Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Ambtenaren - Beroep - Beroep tegen weigering van toelating tot vergelijkend onderzoek - Middelen ontleend aan onregelmatigheid van niet tijdig betwiste aankondiging van vergelijkend onderzoek - Middelen betreffende motivering van bestreden besluit - Ontvankelijkheid
(Ambtenarenstatuut, art. 91)
Samenvatting
Hoewel sollicitanten bij een vergelijkend onderzoek binnen de in artikel 91 van het Statuut gestelde termijn rechtstreeks in beroep kunnen komen tegen een aankondiging van vergelijkend onderzoek, die, doordat zij voorwaarden bevat die hun deelneming verhinderen, voor hen een bezwarend besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag is, kan, wanneer zij van die mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt, hun recht op instelling van een beroep tegen het individuele besluit om hen niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten, niet worden geacht te zijn verwerkt. Een sollicitant bij een vergelijkend onderzoek kan immers niet het recht worden ontzegd het jegens hem, met toepassing van de voorwaarden van de aankondiging van dat onderzoek genomen individuele besluit op alle punten ervan aan te vechten, daaronder begrepen de punten die in die aankondiging zijn omschreven, aangezien enkel door dat toepassingsbesluit zijn rechtspositie wordt geïndividualiseerd en hij zekerheid verkrijgt over de vraag, hoe en in hoeverre zijn bijzondere belangen zijn aangetast. Dit beginsel geldt eveneens wanneer de in de aankondiging neergelegde toelatingsvoorwaarden de jury geen enkele beoordelingsmarge laten en, gelet op de concrete situatie, bij hun toepassing geen enkele uitleggingsmoeilijkheid opleveren.
Partijen
In zaak T-60/92,
M. Noonan, hulpfunctionaris van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Luxemburg, vertegenwoordigd door J. O'Reilly, Senior Counsel bij de Ierse balie, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Diederich, advocaat van het kantoor Loesch & Wolter, Rue Goethe 11,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Forman als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende, in dit stadium van de procedure, de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring van het op 9 juni 1992 aan verzoekster meegedeelde besluit van de jury van vergelijkend onderzoek COM/C/741 om haar niet tot dat onderzoek toe te laten,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, kamerpresident, A. Saggio en C. P. Briët, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 4 mei 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 M. Noonan, hulpfunctionaris van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: "verzoekster"), heeft zich aangemeld voor het algemeen vergelijkend onderzoek COM/C/741, door de Commissie georganiseerd met het oog op de vorming van een aanwervingsreserve van Engelstalige typisten (C 5/C 4) (PB 1991, C 333 A, blz. 11; bijlage A bij het verzoekschrift).
2 Bij brief van 9 juni 1992 (bijlage C bij het verzoekschrift) werd Noonan in kennis gesteld van het besluit van de jury om haar niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten, op grond van punt II (Voorwaarden voor toelating tot het vergelijkend onderzoek), B (Bijzondere voorwaarden), 2 (Vereiste schriftelijke bewijsstukken of diploma's), van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, aangezien zij een universitaire opleiding had voltooid en een Honours Degree Franse en Italiaanse letterkunde had behaald aan het University College Dublin.
3 Voornoemde bepalingen van de aankondiging van vergelijkend onderzoek luidden als volgt:
"Op straffe van uitsluiting van het vergelijkend onderzoek en/of latere disciplinaire
maatregelen als voorzien bij het Statuut, mogen aan het vergelijkend onderzoek niet deelnemen:
i) kandidaten die in het bezit zijn van een graad of diploma dat toegang geeft tot vergelijkende onderzoeken van het niveau A of LA (zie tabel in bijlage bij de handleiding);
ii) kandidaten in het laatste jaar van de onder i) bedoelde opleidingen."
Bedoelde tabel in de bijlage bij de "Handleiding voor kandidaten voor een interinstitutioneel of een algemeen vergelijkend onderzoek van de Commissie" (hierna: "handleiding") - eveneens in PB 1991, C 333 A gepubliceerd, vlak vóór de aankondiging van het vergelijkend onderzoek - verlangde, met betrekking tot in Ierland verleende graden en diploma's, voor de toelating tot vergelijkende onderzoeken van het niveau A of LA een "university degree".
4 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 augustus 1992, heeft Noonan de nietigverklaring gevorderd van het haar op 9 juni 1992 meegedeelde jurybesluit om haar niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten. Zij stelt, zakelijk weergegeven, dat het in strijd is met het Ambtenarenstatuut (hierna: "Statuut"), met het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van de vrije beroepsuitoefening om houders van universitaire diploma's uit te sluiten van vergelijkende onderzoeken voor de categorie C.
5 Zonder verweer ten gronde te voeren, heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, die op 23 september 1992 ter griffie van het Gerecht is ingeschreven en waarover verzoekster op 15 oktober 1992 opmerkingen heeft ingediend. Het Gerecht heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, overeenkomstig artikel 114, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering besloten, zonder instructie over te gaan tot de mondelinge behandeling uitsluitend van de ontvankelijkheidsvraag. De mondelinge behandeling heeft plaats gevonden op 4 mei 1993.
Conclusies van partijen
6 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding.
Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
- de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;
- subsidiair, ze met de zaak ten gronde te voegen;
- verweerster te verwijzen in de kosten van het geding. Middelen en argumenten van partijen
7 De Commissie doet haar exceptie van niet-ontvankelijkheid steunen op de stelling, dat een ambtenaar in een beroep tegen een jurybesluit geen middelen kan aanvoeren die ontleend zijn aan beweerde onregelmatigheden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, wanneer hij tegen de zijns inziens voor hem bezwarende bepalingen van die aankondiging niet tijdig is opgekomen. De Commissie baseert zich hiervoor in het bijzonder op het arrest van het Gerecht van 16 oktober 1990 (zaak T-132/89, Gallone, Jurispr. 1990, blz. II-549, r.o. 20). In casu zou verzoekster niet volgens de eisen van artikel 90 van het Statuut binnen drie maanden na de publikatie van de betrokken aankondiging van vergelijkend onderzoek hiertegen een klacht hebben ingediend.
Tot staving hiervan heeft de Commissie ter terechtzitting aangevoerd, dat het onderhavige geschil moet worden geplaatst in het kader van artikel 179 EEG-Verdrag en niet in dat van de artikelen 173 en 184 van het Verdrag. In die context is een aankondiging van vergelijkend onderzoek een handeling van algemene aard, die voor de kandidaten bezwarend kan zijn ongeacht of er sprake is van een algemeen of van een intern vergelijkend onderzoek. De Commissie leidt hieruit af, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen een middel als het onderhavige, betreffende de onregelmatigheid van een voorwaarde in de aankondiging van vergelijkend onderzoek, dat uitsluitend kan worden voorgedragen binnen de termijn die met de publikatie van de aankondiging ingaat, en een middel betreffende de onjuiste toepassing van die voorwaarde, dat ontvankelijk is in een beroep tot nietigverklaring van het individuele toepassingsbesluit.
8 Volgens verzoekster is het beroep ontvankelijk. Zij wijst er allereerst op, dat zij slechts nietigverklaring vordert van het jurybesluit om haar niet toe te laten, en niet van het vergelijkend onderzoek zelf. Elke kandidaat kan de eindbeslissing van een jury, die hem of haar rechtstreeks en individueel raakt, aanvechten en zich bij die gelegenheid beroepen op onregelmatigheid van alle procedurele handelingen die tot dat besluit hebben geleid. Zij baseert haar standpunt op de oplossing waarvoor het Hof onder meer in het arrest van 7 april 1965 (zaak 35/64, Alfieri, Jurispr. 1965, blz. 328, 335) heeft gekozen en die in de conclusie in die zaak door advocaat-generaal Gand is verwoord als volgt: "De werving is een ingewikkelde administratieve procedure, dat wil zeggen dat een reeks noodzakelijke besluiten - de uitschrijving van het onderzoek, de toelating tot het onderzoek - op elkander volgen tot uiteindelijk het besluit tot stand komt waarbij de ambtenaar wordt benoemd. De betrokkenen kunnen ongetwijfeld tegen elk van de voorafgaande handelingen opkomen, voor zover dat echte administratieve besluiten zijn en zij dit binnen de voorgeschreven termijn na de aankondiging, respectievelijk bekendmaking doen. Zij zijn echter niet verplicht zulks te doen; zij mogen het definitieve besluit afwachten, en zijn dan ontvankelijk in hun beroep op de onwettigheid van een der voorbereidende besluiten, zelfs indien de termijn voor de rechtstreekse bestrijding van deze besluiten is verstreken" (Jurispr. 1965, blz. 339). Als andere arresten in dezelfde lijn noemt verzoekster de arresten van het Hof van 31 maart 1965 (gevoegde zaken 12/64 en 29/64, Ley, Jurispr. 1965, blz. 142, 158), 31 maart 1965 (zaak 16/64, Rauch, Jurispr. 1965, blz. 180, 191), 14 juli 1965 (gevoegde zaken 18/64 en 19/64, Alvino e.a., Jurispr. 1965, blz. 838, 849) en 22 maart 1972 (zaak 78/71, Costacurta, Jurispr. 1972, blz. 163).
9 Vervolgens merkt verzoekster op, dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid geheel steunt op een rechtspraak die voortbouwt op het arrest van het Hof van 11 maart 1986 (zaak 294/84, Adams, Jurispr. 1986, blz. 977). In zijn conclusies in de zaken Gavanas (arrest van 10 juni 1987, zaak 307/85, Jurispr. 1987, blz. 2435, 2444, 2448 en 2449) en Sergio (arrest van 8 maart 1988, gevoegde zaken 64/86, 71/86-73/86 en 78/86, Jurispr. 1988, blz. 1399, 1410 en 1417) heeft advocaat-generaal Lenz dit arrest bekritiseerd en het Hof in overweging gegeven tot de eerdere rechtspraak terug te keren.
10 Verzoekster betwist niet enkel de juistheid van de oplossing waarvoor in de zaak Adams is gekozen, maar heeft ter terechtzitting voorts gesteld, dat de feiten in haar geval hoe dan ook duidelijk verschillen van die in de zaak Adams.
11 Verzoekster acht genoemde rechtspraak in twee opzichten onbevredigend. In de eerste plaats gaat het arrest Adams uit van de onjuiste premisse, dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek rechtstreeks kan worden aangevochten, en in de tweede plaats kan de motivering van dat arrest, die gebaseerd is op het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel en het beginsel van goed bestuur, de toets der kritiek hoe dan ook niet doorstaan.
12 Met betrekking tot het eerste punt betoogt verzoekster, dat de betrokken aankondiging van vergelijkend onderzoek voor haar niet bezwarend kon zijn. Het blote feit dat zij had gesolliciteerd, gaf haar nog geen belang om in rechte op te komen tegen een aankondiging van vergelijkend onderzoek, die een handeling van algemene strekking is en de sollicitanten niet rechtstreeks en individueel raakt. Zij bevinden zich in een overeenkomstige situatie als de inschrijvers bij een aanbesteding. Dezen kunnen enkel opkomen tegen het besluit dat naar aanleiding van hun offerte is genomen, en niet tegen het bericht van aanbesteding zelf, waarin de rechten en verplichtingen van degenen die aan de aanbestedingsprocedure willen deelnemen, vooraf objectief zijn omschreven. Gelijk het Hof overwoog in zijn arrest van 6 maart 1979 (zaak 92/78, Simmenthal, Jurispr. 1979, blz. 777, r.o. 39), kan de belanghebbende eerst nadat het individuele besluit hem is meegedeeld, met een op onwettigheid gebaseerd beroep krachtens artikel 184 EEG-Verdrag de geldigheid aanvechten van de eerdere handelingen die de rechtsgrondslag vormen voor het aangevochten individuele besluit.
13 In de tweede plaats meent verzoekster, dat de motivering van het arrest Adams, die volgens verweerster een extra argument oplevert voor niet-ontvankelijkverklaring van het onderhavige beroep, onjuist is. Verzoekster wijst allereerst de op het rechtszekerheidsbeginsel gebaseerde redenering van de hand. Zij wraakt de inconsequentie die gelegen is in het feit, dat het een sollicitant niet is toegestaan aan het eind van de aanwervingsprocedure de wettigheid van een aankondiging van vergelijkend onderzoek aan te vechten, terwijl hij zich in dat stadium wel kan beroepen op elke onregelmatigheid in de handelingen van de jury, hetgeen ook tot rechtsonzekerheid leidt. De omstandigheid dat de wettigheid van bepaalde fasen van een aanwervingsprocedure vóór het einde van die procedure kán worden aangevochten, betekent volgens verzoekster niet, dat men dat dan ook in elke fase door middel van een afzonderlijk beroep móet doen. Bovendien valt niet in te zien, hoe de rechtszekerheid kan worden aangetast door een vordering die niet strekt tot nietigverklaring van vergelijkend onderzoek COM/C/741 in zijn geheel, maar enkel tot nietigverklaring van een individueel besluit om een bepaalde sollicitant, in casu verzoekster, niet tot dat onderzoek toe te laten. Daarbij komt, dat de door de Commissie verdedigde stelling, dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek binnen drie maanden na de publikatie ervan moet worden aangevochten, die aankondiging praktisch onaantastbaar maakt. Zij zou dan immers moeten worden aangevochten vóór of op het moment waarop de sollicitatie wordt ingediend, waardoor de kans van de betrokkene om te worden aangeworven, wel erg klein zou worden.
14 Het eveneens in het arrest Adams genoemde vertrouwensbeginsel biedt evenmin steun voor verweersters stelling. In tegendeel, dit beginsel brengt mee, dat verzoekster erop mag vertrouwen, dat haar sollicitatie op regelmatige wijze wordt behandeld. Is haar sollicitatie op onwettige gronden afgewezen, dan kan haar vertrouwen enkel worden beschermd door een arrest ten gronde, dat overigens geen afbreuk mag doen aan het gewettigd vertrouwen van de overige sollicitanten, dat wil zeggen dat alle uit het vergelijkend onderzoek voortvloeiende resultaten en aanstellingen hoe dan ook in stand blijven.
15 Voorts stelt verzoekster, dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel mag verwachten, dat haar sollicitatie wordt behandeld overeenkomstig de tekst van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek en de bijbehorende handleiding. In deze laatste wordt onder punt C (Procedure van het vergelijkend onderzoek), 3, onder het kopje "Procedure na indiening van de sollicitaties", vermeld dat "kandidaten die menen dat met betrekking tot de toelatingsvoorwaarden een fout is gemaakt, een herbeoordeling van hun sollicitatie kunnen verlangen, binnen 30 dagen na de datum van het poststempel van de afwijzingsbrief. In dat geval bekijkt de jury de sollicitatie opnieuw en beslist zij of de klacht gegrond is" (bijlage A bij het verzoekschrift, blz. 5). Bovendien bepaalt punt IV van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, getiteld "Herbeoordeling van sollicitaties": "Een kandidaat die meent dat, gelet op de toelatingsvoorwaarden, een vergissing in zijn nadeel is gemaakt, kan om herbeoordeling van zijn/haar sollicitatie vragen. Hij/zij dient zich in dat geval binnen dertig kalenderdagen na de datum van het poststempel van de afwijzingsbrief tot de voorzitter van de jury te wenden met een met redenen omklede brief die het nummer van het vergelijkend onderzoek vermeldt. De brief moet worden geadresseerd aan de $aanwervingseenheid'" (bijlage A bij het verzoekschrift, blz. 12). Verzoekster leidt hieruit af, dat zelfs indien verweersters stelling juist is, het vertrouwensbeginsel haar belet in het onderhavige beroep een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, aangezien zowel de aankondiging van vergelijkend onderzoek als de begeleidende handleiding bij de sollicitanten de indruk wekken, dat zij over een rechtsmiddel beschikken indien zij niet tot het vergelijkend onderzoek worden toegelaten. Verzoekster verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van 28 april 1988 (zaak 120/86, Mulder, Jurispr. 1988, blz. 2321, r.o. 21 en 26).
16 Ten slotte keert verzoekster zich ook tegen de overwegingen in het arrest Adams betreffende het beginsel van goed bestuur. Zij stelt, dat indien de mogelijkheid zou ontbreken om aan het eind van een selectieprocedure in rechte op te komen tegen gebreken in de aankondiging van vergelijkend onderzoek, dit zou leiden tot een wildgroei van premature beroepen, ingesteld door personen die geen concreet belang hebben bij de uitslag van de procedure.
17 Ter terechtzitting heeft verzoekster voorts nog betoogd, dat haar geval hoe dan ook niet op dezelfde wijze kan worden benaderd als de zaak Adams, daar aan beide zaken totaal verschillende feiten ten grondslag liggen. Zij wijst er in het bijzonder op, dat het in de zaak Adams om een intern vergelijkend onderzoek ging, waarbij per definitie een kleinere groep personen belang had. Verder had het vergelijkend onderzoek in dat geval twee en een half jaar geduurd. In casu daarentegen gaat het om een algemeen vergelijkend onderzoek, dat open stond "erga omnes", en is het beroepen besluit om verzoekster niet toe te laten, haar op 9 juni 1992 meegedeeld, dat wil zeggen minder dan vier maanden nadat zij had gesolliciteerd (op 11 februari 1992). In de zaak Adams hadden de 53 verzoekers de jury verzocht om herziening van haar besluit om hen niet tot een latere fase van het vergelijkend onderzoek toe te laten, en hadden slechts drie van hen tijdig een klacht ingediend. De beslissing van het Hof ging in die zaak dus hoofdzakelijk om de - in casu geheel buiten de orde zijnde - vraag, of een dergelijk verzoek tot verlenging van de proceduretermijnen kon leiden.
Beoordeling van het Gerecht
18 Het Gerecht dient zich in dit stadium van de procedure uit te spreken over de vraag, of het onderhavige beroep tegen het besluit van de jury om verzoekster, met toepassing van de toelatingsvoorwaarden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek COM/C/741, niet tot dat vergelijkend onderzoek toe te laten, ontvankelijk is, hoewel tegen die aankondiging niet is opgekomen binnen de termijn van de artikelen 90 en 91 van het Statuut, welke termijn inging op de dag van de bekendmaking van die aankondiging.
19 Allereerst zij erop gewezen, dat het onderhavige geding wordt beheerst door artikel 179 van het Verdrag en de artikelen 90 en 91 van het Statuut en met name wat de ontvankelijkheidsvraag betreft, buiten het toepassingsgebied van artikel 173 valt. Het wordt dus uitsluitend beheerst door de in die artikelen van het Statuut neergelegde voorwaarden, in het bijzonder wat betreft de beroepstermijn en de aard van de bestreden handeling, die voor de betrokkene bezwarend moet zijn.
20 Verweerster heeft een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, die gebaseerd is op de omstandigheid dat verzoekster, die een Honours Degree heeft van het University College Dublin, niet tijdig is opgekomen tegen de gewraakte bepaling van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, die onder meer kandidaten met een universitaire graad uitsloot.
21 Hoewel verzoekster binnen de voorgeschreven termijnen rechtstreeks in beroep had kunnen komen tegen de aankondiging van vergelijkend onderzoek, die, doordat zij voorwaarden bevatte die haar deelneming verhinderden, een voor haar bezwarend besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag was in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut (zie onder meer arrest Hof van 19 juni 1975, zaak 79/74, Kuester, Jurispr. 1975, blz. 725, r.o. 5-8), kan zij naar het oordeel van het Gerecht niet worden geacht haar recht op instelling van het onderhavige beroep tegen het individuele besluit om haar niet tot het onderzoek toe te laten, te hebben verwerkt door niet tijdig op te komen tegen de aankondiging van vergelijkend onderzoek.
22 Ingevolge artikel 5, eerste alinea, van bijlage III bij het Statuut stelt de jury de lijst vast van de sollicitanten die voldoen aan de voorwaarden omschreven in de aankondiging van vergelijkend onderzoek. In casu (zie punt III, sub 2, van de aankondiging) moet de jury voor elke sollicitant afzonderlijk beslissen, of hij aan de bijzondere en/of specifieke voorwaarden van de aankondiging voldoet en dus tot het vergelijkend onderzoek kan worden toegelaten. Zij moet in het bijzonder nagaan, of de kwalificaties van de afzonderlijke sollicitanten aan de voorwaarden van de aankondiging beantwoorden (zie punt III, sub 3, van de aankondiging). Aan elke sollicitant moet schriftelijk worden meegedeeld, of hij al dan niet tot het vergelijkend onderzoek is toegelaten (zie punt III, sub 5, van de aankondiging), en bij niet toegelaten sollicitanten moet dit worden gedaan met opgaaf van redenen (zie punt C, 3, sub d, van de handleiding). Een niet toegelaten sollicitant kan om een herbeoordeling van zijn sollicitatie vragen (zie punt IV van de aankondiging).
23 Een sollicitant bij een vergelijkend onderzoek kan niet het recht worden ontzegd het jegens hem, met toepassing van de voorwaarden van de aankondiging van dat onderzoek genomen individuele besluit op alle punten ervan aan te vechten, daaronder begrepen de punten die in die aankondiging zijn omschreven. Enkel door dat toepassingsbesluit wordt immers zijn rechtspositie geïndividualiseerd en verkrijgt hij zekerheid over de vraag, hoe en in hoeverre zijn bijzondere belangen zijn aangetast. Dit beginsel geldt in dezelfde termen in gevallen als het onderhavige, waarin de in de aankondiging neergelegde toelatingsvoorwaarden de jury geen enkele beoordelingsmarge laten en, gelet op de concrete situatie, bij hun toepassing geen enkele uitleggingsmoeilijkheid opleveren.
24 Dit vloeit voort uit de rechtspraak van het Hof, waarin de ontvankelijkheid is erkend van middelen ontleend aan onregelmatigheden in een aankondiging van vergelijkend onderzoek die zelf niet tijdig was aangevochten, wanneer die middelen betrekking hadden op de motivering van het bestreden toepassingsbesluit. Met name in zijn arrest van 6 juli 1988 (zaak 164/87, Simonella, Jurispr. 1988, blz. 3807, r.o. 19) overwoog het Hof, dat een dergelijk middel "moet worden afgewezen voor zover het betrekking heeft op [de onregelmatigheid van de aankondiging als zodanig], maar dat het moet worden onderzocht voor zover het betrekking heeft op de motivering van het bestreden besluit". Overeenkomstig dat beginsel ging het Hof in die zaak ten gronde in op het middel, dat de aankondiging van vergelijkend onderzoek onregelmatig was doordat daarin geen puntenwaardering was vermeld voor de schriftelijke bewijsstukken en de examens van het vergelijkend onderzoek. Dat arrest ligt volledig in de lijn van de rechtspraak van het Hof die begint met het arrest Adams, met de nuancering die daarin door het arrest Sergio is aangebracht (beide arresten reeds aangehaald).
25 In rechtsoverweging 17 van het arrest Adams overwoog het Hof, dat een kandidaat tijdig moet opkomen tegen de bepalingen van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, waardoor hij zich bezwaard acht, omdat "anders de regelmatigheid van een aankondiging van vergelijkend onderzoek nog in geding zou kunnen worden gebracht lang nadat zij is gepubliceerd en wanneer de meeste zoniet alle verrichtingen van het vergelijkend onderzoek reeds achter de rug zijn. Dit zou in strijd zijn met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel en met het beginsel van goed bestuur." Hierbij zij aangetekend, dat de middelen betreffende onregelmatigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek, die in die zaak niet-ontvankelijk werden verklaard, door de verzoekers niet waren voorgedragen in verband met de motivering van de beroepen besluiten om hen niet tot de examens toe te laten. Die besluiten berustten immers op de evaluatie door de jury van de schriftelijke bewijsstukken en de beroepservaring van verzoekers. Wat dat betreft, beperkten de verzoekers zich, zakelijk weergegeven, tot de stelling, dat het vergelijkend onderzoek moest leiden tot de vorming van een aanwervingsreserve voor drie soorten functies, die zo verschillend waren, dat het onmogelijk was om in het kader van één onderzoek een gemeenschappelijke norm te hanteren, en dat de aankondiging niets vermeldde over de waardering van de schriftelijke bewijsstukken en de examens. In verband met hun grieven betwistten verzoekers de regelmatigheid van de door de jury toegepaste criteria en puntentoekenning echter niet inhoudelijk.
26 In het arrest Sergio heeft het Hof de strekking van het beginsel van het arrest Adams nader verklaard door te preciseren, dat "wanneer een verzoeker niet tijdig tegen de aankondiging van vergelijkend onderzoek is opgekomen, dit hem niet belet zich te beroepen op onregelmatigheden die zich in de loop van het vergelijkend onderzoek hebben voorgedaan, ook al ligt de bron van die onregelmatigheden in de tekst van de aankondiging van vergelijkend onderzoek" (r.o. 15). In die zaak stelde het Hof vast, dat blijkens de stukken en hetgeen ter terechtzitting was verklaard, de middelen enkel betrekking hadden op de aankondiging van vergelijkend onderzoek en dat zij moesten worden verworpen, aangezien niet tijdig tegen die aankondiging was opgekomen. In de lijn van deze rechtspraak ligt het oordeel van het Hof in het arrest Simonella (r.o. 17 en 19), dat onder de in het arrest Sergio genoemde "onregelmatigheden die zich in de loop van het vergelijkend onderzoek hebben voorgedaan" moeten worden verstaan onregelmatigheden die "het verdere verloop van het vergelijkend onderzoek zouden hebben aangetast", voor zover zij betrekking hebben op de motivering van het bestreden besluit (in dezelfde zin arrest Hof van 6 juli 1988, zaak 181/87, Agazzi Leonard, Jurispr. 1988, blz. 3823, r.o. 24, en arrest Gerecht van 9 oktober 1992, zaak T-50/91, De Persio, Jurispr. 1992, blz. II-2365, waarin het Gerecht ten gronde de statutaire regelmatigheid onderzocht van het individuele besluit om de sollicitatie van verzoekster af te wijzen op grond dat zij niet behoorde tot dezelfde categorie/groep/loopbaan als de vacature en daarmee niet voldeed aan een van de voorwaarden van de aankondiging van vergelijkend onderzoek).
27 Zonder dat uitvoerig behoeft te worden ingegaan op het betoog van verzoekster, dat het arrest van het Hof in de zaak Adams niet aansluit bij de eerdere rechtspraak, blijkt uit bovenstaande analyse duidelijk, dat wanneer in een middel dat betrekking heeft op de motivering van het bestreden individuele besluit, wordt geklaagd over onregelmatigheden van een niet tijdig bestreden aankondiging van vergelijkend onderzoek, het Hof dat middel ontvankelijk acht. Juist in die situatie is het Hof niet afgeweken van de oplossing die vóór het arrest Adams in de rechtspraak was gevonden en die met name duidelijk is verwoord in het door verzoekster aangehaalde arrest Alfieri, waarin het Hof overwoog, "dat het gezien de onderlinge samenhang van de verschillende besluiten waaruit een aanwervingsprocedure bestaat, toelaatbaar is, wanneer verzoeker, in het kader van een beroep tegen later in een dergelijke procedure genomen besluiten, de onrechtmatigheid inroept van eerdere rechtshandelingen, welke met deze besluiten ten nauwste samenhangen" (r.o. 3). Uit het arrest Adams, gelezen in het licht van genoemde latere arresten van het Hof, volgt immers, dat enkel bij het ontbreken van een nauwe samenhang tussen de motivering van het bestreden besluit en het betrokken middel, dit middel niet-ontvankelijk moet worden verklaard krachtens de bepalingen inzake de beroepstermijnen, die van openbare orde zijn en waarvan in een dergelijke situatie niet kan worden afgeweken zonder het rechtszekerheidsbeginsel geweld aan te doen.
28 Onder deze omstandigheden kan het betoog van verweerster ter terechtzitting, dat de ontvankelijkheid van middelen die klagen over onregelmatigheid van de aankondiging van vergelijkend onderzoek en betrekking hebben op de motivering van het individuele besluit om de sollicitant niet toe te laten, in het licht van de concrete omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld, niet worden aanvaard. In het bijzonder zou het in strijd zijn met de rechtszekerheid en de rechtsbescherming van de betrokken sollicitanten om voor de ontvankelijkheid van dergelijke middelen te verlangen, dat er sprake is van dubbelzinnigheid of onduidelijkheid die ofwel inherent is aan de voorwaarden die in de aankondiging zelf worden genoemd, ofwel aan de wijze waarop de voorwaarden worden toegepast, gelet op de omstandigheden van het geval. Wanneer met dergelijke aspecten rekening moest worden gehouden, zou dat de belanghebbende voor lastige beoordelingsproblemen stellen bij de vraag, op welk moment hij zijn beroep moet instellen.
29 Bijgevolg moeten in casu de middelen ontleend aan onregelmatigheid van de in de aankondiging van vergelijkend onderzoek gestelde toelatingsvoorwaarden, ontvankelijk worden verklaard voor zover zij betrekking hebben op de motivering van het bestreden besluit. Het Gerecht stelt vast, dat er een dergelijk verband bestaat tussen de door verzoekster voorgedragen middelen en de motivering van het bestreden besluit. Verzoekster verlangt immers nietigverklaring van het besluit om haar niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten, op grond dat, kort gezegd, dat besluit berust op een toelatingsvoorwaarde die in de aankondiging van vergelijkend onderzoek is omschreven en die in strijd zou zijn met de bepalingen van het Statuut, het beginsel van gelijke behandeling en de vrije beroepsuitoefening, doordat zij sollicitanten met een universitair diploma van toelating uitsluit.
30 De door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet mitsdien worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
31 Ingevolge artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet ten aanzien van de kosten worden beslist in het arrest of de beschikking waardoor een einde komt aan het geding.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep in al zijn onderdelen ontvankelijk.
2) Houdt de beslissing omtrent de kosten aan.
Full & Egal Universal Law Academy