Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Draagwijdte ° Beschikking tot toepassing van mededingingsregels ° Beschikking die meer dan één adressaat heeft ° Aanwijzing van onderneming die voor inbreuk aansprakelijk is ° Gebrekkige motivering ° Mogelijkheid gebrekkigheid aan te merken als materiële vergissing ° Voorwaarden
(EEG-Verdrag, art. 190)
Samenvatting
Wanneer een beschikking tot toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag meer dan één adressaat heeft en het een probleem is aan wie de inbreuk moet worden toegerekend, moet deze beschikking een toereikende motivering bevatten ten aanzien van alle adressaten, in het bijzonder van degenen die volgens de bewoordingen van deze beschikking voor de inbreuk aansprakelijk zijn.
Deze motivering moet a fortiori uitvoerig zijn, wanneer de vennootschap waaraan bij de uiteindelijke beschikking een geldboete wordt opgelegd, in het kader van de administratieve procedure verschillende redenen heeft aangevoerd waarom de gestelde inbreuk niet aan haar kon worden toegerekend en de Commissie haar standpunt op dit punt niet heeft verduidelijkt.
In het bijzonder kan een beschikking van de Commissie inzake de mededinging, die zich in haar overwegingen ertoe beperkt, als pleger van een inbreuk de rechtspersoon aan te wijzen die vóór de datum van overname van haar activa door een andere onderneming bestond, slechts dan rechtmatig degene die deze onderneming heeft overgenomen voor deze inbreuk aansprakelijk stellen, indien de identiteit van de rechtspersoon die rechtsopvolger is van de pleger van de inbreuk, niet wordt betwist en indien deze rechtspersoon daadwerkelijk de door de betrokken onderneming uitgeoefende activiteit waarover het geschil gaat, voortzet.
De Commissie kan slechts dan stellen dat een motivering die gelet op de vereisten van het Verdrag gebrekkig is, te wijten is aan een materiële vergissing, indien zij deze materiële vergissing met voldoende zekerheid aantoont. Zulks doet zij niet, wanneer zij dit argument eerst in de laatste fase van de instructie van de zaak voor de gemeenschapsrechter voor het eerst aanvoert, en zij heeft nagelaten de adressaat van de beschikking naar behoren een rectificatie te doen toekomen van de instelling waarvan de handeling afkomstig is.
Dit geldt te meer, wanneer de gestelde vergissing betrekking heeft op het dispositief zelf van de bestreden beschikking en op de identiteit van de adressaten van de beschikking, dat wil zeggen op degenen die zijn veroordeeld tot betaling van de opgelegde geldboete, ten aanzien waarvan het rechtszekerheidsbeginsel strikt moet worden geëerbiedigd.
Het dispositief van een beschikking die een vennootschap aansprakelijk stelt voor een inbreuk, ofschoon zij een andere vennootschap als de pleger van de inbreuk aanwijst op de enkele grond dat zij de activa zou hebben overgenomen van een vennootschap die zelf niet als pleger van de gestelde inbreuk wordt geïdentificeerd, is ontoereikend gemotiveerd.
Partijen
In zaak T-38/92,
All Weather Sports Benelux BV, vennootschap naar Nederlands recht, gevestigd te Zoetermeer, vertegenwoordigd door P. Glazener, advocaat te Rotterdam, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. J. Drijber, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 92/261/EEG van de Commissie van 18 maart 1992 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/32.290 ° Newitt/Dunlop Slazenger International en anderen, PB 1992, L 131, blz. 32), voor zover verzoekster daarin wordt verweten inbreuk te hebben gemaakt op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag en haar een geldboete wordt opgelegd,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Cruz Vilaça, president, C. P. Briët, A. Kalogeropoulos, D. P. M. Barrington en J. Biancarelli, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 15 december 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Verzoekster, All Weather Sports Benelux BV, een te Zoetermeer gevestigde vennootschap naar Nederlands recht, werd opgericht op 17 april 1989. Zij is gespecialiseerd in de handel in sportartikelen.
2 Eveneens op 17 april 1989 sloot verzoekster met terugwerkende kracht tot 1 januari 1989 een overeenkomst, waarbij zij de import- en groothandelsactiviteiten op het gebied van sportartikelen, alsook de activa die op deze activiteiten betrekking hadden, overnam van de vennootschap All Weather Sports BV (hierna: "AWS"), een eveneens te Zoetermeer gevestigde vennootschap naar Nederlands recht, die behoorde tot de groep Buehrmann-Tetterode Nederland BV (hierna: "Buehrmann-Tetterode"), een te Amsterdam gevestigde vennootschap naar Nederlands recht. De aldus door verzoekster verworven activa omvatten onder meer een exclusieve verkoopovereenkomst, aanvankelijk alleen voor Nederland en later voor de gehele Benelux, voor produkten van het merk Dunlop van de vennootschap naar Brits recht Dunlop Slazenger International Ltd (hierna: "DSI"). Deze verkoopovereenkomst, die op 18 september 1988 door DSI werd opgezegd, eindigde op 30 april 1989. De verworven activa omvatten voorts de rechten van de verkoop van produkten van een merk sportartikelen dat eigendom was van All Weather Sports International BV (hierna: "AWS International"), een vennootschap naar Nederlands recht, die in nauwe samenwerking met AWS handelsactiviteiten inzake sportartikelen verrichtte, evenals AWS te Zoetermeer gevestigd was en tot de groep Buehrmann-Tetterode behoorde.
3 Na deze overname van de activa op 17 april 1989 staakten AWS en AWS International hun handelsactiviteiten. Zij verplaatsten hun zetel naar Amsterdam en wijzigden hun naam in respectievelijk "BT Sports BV" en "BT Sports International BV". Zij bleven om fiscale redenen voortbestaan, maar verrichtten geen handelsactiviteiten meer.
4 Op 29 mei 1990 zond de Commissie na verificaties bij de alleenverkopers van DSI in Nederland, waaronder een verificatie ten kantore van AWS op 3 november 1988, aan laatstgenoemde vennootschap onder haar oude naam "All Weather Sports BV" en in haar voormalige vestigingsplaats Zoetermeer een mededeling van de punten van bezwaar wegens inbreuk op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. Deze mededeling van de punten van bezwaar geschiedde in het kader van een inbreukprocedure die de Commissie op verzoek van Newitt & Co. Ltd, een vennootschap naar Brits recht in de groot- en detailhandel in sportartikelen en afnemer van DSI, had ingeleid tegen DSI, wegens belemmering van de export van haar produkten vanuit het Verenigd Koninkrijk naar de andere Lid-Staten. De aan AWS meegedeelde punten van bezwaar betroffen verschillende tussen haar en DSI afgestemde feitelijke gedragingen ter verhindering van parallelimporten van artikelen van DSI van het Verenigd Koninkrijk naar de Benelux-landen, ten einde aan haar alleenverkopers, waaronder AWS, een absolute territoriale bescherming te bieden.
5 De mededeling van de punten van bezwaar werd beantwoord bij een memorie die op 31 juli 1990 zowel namens verzoekster als de vennootschappen BT Sports (ex-AWS), BT Sports International (ex-AWS International), en "AWS Nederland BV", verzoeksters vestiging in Nederland, werd neergelegd.
6 Tijdens de hoorzitting op 5 oktober 1990 voor de Commissie voerden verzoekster en de drie andere genoemde vennootschappen gezamenlijk verweer.
7 Zowel in hun schriftelijk antwoord op de punten van bezwaar als tijdens de hoorzitting op 5 oktober 1990 stelden de vier vennootschappen, dat het wegens de naam van de vennootschap tot wie de mededeling van de punten van bezwaar was gericht, te weten AWS, niet duidelijk was welke vennootschap de Commissie in wezen bedoelde, en dat om die reden hun antwoorden en opmerkingen naar aanleiding van deze punten werden "gemaakt namens al deze vennootschappen, voor zover zij als adressaat van de mededeling van de punten van bezwaar moeten of zullen worden aangemerkt" (schriftelijk antwoord van 31 juli 1990, punt 2.1.3).
8 Met betrekking tot de vraag wie de adressaat van de mededeling van de punten van bezwaar was en derhalve, aan wie de gestelde inbreuk kon worden toegerekend, betoogde elk van de vennootschappen voor de Commissie, dat de inbreuk niet aan hen kon worden toegerekend en dat de inbreukprocedure zonder voorwerp was geraakt, omdat de ten tijde van de gestelde inbreuk door AWS geëxploiteerde onderneming niet meer bestond.
9 In dit verband wezen zij de Commissie erop, dat het adres in Zoetermeer, waarnaar de mededeling van de punten van bezwaar was gestuurd, niet meer het adres van AWS was, maar van verzoekster en haar vestiging in Nederland, AWS Nederland BV; dat AWS thans gevestigd was te Amsterdam onder haar nieuwe naam BT Sports en sinds de overdracht van haar activa op 17 april 1989 geen handelsactiviteiten meer verrichtte; dat AWS dan ook had opgehouden te bestaan als onderneming in de zin van artikel 85 van het Verdrag, evenals BT Sports International (voorheen AWS International). Voorts werd verklaard, dat het voortbestaan van BT Sports en BT Sports International als rechtspersoon uitsluitend fiscale redenen had, en dat de groep Buehrmann-Tetterode, waarvan AWS en AWS International deel uitmaakten, niet aansprakelijk kon worden gehouden voor de inbreuk, aangezien AWS ten tijde van het verrichten van haar activiteiten in haar commercieel beleid een ruime vrijheid genoot.
10 Wat in het bijzonder haarzelf betrof, stelde verzoekster voor de Commissie in hoofdzaak, dat de enkele overname door verzoekster van de activa van AWS en AWS International, die bovendien betrekking had op elementen die niet noodzakelijk waren om haar eigen handelsactiviteiten te kunnen verrichten, niet volstond om haar met deze twee vennootschappen te vereenzelvigen. Ter zake betoogde zij, dat zij een geheel nieuwe onderneming vormde, die niet meer de voormalige activiteiten van AWS in de betrokken branche verrichtte, dat de personen die ten tijde van de feiten bij AWS werkzaam waren, niet meer in dienst waren, en dat in elk geval na de overname van de activa op 17 april 1989 de gestelde inbreuken waren gestaakt, aangezien de exclusieve verkoopovereenkomst tussen AWS en DSI op die datum reeds was opgezegd en op 30 april 1989 daadwerkelijk was beëindigd. Ten slotte stelde verzoekster ten overstaan van de Commissie, dat de overeenkomst van 17 april 1989 weliswaar voorzag in de overgang van de tussen AWS en DSI gesloten overeenkomsten op verzoekster, maar dat dit alleen tot doel had de lopende bestellingen af te handelen gedurende de opzegtermijn, die ten tijde van het sluiten van de overnameovereenkomst vrijwel geheel was verstreken.
11 Naar aanleiding van het verzoek van verzoekster en de andere bij de inbreukprocedure betrokken vennootschappen, dat duidelijk werd gemaakt, tot welke onderneming de mededeling van de punten van bezwaar nu eigenlijk was gericht, verdaagde de Commissie tijdens de hoorzitting van 5 oktober 1990, waar deze vraag opnieuw was opgeworpen, het onderzoek van die vraag naar een later stadium.
12 Op 21 december 1990 vestigde verzoeksters advocaat in een brief aan de Commissie opnieuw de aandacht op de vraag, wie voor de aan AWS verweten inbreuk aansprakelijk was, en verzocht hij de diensten van de Commissie, zich op dit punt uit te spreken alvorens eventueel een beschikking ter afsluiting van de inbreukprocedure te geven.
13 Bij brief van 7 augustus 1991 verzocht de Commissie overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, nr. 13, blz. 204, hierna: "verordening nr. 17"), verzoekster om inlichtingen betreffende de omzet van AWS over 1988 en de door deze onderneming op Dunlop-produkten behaalde omzet. Op 18 maart 1992 gaf de Commissie beschikking 92/261/EEG inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/32.290 ° Newitt/Dunlop Slazenger International en anderen, PB 1992, L 131, blz. 32). In punt 3 van de overwegingen van deze beschikking wordt verklaard: "In 1989 werd AWS door de bedrijfsleiding overgenomen van de groep Buehrmann-Tetterode Nederland BV die daarin zeggenschap had en kreeg de onderneming de naam All Weather Sports Benelux BV." Het dispositief van de beschikking luidt als volgt:
"Artikel 1
Door in de handelsbetrekkingen met haar klanten ter bescherming van haar net van alleenverkopers voor haar produkten een algemeen verbod op te nemen en door voor sommige van haar produkten (tennisballen, squashballen, tennisrackets, golfartikelen) verscheidene maatregelen te treffen ° weigering te leveren, prijsmaatregelen als afschrikkingsmiddel, het merken van en controle op geëxporteerde produkten, het opkopen van geëxporteerde produkten, discriminerend gebruik van officiële labels ° om dit verbod te doen naleven, heeft Dunlop Slazenger International Ltd inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag.
Door wat de Dunlop-produkten betreft aan te zetten tot en deel te nemen aan de tenuitvoerlegging van deze maatregelen in Nederland, heeft All Weather Sports International BV inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag.
(...)
Artikel 2
Aan Dunlop Slazenger International Ltd wordt wegens de in artikel 1 bedoelde inbreuken een geldboete opgelegd van 5 miljoen ecu en aan All Weather Sports Benelux BV, die de activa van All Weather Sports BV heeft overgenomen, een geldboete van 150 000 ecu."
14 In die omstandigheden heeft verzoekster tegen deze beschikking van de Commissie het onderhavige beroep ingesteld, dat op 22 mei 1992 ter griffie van het Gerecht is ingeschreven.
15 De schriftelijke behandeling eindigde op 13 november 1992, doordat de repliek werd ontvangen na het verstrijken van de termijn. Op verzoek van verzoekster van 18 november 1992 en met instemming van de Commissie werd de schriftelijke behandeling heropend bij beschikking van het Gerecht (Tweede kamer) van 10 december 1992. Zij eindigde op 8 maart 1993. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer) besloten de mondelinge behandeling te openen. Het Gerecht heeft aan partijen verzocht een aantal vragen te beantwoorden, en aan verzoekster, een aantal stukken over te leggen. Tijdens de terechtzitting van 15 december 1993 zijn de partijen gehoord in hun pleidooien en hun antwoorden op de door het Gerecht gestelde vragen.
Conclusies van partijen
16 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° artikel 2 van de beschikking van de Commissie van 18 maart 1992 (IV/32.290 ° Newitt/Dunlop Slazenger International en anderen) ten aanzien van verzoekster nietig te verklaren;
° verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
17 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep ongegrond te verklaren;
° verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding.
Ten gronde
18 Verzoekster verklaart in haar verzoekschrift, dat zij enkel de regelmatigheid van het verloop van de administratieve procedure voor de Commissie en de wijze van totstandkoming van de bestreden beschikking aanvecht, voor zover de Commissie haar voor de verweten inbreuk aansprakelijk heeft gesteld en haar een geldboete heeft opgelegd, alsook de door de Commissie voor de vaststelling van de hoogte van de geldboete gehanteerde maatstaven.
19 Tot staving van haar conclusies voert verzoekster in de eerste plaats een middel aan, ontleend aan schending van artikel 2, leden 1 en 3, van verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 van de Raad (PB 1963, nr. 127, blz. 2268). De Commissie zou wezenlijke vormvoorschriften hebben geschonden door haar een geldboete op te leggen zonder haar de punten van bezwaar rechtstreeks mee te delen, aangezien van de mededeling van de punten van bezwaar in de onderhavige procedure kennis is gegeven, nadat zij de activa van AWS had overgenomen, en zonder haar ten minste de mogelijkheid te hebben geboden om te worden gehoord over de vraag aan wie de aan AWS verweten inbreuk kon worden toegerekend. In de tweede plaats verwijt verzoekster de Commissie schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag en artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, doordat zij de verweten inbreuk aan haar heeft toegerekend en haar een geldboete heeft opgelegd, waarbij zij zich heeft gebaseerd op ondeugdelijke gronden, althans doordat zij de bestreden beschikking ten opzichte van haar onvoldoende heeft gemotiveerd. Ten slotte stelt verzoekster subsidiair, dat de Commissie artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 heeft geschonden, doordat zij bij de vaststelling van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete onjuiste maatstaven heeft gehanteerd.
20 Het Gerecht zal in de eerste plaats het middel onderzoeken, inhoudende dat de bestreden beschikking ten aanzien van verzoekster niet behoorlijk is gemotiveerd, en dat deze beschikking op onregelmatige wijze tot stand is gekomen.
Het middel: ontoereikende motivering van de beschikking
Korte uiteenzetting van de middelen en voornaamste argumenten van partijen
21 Verzoekster benadrukt in de eerste plaats, dat wanneer in een beschikking aan een onderneming een geldboete wordt opgelegd wegens het gedrag van een andere onderneming, in deze beschikking aan de vervolgde onderneming duidelijk moet worden gemotiveerd, om welke redenen zij aansprakelijk moet worden gehouden voor een inbreuk die zij niet heeft gepleegd. Anders dan gewoonlijk ° in soortgelijke beschikkingen heeft de Commissie steeds een uitvoerige motivering gegeven °, ontbreekt in de bestreden beschikking een toereikende motivering ten aanzien van verzoekster.
22 Verzoekster acht de loutere vermelding van het feit dat zij de activa van AWS heeft overgenomen, geen toereikende motivering van de beschikking om de inbreuk aan haar toe te rekenen, aangezien een dergelijke overname niet betekent dat verzoekster voor de toepassing van artikel 85 van het Verdrag automatisch met AWS kan worden gelijkgesteld. Voorts is de grond die volgens de Commissie de beslissing rechtvaardigde om haar de inbreuk toe te rekenen, alleen in het dispositief van de bestreden beschikking vermeld en niet in de overwegingen, waarin aan verzoekster niet meer dan één zin is gewijd, die slechts de vaststelling van een feit behelst, welke bovendien onjuist is, aangezien de Commissie verklaart, dat AWS is overgenomen door haar eigen bedrijfsleiding, terwijl in werkelijkheid enkel de activa van AWS zijn overgenomen, en wel door verzoekster zelf als vennootschap, waarvan de aandelen werden gehouden door de toenmalige bedrijfsleiding van AWS.
23 In de tweede plaats betoogt verzoekster, dat uit de bestreden beschikking niet duidelijk blijkt welke onderneming de inbreuk heeft gepleegd, waarvoor haar een geldboete is opgelegd. In artikel 1 van het dispositief van de beschikking stelt de Commissie, dat AWS International inbreuk heeft gemaakt op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, ofschoon AWS International nergens anders in de beschikking wordt genoemd, en vervolgens legt zij in artikel 2 van het dispositief verzoekster een boete op, omdat zij de activa van AWS heeft overgenomen. Indien de Commissie AWS International ziet als degene die de inbreuk heeft gepleegd, is de bestreden beschikking volstrekt niet gemotiveerd ten aanzien van zowel AWS International als verzoekster, voor zover zij aldus aansprakelijk wordt gehouden voor gedragingen die niet in de bestreden beschikking zijn gepreciseerd, en wel op grond van het enkele feit dat zij de activa van AWS heeft overgenomen. Indien de Commissie evenwel AWS aansprakelijk acht voor de inbreuk, is de bestreden beschikking in elk geval onvoldoende gemotiveerd wat haar betreft. Immers, zelfs indien de enkele overname van de activa van AWS de economische en juridische gelijkstelling van verzoekster met die vennootschap zou kunnen rechtvaardigen, heeft de Commissie in elk geval niet gepreciseerd dat dit de grond is waarop haar een geldboete is opgelegd.
24 De Commissie stelt, dat wanneer de adressaten van beschikkingen inzake inbreuken op artikel 85, lid 1, van het Verdrag economische eenheden zijn die worden gevormd door ondernemingen en niet door vennootschappen als rechtspersonen, en zij zoals in casu voldoende gemotiveerd aantoont dat een onderneming een inbreuk heeft gepleegd, zij rechtens niet gehouden is in haar beschikking uitdrukkelijk de redenen uiteen te zetten waarom zij zich tot een bepaalde vennootschap binnen die onderneming richt. In casu heeft verzoekster nadat zij de activa van AWS en AWS International had overgenomen ingevolge de overeenkomst van 17 april 1989, welke een schoolvoorbeeld vormde van overgang van een onderneming, de activiteiten van de onderneming voortgezet, waarmee voordien deze vennootschappen waren belast. Daar deze overname van activa en de daaruit voortvloeiende overgang van onderneming niet erg omvangrijk en complex waren, achtte de Commissie een uitvoeriger motivering van de toerekening van de inbreuk aan verzoekster niet nodig, anders dan in andere zaken, waar zij in haar beschikking een zeer uitvoerige argumentatie moest weerleggen betreffende de aansprakelijkheid voor de inbreuk.
25 Ten slotte verklaart de Commissie in antwoord op een vraag van het Gerecht over het feit dat zij in artikel 1 van het dispositief van haar beschikking AWS International als pleger van de inbreuk had aangemerkt, terwijl in artikel 2 AWS wordt genoemd, dat deze verwarring te wijten is aan een materiële vergissing, welke in die zin moet worden gecorrigeerd, dat beide vennootschappen op gelijke voet in artikel 1 van het dispositief hadden moeten worden genoemd, daar zij beide aansprakelijk zijn voor de inbreuk die is toegerekend aan verzoekster, die hun activa heeft overgenomen en de exploitatie heeft voortgezet van de onderneming die zij voorheen te zamen beheerden. Deze materiële vergissing heeft volgens de Commissie evenwel geen gevolg voor de geldigheid van artikel 2 van het dispositief van de beschikking. Het feit dat AWS in artikel 1 niet wordt genoemd, betekent niet dat eraan kan worden getwijfeld dat zij de inbreuk heeft gepleegd, aangezien deze vennootschap enerzijds overal in de beschikking wordt genoemd, en anderzijds zowel in punt 3 van de overwegingen als in artikel 2 van het dispositief duidelijk op haar wordt gedoeld als de vennootschap waarvan de activa door verzoekster waren overgenomen.
Beoordeling door het Gerecht
26 Het Gerecht merkt om te beginnen enerzijds op, dat de motivering van een bezwarende beschikking de gemeenschapsrechter in staat moet stellen de wettigheid ervan doeltreffend te toetsen, en aan de betrokkene de noodzakelijke gegevens moet verschaffen om uit te maken of de beschikking al dan niet gegrond is, en anderzijds, dat de aan de redengeving te stellen eisen moeten worden beoordeeld naar gelang van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de aangevoerde motieven en het mogelijk belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag, bij een verklaring kunnen hebben (zie arresten van het Hof van 13 maart 1985, gevoegde zaken 296/82 en 318/82, Nederland en Leeuwarder Papierwarenfabriek, Jurispr. 1985, blz. 809; 20 maart 1985, zaak 41/83, Italië/Commissie, Jurispr. 1985, blz. 873, en 19 september 1985, gevoegde zaken 172/83 en 226/83, Hoogovens Groep, Jurispr. 1985, blz. 2831). Tevens moet eraan worden herinnerd, dat om aan deze vereisten te voldoen, een toereikende motivering de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig dient te doen uitkomen (arrest van het Hof van 21 november 1991, zaak C-269/90, Technische Universitaet Muenchen, Jurispr. 1991, blz. I-5469, r.o. 26). Voorts moet, wanneer zoals in casu een beschikking tot toepassing van de artikelen 85 of 86 van het Verdrag meer dan één adressaat heeft en het een probleem is aan wie de inbreuk moet worden toegerekend, deze beschikking een toereikende motivering bevatten ten aanzien van alle adressaten, in het bijzonder van degenen die volgens de bewoordingen van deze beschikking voor de inbreuk aansprakelijk zijn.
27 Over de vraag of de beschikking, gelet op de in vorenaangehaalde rechtspraak gestelde eisen, ten aanzien van verzoekster toereikend is gemotiveerd, moet worden benadrukt, dat vaststaat, dat verzoekster in het kader van de administratieve procedure voor de Commissie verschillende redenen heeft aangevoerd waarom de gestelde inbreuk volgens haar niet aan haar kon worden toegerekend. Tevens staat vast, dat de Commissie in die fase van de procedure, in weerwil van de aldus aan haar te kennen gegeven bezwaren, haar standpunt betreffende de toerekening van de gestelde inbreuk niet heeft verduidelijkt. Hieruit volgt dat de beschikking om ten aanzien van verzoekster toereikend gemotiveerd te zijn, a fortiori uitvoerig de redenen moet vermelden op grond waarvan de toerekening van de inbreuk aan verzoekster kan worden gerechtvaardigd.
28 Dienaangaande stelt het Gerecht vast, dat in casu de motivering van de bestreden beschikking op het punt van de toerekening van de gestelde inbreuk aan verzoekster enerzijds hierin bestaat, dat in punt 3 van de overwegingen van de bestreden beschikking eraan wordt herinnerd, dat "AWS door de bedrijfsleiding (werd) overgenomen van de groep Buehrmann-Tetterode Nederland BV die daarin zeggenschap had en de onderneming de naam All Weather Sports Benelux BV (kreeg)", en anderzijds dat in artikel 2 van het dispositief wordt vermeld, dat verzoekster "de activa van All Weather Sports BV heeft overgenomen". Het Gerecht moet derhalve nagaan, of enerzijds de overwegingen van de beschikking het dispositief kunnen rechtvaardigen, en anderzijds of dit dispositief ter zake dienend is ten aanzien van verzoekster.
29 In de eerste plaats stelt het Gerecht met betrekking tot punt 3 van de overwegingen van de beschikking vast, dat, zoals hiervóór is uiteengezet, de beschikking ter rechtvaardiging van verzoeksters aansprakelijkheid voor de inbreuk niets anders zegt dan dat AWS is overgenomen en dat zij daarbij verzoeksters naam heeft gekregen, te weten "All Weather Sports Benelux BV". Deze motivering ziet derhalve voorbij aan de beide door verzoekster aangevoerde omstandigheden, dat de vennootschappen AWS en AWS International enerzijds als rechtspersoon zijn blijven bestaan onder de nieuwe naam "BT Sports" respectievelijk "BT Sports International", en anderzijds dat zij evenals vóór de overname van hun activa deel zijn blijven uitmaken van de groep Buehrmann-Tetterode.
30 Op dit punt moet worden gepreciseerd, dat een beschikking van de Commissie die zich in haar overwegingen ertoe beperkt, als pleger van een inbreuk de rechtspersoon aan te wijzen die vóór de datum van overname van haar activa bestond, slechts dan rechtmatig degene die deze onderneming heeft overgenomen voor deze inbreuk aansprakelijk kan stellen, indien de identiteit van de rechtspersoon die rechtsopvolger is van de pleger van de inbreuk, niet wordt betwist en indien deze rechtspersoon daadwerkelijk de door de betrokken onderneming uitgeoefende activiteit waarover het geschil gaat, voortzet (zie arrest van het Hof van 28 maart 1984, gevoegde zaken 29/83 en 30/83, CRAM en Rheinzink, Jurispr. 1984, blz. 1679, r.o. 6 e.v.). In casu is dit niet het geval, aangezien, zoals hiervoor gezegd, de pleger van de ten laste gelegde feiten als rechtspersoon is blijven bestaan, al wordt de vóór de overname van haar activa door haar uitgeoefende economische activiteit thans door een andere rechtspersoon uitgeoefend.
31 In die omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat nu verzoekster specifiek en ernstig de identiteit van de onderneming heeft betwist die voor de inbreuk aansprakelijk is, de Commissie niet op goede gronden kan stellen, dat de zaak feitelijk en juridisch eenvoudig is, zodat een uitvoeriger motivering niet nodig is. De ontoereikendheid van de motivering van de bestreden beschikking, zoals deze na onderzoek van punt 3 van de overwegingen van de beschikking aan het licht is getreden, kan zij hiermee dan ook niet rechtvaardigen. Aangezien het dispositief van de bestreden beschikking moet worden gelezen in het licht van de overwegingen die het dragen, in het bijzonder punt 3, is dit dispositief derhalve op zichzelf niet van dien aard dat de toerekening van de inbreuk aan verzoekster op grond daarvan kan worden gerechtvaardigd.
32 Met betrekking tot de vraag of de motivering in het dispositief van de bestreden beschikking, wat verzoekster betreft, ter zake dienend is, stelt het Gerecht in de tweede plaats vast, dat, zoals verzoekster stelt, de beschikking in haar overwegingen AWS als pleger van de inbreuk aanwijst, terwijl in artikel 1 van het dispositief AWS International als de pleger wordt aangewezen, en in artikel 2 voor "de in artikel 1 bedoelde" inbreuk verzoekster aansprakelijk wordt gesteld, op grond dat zij de activa van AWS heeft overgenomen. Artikel 2 kan verzoekster evenwel niet wettig aansprakelijk stellen voor een inbreuk waarvan vaststaat dat zij deze niet heeft gepleegd, in de zin van artikel 1, op de enkele grond dat zij de activa zou hebben overgenomen van een vennootschap die in artikel 1 van het dispositief zelf niet als pleger van de gestelde inbreuk wordt geïdentificeerd.
33 In de derde plaats heeft de Commissie ter terechtzitting nog gesteld, dat de dispariteit tussen de identiteit van de respectievelijk in de artikelen 1 en 2 van het dispositief bedoelde vennootschappen te wijten is aan een materiële vergissing, en dat artikel 1 naast AWS International ook AWS had moeten noemen, aangezien deze beide vennootschappen bij de inbreuk zijn betrokken, en dat in de overwegingen van de bestreden beschikking AWS als pleger van de inbreuk wordt aangewezen.
34 Te dezen is het Gerecht evenwel van oordeel dat, wat de essentiële vraag van de identificatie van de pleger van de inbreuk of van de adressaten van de beschikking betreft, de gestelde materiële vergissing, zo deze al als argument kan worden aanvaard, door de Commissie met voldoende zekerheid moet kunnen worden aangetoond. Dit is niet zo in dit geval waarin dit argument, zoals zojuist is uiteengezet, eerst in de laatste fase van de instructie van de zaak voor het eerst is aangevoerd, en de Commissie bovendien heeft nagelaten verzoekster naar behoren een rectificatie te doen toekomen van de instelling waarvan de handeling afkomstig is. Dit geldt te meer in het onderhavige geval, waarin de gestelde materiële vergissing betrekking heeft op het dispositief zelf van de beschikking, en dus op dat gedeelte van de handeling, dat rechtstreeks de draagwijdte van de aan de rechtssubjecten opgelegde verplichtingen of de draagwijdte van de hun door de betrokken handeling verleende rechten bevat, alsook op de identiteit van de adressaten van de beschikking en derhalve op de aansprakelijkheid voor de gestelde inbreuk en de financiële last van de opgelegde geldboete, hetgeen een strikte eerbiediging van het rechtszekerheidsbeginsel vereist, dat een grondbeginsel van de communautaire rechtsorde vormt (zie voor een vergelijkbaar geval arrest van het Gerecht van 27 februari 1992, gevoegde zaken T-79/89, T-84/89, T-85/89, T-86/89, T-89/89, T-91/89, T-92/89, T-94/89, T-96/89, T-98/89, T-102/89 en T-104/89, BASF e.a., Jurispr. 1992, blz. II-315). Het argument van de Commissie betreffende de materiële vergissing waarvan ten aanzien van de bestreden beschikking sprake zou zijn, kan dus niet worden aanvaard. In elk geval kan dit argument, gelet op hetgeen hiervoor is verklaard, niets afdoen aan de beoordeling van de motivering van de bestreden beschikking door het Gerecht.
35 Het middel inhoudende dat de Commissie de bestreden beschikking ten aanzien van verzoekster ontoereikend heeft gemotiveerd, is derhalve gegrond.
36 Artikel 2 van de bestreden beschikking moet dan ook nietig worden verklaard voor zover het op verzoekster betrekking heeft, zonder dat de overige in het verzoekschrift aangevoerde middelen behoeven te worden onderzocht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
37 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Aangezien verzoekster heeft gevorderd dat de Commissie in de kosten wordt verwezen, dient laatstgenoemde in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer)
rechtdoende:
1) Verklaart artikel 2 van het dispositief van beschikking 92/261/EEG van de Commissie van 18 maart 1992 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/32.290 ° Newitt/Dunlop Slazenger International en anderen) nietig, voor zover daarbij de in artikel 1 van het dispositief bedoelde inbreuk aan verzoekster wordt toegerekend en haar een geldboete wordt opgelegd.
2) Verwijst de Commissie in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy