Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Ambtenaren - Beroep - Beroep tot schadevergoeding - Beroep op grond van solidaire en subsidiaire verplichting van administratie tot vergoeding van door derde aan ambtenaar berokkende schade - Ontvankelijkheid - Voorwaarden - Uitputting van nationale rechtswegen - Uitzondering - Ontbreken van doeltreffende beroepswegen
(Ambtenarenstatuut, art. 24 en 91)
2 Ambtenaren - Beroep - Beroep tot schadevergoeding - Voorwerp - Vaststelling van bestaan van dienstfout en van verplichting tot vergoeding door aansprakelijke instelling
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
3 Ambtenaren - Beroep - Beroep tot schadevergoeding - Precontentieuze procedure - Verschillend verloop naar gelang van aanwezigheid of ontbreken van bezwarend besluit
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
4 Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Precies en vaststelbaar voorwerp - Ambtenaar die zich op bijstandsverplichting van administratie beroept
(Ambtenarenstatuut, art. 24, 90 en 91)
5 Ambtenaren - Bijstandsplicht van administratie - Draagwijdte
(Ambtenarenstatuut, art. 24)
6 Ambtenaren - Beroep - Beroep tot schadevergoeding - Vaststelling van dienstfout van administratie in dictum van arrest en publikatie van arrest in Publikatieblad, die geen passende vergoeding van morele schade vormt - Toekenning van geldelijke vergoeding
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
Samenvatting
7 De uitputting van de nationale beroepswegen, voor zover deze tot vergoeding van de gestelde schade kunnen leiden, geldt als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het beroep tot schadevergoeding, dat door een ambtenaar wordt ingesteld op basis van de in artikel 24, tweede alinea, van het Statuut neergelegde solidaire en subsidiaire plicht voor de administratie om de schade te vergoeden die een derde haar ambtenaar wegens zijn hoedanigheid en functie berokkent. Een verzoeker, die niet heeft gepoogd van de derde schadevergoeding te krijgen, moet op zijn minst aanwijzingen verschaffen waaruit blijkt, dat de doeltreffendheid van de door de nationale beroepswegen gegarandeerde bescherming zeer te betwijfelen valt.
8 Conclusies strekkende tot vaststelling van een dienstfout, zoals de niet-nakoming van de bijstandsplicht van artikel 24, eerste alinea, van het Statuut, en tot vaststelling dat de verwerende instelling de door die fout veroorzaakte schade moet vergoeden, zijn ontvankelijk in het kader van een door een ambtenaar op grond van artikel 91 van het Statuut ingesteld beroep tot schadevergoeding.
9 Wanneer een ambtenaar een beroep tot schadevergoeding wil instellen tegen de instelling waarbij hij is tewerkgesteld, is de door het Statuut voorgeschreven precontentieuze procedure verschillend naar gelang de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, is veroorzaakt door een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, dan wel door een gedraging die geen besluit is. In het eerste geval is het beroep slechts ontvankelijk, indien de betrokkene bij het tot aanstelling bevoegd gezag tijdig een klacht heeft ingediend tegen de handeling die de schade heeft veroorzaakt en indien hij zijn beroep binnen de gestelde termijn heeft ingesteld. In het tweede geval bestaat de administratieve procedure die overeenkomstig de artikelen 90 en 91 van het Statuut verplicht vooraf gaat aan het beroep tot schadevergoeding, uit twee fases, namelijk eerst een verzoek, en vervolgens een klacht tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijzing van dat verzoek.
10 Aangezien de administratie, die onder toezicht van de gemeenschapsrechter over een beoordelingsvrijheid beschikt ter zake van de keuze van de maatregelen en middelen om aan de ambtenaar de in artikel 24, eerste alinea, van het Statuut bedoelde bijstand te verlenen, alle nodige maatregelen moet treffen om de reputatie van een ambtenaar wiens beroepseer is geschonden, te herstellen, mag de ambtenaar die om die bijstand verzoekt, zich ertoe beperken op de bijstandsplicht van artikel 24 van het Statuut te wijzen, zonder dat hij nadere preciseringen hoeft te geven; vervolgens staat het aan de administratie, ter zake de objectief noodzakelijke en passende maatregelen te treffen.
11 Zo de administratie over een beoordelingsvrijheid beschikt ter zake van de keuze van de maatregelen en middelen voor de toepassing van artikel 24 van het Statuut, dient zij in geval van ernstige en ongegronde aantijgingen welke het beroepsfatsoen van haar ambtenaar raken, deze beschuldigingen te verwerpen en alle maatregelen te treffen om de geschonden reputatie van de betrokkene te herstellen.
Wanneer een ambtenaar publiekelijk en persoonlijk in opspraak is gebracht, mag de administratie zich niet beperken tot een indirecte verdediging van de belanghebbende door de werkzaamheden waaraan hij deelneemt te verdedigen, en tot een - succesloos - verzoek om rechtzetting op grond van het recht op antwoord, gericht aan het blad dat verantwoordelijk is voor de laster. Zij dient haar ambtenaar publiekelijk te verdedigen en hem daarbij met naam te noemen, en zij mag haar optreden niet laten afhangen van het feit, dat de ambtenaar tevoren zelf stappen heeft ondernomen tegen degene die hem heeft aangevallen. Door dat niet te doen, komt zij de ingevolge voormeld artikel op haar rustende verplichting niet na en begaat zij een dienstfout.
12 De morele schade die een ambtenaar wordt berokkend door een dienstfout die tot aansprakelijkheid van de administratie leidt, geeft recht op toekenning van schadevergoeding, wanneer, gezien de omstandigheden van het concrete geval, noch de uitdrukkelijke vaststelling van de dienstfout in het dictum van het arrest, noch de publikatie van het arrest in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen volstaat om een volledige vergoeding van de schade te verzekeren.
Partijen
In zaak T-59/92,
R. Caronna, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoeker,
ondersteund door
Union syndicale-Brussel, met zetel te Brussel, vertegenwoordigd door V. Leclercq, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
interveniënte,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur G. Valsesia, als gemachtigde, bijgestaan door B. Cambier, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep, strekkende tot veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de morele schade die verzoeker beweerdelijk heeft geleden door de publikatie van een artikel in het blad Le Canard enchaîné en doordat de Commissie, door niet de maatregelen te treffen die nodig waren voor het herstel van verzoekers goede naam, die in bedoeld artikel was aangetast, niet heeft voldaan aan haar zorgplicht jegens haar ambtenaar,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, kamerpresident, H. Kirschner en A. Saggio, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 6 juli 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Verzoeker, R. Caronna, ambtenaar met de rang A 4, salaristrap 8, bij DG III (directoraat-generaal Industrie, voorheen directoraat-generaal Interne markt en industrie) van de Commissie, is sedert de herfst van 1989 tewerkgesteld in de eenheid III/D-2 "bouwnijverheid", waar hij werd belast met de voorbereiding van een ontwerp-richtlijn betreffende de aansprakelijkheid van bouwondernemingen. Daartoe richtte hij begin 1991 vier werkgroepen met deskundigen op, aangewezen door ter zake bevoegde Europese verenigingen, waaronder onder meer verenigingen van architecten, ingenieurs, verzekeraars, bouwondernemingen en verantwoordelijken voor sociale woningbouw. Deze werkgroepen dienden ideeën voor een voorontwerp van richtlijn aan te brengen. In september 1991 trok het Comité européen de coordination de l'habitat social (Cecodhas) zijn deskundigen uit de vier werkgroepen terug.
2 Op 11 december 1991 verscheen in een Frans weekblad, Le Canard enchaîné, een artikel met de titel "Brussel onder de plak van betonlobby", waarin het werk van de Commissie in die zin werd bekritiseerd, dat het gewicht van de bouwondernemingen in die werkgroepen te groot zou zijn. Het gaat om het volgende artikel:
"Project: waarborg klanten op de helling
De Europese Commissie heeft de vertegenwoordigers van de bouwsector opgedragen, voorstellen te doen in verband met de waarborgen die hun klanten in de toekomst zullen genieten. De aanpak is gedurfd: wordt de door de betonlobby opgestelde ontwerp-richtlijn aangenomen, dan wordt de tot heden in Frankrijk en in een aantal buurlanden geldende tienjarige waarborg beperkt tot vijf jaar. Na die ingekorte duur is er geen sprake meer van een waterdichte waarborg.
Anders dan bij de huidige wetgeving het geval is, is het de koper die zal moeten aantonen, dat de bouwonderneming een fout heeft begaan. En intussen is het dezelfde koper die de herstelkosten van het lekkende dak of de instortende muur mag voorschieten.
Dank zij deze discrete wijziging van de reglementering, reeds het voorwerp van artikelen in de professionele pers, zal de rekening voor het herstellen van fouten voor de bouwondernemingen ten minste met een derde dalen, een rekening die in Frankrijk alleen al in het jaar 1988 bijna vier miljard frank bedroeg.
Het aanvalsplan van de betonbonzen bestond uit verschillende fasen. Reeds in 1988 zeurde hun Europese federatie, de FIEC (Internationaal Europees Verbond van het Bouwbedrijf), bij de Europese Gemeenschap om een wijziging van de huidige waarborgregeling, die zij $buitensporig lang en economisch niet te dragen' achtte.
Relaties ter plekke
De Commissie te Brussel ging gretig in op dat gezeur. In 1990 belastte zij maar liefst 48 deskundigen met de opdracht, tegen het volgende jaar een Europese richtlijn voor te bereiden, die $de aansprakelijkheden en de waarborg na verkoop van woningen moest uniformiseren'.
De meeste van die deskundigen waren bouwondernemingen, en het was hun federatie, de FIEC, die met de cooerdinatie van de werkzaamheden en de opstelling van het ontwerp werd belast.
De grote betonfamilie heeft relaties ter plekke. Zo is Renato Caronna, de hoge ambtenaar die te Brussel het dossier moet volgen, voormalig werknemer van de Italiaanse vereniging van aannemers van openbare werken. Het kon dan ook niet missen: hij droeg de FIEC op, toe te zien op de studies van de 48 deskundigen.
Deze vriendjespolitiek leidde tot tandengeknars, met name bij de bestuurders van een federatie die de HLM-verenigingen op Europees vlak groepeert (de Cecodhas), waarvan Roger Quilliot, PS-burgemeester van Clermont-Ferrand, voorzitter is. Laatstgenoemde zag zijn beperkte financiële middelen voor sociale woningen niet graag verdwijnen in de door het geknoei van anderen gegraven put.
Eind oktober schreef Quillot Jacques Delors, dat de vertegenwoordigers van zijn federatie de deur in Brussel achter zich dicht sloegen, daar toch niemand naar hen luisterde. Is ook het werk van de Commissie niets anders dan geknoei?"
3 Eveneens op 11 december 1991 nodigden drie Europese verenigingen - de Cecodhas, het Europees Bureau van Consumentenverenigingen (BEUC) en het Comité van gezinsorganisaties in de Europese Gemeenschappen (Coface) - de pers uit voor een persconferentie op 16 december 1991, tijdens welke zij de door de Commissie bij de voorbereiding van het ontwerp-richtlijn gevolgde procedure zouden laken.
4 Als reactie op deze twee evenementen zond directeur-generaal Perissich van DG III op 13 december 1991 een nota aan de woordvoerder van de Commissie, de heer Dethomas, waarin hij deze verzocht, dringend tussenbeide te komen "ter verdediging van de werkzaamheden van de Commissie en de integriteit van de betrokken ambtenaar". Bij die nota was een ontwerp van een perscommuniqué gevoegd. Kopieën van deze nota werden onder meer naar het kabinet van de voorzitter van de Commissie, naar het kabinet van vice-voorzitter M. Bangemann, onder wiens bevoegdheid DG III valt, alsmede naar de secretaris-generaal van de Commissie gezonden.
5 De heer Dethomas was aanwezig op de door de drie Europese verenigingen georganiseerde persconferentie van 16 december 1991, tijdens welke hij de werkzaamheden van de Commissie toelichtte. Vaststaat evenwel, dat hij verzoeker niet met naam en toenaam publiekelijk heeft verdedigd.
6 Op dezelfde dag nodigde de Commissie de pers uit voor een persconferentie, tijdens welke een perscommuniqué werd verspreid, waarin weliswaar de kritiek op verzoeker werd beantwoord, doch waarin hij niet met naam werd genoemd. De betrokken passage van het perscommuniqué luidt als volgt: "In september 1991 besloot de Cecodhas haar deskundigen uit de vier werkgroepen terug te trekken, hetgeen de werkzaamheden niet heeft gestoord, gezien het gebrek aan medewerking van die deskundigen (...) Op uitdrukkelijk verzoek van de Europese verenigingen, en niet - zoals sommigen stellen - ten gevolge van een suggestie van de Europese Commissie, is het Internationale Europees Verbond van het Bouwbedrijf (FIEC) met de cooerdinatie van de werkzaamheden van de vier werkgroepen belast. Op basis van de reflectie die deze werkzaamheden opleveren, zullen de diensten van de Commissie reeds in de eerste maanden van 1992 een voorontwerp van richtlijn kunnen opstellen, over welk voorontwerp als gebruikelijk de betrokken kringen, met inbegrip van de consumenten, en de Lid-Staten, zullen worden gehoord, alvorens het aan de Commissie ter goedkeuring wordt voorgelegd."
7 Op een vraag van het Gerecht naar de weerklank van de persconferentie van de Commissie in de media, antwoordde de Commissie, dat zij, aangezien de feiten van lang geleden dateren, niet bij machte was een spoor van de persconferentie terug te vinden. Verzoeker daarentegen legde een uittreksel uit het Bulletin européen du Moniteur nr. 74 van 23 december 1991 over, een publikatie die voor de professionelen van de bouwsector is bestemd, waarin het gewraakte persartikel wordt vermeld zonder dat hij met naam wordt genoemd en waarin de volledige tekst van het perscommuniqué van de Commissie is overgenomen.
8 Op 20 december 1991 zond de heer Perissich een door verzoeker voorbereide nota aan de directeur-generaal Personeelszaken en administratie, de heer De Koster, met kopie aan de heer Dewost, directeur-generaal van de Juridische dienst. In die nota herinnerde hij aan het artikel in Le Canard enchaîné, de persconferentie van de drie bovengenoemde Europese verenigingen, zijn eigen nota aan de heer Dethomas en het perscommuniqué van de Commissie van 16 december 1991, en voegde daar het volgende aan toe: "Blijft het probleem van de schending van de goede naam van mijn ambtenaar, die overeenkomstig artikel 17 van het Statuut tot de meest strikte geheimhouding verplicht is en zich dus niet zelf kan verdedigen. Ik verzoek u dan ook onverwijld de beginselen toe te passen die de Gemeenschappen ingevolge artikel 24 van het Statuut moeten naleven en mij mee te delen, welke maatregelen de Commissie in de onderhavige zaak zal treffen en welke procedures zij zal voeren om de eer en de integriteit van mijn ambtenaar te verdedigen. Ik wens niet, dat mijn ambtenaar in deze test-case bij gebreke van reactie van de Commissie een formeel verzoek om hulp en bijstand in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut indient."
9 Toen de Commissie niet reageerde op de nota van 20 december 1991, ondernam verzoeker verscheidene informele stappen om bijstand van de Commissie te verkrijgen. In dat verband werd hem op 24 januari 1992 door DG IX (algemene directie Personeelszaken en administratie) meegedeeld, dat hij overeenkomstig artikel 24 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") zelf een formeel verzoek om hulp en bijstand moest indienen.
10 Op 28 januari 1992 diende verzoeker dat verzoek in, dat op verzoek van het Gerecht door partijen aan het dossier is toegevoegd. Toen hij van de Commissie niets vernam, telefoneerde hij op 13 februari 1992 naar DG IX, waar men hem meedeelde, dat zijn verzoek "zeer binnenkort" zou worden behandeld.
11 Op 21 februari 1992 zond verzoeker via de hiërarchieke weg een nota aan het tot aanstelling bevoegd gezag, waarin hij de feiten, en met name de interventies van zijn directeur-generaal, de heer Perissich, in herinnering bracht en stelde, dat de Commissie ingevolge de krachtens artikel 24 van het Statuut op haar rustende bijstandsplicht zelfs ambtshalve de auteur van het litigieuze persartikel diende te vervolgen, omdat dat artikel smadelijk was en hem ernstige professionele schade had toegebracht. Hij wees erop, dat artikel 17 van het Statuut hem belette, zich zelf te verdedigen, en verzocht het tot aanstelling bevoegd gezag opnieuw hem mee te delen, welke stappen het had ondernomen tegen de auteur van het litigieuze artikel en het blad waarin het was verschenen. Bovendien verzocht hij de Commissie overeenkomstig artikel 24, tweede alinea, van het Statuut te preciseren, welke maatregelen de Gemeenschappen hadden getroffen om gezamenlijk met de auteur van het gewraakte artikel en het betrokken blad de door hem geleden schade te vergoeden. Verzoeker kondigde aan dat hij, zo hij die preciseringen niet uiterlijk op 1 maart 1992 had ontvangen, een klacht zou indienen tegen de Commissie, op grond dat deze niet tijdig de nodige maatregelen had getroffen om zijn belangen te verdedigen en de door hem geleden schade te vergoeden.
12 Bij nota van 11 maart 1992 deelde de heer De Koster verzoeker mee, dat hij na administratief onderzoek door zijn diensten en gunstig advies van de juridische dienst, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag had besloten, hem de gevraagde bijstand te verlenen, en wel in de vorm van een brief aan Le Canard enchaîné "waarin werd gewezen op de acties die de Commissie ter zake van de aansprakelijkheid in de bouwsector had ondernomen en waarin de aantijgingen aan uw adres formeel worden ontkend".
13 Eveneens op 11 maart 1992 richtte de heer De Koster namens de Commissie een brief aan de hoofdredacteur van Le Canard enchaîné met het verzoek deze als recht op weerwoord in het eerstvolgende nummer van het blad te publiceren, zulks teneinde verzoekers eer en integriteit te herstellen. In die brief stond, dat waar verzoeker wegens zijn beroepsbezigheden vóór zijn indiensttreding bij de Commissie in het litigieuze artikel van partijdigheid was beschuldigd, in die zin dat hij de aannemers van openbare werken zou hebben bevoordeeld ten nadele van de consumenten, een administratief onderzoek van de diensten van de Commissie tot de conclusie had geleid, dat op zijn integriteit niets aan te merken viel. Voorts merkte De Koster op, dat in het algemeen gezien het gewraakte artikel niet met de werkelijkheid strookte, en wees hij erop, dat de pers reeds op 16 december 1991 was ingelicht over de wijze waarop het betrokken dossier in werkelijkheid was behandeld. Meer in het bijzonder met betrekking tot verzoeker merkte De Koster op, dat "anders dan u schrijft, niet de betrokkene namens de Commissie, doch wel degelijk de bevoegde Europese verenigingen hadden gevraagd dat de Fédération de l'industrie européenne de la construction (FIEC) zou worden belast met de cooerdinatie van de werkzaamheden van de werkgroepen die de gegevens moesten verzamelen op basis waarvan het betrokken voorstel voor een richtlijn zou worden opgesteld".
14 Ondanks de vermelding "kopie: (...) R. Caronna" onderaan de bladzijde, werd verzoeker toentertijd geen kopie gezonden; een en ander vernam hij pas drie maanden later (zie hierna, r.o. 17).
15 Le Canard enchaîné publiceerde de brief niet. De Commissie deed verder niets.
16 Op 1 april 1992 diende verzoeker een klacht in op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut, ingeschreven door het secretariaat-generaal van de Commissie op 2 april daaraanvolgend, "tegen het besluit van de Commissie (...) haar bijstand te beperken tot het sturen van een brief naar Le Canard enchaîné, waarin alleen maar de in dat blad gepubliceerde beschuldigingen werden ontkend". Verzoeker stelde onder meer, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, ofschoon tijdig op de hoogte gebracht van het lasterlijk karakter van het litigieuze artikel, niets heeft gedaan om verzoeker in zijn eer te herstellen en van het gewraakte blad vergoeding te verkrijgen voor de schade die haar ambtenaar had geleden. Wat de brief van de Commissie aan Le Canard enchaîné betreft, wees hij erop, dat het verzoek een recht op weerwoord te publiceren, drie maanden na de publikatie van het litigieuze artikel, de schade alleen maar vergrootte. Immers, de eerbiediging van het recht van verweer noopt een blad ertoe, een antwoord op publikaties waarin iemand rechtstreeks wordt geviseerd, te publiceren. Het recht op weerwoord heeft dus enkel zin, wanneer er gebruik van wordt gemaakt in de dagen volgend op de publikatie van het gewraakte artikel. Indien het betrokken blad een tardief antwoord alsnog aanvaardt te publiceren, mag het niet nalaten op te merken, dat de reactie van de Commissie rijkelijk laat kwam en dat de Commissie tot die reactie gedwongen werd. Le Canard enchaîné zou de kans niet laten liggen, daaruit de logische consequenties te trekken. De tardieve publikatie van een weerwoord kon verzoekers schade dus alleen maar vergroten, en de houding van de Commissie heeft die schade onherstelbaar gemaakt. Verzoeker leidde daaruit af, dat de mogelijkheid van publiek eerherstel niet had bestaan en ook niet meer bestond, en dat dit toe te schrijven was aan het stilzitten van het tot aanstelling bevoegd gezag, dat ingevolge artikel 24 van het Statuut nochtans verplicht was, ambtshalve op te treden om hem bij te staan en de uiterst zware morele schade te vergoeden, die zowel het gevolg was van de publikatie van het lasterlijk artikel, als van haar eigen stilzitten. Maatregelen zoals beschreven in de hem toegestuurde nota van 11 maart 1992 waren niet bij machte, hem publiekelijk eerherstel te verschaffen; derhalve vorderde verzoeker de intrekking van het bestreden besluit en de vervanging ervan door een besluit dat in overeenstemming zou zijn met de krachtens artikel 24 van het Statuut op de Commissie rustende verplichtingen. De klacht eindigt met de volgende zin: "Voorts eist hij van de Commissie een schadevergoeding van 100 000 ECU."
17 Verzoekers klacht werd onderzocht tijdens de vergadering van een interne groep op 17 juni 1992. Bij die gelegenheid ontving verzoeker kopie van de brief die De Koster op 11 maart 1992 aan de hoofdredacteur van Le Canard enchaîné had gezonden.
18 Op 18 juni 1992 schreef verzoekers advocaat de Commissie een brief, waarin hij onder meer bekritiseerde, dat de naar Le Canard enchaîné gezonden brief niet op voorhand was meegedeeld aan verzoeker, die er pas op 17 juni 1992 kennis van had gekregen. Deze nieuwe procedurefout maakte het verzoeker volstrekt onmogelijk zelf zijn belangen naar behoren te verdedigen. Hij voegde daaraan toe, dat de publikatie van een antwoord meer dan zes maanden na de publikatie van het lasterlijk artikel de reeds geleden schade enkel nog kon vergroten en verzocht de Commissie bijgevolg in te gaan op zijn klacht, door maatregelen te treffen die verzoeker publiekelijk in zijn eer herstelden.
19 Ofschoon verzoeker op 16 juli 1992 een herinneringsnota zond, beantwoordde de Commissie de klacht niet, zodat deze op 2 augustus 1992 stilzwijgend was afgewezen.
20 In deze omstandigheden heeft verzoeker bij een op 20 augustus 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
21 De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad. Bij beschikking van 18 februari 1993 heeft de president van de Vierde kamer van het Gerecht de Union syndicale-Brussel toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verzoeker, zulks ingevolge het op 8 december 1992 ter griffie ingeschreven verzoek daartoe van laatstgenoemde. Na de neerlegging van de schriftelijke opmerkingen van interveniënte is de schriftelijke procedure gesloten. Het Gerecht (Vierde kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het Gerecht heeft partijen evenwel vragen gesteld.
Conclusies van partijen
22 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
- vast te stellen dat de Commissie haar zorgplicht heeft verzuimd door niet tijdig de passende maatregelen te nemen om verzoeker publiekelijk in zijn eer en waardigheid te herstellen, en verplicht is de schade te vergoeden die verzoeker heeft geleden door de publikatie van het artikel in Le Canard enchaîné;
- de Commissie te veroordelen om verzoeker als morele schadevergoeding het bedrag van 100 000 ECU te betalen;
- De Commissie in de kosten te verwijzen.
23 Interveniënte concludeert dat het het Gerecht behage:
de conclusies van verzoeker toe te wijzen en de Commissie in de kosten te verwijzen, daaronder begrepen die van interveniënte.
24 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren;
- kosten rechtens.
25 Het Gerecht stelt om te beginnen vast, dat verzoeker vergoeding van twee verschillende soorten schade vordert, namelijk enerzijds van de aanvankelijke schade veroorzaakt door de publikatie van het betrokken persartikel in Le Canard enchaîné, en anderzijds van de schade die daarna is ontstaan ten gevolge van het feit, dat de Commissie haar bijstandsplicht niet is nagekomen. Bijgevolg moeten in de eerste plaats de conclusies worden onderzocht, strekkende tot veroordeling van de Commissie tot gezamenlijke vergoeding, overeenkomstig artikel 24, tweede alinea, van het Statuut, van de aanvankelijke schade die de publikatie van het gewraakte persartikel verzoeker heeft berokkend.
De conclusies strekkende tot veroordeling van de Commissie tot gezamenlijke vergoeding, overeenkomstig artikel 24, tweede alinea, van het Statuut, van de aanvankelijke schade die de publikatie van het gewraakte persartikel verzoeker heeft berokkend
Argumenten van partijen
26 Verzoeker wijst erop, dat artikel 24, tweede alinea, van het Statuut de Gemeenschappen verplicht, gezamenlijk de schade te vergoeden die hun ambtenaren hebben geleden. Hij leidt daaruit af, dat hij van de Commissie vergoeding mag eisen van de schade die de publikatie van het betrokken artikel in Le Canard enchaîné van 11 december 1991 hem heeft berokkend. Ofschoon de Commissie reeds op 13 december 1991 op de hoogte was van het lasterlijk karakter van het litigieuze artikel, heeft zij niets gedaan om van het gewraakte blad vergoeding te krijgen van de aan haar ambtenaar berokkende schade. Zoals verzoekers directeur-generaal in zijn nota van 20 december 1991 beklemtoonde, was verzoeker ingevolge artikel 17 van het Statuut verplicht tot de meest strikte geheimhouding met betrekking tot alle feitelijke gegevens en inlichtingen die hem in de uitoefening van zijn functie ter kennis waren gekomen, hetgeen hem volstrekt belette, zich zelf tegen de auteur van het litigieuze artikel te verdedigen.
27 Met betrekking tot de omvang van de schade die de publikatie van het artikel hem heeft berokkend, stelt verzoeker in repliek, dat hij gezien de tijd die intussen is verlopen, de auteur enkel nog ertoe kan dwingen "hem publiekelijk in zijn eer (...) te herstellen door middel van betaling van een symbolische schadevergoeding". Anders gezegd, "hij heeft dus afgezien van een vordering die zonder voorwerp was geraakt en zijn vordering beperkt tot het eisen van vergoeding van de schade die het gevolg was van de weigering van de Commissie om tijdig maatregelen te treffen om hem publiekelijk in zijn eer en waardigheid te herstellen".
28 In dit verband wijst interveniënte erop, dat de op de ambtenaren rustende geheimhoudingsplicht verzoeker belette, zelf op te treden tegen degenen die aansprakelijk waren voor de door de publikatie van het gewraakte artikel veroorzaakte schade.
29 In haar verweerschrift stelt de Commissie, dat de in artikel 24, tweede alinea, van het Statuut bedoelde aansprakelijkheid slechts geldt, indien het personeelslid in rechte is opgetreden, doch van de derde aansprakelijke geen schadevergoeding heeft kunnen verkrijgen. Verzoeker heeft echter geen burgerlijke noch strafrechtelijke actie in rechte ondernomen, zodat zijn vordering tot schadevergoeding niet voldoet aan de in voormeld artikel gestelde eisen. Verzoeker stelt ten onrechte, dat hij recht op schadevergoeding heeft, ook al is hij niet in rechte opgetreden tegen de verantwoordelijken voor het persartikel, omdat de op hem rustende geheimhoudingsplicht hem zou hebben belet zelf stappen te ondernemen.
30 In dupliek betoogt de Commissie, dat verzoekers conclusies op basis van artikel 24, tweede alinea, van het Statuut, niet-ontvankelijk zijn, op grond dat verzoeker niet eerst heeft gepoogd van de verantwoordelijken voor het gewraakte persartikel vergoeding te krijgen voor de schade die hij stelt te hebben geleden. Subsidiair voert zij aan, dat verzoeker niet middels een beslissing van de enige ter zake bevoegde rechterlijke instanties, namelijk de Franse rechtbanken, het bestaan van fout of laster heeft aangetoond. Voorts waren ook alleen de Franse rechtbanken bij machte, de schade alsmede het oorzakelijk verband tussen de schade en de fout vast te stellen en dienovereenkomstig het bedrag van de schadevergoeding te bepalen.
Beoordeling door het Gerecht
31 Het Gerecht wijst erop, dat volgens de bewoordingen van artikel 24, tweede alinea, van het Statuut een beroep tot schadevergoeding waarbij een beroep wordt gedaan op de in dat artikel voorziene gezamenlijke aansprakelijkheid, slechts ontvankelijk is, indien, onder meer, de benadeelde ambtenaar niet tevoren schadevergoeding heeft kunnen verkrijgen van de persoon die de schade heeft veroorzaakt. Eerst moet dus worden onderzocht, of dit vereiste een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het beroep is, dan wel of het in het kader van het onderzoek van de gegrondheid moet worden getoetst.
32 Inzake niet-contractuele aansprakelijkheid is het vaste rechtspraak van het Hof, dat het beroep tot schadevergoeding, bedoeld in de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, in bepaalde gevallen afhankelijk kan zijn van de vraag, of de nationale rechtsmiddelen waarmee nietigverklaring van het besluit van de nationale instanties kan worden verkregen, uitgeput zijn. Daarbij is echter ook van belang, of die nationale rechtsmiddelen de bescherming van de betrokken particulieren doeltreffend waarborgen, doordat zij tot vergoeding van de gestelde schade kunnen leiden (zie, bij voorbeeld, arresten van 26 februari 1986, zaak 175/84, Krohn, Jurispr. 1986, blz. 753, r.o. 27, en 29 september 1987, zaak 81/86, De Boer Buizen, Jurispr. 1987, blz. 3677, r.o. 9).
33 Het Gerecht is van mening, dat zo het Hof de uitputting van de nationale beroepswegen als een impliciete voorwaarde voor de ontvankelijkheid van een beroep tot schadevergoeding beschouwt, wanneer dit beroep de aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor schade veroorzaakt door haar eigen instellingen of door haar personeelsleden betreft, deze redenering ook, en a fortiori, opgaat met betrekking tot de situatie bedoeld in artikel 24, tweede alinea, van het Statuut, waarin het niet gaat om vergoeding door de Gemeenschap van door haar zelf veroorzaakte schade, maar waarin de Gemeenschap uit hoofde van de op haar rustende algemene bijstandsplicht enkel solidair en subsidiair de schade dient te vergoeden die een derde haar ambtenaar heeft berokkend.
34 In casu stelt de Commissie in haar verweerschrift, dat verzoeker niet heeft voldaan aan het vereiste van artikel 24, tweede alinea, van het Statuut. Zo gepresenteerd, is dit middel ontvankelijk, waarbij de juridische kwalificatie van exceptie van niet-ontvankelijkheid, die de Commissie in haar dupliek aan dit middel heeft gegeven, slechts een bijkomend argument is.
35 Met betrekking tot het in voormelde rechtspraak van het Hof gestelde criterium, dat de nationale beroepswegen de bescherming van de betrokken particulieren daadwerkelijk moeten garanderen, in die zin dat zij tot vergoeding van de gestelde schade moeten kunnen leiden, is het Gerecht van mening, dat bij toepassing van artikel 24, tweede alinea, van het Statuut, dat de Gemeenschap slechts een solidaire en subsidiaire verplichting tot schadevergoeding oplegt, de ambtenaar die stelt benadeeld te zijn op zijn minst aanwijzingen moet verschaffen waaruit blijkt, dat de doeltreffendheid van de door de nationale beroepswegen gegarandeerde bescherming zeer te betwijfelen valt.
36 In het onderhavige geval heeft verzoeker nooit gepoogd, de auteur van het gewraakte artikel of Le Canard enchaîné zelf aan te spreken om, in voorkomend geval voor de Franse rechtbanken, schadevergoeding te verkrijgen. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt, dat zijn passiviteit op dat punt was ingegeven door de omstandigheid dat het volgens de relevante bepalingen van Frans recht onmogelijk of uiterst moeilijk was, de verantwoordelijken voor het betrokken persartikel te doen veroordelen tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden.
37 In verband met verzoekers stelling, dat hij niet tegen de verantwoordelijken voor het persartikel is opgetreden omdat de krachtens artikel 17 van het Statuut op hem rustende geheimhoudingsplicht hem dat belette, is het Gerecht van oordeel, dat dit artikel verzoeker in casu geen grotere discretie oplegde dan die welke de Commissie zelf in acht nam. De Commissie nu heeft zich op 16 december 1991 verdedigd, door publiekelijk te verklaren dat het de Europese verenigingen waren, en niet zij zelf, die de FIEC als cooerdinator van de werkzaamheden van de groepen van deskundigen hadden gewenst. Naar die verklaringen had verzoeker kunnen verwijzen in het kader van de actie die hij ingevolge artikel 24, tweede alinea, van het Statuut tevoren had moeten voeren tegen hen die hem de schade hebben berokkend die hij stelt te hebben geleden. Op zijn minst had hij het elementaire initiatief moeten nemen - en in het systeem van artikel 24, tweede alinea, van het Statuut diende hij, en niet de administratie, dat te doen - tot een discussie met de administratie over de draagwijdte van zijn geheimhoudingsplicht, dit tegen de achtergrond van een eventueel beroep tot schadevergoeding.
38 Daaruit volgt, dat de op artikel 24, tweede alinea, van het Statuut gebaseerde conclusies strekkende tot veroordeling van de Commissie tot betaling van schadevergoeding niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, zonder dat behoeft te worden onderzocht, of het bedrag van de gevorderde schadevergoeding voldoende nauwkeurig is gepreciseerd in de zin van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering, noch of de precontentieuze procedure op dit punt een normaal verloop heeft gehad.
De conclusies strekkende tot veroordeling van de Commissie tot vergoeding van de schade die zij beweerdelijk heeft berokkend, doordat zij de krachtens artikel 24, tweede alinea, van het Statuut op haar rustende bijstandsplicht zou hebben geschonden
De ontvankelijkheid
Het voorwerp van de verschillende onderdelen van de conclusies
39 Er zij aan herinnerd, dat het onderhavige beroep niet alleen conclusies strekkende tot eigenlijke schadevergoeding bevat, namelijk die waarin de veroordeling van de Commissie tot betaling van een bedrag van 100 000 ECU als morele schadevergoeding wordt gevorderd, maar ook conclusies strekkende tot vaststelling dat de Commissie haar bijstandsplicht niet is nagekomen en dat zij gehouden is de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden.
40 Wat in de eerste plaats de conclusies betreft strekkende tot vaststelling dat de Commissie haar bijstandsplicht niet is nagekomen, oordeelde het Gerecht in zijn arrest van 8 november 1990 (zaak T-73/89, Barbi, Jurispr. 1990, blz. II-619, r.o. 21), waarin het naar de rechtspraak van het Hof verwees (arresten van 8 juli 1965, zaak 68/63, Luhleich, Jurispr. 1965, blz. 755, en 12 juli 1973, gevoegde zaken 10/72 en 47/72, Di Pillo, Jurispr. 1973, blz. 763), dat dergelijke conclusies in het kader van een beroep tot schadevergoeding kunnen worden geformuleerd, ten aanzien van welk beroep het Gerecht ingevolge artikel 91, lid 1, tweede zin, van het Statuut volledige rechtsmacht heeft. Deze rechtspraak is overigens bevestigd in de arresten van het Gerecht van 27 juni 1991 (zaak T-156/89, Valverde Mordt, Jurispr. 1991, blz. II-407, r.o. 141), en 8 oktober 1992 (zaak T-84/91, Meskens, Jurispr. 1992, blz. II-2335, r.o. 30), waarin in het kader van een beroep tot schadevergoeding conclusies strekkende tot vaststelling van een dienstfout ontvankelijk werden verklaard.
41 Voor zover verzoeker vervolgens het Gerecht verzoekt vast te stellen, dat de Commissie gehouden is tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden, zij opgemerkt, dat het Hof ook dergelijke conclusies ontvankelijk heeft verklaard, inzonderheid in zaken waarin de omvang van de schade slechts in een later stadium is gepreciseerd. Zo oordeelde het Hof in het arrest van 28 maart 1979 (zaak 90/78, Granaria, Jurispr. 1979, Jurispr. 1979, blz. 1081, r.o. 6), dat wanneer een schadevergoedingsactie krachtens artikel 178 EEG-Verdrag aanhangig is gemaakt, overwegingen van proceseconomie het Hof soms aanleiding hebben gegeven, in een eerste stadium van de procedure te beslissen over de vraag of het gedrag van de verwerende instelling tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap kon leiden.
42 Bijgevolg moeten de verschillende onderdelen van de conclusies van het beroep, wat hun respectieve voorwerp betreft, alle ontvankelijk worden verklaard.
De door de Commissie opgeworpen middelen van niet-ontvankelijkheid
43 De Commissie werpt weliswaar geen formele exceptie van niet-ontvankelijkheid in de zin van artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering op, doch in haar verweerschrift voert zij wel drie middelen van niet-ontvankelijkheid aan, te weten het verschil tussen het voorwerp van het oorspronkelijke verzoek om bijstand en dat van de latere klacht en het beroep, het ontbreken van een bezwarend besluit en de onnauwkeurige en onbepaalbare aard van het voorwerp van de klacht en het beroep.
Het verschil tussen het voorwerp van het oorspronkelijke verzoek om bijstand en dat van de latere klacht en het beroep
- Argumenten van partijen
44 De Commissie betoogt, dat het voorwerp van het oorspronkelijke verzoek om bijstand radicaal verschilt van dat van de latere klacht en het beroep. Met het onderhavige beroep beoogt verzoeker alleen schadevergoeding te verkrijgen, terwijl van deze vordering in het oorspronkelijke verzoek niet eens melding was gemaakt. Daaromtrent was dus geen verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut ingediend, zodat het beroep niet-ontvankelijk is (arrest Gerecht van 25 september 1991, zaak T-5/90, Marcato, Jurispr. 1991, blz. II-731). Voorts heeft ook de wijziging van het voorwerp van het verzoek in de loop van de administratieve procedure de niet-ontvankelijkheid van het beroep tot gevolg. Die wijziging vervalste immers het goede verloop van de precontentieuze fase, die juist een minnelijke schikking beoogt, hetgeen vergt dat de klacht en het oorspronkelijke verzoek hetzelfde voorwerp hebben.
45 Zij voegt daaraan toe, dat het feit dat het verzoek om bijstand van 28 januari 1992 in voorkomend geval zonder voorwerp is geraakt, irrelevant is. Verzoeker werd daardoor immers in het geheel niet belet, de procedure ab initio over te doen en, alvorens zijn beroep tot schadevergoeding in te stellen, het in artikel 90 van het Statuut bedoelde verzoek in te dienen.
46 Verzoeker herhaalt, dat hij bij gebreke van doeltreffend optreden van de Commissie alleen maar kon constateren, dat hij gezien de intussen verstreken tijd de persoon die de inbreuk had begaan niet meer kon dwingen, hem publiekelijk in zijn eer te herstellen. Bijgevolg was het een logische en terechte reactie zijnerzijds, af te zien van een intussen zonder voorwerp geraakt beroep tot nietigverklaring en alleen maar vergoeding te vorderen van de schade die het gevolg was van de weigering van de Commissie om tijdig alle maatregelen te treffen die hem publiekelijk in zijn eer konden herstellen. Aangezien de Commissie niet onmiddellijk was opgetreden om hem te verdedigen, kon de schade enkel nog door betaling van schadevergoeding worden hersteld.
47 Interveniënte betoogt, dat de wijziging van het voorwerp van het verzoek om bijstand in de precontentieuze procedure het goede verloop van die procedure onmogelijk kon vervalsen. Er restte verzoeker immers geen andere keuze dan een klacht in te dienen tegen het besluit van 11 maart 1992, waarbij hij niet publiekelijk in zijn eer was hersteld. In verband met de omstandigheid dat de precontentieuze procedure een minnelijke schikking beoogt, merkt zij op, dat de Commissie perfect op de hoogte was van het doel dat verzoeker nastreefde. Bovendien kan van de Commissie niet worden gezegd, dat zij heeft gepoogd in de onderhavige zaak een minnelijke schikking tot stand te brengen, nu zij de nota van de heer Perissich onbeantwoord heeft gelaten, meer dan anderhalve maand heeft laten verstrijken alvorens het door verzoeker ingediende verzoek om bijstand te beantwoorden en zijn klacht niet heeft beantwoord.
48 Voorts merkt interveniënte op, dat het verzoek om bijstand van 28 januari 1992 weliswaar niet op het verkrijgen van schadevergoeding was gericht, doch dat de Commissie in de aanvullende nota van 21 februari daaraanvolgend uitdrukkelijk werd verzocht, mee te delen welke maatregelen zij zou treffen om, gezamenlijk met de auteur van het gewraakte artikel en het betrokken blad, verzoekers schade te vergoeden. In die nota preciseerde verzoeker bovendien, dat hij in voorkomend geval klacht tegen de Commissie zou indienen, mocht deze niet tijdig maatregelen treffen om zijn belangen te verdedigen en om vergoeding van de door hem geleden schade te verkrijgen. Zij concludeert daaruit, dat niet kan worden staande gehouden, dat verzoeker vóór de inleiding van de precontentieuze procedure nooit om vergoeding had verzocht van de schade die de publikatie van het gewraakte artikel hem had berokkend.
- Beoordeling door het Gerecht
49 Om te beginnen moet worden onderzocht, of verzoeker in de loop van de administratieve procedure het voorwerp van zijn aanspraken heeft gewijzigd. In zijn verzoek van 28 januari 1992 verzocht hij de Commissie enkel om bijstand in de zin van artikel 24 van het Statuut, met het oog op de verdediging van zijn eer en integriteit. In zijn nota van 21 februari 1992 herhaalde hij dit eerste verzoek. Hij verzocht de Commissie mee te delen, welke maatregelen zij had getroffen om, gezamenlijk met de auteur van het gewraakte artikel en het betrokken blad, de door hem geleden schade te vergoeden en kondigde aan, dat hij, zo die preciseringen uitbleven, tegen de Commissie klacht zou indienen wegens niet-handelen, teneinde schadevergoeding te verkrijgen. Dit betekent, dat verzoeker vóór het besluit van 11 maart 1992 geen verzoek tot vergoeding van door een eventueel niet-handelen van het tot aanstelling bevoegd gezag veroorzaakte schade heeft ingediend. In zijn nota van 21 februari 1992 had hij die stap wel aangekondigd, doch niet gezet.
50 Het voorwerp van zijn klacht van 1 april 1992 verschilt dus in die zin van dat van zijn oorspronkelijke verzoek, dat hij voor het eerst 100 000 ECU eiste als vergoeding van onder meer de schade die het gevolg was van het gestelde stilzitten van het tot aanstelling bevoegd gezag.
51 Bijgevolg dient te worden onderzocht, of dit het verloop van de precontentieuze procedure heeft aangetast. Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de door het Statuut voorgeschreven precontentieuze procedure in het geval waarin de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd wordt, is veroorzaakt door een bezwarend besluit, verschilt van die welke moet worden gevolgd indien de schade is veroorzaakt door een gedraging die geen besluit is. In het eerste geval is het beroep slechts ontvankelijk, indien de betrokkene bij het tot aanstelling bevoegd gezag een klacht heeft ingediend tegen de handeling die de schade heeft veroorzaakt en indien hij zijn beroep binnen de gestelde termijn heeft ingesteld. In het tweede geval bestaat de administratieve procedure die overeenkomstig de artikelen 90 en 91 van het Statuut verplicht vooraf gaat aan het beroep tot schadevergoeding, uit twee fases. Eerst moet de betrokkene bij het tot aanstelling bevoegd gezag een verzoek om schadevergoeding indienen, en vervolgens, na afwijzing daarvan, een klacht (beschikking Gerecht van 25 februari 1992, zaak T-64/91, Marcato, Jurispr. 1992, blz. II-243, r.o. 32 en 33, en arrest Meskens, reeds aangehaald, r.o. 33).
52 Derhalve moet worden nagegaan, of de betrokken schade is veroorzaakt door een gedraging van het tot aanstelling bevoegd gezag die geen besluit was, dan wel door een bezwarend besluit. Dit onderzoek valt samen met dat van het tweede middel van niet-ontvankelijkheid van de Commissie.
Het ontbreken van een bezwarend besluit
- Argumenten van partijen
53 De Commissie betoogt, dat zij met haar besluit van 11 maart 1992 is ingegaan op het door verzoeker geformuleerde verzoek om bijstand, en dat zij hem heeft meegedeeld, dat zij haar bijstand in de vorm van een brief aan Le Canard enchaîné zou verlenen. Dit besluit kon verzoeker dus onmogelijk benadelen, daar hij zelf zes weken tevoren om die maatregel had verzocht. Een klacht van verzoeker tegen dat besluit, dat hem gaf wat hij vroeg, was dus niet-ontvankelijk geweest. Zo verzoeker zich uiteindelijk in zijn klacht tegen de uitoefening van het recht op weerwoord heeft verzet, was dat niet wegens laattijdigheid, maar omdat de Commissie door haar persconferentie van 16 december 1991 de zaken had rechtgezet en elke polemiek had beëindigd. Verzoeker achtte het dus waarschijnlijk beter, geen aanleiding tot heropening van de polemiek te geven en rechtstreeks van de Commissie schadevergoeding te vorderen.
54 De Commissie voegt daaraan toe, dat de vrees voor heropening van de polemiek en vergroting van de schade even gerechtvaardigd is wanneer het recht op weerwoord binnen de veertien dagen na de publikatie van het lasterlijk artikel wordt uitgeoefend, dan wanneer dat enkele maanden later gebeurt. Ten slotte heeft het feit, dat een recht op weerwoord na drie maanden wordt ingestuurd (brief van 11 maart 1992) in plaats van na anderhalve maand (verzoek van 28 januari 1992) uiteraard geen bijzondere of andere schade tot gevolg.
55 Verzoeker repliceert, dat het bestreden besluit weliswaar tegemoet komt aan zijn verzoek, doch hem niettemin benadeelt, omdat de hem verleende bijstand ondoeltreffend is, ja zelfs de reeds aangerichte schade nog vergroot. Niet kan worden betwist, dat het betrokken blad zeker zou hebben opgemerkt, dat de Commissie haar ambtenaar pas drie maanden na de publikatie van het gewraakte artikel bijstand heeft verleend, en dan nog maar in de vorm van een verzoek om publikatie van een recht op weerwoord, dat gezien de intussen verstreken tijd zinloos was geworden. Het bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut was dus het besluit van de Commissie waarbij zij haar bijstand had beperkt tot het verzenden, drie maanden na de publikatie van het lasterlijk artikel, van een verzoek om publikatie van een recht op weerwoord.
56 Interveniënte betoogt, dat het besluit van 11 maart 1992 wordt bestreden, omdat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn bijstand heeft beperkt tot het zenden van een gewone brief aan Le Canard enchaîné, dus omdat de getroffen maatregelen niet doeltreffend waren. Het zenden van een verzoek om publikatie van een recht op weerwoord alleen volstond niet om verzoeker in zijn rechten te herstellen. Het tot aanstelling bevoegd gezag had immers moeten weten, dat Le Canard enchaîné geen gevolg zou geven aan dat verzoek, dat juist drie maanden na de publikatie van het gewraakte artikel is gedaan.
- Beoordeling door het Gerecht
57 Volgens vaste rechtspraak is een besluit slechts bezwarend, indien het de rechtspositie van een ambtenaar rechtstreeks ongunstig kan beïnvloeden (zie, laatstelijk, arrest Gerecht van 8 juni 1993, zaak T-50/92, Fiorani, Jurispr. 1993, blz. II-555, r.o. 29).
58 Artikel 24 van het Statuut, dat de Gemeenschappen verplicht hun ambtenaren bijstand te verlenen, behoort tot titel II, betreffende de "rechten en verplichtingen van de ambtenaar". Daaruit volgt, dat wanneer de noodzakelijke feitelijke omstandigheden zich voordoen, de ambtenaar aan de bijstandsplicht een statutair recht ontleent. De bijstandsplicht brengt hem dus in een rechtspositie die ongunstig kan worden beïnvloed in de zin van voormelde rechtspraak. In casu hield het besluit waarmee het tot aanstelling bevoegd gezag op het verzoek van de betrokken ambtenaar heeft geantwoord, niet meer in, dan dat aan het betrokken blad een gewone brief werd gezonden, die overigens niet is gepubliceerd. Daaruit volgt, dat gelet op de beperkte actie van de Commissie ten opzichte van verzoekers aanspraken, van het besluit van 11 maart 1992 kan worden gezegd, dat het verzoekers rechtspositie ongunstig heeft beïnvloed.
59 Mocht blijken dat de Commissie de draagwijdte van haar bijstandsplicht heeft miskend, dan is het bestreden besluit een bezwarend besluit. Bijgevolg behoort de beoordeling van de vraag, of het om een bezwarend besluit gaat, tot de behandeling ten gronde. Welk antwoord op die vraag moet worden gegeven, moet hierna samen met de vragen ten gronde worden onderzocht (arrest Gerecht van 12 juli 1990, zaak T-108/89, Scheuer, Jurispr. 1990, blz. II-411, r.o. 25).
60 Daaruit volgt, dat de beoordeling van het tweede middel van niet-ontvankelijkheid, namelijk het onregelmatig verloop van de precontentieuze procedure, afhangt van de beoordeling ten gronde.
De onnauwkeurige en onbepaalbare aard van het voorwerp van de klacht en het beroep
- Argumenten van partijen
61 De Commissie betoogt, dat het verzoek om schadevergoeding in de klacht accessoir is bij de hoofdvordering, die ertoe strekt van de Commissie een besluit te verkrijgen dat in overeenstemming is met haar verplichtingen. Verzoeker heeft evenwel niet aangegeven, wat hij daaronder verstaat. Hij heeft de Commissie nooit precies meegedeeld, welke vorm van bijstand hij vroeg, en ook nu nog zegt hij niet, welke maatregelen hij verwacht. Het hoofdvoorwerp van zijn klacht is dus onbepaalbaar, met als gevolg dat het verzoek om schadevordering niet-ontvankelijk is en dat het goede verloop van de precontentieuze procedure gestoord is.
62 Verzoeker repliceert, dat de feiten en de omvang van de door hem in zijn klacht aangevoerde middelen tijdens voormelde vergadering van de interne groep gedurende meer dan anderhalf uur zijn besproken en dat de vertegenwoordiger van DG IX heeft gezegd, dat hij precies begreep wat verzoeker wilde en welke maatregelen daartoe noodzakelijk waren.
63 Interveniënte betoogt, dat de Commissie ingevolge artikel 24 van het Statuut verplicht is haar ambtenaren bij te staan, wanneer dezen het slachtoffer van smaad zijn. Gelet op die verplichting, diende verzoeker dus geen formeel verzoek om bijstand in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut in te dienen. Wegens de voorbeeldfunctie van deze zaak en de politieke implicaties ervan, had de Commissie ambtshalve alle maatregelen moeten nemen die zij het geschiktst achtte om haar ambtenaar publiekelijk in zijn eer te herstellen. De Commissie verwijt verzoeker dus ten onrechte, dat hij de aard van de door hem gevraagde maatregelen niet nauwkeuriger heeft omschreven. Interveniënte voegt daaraan toe, dat zo de Commissie de draagwijdte van de haar gevraagde bijstand niet had begrepen, zij gewoon om preciseringen had kunnen verzoeken. Bovendien heeft de Commissie verzoeker deze gestelde onnauwkeurigheid pas na de indiening van het onderhavige beroep verweten. Na de neerlegging van het verzoekschrift kon zij een dergelijke exceptie van niet-ontvankelijkheid echter niet meer opwerpen.
- Beoordeling door het Gerecht
64 Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat de administratie enerzijds onder toezicht van het Hof over een beoordelingsvrijheid beschikt ter zake van de keuze van de maatregelen en middelen om aan de verplichting van artikel 24 van het Statuut te voldoen (arrest van 14 februari 1990, zaak C-137/88, Schneemann, Jurispr. 1990, blz. I-369, r.o. 9), en anderzijds ingevolge dit artikel 24 alle nodige maatregelen moet treffen om de reputatie van een ambtenaar wiens beroepseer is geschonden, te herstellen (arrest van 18 oktober 1976, zaak 128/75, N., Jurispr. 1976, blz. 1567, r.o. 10).
65 Daaruit volgt, dat een ambtenaar die om bijstand van zijn administratie verzoekt, zich ertoe mag beperken, op de bijstandsplicht van artikel 24 van het Statuut te wijzen, zonder dat hij nadere preciseringen hoeft aan te brengen. Vervolgens staat het aan de administratie, ter zake de objectief noodzakelijke en passende maatregelen te treffen. Voorts heeft de Commissie zelf beklemtoond, dat het aan haar staat om te oordelen, hoe zij haar bijstandsplicht het beste nakomt.
66 Daaraan is toegevoegd, dat verzoeker in zijn klacht en in het verzoekschrift stelt, dat de Commissie hem niet publiekelijk in zijn eer en waardigheid heeft hersteld. Bijgevolg lijkt het voorwerp van de klacht en het verzoekschrift voldoende gepreciseerd.
67 Derhalve moet het derde middel van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen.
Ten gronde
68 Daar de conclusies van het beroep drie verschillende voorwerpen hebben, lijkt het het Gerecht passend, eerst de conclusies te onderzoeken die strekken tot vaststelling, dat de Commissie haar bijstandsplicht niet is nagekomen en daardoor een dienstfout heeft begaan.
De gegrondheid van de conclusies strekkende tot vaststelling van een dienstfout
Argumenten van partijen
69 Verzoeker verwijt de Commissie om te beginnen, dat zij de krachtens artikel 24, eerste alinea, van het Statuut op haar rustende bijstandsplicht niet is nagekomen. Hij herinnert aan wat na de publikatie van het gewraakte artikel in Le Canard enchaîné is gebeurd, en wijst erop, dat de Commissie, ofschoon zij reeds op 13 december 1993 door de heer Perissich op de hoogte was gebracht van het lasterlijk karakter van dat artikel, niets heeft gedaan, noch in de door de drie Europese verenigingen georganiseerde persconferentie, noch in haar eigen perscommuniqué, om hem publiekelijk in zijn eer te herstellen en daarbij zijn naam te vermelden, terwijl hij uitsluitend naar aanleiding van handelingen in het uitsluitend belang van de Commissie het slachtoffer van smaad was geworden. Hij erkent, dat de verwijzing in het gewraakte artikel naar zijn activiteiten in de Italiaanse vereniging van aannemers van openbare werken als zodanig niet lasterlijk is, doch wijst erop, dat zij niet met de werkelijkheid strookt en dat de toon van het artikel en de erin vervatte insinuaties ontegenzeglijk lasterlijk zijn.
70 Voorts merkt verzoeker op, dat de Commissie, anders dan zij stelt, tijdens de door haar georganiseerde persconferentie van 16 december 1991 niet ten volle achter haar ambtenaar is gaan staan. In het bijzonder heeft zij jegens de pers en de instellingen zelf niet alle dubbelzinnigheid weggenomen.
71 Met betrekking tot de als recht van weerwoord door de Commissie aan Le Canard enchaîné gestuurde brief van 11 maart 1992, stelt verzoeker, dat die reactie duidelijk te laat kwam. Het recht van weerwoord heeft immers enkel zin, wanneer het in de dagen volgend op de publikatie van het gewraakte artikel wordt uitgeoefend. Anders mag men er zeker van zijn, dat de auteur van het gewraakte artikel in zijn commentaar bij de gevraagde publikatie niet zal nalaten op de laattijdigheid ervan te wijzen, hetgeen het betrokken blad de gelegenheid biedt, de polemiek te heropenen. Overigens is in casu aan de brief waarin om publikatie van de rechtzetting werd gevraagd, geen gevolg verleend, en heeft de Commissie geen herinneringsbrief of schriftelijke ingebrekestelling gestuurd.
72 Bovendien wijst verzoeker erop, dat zijn directeur-generaal er in zijn nota van 20 december 1991 had aan herinnerd, dat hij ingevolge artikel 17 van het Statuut verplicht was tot de meest strikte geheimhouding met betrekking tot alle feitelijke gegevens en inlichtingen welke in de uitoefening van zijn functie te zijner kennis waren gekomen; daarom heeft de directeur-generaal de Commissie verzocht, eigener beweging artikel 24 van het Statuut toe te passen en verzoeker hulp en bijstand te verlenen.
73 Verzoeker voegt daaraan toe, dat de Commissie hem nooit van de krachtens artikel 17 van het Statuut op hem rustende geheimhoudingsplicht heeft ontslagen. Bijgevolg heeft hij zich nooit zelf tegen de auteur van het gewraakte artikel kunnen verdedigen. Het is juist, dat hij zich tot de strafrechter had kunnen wenden en/of een burgerlijke vordering had kunnen instellen, doch dat had geen zin, daar zijn directeur-generaal hem uitdrukkelijk op zijn geheimhoudingsplicht had gewezen.
74 Interveniënte betoogt, dat de Commissie krachtens artikel 24 van het Statuut gehouden is haar ambtenaren bij te staan, wanneer zij wegens hun hoedanigheid en functie het slachtoffer van smaad worden. Het gaat hierbij om een gebonden bevoegdheid, zodat de Commissie niet over een beoordelingsbevoegdheid beschikt ten aanzien van de vraag, of het opportuun is al dan niet deze bijstand te verlenen. In dit verband verwijst interveniënte naar de arresten van het Hof van 11 juli 1974 (zaak 53/72, Guillot, Jurispr. 1974, blz. 791, r.o. 3 en 4), en 12 juni 1986 (zaak 229/84, Sommerlatte, Jurispr. 1986, blz. 1805, r.o. 20), en leidt daaruit af, dat de Commissie in casu eigener beweging bijstand had moeten verlenen. De omstandigheden waren immers buitengewoon, daar de directeur-generaal het nodig had geacht, gezien de voorbeeldfunctie van het onderhavige geval, het tot aanstelling bevoegd gezag in naam van haar ambtenaar om bijstand te verzoeken. Onder die omstandigheden was verzoeker niet gehouden een formeel verzoek om bijstand in de zin van artikel 90 van het Statuut in te dienen.
75 Ten slotte sluit interveniënte zich aan bij verzoekers standpunt in verband met de krachtens artikel 17 van het Statuut op hem rustende geheimhoudingsplicht. Zo de Commissie van mening was dat verzoeker niet gebonden was door die plicht, dan had zij hem dat na ontvangst van de nota van zijn directeur-generaal van 20 december 1991 moeten zeggen.
76 De Commissie stelt om te beginnen, dat de vermelding in het gewraakte blad, dat verzoeker "een voormalig werknemer van de Italiaanse vereniging van aannemers van openbare werken is", met de waarheid strookt en als zodanig niet lasterlijk is.
77 Voorts betoogt zij, dat het volstrekt onjuist is dat zij op de aanval in het betrokken artikel niet passend heeft gereageerd. Tijdens de door haar op 16 december 1991, dus onmiddellijk na de publikatie van 1 december 1991, georganiseerde persconferentie heeft zij haar verantwoordelijkheid opgenomen en haar in opspraak gebrachte ambtenaar ten volle gesteund. Zowel ten aanzien van de pers als van de instellingen zelf was daarmee elke dubbelzinnigheid omtrent verzoeker uit de weg geruimd. Door de preciseringen die zij tijdens die persconferentie had verstrekt, had zij officieel en categoriek de lasterlijke aantijgingen van Le Canard enchaîné ontkend, volgens welke verzoeker zou hebben besloten "de FIEC [op te dragen], toe te zien op de studies van de 48 deskundigen". Dat de persconferentie doeltreffend was, blijkt uit het feit dat zij de polemiek heeft beëindigd. Dat betekent dus, dat de Commissie het lasterlijk artikel op passende wijze heeft beantwoord en dat zij dus haar bijstandsplicht is nagekomen.
78 De Commissie voegt daaraan toe, dat verzoeker wel slecht geplaatst is om haar passiviteit te verwijten, daar hij zelf niets heeft ondernomen tegen de auteur van het litigieuze artikel. Hij kan de Commissie des te minder immobilisme verwijten, nu hij zelf zijn verzoek om bijstand pas anderhalve maand na de feiten heeft ingediend, wat erop wijst, dat ook hij van mening was dat de persconferentie een voldoende reactie was, die de zaken had rechtgezet.
79 De Commissie betwist verzoekers stelling betreffende de omvang van de krachtens artikel 17 van het Statuut op hem rustende geheimhoudingsplicht. Deze plicht belette verzoeker immers niet, in rechte op te treden: krachtens artikel 35 van de ter zake toepasselijke Franse wet van 29 juli 1881 betreffende de persvrijheid staat het aan degene die de gewraakte woorden heeft geuit, de juistheid ervan aan te tonen. Een klacht had dus geen schending van verzoekers geheimhoudingsplicht betekend, daar de auteur van het artikel de juistheid en de gegrondheid van zijn stellingen had moeten aantonen. Bovendien had verzoeker de onjuistheid van de betrokken feiten gemakkelijk kunnen aantonen: overlegging van het verslag van de persconferentie van de Commissie van 16 december 1991 had daartoe volstaan. Had hij dat gedaan, dan had hij daardoor zeker niet zijn geheimhoudingsplicht geschonden. Verzoeker heeft overigens nooit om ontslag van zijn geheimhoudingsplicht verzocht, en evenmin de Commissie uitdrukkelijk gevraagd hem bij te staan in het kader van een eventuele procedure tegen de auteur van het artikel of tegen Le Canard enchaîné.
80 De Commissie voegt daaraan toe, dat volgens artikel 48, lid 6, van voormelde Franse wet en de wijze waarop die bepaling in de Franse rechtspraak wordt uitgelegd, alleen verzoeker klacht kon indienen wegens de lasterlijke aantijgingen aan zijn adres in Le Canard enchaîné. Hij kan de Commissie dus niet verwijten geen procedure tegen de betrokken journalist of tegen het betrokken blad te hebben ingeleid, aangezien alleen hij bevoegd was dat te doen.
81 Voorts heeft verzoeker nooit gepreciseerd, welke vorm van bijstand hij vroeg, noch welke maatregelen hij verwachtte. Hij heeft zich daarentegen verzet tegen de brief die de Commissie op 11 maart 1992 naar het betrokken blad heeft gestuurd en waarin zij om publikatie van een recht op weerwoord verzocht. Op verzoekers argument dat dit initiatief te laat kwam en de polemiek dreigde te heropenen, antwoordt de Commissie, dat zij niet inziet hoe de publikatie van een recht op weerwoord een of twee weken na de publikatie van een lasterlijk artikel niet hetzelfde gevolg zou hebben als het door verzoeker gevreesde.
82 In dat verband wijst de Commissie er nog op, dat het aan haar staat om te oordelen hoe zij het beste haar bijstandsplicht nakomt. In casu heeft zij besloten de zaken recht te zetten door de persconferentie van 16 december 1991 te organiseren. Vervolgens heeft zij op aandringen van verzoeker een weerwoord naar het betrokken blad gestuurd. Was verzoeker van mening, dat die maatregelen niet volstonden, dan had hij nog steeds de nodige burgerrechtelijke of strafrechtelijke stappen kunnen ondernemen, en dit zelfs zonder ontslag van zijn geheimhoudingsplicht, daar hij zich op de officiële ontkenning van de Commissie tijdens de persconferentie van 16 december 1991 kon beroepen.
83 Ter terechtzitting waren alle partijen het eens om te verklaren dat weliswaar verzoekers naam in het gewraakte persartikel werd genoemd, doch dat het artikel in feite tegen het beleid van de Commissie in de bouwsector was gericht en de vaststelling van de voorgenomen richtlijn poogde te verijdelen.
84 Bij die gelegenheid stelde de Commissie, dat aangezien in de eerste plaats zij in het gewraakte persartikel werd geviseerd, zij de in het artikel geuite kritiek voor haar rekening had genomen. In dat verband had zij verkozen verzoeker niet met naam te noemen in haar openbare verklaringen, dit ter voorkoming dat de zaak een personenkwestie zou worden en meer ruchtbaarheid zou verkrijgen. In casu bestond immers het gevaar, dat verzoekers naam steeds weer zou opduiken en dat de polemiek daardoor zou worden aangewakkerd, gezien zijn vroegere activiteiten als werknemer van de Italiaanse vereniging van aannemers. Vermelding van verzoekers naam was des te minder nodig, nu het litigieuze artikel in een satirisch blad was gepubliceerd. Voorts was de strategie van de Commissie, die erop gericht was elke polemiek uit de weg te gaan, in casu een volledig succes, daar de door Le Canard enchaîné gelanceerde perscampagne is doodgebloed.
85 In deze context wijst de Commissie er nog op, dat zij telkens wanneer achter een fundamenteel probleem een probleem in verband met namens de Commissie handelende personen schuilgaat, vermijdt ad hominem te interveniëren, omdat zij dat contraproduktief acht. In een dergelijk geval verkiest zij de gegrondheid van haar handelen te verdedigen, waardoor zij tegelijkertijd en onvermijdelijk haar vertegenwoordigers, in casu verzoeker, verdedigt, zonder in een persoonlijke polemiek te vervallen.
86 Ten slotte stelt zij, dat zij in het algemeen twijfels heeft bij het nut van de publikatie van een recht op weerwoord in een blad. De uitoefening van het recht op weerwoord verleent het blad immers de gelegenheid, de zaak weer op te rakelen en ze opnieuw in de schijnwerpers te plaatsen. Voor een dergelijke situatie geplaatst, verkiest de Commissie te handelen zoals zij heeft gedaan en de zaken op die manier recht te zetten, wat zij in casu heeft gedaan door op 16 december 1991 een persconferentie te organiseren tijdens welke een perscommuniqué is verspreid. Alleen omdat verzoeker aandrong, heeft de Commissie uiteindelijk een initiatief met het oog op publikatie van een recht op weerwoord genomen, en nadien heeft verzoeker haar verzocht dat initatief te laten varen.
87 Ter terechtzitting heeft verzoeker van zijn kant uiteengezet, dat hij in wezen van de Commissie verwachtte, dat zij formeel en ten aanzien van de buitenwereld, vooral dan van de nationale groepen van deskundigen, haar vertrouwen in hem zou bevestigen op de wijze die zij daartoe het best geschikt achtte. Zo had de Commissie bij voorbeeld kunnen verklaren, dat uit een administratief onderzoek was gebleken, dat de tegen verzoeker geuite beschuldigingen ongegrond waren. Verzoeker is van mening, dat een dergelijke verklaring hem publiekelijk in zijn eer had hersteld.
88 Op de stelling van de Commissie, dat haar reactie van 16 december 1991, namelijk de persconferentie en de verspreiding van het perscommuniqué, passend was en volstond, wat zou worden aangetoond door het feit dat sedertdien de polemiek in de pers niet meer is opgerakeld, antwoordt verzoeker, dat de enige reden waarom op de zaak niet meer is teruggekomen, is dat de in het gewraakte persartikel aangevallen ontwerp-richtlijn geen toekomstperspectieven meer heeft. De polemiek is dus niet door een doeltreffende actie van de Commissie beëindigd; integendeel, de perscampagne heeft de ontwerp-richtlijn nagenoeg in de grond geboord, zodat elke latere polemiek overbodig werd.
Beoordeling door het Gerecht
89 In verband met deze argumenten moet om te beginnen worden vastgesteld, dat het gewraakte persartikel in de eerste plaats het beleid van de Commissie ter zake van de uitwerking van een ontwerp-richtlijn betreffende de aansprakelijkheid van bouwondernemingen viseerde. Deze kritiek is echter bovendien "gepersonaliseerd" door insinuaties, dat verzoeker, die met naam wordt genoemd en wordt voorgesteld als een "hoge ambtenaar die te Brussel het dossier moet volgen", enkel omdat hij voorheen tot de Italiaanse bouwsector had behoord en als "vriend van de grote betonfamilie", de lobby van de bouwondernemingen bij de uitwerking van het ontwerp-richtlijn zou hebben begunstigd en zodoende tegen de belangen van de consumenten zou hebben gehandeld. In het betrokken persartikel wordt verzoeker dus publiekelijk - en zoals uit latere verificaties van de Commissie blijkt, in strijd met de waarheid - verweten, dat hij zich in de uitoefening van zijn functie aan uitgesproken favoritisme schuldig heeft gemaakt, wat erop neerkomt dat hij van een ernstige dienstfout wordt beschuldigd. In de ogen van het publiek wordt dus verzoekers beroepseer in twijfel getrokken, hetgeen smaad in de zin van artikel 24, eerste alinea, van het Statuut oplevert.
90 Voorts zij erop gewezen, dat de Commissie, aangezien deze publieke smaad waarvan haar ambtenaar het slachtoffer is geworden, onlosmakelijk aan haar beleid gekoppeld was, gehouden was zich tegen deze insinuaties te verzetten en verzoeker publiekelijk in zijn eer te herstellen. Immers, een geïsoleerd verweer door verzoeker alleen gevoerd, samen met het stilzwijgen van de Commissie, kon bij het publiek niet de indruk wegnemen, dat de betrokken beschuldigingen en insinuaties wellicht niet ongegrond waren. Daaruit volgt, dat in casu de publikatie van het gewraakte persartikel de Commissie verplichtte, overeenkomstig artikel 24 van het Statuut verzoeker bijstand te verlenen. Door het besluit van 11 maart 1992 vast te stellen, heeft de Commissie overigens zelf erkend, dat in casu was voldaan aan de voorwaarden voor vervulling van haar bijstandsplicht.
91 Derhalve dient het Gerecht na te gaan, welke de draagwijdte van de bijstandsplicht van de Commissie was, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval.
92 Dienaangaande zij herinnerd aan de vaste rechtspraak van het Hof, dat zo de administratie over een beoordelingsvrijheid beschikt ter zake van de keuze van de maatregelen en middelen om aan de verplichting van artikel 24 van het Statuut te voldoen (arrest Schneemann, reeds aangehaald, r.o. 9), zij in geval van ernstige en ongegronde aantijgingen welke het beroepsfatsoen van haar ambtenaar raken, deze beschuldigingen dient te verwerpen en alle maatregelen moet treffen om de geschonden reputatie van de betrokkene te herstellen (arrest N., reeds aangehaald, r.o. 10). Voorts moet erop worden gewezen, dat het Hof in zijn beschikking van 7 oktober 1987 (zaak 108/86, D. M., Jurispr. 1987, blz. 3933), betreffende een zaak waarin een ambtenaar in opspraak was gebracht in een open brief die door een andere ambtenaar onder het personeel was verspreid, oordeelde dat de verspreiding onder het personeel van een rectificatieve nota door de administratie volstond als bijstand. Ten slotte is, zoals hierboven gezegd (zie r.o. 65), de ambtenaar die om bijstand van zijn instelling verzoekt, niet verplicht zelf te preciseren welke maatregelen hij van laatstgenoemde verwacht. Meer in het bijzonder hangt het recht op de objectief noodzakelijke bijstand van de gelaedeerde ambtenaar niet af van het feit, dat hij tevoren zelf stappen heeft ondernomen tegen degene die hem heeft aangevallen (arrest N., reeds aangehaald, r.o. 11).
93 In het onderhavige geval, dat hierdoor wordt gekenmerkt, dat verzoeker met naam is genoemd en publiekelijk in opspraak is gebracht, moet dus in het licht van die rechtspraak worden onderzocht, of de Commissie met de maatregelen die zij naar aanleiding van de publikatie van het gewraakte persartikel heeft getroffen, haar bijstandsplicht passend en naar behoren is nagekomen.
94 Wat het optreden van de Commissie op 16 december 1991 betreft, namelijk de organisatie van een persconferentie, de verspreiding naar aanleiding daarvan van een perscommuniqué en het zenden van een vertegenwoordiger naar de persconferentie van de drie Europese verenigingen Cecodhas, BEUC en Coface, blijkt dat de Commissie door die prompte reacties haar eigen belangen als communautaire instelling doeltreffend jegens het publiek heeft verdedigd. Deze objectieve verdediging van haar werkzaamheden, waarbij verzoekers naam niet is gevallen, betekende voor verzoeker echter slechts een indirecte bijstand. Gelet op de publieke, rechtstreekse en persoonlijke smaad die verzoeker is aangedaan, is het Gerecht evenwel van mening, dat die bijstand, die inhield dat verzoeker slechts via de verdediging van de werkzaamheden van de Commissie werd verdedigd, niet doeltreffend was en niet volstond om hem publiekelijk in zijn eer te herstellen.
95 Deze beoordeling vindt overigens bevestiging in het gedrag van de Commissie zelf. Door Le Canard enchaîné de brief van 11 maart 1992 te zenden, waarin zij om publikatie van een weerwoord verzocht, heeft de Commissie zelf impliciet erkend, dat de maatregelen die zij op 16 december 1991 had getroffen, op zich niet als een passende en voldoende bijstand waren te beschouwen.
96 Wat ten slotte het op 11 maart 1992 door de Commissie aan Le Canard enchaîné gezonden recht op weerwoord betreft, moet worden vastgesteld, dat de Commissie zich in die brief tegen de ongerechtvaardigde verwijten van het blad aan het adres van verzoeker heeft verzet. Aan deze rechtzetting is evenwel niet de door de Commissie noodzakelijk geachte publiciteit verleend: Le Canard enchaîné is immers niet ingegaan op haar verzoek het recht op weerwoord in een later nummer van het blad op te nemen. Deze publieke rechtzetting had nog steeds niet plaatsgevonden op het ogenblik waarop de Commissie verzoekers klacht afwees, daar Le Canard enchaîné op die datum de door de Commissie zelf noodzakelijk geachte rechtzetting nog steeds niet had gepubliceerd. Op zijn minst op dat ogenblik had het de Commissie duidelijk moeten worden, dat haar brief aan Le Canard enchaîné als publieke verdediging van verzoekers eer te zwak uitviel en dat zij zich tot dan toe ter nakoming van haar beschermingsplicht kennelijk niet genoeg inspanningen had getroost (arrest Hof van 14 juni 1979, zaak 18/78, V., Jurispr. 1979, blz. 2093, r.o. 19).
97 In die omstandigheden is het Gerecht van mening, dat de Commissie tegenover het publiek niet langer mocht zwijgen, doch dat zij verzoekers eer publiekelijk moest verdedigen en hem daarbij met naam moest noemen. Het is van oordeel, dat zelfs het gevaar bestond, dat het volgehouden stilzwijgen van de Commissie over de kwaliteiten van haar publiekelijk aangevallen ambtenaar als een indirecte bevestiging van het betrokken persartikel zou worden uitgelegd.
98 Dienaangaande voert de Commissie aan, dat het vermelden van verzoekers naam de zaak tot een personenkwestie zou hebben gemaakt, met een aanwakkering van de polemiek als gevolg. Het Gerecht is het niet eens met die beoordeling en deelt die vrees niet. Daar de Commissie zelf het belangrijkste doelwit van het gewraakte persartikel was, was het ter verdediging van verzoekers eer immers noodzakelijk noch nuttig, de nadruk te leggen op de persoon van verzoeker of op de bijzondere omstandigheid dat hij een voormalig werknemer van de Italiaanse vereniging van aannemers was, overigens het enige element dat tot een polemiek aanleiding kon geven. Zij had zich in haar perscommuniqué van 16 december 1991 of eventueel later kunnen concentreren op de verdediging van haar eigen werkzaamheden, doch niettemin te kennen kunnen geven dat de FIEC op uitdrukkelijk verzoek van de Europese verenigingen als cooerdinator van de werkzaamheden van de groepen deskundigen was aangewezen, en dat "het dus niet de met het dossier belaste ambtenaar van de Commissie, R. Caronna, was die FIEC die cooerdinerende taak had opgedragen".
99 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie, door te oordelen dat zij in casu niet gehouden was verzoeker publiekelijk te verdedigen en hem daarbij met naam te noemen, de verplichtingen niet is nagekomen welke in dit bijzondere geval op haar rustten ingevolge de bijstandsplicht die artikel 24 van het Statuut het communautair gezag oplegt. Derhalve stelt het Gerecht vast, dat de Commissie, door niet tijdig de nodige maatregelen te treffen om verzoeker publiekelijk in zijn eer en waardigheid te herstellen, haar bijstandsplicht niet is nagekomen. Deze schending van artikel 24, eerste alinea, van het Statuut levert dus een dienstfout van de Commissie op.
100 Het besluit van 11 maart 1992 is een bezwarend besluit, waartegen met de klacht van 1 april 1992 kon worden opgekomen en waardoor verzoeker schade is berokkend. Dat betekent, dat het eerste en het tweede middel van niet-ontvankelijkheid van de Commissie moeten worden afgewezen en dat de conclusies strekkende tot vaststelling van een dienstfout gegrond zijn. Derhalve moet in het dictum van het onderhavige arrest worden vastgesteld, dat de Commissie haar bijstandsplicht niet is nagekomen.
De gegrondheid van de conclusies strekkende tot vaststelling dat de Commissie gehouden is tot vergoeding van de schade die het gevolg is van de schending van haar bijstandsplicht, alsmede tot veroordeling van de Commissie tot betaling van 100 000 ECU
Argumenten van partijen
VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 692A0059.1
101 Verzoeker betoogt, dat de geloofwaardigheid van de in het gewraakte artikel tegen hem uitgebrachte beschuldigingen is vergroot doordat de Commissie niet publiekelijk heeft gereageerd om hem in zijn eer te herstellen, en dat hij daardoor uiterst zware morele schade heeft geleden. Ter illustratie van die schade wijst hij erop, dat hij tijdens de vergaderingen van de vier groepen van deskundigen die advies over de ontwerp-richtlijn dienden uit te brengen, meermaals is ondervraagd door personen die wensten te vernemen welke maatregelen de Commissie naar aanleiding van de publikatie van het gewraakte artikel had getroffen. De weigering van de Commissie om hem tijdig de hulp en de bijstand te verlenen waarop hij recht had, heeft de reeds door de smaad veroorzaakte schade nog vergroot, en thans is deze schade onherstelbaar geworden.
102 Met betrekking tot het gevorderde bedrag voeren verzoeker en interveniënte aan, dat het gezien de voorbeeldfunctie van deze zaak gerechtvaardigd is, dat de Commissie tot een "exemplair bedrag" wordt veroordeeld, dat niet alleen een tegenwicht vormt voor de door de publikatie van het gewraakte artikel veroorzaakte schade, maar ook voor de weigering van de Commissie om maatregelen vast te stellen om verzoeker publiekelijk in zijn eer en waardigheid te herstellen. In zijn verzoekschrift concludeerde verzoeker derhalve tot veroordeling van de Commissie tot betaling aan hem van een ex aequo et bono op 100 000 ECU vastgesteld bedrag.
103 Dienaangaande heeft de Commissie alleen maar kritiek op het "astronomisch hoog" bedrag dat verzoeker vordert. De hoogte van het gevorderde bedrag zou aantonen, dat verzoekers aanspraken niet serieus zijn en zou verklaren, waarom hij er de voorkeur aan heeft gegeven zich tegen de Commissie te keren in plaats van de verantwoordelijken voor het gewraakte artikel voor de Franse rechtbanken te dagen. De Commissie herinnert eraan, dat verzoekers conclusies tot schadevergoeding ongegrond zijn, daar hij naar behoren in zijn eer is hersteld. Bovendien is hij kennelijk niet in staat het bestaan van welke schade dan ook aan te tonen, en nog minder de omvang ervan.
104 Als antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht voegde de Commissie daaraan toe, dat met het oog op haar aansprakelijkheid voor een door haar zelf begane fout toepassing van artikel 24 van het Statuut niet nodig is. Bovendien heeft verzoeker in casu niet de rechtstreekse en eigen aansprakelijkheid van de Commissie in het gedrang gebracht en niet de de passende procedure daartoe gevolgd.
Beoordeling door het Gerecht
105 Om te beginnen moet worden nagegaan, of de dienstfout van de Commissie verzoeker morele schade heeft berokkend.
106 Dienaangaande stelt het Gerecht vast, dat zo verzoekers beroepseer door de publikatie van het lasterlijk artikel reeds was aangetast, het feit dat de Commissie niet de passende maatregelen heeft getroffen om verzoeker publiekelijk in zijn eer te herstellen, terwijl zij dat wel had moeten doen (zie hierboven, r.o. 90), de door die publikatie veroorzaakte morele schade heeft vergroot. Het stilzitten van de Commissie leidde bij verzoeker tot onzekerheid en ongerustheid, daar hij terecht vreesde, dat dit stilzitten door het publiek als een indirecte bevestiging van het betrokken persartikel zou worden uitgelegd (zie hierboven, r.o. 97). Een dergelijke situatie berokkent morele schade. Anders dan de Commissie stelt, is in casu dus voldaan aan alle voorwaarden voor haar aansprakelijkheid. Voorts oordeelde het Hof reeds (zie arrest V., reeds aangehaald, r.o. 16 en 19), dat de niet-nakoming van de bijstandsplicht van artikel 24, eerste alinea, van het Statuut in beginsel de mogelijkheid van een beroep strekkende tot vergoeding van geleden morele schade opent.
107 Nu verzoeker enerzijds vordert, dat wordt vastgesteld dat de Commissie die schade dient te vergoeden, en anderzijds dat zij wordt veroordeeld hem een schadevergoeding van 100 000 ECU te betalen, herinnert het Gerecht eraan, dat het zich in casu over een geschil van geldelijke aard dient uit te spreken en dat het bijgevolg overeenkomstig artikel 91, lid 1, tweede zin, van het Statuut volledige rechtsmacht heeft. Bij de uitspraak over de vergoeding van de door verzoeker geleden morele schade behoort in aanmerking te worden genomen, dat de uitdrukkelijke vaststelling in het dictum van het onderhavige arrest dat de Commissie jegens verzoeker een dienstfout heeft begaan, op zich reeds een vorm van vergoeding is, te meer daar het dictum van dit arrest overeenkomstig artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering onmiddellijk na de uitspraak in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen wordt gepubliceerd (zie in de overeenkomstige rechtspraak betreffende de nietigverklaring van een door een ambtenaar bestreden handeling van de administratie, onder meer arresten Hof van 9 juli 1987, gevoegde zaken 44/85, 77/85, 294/85 en 295/85, Hochbaum en Rawes, Jurispr. 1987, blz. 3259, r.o. 22, en Gerecht van 20 september 1990, zaak T-37/89, Hanning, Jurispr. 1990, blz. II-463, r.o. 83, en 28 november 1991, zaak T-158/89, Van Hecken, Jurispr. 1991, blz. II-1341, r.o. 37). Gezien de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval volstaat deze publikatie evenwel niet om verzoekers schade volledig te vergoeden. Aangezien verzoeker tot op de dag van deze bekendmaking wat zijn eer betreft, in een dubbelzinnige situatie ten opzichte van het publiek blijft verkeren, is het Gerecht van oordeel, de schade ex aequo et bono beoordelend, dat naast voormelde bekendmaking de toekenning van een bedrag van 50 000 BFR een passende vergoeding van verzoekers schade vormt. Derhalve moeten de conclusies tot vaststelling of vergoeding, voor zover zij de toegekende vergoeding overschrijden, worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
108 Ingevolge artikel 87, lid 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht de proceskosten over de partijen verdelen, indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Ingevolge artikel 88 van dat Reglement evenwel blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
109 Aangezien verzoeker gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld wat zijn conclusies tot schadevergoeding betreft, inzonderheid met betrekking tot de veroordeling van de Commissie tot betaling aan hem van 100 000 ECU, en de Commissie geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld wat de overige conclusies van verzoeker betreft, acht het Gerecht het billijk, dat verzoeker en interveniënte een vierde van hun eigen kosten zullen dragen, en de Commissie haar eigen kosten en drie vierde van de kosten van verzoeker en interveniënte.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart dat de Commissie niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 24 van het Statuut op haar rustende bijstandsplicht, door niet tijdig de passende maatregelen te treffen om haar ambtenaar R. Caronna publiekelijk in zijn eer en waardigheid te herstellen.
2) Veroordeelt de Commissie tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding ten bedrage van 50 000 BFR.
3) Verwerpt het beroep voor het overige.
4) Verwijst de Commissie in haar eigen kosten en in drie vierde van de kosten van verzoeker en interveniënte, die elk een vierde van hun kosten zullen dragen.
Full & Egal Universal Law Academy