanneer de toepassing van artikel 31, lid 2, van het Statuut gerechtvaardigd is op grond van de specifieke behoeften van de dienst, uit hoofde waarvan een ambtenaar met bijzondere kwalificaties moet worden aangeworven (arrest van 6 juni 1985, zaak 146/84, De Santis, Jurispr. 1985, blz. 1723, r.o. 9).
26 Anders dan artikel 32, tweede alinea, van het Statuut, op grond waarvan het tot aanstelling bevoegd gezag bij de indeling in salaristrap rekening mag houden met de opleiding en beroepservaring van de voor het vergelijkend onderzoek geslaagde kandidaat, heeft artikel 31, lid 2, dus tot doel het tot aanstelling bevoegd gezag in staat te stellen in de specifieke behoeften van een bepaalde dienst te voorzien, door aantrekkelijke voorwaarden te bieden, waardoor personen met bijzondere kundigheden kunnen worden aangeworven.
27 Het Gerecht stelt evenwel vast, dat verzoeker geen enkele aanwijzing heeft geleverd, met name uit de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, waaruit blijkt dat de behoeften van de voorlichtingsdienst het in casu noodzakelijk maakten om een ambtenaar met bijzondere kundigheden aan te werven.
28 Hieruit volgt, dat verzoekers kundigheden niet relevant waren voor de vaststelling van zijn indeling in de rang bij zijn aanstelling, en dat verzoeker weliswaar buitengewoon geschikt was voor de post waarop hij in rang A 7 is benoemd en die post tot ieders tevredenheid bezet, wat evenwel nog niet betekent, dat voor die post uitzonderlijke kwalificaties vereist waren.
29 Het tweede middel moet dus worden afgewezen.
Derde middel: schending van het discriminatieverbod
Argumenten van partijen
30 Verzoeker betoogt, dat hij het slachtoffer is geweest van discriminatie ten opzichte van ambtenaren in rang A 7. Terwijl vergelijkend onderzoek nr. CJ 115/89 de benoeming van administrateurs in de rangen A 6 en A 7 tot doel had, heeft verweerder, door a priori te beslissen dat ambtenaren in de rang LA 6 geen toegang hebben tot de rang A 6, te kennen gegeven, dat enkel ambtenaren in de rang A 7 mochten hopen via dit vergelijkend onderzoek toegang tot rang A 6 te krijgen. Verzoeker heeft evenwel gedurende meer dan zes jaar daadwerkelijk administrateurswerkzaamheden verricht en is gedurende die periode in feite "waarnemend administrateur" geweest, en maakt dus aanspraak op behandeling als een ambtenaar in rang A 7.
31 Verweerder zet uiteen, dat het vergelijkend onderzoek niet de benoeming van administrateurs "in de rangen A 6 en A 7" tot doel had, maar enkel de "aanwerving van een administrateur (loopbaan A 7/A 6)".
32 Hij herinnert er in de eerste plaats aan, dat hij, door verzoeker de maximum extra salarisanciënniteit toe te kennen, naar behoren rekening heeft gehouden met zijn diensttijd van zes jaar bij de voorlichtingsdienst.
33 Verder voegt verweerder hieraan toe, dat verzoeker ten onrechte zijn situatie tracht te vergelijken met die van ambtenaren in rang A 7. Ten tijde van de feiten was hij ambtenaar in rang LA 6, zodat een vergelijking alleen mogelijk is met andere ambtenaren in dezelfde rang. Aangezien hij heeft erkend, dat verweerder hem op dezelfde manier heeft behandeld als "elke andere ambtenaar van de groep van de talendienst", mag hij niet beweren het slachtoffer van discriminatie te zijn. Onder verwijzing naar vijf gevallen van ambtenaren van de groep voor de talendienst die bij het Hof van Justitie in rang A 7 zijn benoemd, betoogt verweerder, dat het non-discriminatiebeginsel, dat met name in artikel 5, lid 3, van het Statuut is geconcretiseerd, hem dwong verzoeker op dezelfde wijze te behandelen als deze andere ambtenaren van de groep voor de talendienst.
Beoordeling door het Gerecht
34 Het Gerecht is van oordeel, dat verzoeker ten onrechte stelt, dat het Hof bij voorbaat had besloten, enkel ambtenaren in rang A 7 via vergelijkend onderzoek CJ 115/89 tot rang A 6 toe te laten. Het besluit van 11 juli 1979 bepaalt namelijk, dat ambtenaren in rang LA 6 geen aanspraak hebben op een "automatische benoeming in rang A 6", wat de mogelijkheid van een benoeming in die rang wel openlaat.
35 In elk geval is het Gerecht van mening, dat de discriminatie waarvan verzoeker stelt het slachtoffer te zijn, moet worden onderzocht met inachtneming van de ratio van de naar zijn zeggen discriminerend op hem toegepaste bepaling, zoals deze is vastgesteld in het arrest van 6 juni 1985 (zaak 146/84, De Santis, reeds aangehaald).
36 In dit verband zij opgemerkt, dat het relevante element van vergelijking niet wordt gevormd door de categorie of de dienst waaruit de aangestelde ambtenaren afkomstig zijn, en evenmin door hun kundigheden, doch door de specifieke eisen van de verschillende te bezetten posten.
37 Het Gerecht heeft evenwel ter terechtzitting akte kunnen nemen van het feit, dat sedert de bekendmaking van het besluit van 11 juli 1979 aan de belanghebbende personeelsleden, geen enkele ambtenaar die afkomstig was uit de groep van de talendienst en naar categorie A is overgegaan, in een andere rang dan A 7 is aangeworven. Onder die omstandigheden kan verzoeker niet stellen, dat posten die met de zijne vergelijkbaar zijn, in de rang A 6 zijn bezet.
38 Hieruit volgt, dat het derde middel moet worden afgewezen.
Vierde middel: schending van artikel 24 van het Statuut
Argumenten van partijen
39 Verzoeker betoogt, dat zijn terbeschikkingstelling van de voorlichtingsdienst onwettig was, omdat het Statuut enkel voorziet in detachering en tewerkstelling ad interim. Het tot aanstelling bevoegd gezag heeft een onwettige methode gekozen en aldus zijn loopbaan in gevaar gebracht; daarom moet het op grond van de in artikel 24 van het Statuut neergelegde zorgplicht zijn fout herstellen, en hem in rang A 6 indelen.
40 Verweerder is van mening, dat de in het Statuut daarvoor gestelde termijnen zijn verstreken, zodat verzoeker zich niet meer op de vermeende onwettigheid van zijn terbeschikkingstelling kan beroepen.
Beoordeling door het Gerecht
41 Het Gerecht wijst erop, dat volgens verzoekers verklaring zijn terbeschikkingstelling van de voorlichtingsdienst ongeveer zes jaar heeft geduurd en eindigde bij zijn benoeming tot administrateur op 1 juli 1991. Hij heeft bij zijn verzoekschrift bovendien een copie van een memorandum van 5 juni 1985 gevoegd waarmee de griffier van het Hof hem in kennis stelde van het tijdens de administratieve zitting van 22 mei 1985 door het Hof genomen besluit, waarbij zijn terbeschikkingstelling van de voorlichtingsdienst was goedgekeurd. In dit memorandum heette het, dat hij zijn functie van administrateur in deze dienst tijdelijk zou uitoefenen, met behoud van zijn oorspronkelijke rang.
42 Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn om de wettigheid van de terbeschikkingstelling ter discussie te stellen, reeds lang is verstreken.
43 Hieruit volgt, dat het vierde middel niet ontvankelijk is.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
44 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, wanneer dit is gevorderd. Ingevolge artikel 88 van dat Reglement blijven de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen gemaakt, evenwel te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy