Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Beroep ° Termijnen ° Aanvang ° Kennisgeving ° Begrip ° Besluit, geadresseerd op arbeidsplaats aan ambtenaar met ziekteverlof ° Daarvan uitgesloten
(Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 3)
2. Ambtenaren ° Overplaatsing ° Nieuwe tewerkstelling ° Onderscheidingscriteria
(Ambtenarenstatuut, art. 4 en 29)
3. Ambtenaren ° Beroep ° Bezwarend besluit ° Begrip ° Besluit tot nieuwe tewerkstelling ° Maatregel tot interne organisatie van dienst ° Daarvan uitgesloten ° Voorwaarden ° Verplichting tot motiveren en vooraf horen ° Geen
(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2)
4. Ambtenaren ° Beroep ° Vordering tot schadevergoeding, ingesteld te zamen met vordering tot nietigverklaring ° Ontvankelijkheid anders te beoordelen naar gelang al dan niet nauw verband tussen beide vorderingen bestaat
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
Samenvatting
1. De kennisgeving van een besluit moet de betrokkene in staat stellen kennis te nemen van het betrokken besluit. Aan dat vereiste wordt niet voldaan wanneer een besluit waarbij de klacht van een ambtenaar wordt beantwoord, aan deze laatste tijdens zijn ziekteverlof wordt gericht in de dienst waar hij is tewerkgesteld. In dat geval begint de beroepstermijn eerst te lopen op de datum waarop de ambtenaar van dat besluit kennis heeft kunnen nemen.
2. Bij de bepaling of een maatregel een overplaatsing of een nieuwe tewerkstelling is, is het Gerecht niet gebonden door de door partijen aan deze maatregel gegeven juridische kwalificatie.
Dienaangaande volgt uit het systeem van het Statuut, dat er slechts sprake is van overplaatsing in de eigenlijke zin van het woord, wanneer een ambtenaar overgaat naar een vacant ambt. Bijgevolg is elke overplaatsing in eigenlijke zin onderworpen aan de formaliteiten van de artikelen 4 en 29 van het Statuut. Die formaliteiten zijn daarentegen niet van toepassing in geval van nieuwe tewerkstelling van de ambtenaar met zijn ambt, omdat bij die overgang geen vacature wordt bezet.
3. Alleen besluiten die de rechtspositie van een ambtenaar rechtstreeks ongunstig kunnen beïnvloeden en aldus verder gaan dan eenvoudige maatregelen tot interne organisatie van de dienst, die de statutaire positie van de betrokken ambtenaar niet aantasten, zijn bezwarende besluiten.
Een besluit houdende nieuwe tewerkstelling, dat de statutaire rechten van de betrokkene niet aantast, aangezien het in weerwil van een wijziging van zijn functie zijn rang niet wijzigt, geen gevolgen heeft voor zijn materiële belangen, zijn immateriële belangen of toekomstverwachtingen niet aantast en enkel in het belang van de dienst is genomen, is geen bezwarend besluit. Wat dit aangaat, moet een maatregel waarbij een ambtenaar een nieuwe tewerkstelling heeft gekregen om een einde te maken aan een onhoudbaar geworden administratieve situatie, worden geacht te zijn genomen in het belang van de dienst. De administratie is niet gehouden een dergelijk besluit, dat enkel een maatregel tot interne organisatie van de dienst is, te motiveren of de betrokken ambtenaar vooraf te horen.
4. Een vordering tot schadevergoeding die samen met een niet-ontvankelijke vordering tot nietigverklaring wordt ingesteld, is ofwel zelf niet-ontvankelijk indien zij met deze laatste nauw verband houdt, ofwel, voor zover de gestelde schade haar oorsprong vindt in een dienstfout die los staat van de maatregelen waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, slechts ontvankelijk indien voordien een klacht is ingediend, die zelf een vervolg is op een verzoek aan de administratie om vergoeding van de geleden schade.
Partijen
In zaak T-50/92,
G. Fiorani, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Munsbach (Luxemburg), vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij de Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, juridisch adviseur, bijgestaan door J. Pantalis, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J. Campinos, Bâtiment BAK, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep, strekkende tot nietigverklaring van de nota van 15 oktober 1991, naar luid waarvan verzoeker is "overgeplaatst" van de dienst "postsortering" naar de "bodedienst", en, voor zoveel nodig, van het besluit van 24 maart 1992 tot afwijzing van verzoekers klacht, tevens strekkende tot vergoeding van de beweerdelijk door verzoeker geleden immateriële schade,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, kamerpresident, H. Kirschner en A. Saggio, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 3 maart 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Verzoeker, G. Fiorani, is sinds meer dan twintig jaar in dienst bij het Europees Parlement (hierna: "Parlement"). Hij is momenteel ambtenaar in de rang D 1, salaristrap 8. Vóór de litigieuze feiten was hij tewerkgesteld bij de dienst "postsortering".
2 Naar aanleiding van een incident, waarvan de bijzonderheden onzeker zijn, deed de directeur-generaal Administratie van het Parlement verzoeker bij nota van 15 oktober 1991, betreffende verzoekers "overplaatsing", de volgende mededeling toekomen: "Wegens uw ongehoord gedrag jegens uw hiërarchieke meerderen en de moeilijkheden die de dienst 'postsortering' met u ondervindt, is besloten u terstond over te plaatsen naar de bodedienst. Deze overplaatsing impliceert niet noodzakelijkerwijs dienstreizen buiten Luxemburg."
3 Volgens verzoeker is deze maatregel een verkapte tuchtmaatregel. Na de nota betreffende de "overplaatsing" van 15 oktober 1991 en na vergeefse pogingen, een onderhoud te hebben met zijn hiërarchieke meerderen, wendde hij zich tot het personeelscomité. De president van dit comité wisselde nota' s uit met de directeur-generaal Administratie en met de secretaris-generaal van het Parlement. Daarbij kritiseerde het personeelscomité de door de administratie gevolgde spoedprocedure en verzocht het om een onderhoud, dat evenwel niet werd toegestaan. In het kader van die correspondentie verklaarde de directeur-generaal Administratie, dat verzoeker werd "overgeplaatst om aan de werking van de dienst inherente redenen" (brief van 15 november 1991), en dat verzoeker "zich herhaaldelijk had misgedragen jegens zijn meerderen en [was] berispt. Dit besluit [was] dus het logische gevolg van een aantal opeenvolgende waarschuwingen" (brief van 18 oktober 1991).
4 Na de nota "overplaatsing" van 15 oktober 1991 te hebben ontvangen, werd verzoeker ziek. Hij was gedurende meer dan vijftien maanden afwezig wegens (psychosomatische) ziekte en moest enkele malen in het ziekenhuis worden opgenomen. Volgens verzoeker is deze verslechtering van zijn gezondheidstoestand het rechtstreekse gevolg van het gedrag van zijn hiërarchieke meerderen jegens hem, met name van de litigieuze "overplaatsing".
5 Op 27 november 1991 diende verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Ambtenarenstatuut van de Europese Gemeenschappen (hierna: het "Statuut") een klacht in tegen de nota van 15 oktober 1991, waarbij hij het tot aanstelling bevoegd gezag verzocht dit besluit in te trekken en de immateriële schade die hij door het gedrag van zijn hiërarchieke meerderen en door de vaststelling van het bestreden besluit had geleden, te vergoeden. Dienaangaande betoogde hij, zakelijk weergegeven, dat hij bij het bestreden besluit bij wege van tuchtmaatregel was overgeplaatst, hoewel de relevante statutaire bepalingen niet voorzien in een dergelijke tuchtmaatregel, en dat het besluit bovendien was genomen met schending van het fundamentele beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging, aangezien hij niet was gehoord en geen verweermiddelen had kunnen voordragen vóór de vaststelling ervan.
6 Wat de betekenis van de "overplaatsing" van verzoeker betreft, verklaarde de directeur-generaal Administratie in een nota die hij op 19 december 1991 in het kader van de precontentieuze procedure aan de juridisch adviseur van het Parlement zond, dat de "sector 'postsortering' om organisatorische redenen en in het kader van het personeelsbeleid in het ring-book [was] gescheiden van de bodedienst", hoewel hij administratief nog steeds onder de bodedienst ressorteerde. De betrokken "overplaatsing" was dus, volgens de directeur-generaal, een organisatiemaatregel in het kader van de bodedienst.
7 Bij brief van 24 maart 1992 verwierp de secretaris-generaal van het Parlement de klacht, op grond dat het besluit betreffende de "nieuwe tewerkstelling" van verzoeker bij de bodedienst was genomen om een einde te maken aan een verslechtering van de arbeidsrelatie, met name met verzoekers hiërarchieke meerderen, en dus was gerechtvaardigd door het dienstbelang.
8 Verzoeker wijst erop, dat hij van deze brief "in kennis is gesteld bij een aan de 'bodedienst' gerichte nota van 24 maart 1992", terwijl hij sinds meer dan vijf maanden met ziekteverlof was en hij er eerst op 30 maart 1992 kennis van kon nemen.
Het procesverloop
9 In deze omstandigheden heeft verzoeker bij op 26 juni 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
10 De schriftelijke behandeling heeft een regelmatig verloop gehad. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Aan partijen zijn evenwel vragen gesteld, die deze ter terechtzitting hebben beantwoord.
11 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
° het besluit van het Parlement van 15 oktober 1991 houdende zijn overplaatsing van de dienst "postsortering" naar de "bodedienst", nietig te verklaren;
° verweerder te veroordelen, verzoeker ter vergoeding van de door hem geleden immateriële schade een bedrag van 15 000 ECU te betalen;
° verweerder te verwijzen in de kosten.
12 Het Parlement concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep ten gronde en alle verzoeken te verwerpen;
° kosten rechtens.
De conclusies tot nietigverklaring
13 Verzoeker draagt drie middelen voor tot staving van zijn conclusies tot nietigverklaring. Met zijn eerste middel betoogt hij, dat het ontbreken in zijn persoonsdossier van schriftelijke opmerkingen betreffende de door zijn hiërarchieke meerderen geformuleerde beschuldigingen en toelichtingen ter rechtvaardiging van het bestreden besluit en van de verwerping van zijn klacht, in strijd is met artikel 26 van het Statuut; hij betoogt bovendien, dat het tot aanstelling bevoegd gezag hem in zijn verweermiddelen had moeten horen vóór de vaststelling van het betrokken besluit, dat hij als een overplaatsing kwalificeert. Zijn tweede middel is ontleend aan schending van de in artikel 25, tweede alinea, van het Statuut neergelegde motiveringsplicht, op grond dat de motivering van het tegen zijn wil genomen overplaatsingsbesluit onvolledig is. Met zijn derde middel, ontleend aan schending van artikel 86, lid 2, van het Statuut, voert hij aan, dat de op hem toegepaste ambtshalve overplaatsing om zijn zogenaamd ongehoord gedrag te bestraffen, niet voorkomt onder de in dit artikel opgesomde tuchtmaatregelen.
14 Alvorens de gegrondheid van de conclusies tot nietigverklaring te onderzoeken, en hoewel het Parlement alleen bepaalde formele bezwaren heeft gemaakt tegen de ontvankelijkheid ervan, te weten een gebrek aan overeenstemming tussen twee van de tot staving ervan voorgedragen middelen en het enige in de klacht aangevoerde middel, dient het Gerecht, gezien het dossier van de zaak, ambtshalve twee vragen inzake de ontvankelijkheid van het beroep te onderzoeken. Aangezien de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut neergelegde regels van openbare orde zijn, dient te worden onderzocht, of het beroep tijdig is ingesteld en of de bestreden maatregel inderdaad een handeling is die voor verzoeker bezwarend is (zie bij voorbeeld arrest Gerecht van 10 april 1992, zaak T-15/91, Bollendorff, Jurispr. 1992, blz. II-1679, r.o. 22, en beschikking Gerecht van 11 mei 1992, zaak T-34/91, Whitehead, Jurispr. 1992, blz. II-1723, r.o. 19).
De ontvankelijkheid
De beroepstermijn
15 Blijkens het dossier dateert het besluit waarbij verzoekers klacht is verworpen, van 24 maart 1992. Aangaande de datum van kennisgeving van dit besluit heeft het Parlement het stilzwijgen bewaard, terwijl verzoeker heeft verklaard (blz. 5 van het verzoekschrift), dat hij van dit besluit "in kennis is gesteld bij een aan de 'bodedienst' gerichte nota van 24 maart 1992, terwijl hij sinds meer dan vijf maanden met ziekteverlof was", en met de opmerking dat hij pas op 30 maart 1992 kennis kreeg van het intussen aan zijn echtgenote gezonden besluit.
16 In dit verband herinnert het Gerecht aan de rechtspraak van het Hof, volgens welke de kennisgeving de betrokkene in staat moet stellen op gepaste wijze kennis te nemen van het betrokken besluit (arrest van 15 juni 1976, zaak 5/76, Jaensch, Jurispr. 1976, blz. 1027, r.o. 10). In casu kon verzoeker, die op dat moment, zoals het tot aanstelling bevoegd gezag overigens wist, met ziekteverlof was, evenwel geen kennis nemen van een besluit dat was afgegeven bij de "bodedienst". Gezien het stilzwijgen van het Parlement over deze kwestie kan het Gerecht zich bijgevolg slechts houden aan verzoekers verklaringen, volgens welke deze eerst op 30 maart 1992 kennis heeft kunnen nemen van het betrokken besluit (arrest Gerecht van 11 februari 1992, zaak T-16/90, Panagiotopoulou, Jurispr. 1992, blz. II-89, r.o. 20). Mitsdien is de beroepstermijn in casu in acht genomen.
Het bestaan van een bezwarend besluit
Argumenten van partijen
17 In de loop van de schriftelijke behandeling heeft het Parlement in zijn verweerschrift te kennen gegeven, dat het geen opmerkingen wenste te maken tegen de ontvankelijkheid van het beroep, doch in het kader van zijn betoog ten gronde heeft het opgemerkt, dat het bestreden besluit in beginsel verzoekers statutaire positie niet kon aantasten (blz. 4 en 6 van het verweerschrift).
18 Onder verwijzing naar het arrest van 27 juni 1973 (zaak 35/72, Kley, Jurispr. 1973, blz. 679, r.o. 4 en 8) heeft verzoeker betoogd, dat het bestreden besluit, waarbij hij tegen zijn wil is overgeplaatst, een bezwarend besluit in de zin van artikel 91 van het Statuut kan zijn. Een dergelijk besluit, ook al tast het de materiële belangen of de rang van een ambtenaar niet aan, kan immers, gelet op de aard van de betrokken functie en de omstandigheden, afbreuk doen aan zijn immateriële belangen en toekomstverwachtingen (blz. 6 van het verzoekschrift).
19 In antwoord op de vragen van het Gerecht heeft verzoeker onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof (arrest van 21 juni 1984, zaak 69/83, Lux, Jurispr. 1984, blz. 2447, r.o. 17) erop gewezen, dat ofschoon de gemeenschapsinstellingen stellig een ruime beoordelingsvrijheid hebben om hun diensten te organiseren en hun personeel tewerk te stellen, die tewerkstelling evenwel in het belang van de dienst en met inachtneming van de gelijkwaardigheid van de ambten dient te geschieden. Verzoeker heeft gepreciseerd, dat hij in casu niet betwist, dat de gelijkwaardigheid van de ambten is geëerbiedigd. Fundamenteel voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep is dus de vraag, of het bestreden besluit enkel is genomen in het belang van de dienst of daarentegen om hem een straf op te leggen. Gelet op de ernstige beschuldigingen die tegen hem worden geformuleerd in het bestreden besluit, ligt het volgens verzoeker voor de hand, dat het besluit als een straf moet worden beschouwd.
20 Aangaande het verloop van het aan de zaak ten grondslag liggende incident heeft verzoeker betoogd, dat dit incident ° dat hij zelf omschrijft als "uiterst ernstig" en waarvoor hij iedere aansprakelijkheid heeft ontkend ° zich had voorgedaan tijdens een luidruchtig telefoongesprek met zijn hiërarchieke meerdere, die uiteindelijk de telefoon op de haak had gegooid.
21 Bovendien heeft verzoeker herhaaldelijk gepreciseerd, dat hij zich niet bezwaard voelt door het definitieve besluit als zodanig, dat wil zeggen door de overgang van de ene dienst naar een andere ° welke overgang hij in deze context overigens uitdrukkelijk als nieuwe tewerkstelling en niet als overplaatsing heeft gekwalificeerd °, maar in de eerste plaats door de motivering ervan, die uiterst ernstige en ongerechtvaardigde verwijten bevat, alsmede door de gevolgde procedure, die hem niet in staat heeft gesteld de hem verweten feiten precies te kennen, noch zijn verdediging te verzekeren. Verzoeker heeft beklemtoond, dat indien hij een nieuwe tewerkstelling had gekregen na een alleen in het belang van een goede organisatie van de diensten van het Parlement gevolgde procedure, hij geen reden tot klagen zou hebben gehad en dus nooit beroep zou hebben ingesteld. Het tweede element waardoor hij zich bezwaard voelt, is de laatste zin in de bestreden nota, volgens welke "deze overplaatsing niet noodzakelijkerwijs dienstreizen buiten Luxemburg impliceert". Het al dan niet verrichten van dienstreizen is weliswaar een zuiver feitelijk element, dat verbonden is aan het uitgeoefende ambt, doch dienstreizen hebben belangrijke financiële gevolgen, omdat de ermee gepaard gaande vergoedingen vrij hoog zijn en een duidelijk financieel voordeel opleveren. Deze financiële gevolgen, aldus verzoeker, zijn van precies dezelfde aard als die welke in geding waren in het arrest van het Hof van 31 mei 1988 (zaak 167/86, Rousseau, Jurispr. 1988, blz. 2705), waarin het ging om de betaling van een forfaitaire vergoeding voor overwerk.
22 Het Parlement heeft ter terechtzitting verklaard, dat verzoekers overgang naar de "bodedienst" niet als overplaatsing kan worden aangemerkt aangezien er geen kennisgeving van vacature had plaatsgevonden. Het zou veeleer gaan om een nieuwe tewerkstelling in het kader van een reorganisatie van de diensten. In dit verband heeft het Parlement beklemtoond dat het, voor de oplossing van de door verzoeker in zijn arbeidsrelatie veroorzaakte moeilijkheden, aan een dergelijke, meer menselijke en soepele maatregel de voorkeur heeft gegeven boven de inleiding van een tuchtprocedure. Deze nieuwe tewerkstelling is geen bezwarend besluit en hoefde in beginsel niet met redenen te worden omkleed.
23 Wat de motivering van het bestreden besluit betreft, heeft het Parlement voorts opgemerkt dat deze geenszins op een verkapte tuchtmaatregel duidde, maar verzoeker op de hoogte heeft gebracht van de feiten op grond waarvan de administratie had besloten, hem een nieuwe tewerkstelling te geven teneinde de door hem in zijn dienst veroorzaakte problemen op te lossen. Sinds die overgang heeft verzoeker een veel rustiger post dan voorheen, toen hij dagelijks in rechtstreeks contact was met mensen met wie hij niet overweg kon.
24 Wat de dienstreizen buiten Luxemburg betreft, heeft het Parlement erop gewezen, dat bepaalde functies in de instelling vereisen, dat de bekleder van het ambt beschikbaar is voor verplaatsingen. Dit is geen recht, doch een verplichting voor de betrokken ambtenaren. De vergoeding van de dienstreiskosten is een vergoeding voor de verplaatsing. Anders dan verzoeker stelt, is deze vergoeding niet van dezelfde aard als de forfaitaire overwerkvergoeding die aan de orde was in de zaak Rousseau (reeds aangehaald), die was toegekend voor specifieke taken en niet wegens een algemene beschikbaarheid als zodanig.
25 In antwoord op de vraag, hoe een ambtenaar nuttig verweer kan voeren tegen een besluit dat, hoewel niet bezwarend in strikte zin, volgens de betrokkene ongerechtvaardigd en hinderlijk is, bij voorbeeld een negatief waardeoordeel zoals de motivering van de in casu bestreden nota, heeft het Parlement toegegeven, dat juist dit probleem hem in casu heeft doen besluiten, tijdens de schriftelijke procedure geen "harde" lijn te volgen door de niet-ontvankelijkheid van het beroep voorop te stellen.
26 Wat de verweermogelijkheden betreft waarvan verzoeker het bestaan had ontkend, heeft het Parlement gewezen op de in het Statuut voorziene precontentieuze procedure, in het kader waarvan de betrokken ambtenaar zijn standpunt kenbaar kan maken door een klacht in te dienen. Het heeft beklemtoond, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, ondanks de twijfels over het bestaan van een bezwarend besluit, in casu alle omstandigheden van de zaak had onderzocht en de discussie ten gronde was aangegaan.
Beoordeling door het Gerecht
27 Allereerst zij erop gewezen, dat het Gerecht niet gebonden kan zijn door het feit dat partijen een maatregel kwalificeren als overplaatsing, nieuwe tewerkstelling of overgang (arrest Hof van 8 februari 1973, zaak 56/72, Goeth, Jurispr. 1973, blz. 181, r.o. 8-10). Wat in casu de juridische kwalificatie van de bestreden maatregel betreft, volgt uit het systeem van het Statuut, dat er slechts sprake is van overplaatsing in de eigenlijke zin van het woord, wanneer een ambtenaar overgaat naar een vacant ambt. Bijgevolg is elke overplaatsing in eigenlijke zin onderworpen aan de formaliteiten van de artikelen 4 en 29 van het Statuut. Die formaliteiten zijn daarentegen niet van toepassing in geval van nieuwe tewerkstelling van de ambtenaar met zijn ambt, omdat bij die overgang geen vacature wordt bezet (arrest Hof van 24 februari 1981, gevoegde zaken 161/80 en 162/80, Jurispr. 1981, blz. 543, r.o. 19).
28 In casu heeft het Parlement erop gewezen, zonder op dit punt door verzoeker te worden weersproken, dat de litigieuze overgang van verzoeker niet gepaard ging met de bezetting van een vacature. Verzoeker heeft overigens zelf ter terechtzitting toegegeven, dat zijn overgang van de dienst "postsortering" naar de "bodedienst" een nieuwe tewerkstelling was. In die omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat het bestreden besluit hoe dan ook niet kan worden aangemerkt als een overplaatsing, die, indien daartoe tegen verzoekers wil was besloten, in beginsel bezwarend voor hem zou kunnen zijn (arrest Kley, reeds aangehaald, r.o. 8), maar dat het om een nieuwe tewerkstelling gaat.
29 Vervolgens zij eraan herinnerd, dat het bestaan van een bezwarend besluit in de zin van de artikelen 90, lid 2, en 91, lid 1, van het Statuut een onmisbare voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van elk beroep tot nietigverklaring van ambtenaren tegen hun instelling. Volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht zijn alleen bezwarend besluiten die de rechtspositie van een ambtenaar rechtstreeks ongunstig kunnen beïnvloeden en aldus verder gaan dan eenvoudige maatregelen tot interne organisatie van de dienst, die de statutaire positie van de betrokken ambtenaar niet aantasten (zie bij voorbeeld arrest Hof van 10 december 1969, zaak 32/68, Grasselli, Jurispr. 1969, blz. 505, r.o. 4-7, en beschikking Gerecht van 4 juli 1991, zaak T-47/90, Herremans, Jurispr. 1991, blz. II-467, r.o. 21 en 22).
30 Wat de litigieuze nieuwe tewerkstelling betreft, staat vast, dat deze maatregel verzoekers statutaire rechten geenszins heeft aangetast. Zij impliceerde immers geen enkele wijziging van zijn rang of van de hem in het Statuut toegekende materiële rechten.
31 Ofschoon verzoekers nieuwe taken bij de "bodedienst" niet identiek zijn aan die welke hij bij de dienst "postsortering" verrichtte, zij eraan herinnerd, dat zelfs de wijziging van de aan een ambtenaar toegekende administratieve taken voor hem geen bezwarende handeling is voor zover de gewijzigde taken overeenkomen met zijn rang (zie bij voorbeeld arrest Hof van 7 maart 1990, gevoegde zaken C-116/88 en C-149/88, Hecq, Jurispr. 1990, blz. I-599, r.o. 11-14, en beschikking Herremans, reeds aangehaald, r.o. 25). In casu heeft verzoeker ter terechtzitting uitdrukkelijk verklaard, dat hij niet betwistte, dat de gelijkwaardigheid van zijn nieuwe taken en zijn rang in acht was genomen.
32 Wat de laatste zin van de nota van 15 oktober 1991 betreft, waarin toekomstige beperkingen aan eventuele dienstreizen van verzoeker worden aangekondigd, zij eraan herinnerd dat, zoals verzoeker ter terechtzitting zelf heeft erkend, het vooruitzicht op dienstreis te gaan, moet worden gezien als een zuiver feitelijk element, dat verband houdt met het ambt van de betrokken ambtenaar. Dit element kan op zich geen rechtsgevolgen sorteren.
33 Waar verzoeker in dit verband verwijst naar het arrest Rousseau (reeds aangehaald) ten betoge dat zijn beroep ontvankelijk is omdat het is gericht tegen een "besluit dat zijn toekomstige financiële situatie raakt", stelt het Gerecht vast, dat de zaak Rousseau fundamenteel verschilt van de onderhavige zaak. Rousseau was namelijk stagiair en werd vervolgens in vaste dienst benoemd als chauffeur van een lid van de verwerende instelling, die ten tijde van zijn aanstelling een systeem had ingevoerd van forfaitaire vergoedingen voor overwerk voor de chauffeurs van de leden; deze forfaitaire vergoeding maakte dus deel uit van betrokkenes bezoldiging. In die omstandigheden werd volgens het Hof door het besluit, verzoekers tewerkstelling in dier voege te wijzigen dat de forfaitaire vergoeding hem nog slechts werd toegekend voor de werkelijke duur dat hij ter beschikking was gesteld van een lid, verzoekers recht op voormelde forfaitaire vergoeding onzeker, zodat het Hof het nietig verklaarde. In casu kan verzoekers situatie evenwel niet worden gelijkgesteld met die van Rousseau, aangezien de vergoeding van de kosten van dienstreizen geen deel uitmaakt van de bezoldiging van een specifiek ambt.
34 Het Gerecht is van oordeel, dat de vergoeding van de kosten van dienstreizen in dit opzicht vergelijkbaar is met de premie voor permanente beschikbaarheid, die dient ter compensatie van een algemene verplichting van de betrokken ambtenaar om zich ter beschikking te houden van zijn instelling, en ten aanzien waarvan het Hof uitdrukkelijk heeft geoordeeld, dat zij geen deel uitmaakt van de aan de rang en salaristrap van de ambtenaar verbonden bezoldiging (arrest van 23 maart 1988, zaak 19/87, Hecq, Jurispr. 1988, blz. 1681, r.o. 25).
35 Wat de door verzoeker opgeworpen vraag betreft, of zijn nieuwe tewerkstelling alleen in het belang van de dienst heeft plaatsgevonden ° welke vraag volgens zijn verklaringen ter terechtzitting beslissend was voor de ontvankelijkheid van het beroep ° zij eraan herinnerd, dat dit een van de voorwaarden is die de gemeenschapsinstellingen moeten naleven volgens de rechtspraak van het Hof, die hun voor het overige in dit opzicht een ruime beoordelingsvrijheid toekent bij de organisatie van hun diensten (zie bij voorbeeld arrest Lux, reeds aangehaald, r.o. 17). In casu staat vast, dat er tussen verzoeker en zijn hiërarchieke meerdere een incident heeft plaatsgevonden dat verzoeker zelf als "uiterst ernstig" heeft aangemerkt. Zoals het Hof oordeelde in zijn arrest van 7 maart 1990 (Hecq, reeds aangehaald, r.o. 22), moet een maatregel waarbij een ambtenaar een nieuwe tewerkstelling heeft gekregen om een einde te maken aan een onhoudbaar geworden administratieve situatie, worden geacht te zijn genomen in het belang van de dienst. In de omstandigheden van de onderhavige zaak heeft het Parlement dus kunnen oordelen, dat verzoeker in het belang van de dienst moest worden verwijderd uit de sector "postsortering" en in dezelfde administratieve eenheid een nieuwe tewerkstelling diende te krijgen bij de "bodedienst", om de in de eerste sector ontstane spanningen op te heffen. Bovendien heeft verzoeker ter terechtzitting zijn overgang naar de "bodedienst" als zodanig niet betwist. Bijgevolg kan de maatregel waarbij verzoeker een nieuwe tewerkstelling heeft gekregen, niet wegens het ontbreken van een dienstbelang worden beschouwd als een bezwarend besluit.
36 Waar verzoeker het Parlement vervolgens verwijt, zijn uitleg en verweermiddelen niet te hebben gehoord vóór de vaststelling van de bestreden maatregel, dient enerzijds te worden vastgesteld, dat het niet horen van de betrokkene vóór de vaststelling van een bepaalde maatregel, van geen invloed is op de vraag, of het dispositief van die maatregel moet worden aangemerkt als een bezwarend besluit. Er zij ook aan herinnerd, dat het Statuut niet op alle gebieden een contradictoire procedure voorschrijft in het kader waarvan iedere ambtenaar door de administratie moet worden geraadpleegd voordat jegens hem een maatregel wordt getroffen, en dat bij gebreke van een uitdrukkelijke statutaire bepaling een dergelijke verplichting van de administratie niet bestaat (arrest Hof van 29 oktober 1981, zaak 125/80, Arning, Jurispr. 1981, blz. 2539, r.o. 17). De waarborgen waarin artikel 90 van het Statuut ter bescherming van de belangen van het personeel voorziet, moeten dus in beginsel toereikend worden geacht. Ten aanzien van maatregelen tot interne organisatie van de dienst heeft het Hof overigens in zijn arresten van 14 december 1988 (zaak 280/87, Hecq, Jurispr. 1988, blz. 6433, r.o. 11) en 7 maart 1990 (Hecq, reeds aangehaald, r.o. 14) geoordeeld, dat de administratie niet gehouden is een dergelijke beslissing met redenen te omkleden, noch vooraf de betrokken ambtenaar te horen.
37 Hieraan moet evenwel worden toegevoegd dat, volgens de rechtspraak van het Hof en het Gerecht, bepaalde handelingen, ook al hebben zij geen ongunstige invloed op de materiële belangen of de rang van de ambtenaar, kunnen worden beschouwd als bezwarende handelingen, indien zij de immateriële belangen of de toekomstverwachtingen van de betrokkene aantasten (zie bij voorbeeld arrest Kley, reeds aangehaald, r.o. 4 en 8, en beschikking Herremans, reeds aangehaald, r.o. 26).
38 Er zij aan herinnerd, dat verzoeker zijn overgang als zodanig niet heeft betwist en in werkelijkheid alleen bezwaren heeft geuit tegen de motivering van zijn nieuwe tewerkstelling, omdat deze naar zijn oordeel uiterst ernstige en ongerechtvaardigde verwijten bevat. Volgens het arrest van het Gerecht van 17 september 1992 (zaak T-138/89, NBV en NVB, Jurispr. 1992, blz. II-2181, r.o. 31) kan echter alleen het beschikkende gedeelte van een besluit rechtsgevolgen sorteren en bijgevolg bezwarend zijn.
39 Ook al had het tot aanstelling bevoegd gezag jegens verzoeker een bezwarend besluit genomen, wat in casu niet het geval is, zou de enkele motivering van dat besluit derhalve niet vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring. Bijgevolg kan het onderhavige beroep tot nietigverklaring, dat naar verzoekers eigen zeggen enkel gericht is tegen de motivering van zijn nieuwe tewerkstelling, niet ontvankelijk worden geacht.
40 Uit het voorgaande volgt, dat de bestreden nota van 15 oktober 1991 geen voor verzoeker bezwarend besluit is.
41 Aangaande de door verzoeker opgeworpen vraag, hoe een ambtenaar zich kan verweren tegen een besluit dat, hoewel het sensu stricto niet bezwarend voor hem is, door de betrokkene wordt beschouwd als nadelig voor zijn rechtmatige belangen, zij eraan herinnerd, dat in het door het Statuut ingevoerde systeem van rechtsmiddelen geen klacht kan worden ingediend tegen een besluit dat niet bezwarend is in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut. Wanneer een ambtenaar evenwel van oordeel is, dat een dergelijk besluit of een element ervan, zoals de motivering van een maatregel tot interne organisatie van de diensten, zijn belangen schaadt, kan hij krachtens artikel 90, lid 1, van het Statuut bij het tot aanstelling bevoegd gezag een verzoek indienen om jegens hem een besluit te nemen tot intrekking van het betrokken besluit of element. Indien de administratie dat verzoek afwijst, kan de betrokkene overeenkomstig artikel 90, lid 2, bij het tot aanstelling bevoegd gezag een klacht indienen. Bij verwerping van die klacht kan beroep worden ingesteld bij het Gerecht.
42 Om bovenstaande redenen moeten de in het kader van het onderhavige beroep voorgedragen conclusies tot nietigverklaring niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat hoeft te worden ingegaan op de door het Parlement aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid, die zijn ontleend aan een gebrek aan overeenstemming tussen twee van de tot staving ervan voorgedragen middelen en het enige middel dat in de klacht was aangevoerd.
Ontvankelijkheid van de conclusies tot schadevergoeding
Argumenten van partijen
43 In antwoord op een vraag van het Gerecht heeft verzoeker ter terechtzitting gepreciseerd, dat hij het lot van zijn conclusies tot schadevergoeding aan dat van zijn vordering tot nietigverklaring verbond. Zo het Gerecht zijn beroep tot nietigverklaring wegens het ontbreken van een bezwarend besluit niet-ontvankelijk mocht verklaren, zouden zijn conclusies tot schadevergoeding derhalve vervallen. Verzoeker heeft bovendien verklaard, dat de klacht die hij bij het tot aanstelling bevoegd gezag heeft ingediend, als zodanig moet worden aangemerkt en dat hij het Gerecht niet verzoekt, deze thans te beschouwen als een verzoek om schadevergoeding.
44 Het Parlement heeft verklaard, dat voor zover verzoeker zijn conclusies tot schadevergoeding rechtstreeks verbonden acht met zijn conclusies tot nietigverklaring, zij niet-ontvankelijk zijn voor zover zij rechtstreeks verbonden zijn aan schending van de artikelen 25 en 26 van het Statuut, aangezien de aan schending van deze artikelen ontleende middelen niet ontvankelijk zijn en er geen sprake is van een bezwarend besluit. Zo er geen rechtstreeks verband mocht bestaan tussen de twee vorderingen, is volgens het Parlement de vordering tot schadevergoeding eveneens niet-ontvankelijk, omdat de precontentieuze procedure geen regelmatig verloop heeft gehad.
Beoordeling van het Gerecht
45 Gelet op deze argumenten brengt het Gerecht in herinnering, dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een beroep tot schadevergoeding onderscheid moet worden gemaakt tussen twee hypothesen. De eerste hypothese ° die evenwel voor discussie vatbaar is bij het ontbreken van een bezwarend besluit ° is die waarin de conclusies tot schadevergoeding nauw verbonden zijn met een beroep tot nietigverklaring. In dat geval leidt niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring tot niet-ontvankelijkheid van de schadevordering. In de tweede hypothese bestaat er geen nauw verband tussen de twee vorderingen. In dat geval moet de ontvankelijkheid van de conclusies tot schadevergoeding worden beoordeeld los van die van het beroep tot nietigverklaring. Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de ontvankelijkheid van een dergelijk beroep afhangt van het regelmatig verloop van de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut voorziene voorafgaande administratieve procedure (zie bij voorbeeld arrest Gerecht van 25 september 1991, zaak T-5/90, Marcato, Jurispr. 1991, blz. II-731, r.o. 49, en beschikking Gerecht van 18 december 1992, zaak T-8/92, Di Rocco, Jurispr. 1992, blz. II-2653, r.o. 34).
46 In casu moeten de conclusies tot schadevergoeding hoe dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor zover zij, zoals verzoeker ter terechtzitting zelf heeft verklaard, nauw verbonden zijn met de conclusies tot nietigverklaring, die niet-ontvankelijk zijn verklaard, moeten zij immers hetzelfde lot ondergaan. Zij moeten eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard indien ervan wordt uitgegaan, dat de door verzoeker gestelde schade haar oorsprong vindt in een dienstfout, los van de nieuwe tewerkstelling waartegen de conclusies tot nietigverklaring zijn gericht. Verzoeker heeft namelijk niet vóór de instelling van zijn beroep de volledige door het Statuut voorgeschreven administratieve procedure gevolgd, die dwingend twee etappes omvat, te weten een verzoek en een klacht in de zin van artikel 90, leden 1 en 2, van het Statuut, in het kader waarvan hij de administratie had moeten uitnodigen de geleden schade te herstellen (arrest Gerecht van 16 juli 1992, zaak T-1/91, Della Pietra, Jurispr. 1992, blz. II-2145, r.o. 34).
47 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
48 Volgens artikel 87, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Volgens artikel 88 van dit reglement evenwel blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste. Bijgevolg dient elk der partijen in haar eigen kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy