Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Ambtenaren - Vacature - Voorziening bij wege van bevordering of overplaatsing - Vergelijking van verdiensten van kandidaten - Modaliteiten - Beoordelingsbevoegdheid van administratie - Voorbereiding door administratieve diensten van beslissing van tot aanstelling bevoegd gezag - Toelaatbaarheid - Niet horen van alle kandidaten in elke fase van onderzoeksprocedure - Toelaatbaarheid - Grenzen - Gelijke behandeling
(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1)
2 Ambtenaren - Besluit dat ambtelijke positie van ambtenaar raakt - Inaanmerkingneming van gegevens die niet in zijn persoonsdossier zijn opgenomen - Ontoelaatbaarheid - Grenzen - Inaanmerkingneming, voor verlening van bevordering, en tezamen met andere gegevens, van vergelijkende beoordeling van bekwaamheden van sollicitanten door hun hiërarchieke meerdere
(Ambtenarenstatuut, art. 26 en 43)
Samenvatting
3 In het kader van een bevorderingsprocedure en, op overeenkomstige wijze, een overgangsprocedure dient het tot aanstelling bevoegd gezag volgens artikel 45, lid 1, van het Statuut zijn keuze te maken op basis van een onderlinge vergelijking van de beoordelingsrapporten en de respectieve verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten. Hiertoe beschikt het over de statutaire bevoegdheid om deze vergelijking te verrichten volgens de procedure of methode die het het meest geschikt acht. Het kan zich laten bijstaan door de administratieve diensten op de verschillende niveaus van de hiërarchische weg en is geenszins gehouden alle voor de beoordeling noodzakelijke gegevens zelf te verzamelen.
Bij de voorbereiding van zijn beslissing dient het tot aanstelling bevoegd gezag, alsmede de verschillende hiërarchieke verantwoordelijken die worden geraadpleegd, in elke fase van het onderzoek van de sollicitaties te beoordelen, of in dit stadium aanvullende inlichtingen of gegevens voor de beoordeling moeten worden verzameld door middel van een onderhoud met alle sollicitanten of met slechts enkelen van hen, teneinde met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen. Een dergelijke beoordelingsbevoegdheid is des te meer gerechtvaardigde daar de sollicitanten, die reeds bij de instelling in dienst zijn, bij haar diensten bekend zijn. In beginsel kunnen de sollicitanten daarom niet stellen, dat zij recht hebben om te worden gehoord. Alleen in het specifieke geval waarin het tot aanstelling bevoegd gezag heeft besloten zijn keuze te maken nadat, onder meer, alle sollicitanten een onderhoud hebben gehad met een verantwoordelijke van de dienst waaronder het vacante ambt valt, dient het ervoor te zorgen, dat iedere sollicitant in de loop van de betrokken procedure een dergelijk onderhoud heeft.
De aldus aan de administratie toegekende discretionaire bevoegdheid wordt echter beperkt door het vereiste dat de onderlinge vergelijking van de sollicitaties zorgvuldig en onpartijdig moet geschieden, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling. In de praktijk moet de onderlinge vergelijking van de verdiensten van de sollicitanten dus op voet van gelijkheid en aan de hand van vergelijkbare ambtsberichten en inlichtingen plaatsvinden.
4 De artikelen 26 en 43 van het Statuut strekken ertoe, het recht op verweer van de ambtenaar te waarborgen door te voorkomen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn ambtelijke positie en loopbaan rakende besluiten neemt op grond van gegevens betreffende zijn gedrag, die niet in zijn persoonsdossier zijn opgenomen. Een op dergelijke gegevens berustend besluit is in strijd met de waarborgen van het Statuut en moet, waar het is genomen na een niet regelmatige procedure, nietig worden verklaard.
Gezien in het licht van hun doelstelling, doelen voormelde bepalingen in beginsel niet op de adviezen van de hiërarchieke meerderen die worden geraadpleegd in het kader van een bevorderings- of overplaatsingsprocedure. Dergelijke adviezen behoeven immers niet ter kennis van de sollicitanten te worden gebracht, aangezien zij enkel een onderlinge vergelijking van hun kwalificaties en verdiensten bevatten, gebaseerd op feitelijke gegevens die in hun persoonsdossier zijn vermeld of de betrokkenen zijn medegedeeld, zodat zij reeds de gelegenheid hebben gehad hun opmerkingen te maken. Daar het belang van deze adviezen zich dus beperkt tot de betrokken benoemingsprocedure, vallen zij niet onder de regels van artikel 26 van het Statuut, die het recht van verweer van de ambtenaar beogen te waarborgen en de administratie op die manier de gelegenheid willen geven om met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen.
Dit is echter niet het geval wanneer die adviezen, naast de beoordelingen die voortvloeien uit de onderlinge vergelijking van de sollicitaties, gegevens bevatten over de kundigheid, prestaties of het gedrag van een sollicitant die vooraf niet aan zijn persoonsdossier waren toegevoegd. Het feit dat deze gegevens de betrokkene niet zijn medegedeeld, teneinde hem de gelegenheid te geven zijn opmerkingen te maken, kan de besluiten tot afwijzing van zijn sollicitatie en tot benoeming van een andere sollicitant echter alleen dan ongeldig maken, indien zij van beslissende invloed zijn geweest op de keus van het tot aanstelling bevoegd gezag.
Partijen
In zaak T-76/92,
J.-P. Tsirimokos, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Luxemburg, vertegenwoordigd door J.-N. Louis en T. Demaseure, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, jurisconsulte, bijgestaan door C. Pennera en J. Pantalis, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement tot afwijzing van verzoekers sollicitatie naar het op 8 juli 1991 vacant verklaarde ambt van hoofd van de Griekse vertaalafdeling, alsmede van het besluit houdende aanstelling van een andere kandidaat in dat ambt,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, kamerpresident, A. Saggio en C. P. Briët, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 15 juli 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Verzoeker, J.-P. Tsirimokos, die sinds 6 juli 1983 in dienst is van het Europees Parlement (hierna: "Parlement"), is reviseur in de rang LA 4. Oorspronkelijk was hij tewerkgesteld bij de Griekse vertaaldienst, die destijds tezamen met de gehele vertaaldienst onder het directoraat-generaal Griffie en algemene diensten (DG I) viel. Na een reorganisatie in 1984/1985 zijn de vertaaldiensten opgenomen in het directoraat-generaal Vertalingen en algemene diensten (DG VII). Tsirimokos werd in 1986 tewerkgesteld bij de afdeling "verslaglegging", die deel uitmaakt van de directie "voltallige zitting", welke ook na de reorganisatie onder DG I bleef vallen.
2 Bij kennisgeving van vacature nr. 6776 van 8 juli 1991 opende het tot aanstelling bevoegd gezag de procedure om binnen het kader van DG VII, om te beginnen door middel van bevordering of overplaatsing, te voorzien in het ambt van hoofd van de Griekse vertaalafdeling. Zeven sollicitanten, waaronder verzoeker, werden geacht in aanmerking te komen voor bevordering.
3 De sollicitaties werden onderzocht door de directeur vertalingen (hierna: "directeur"), de heer Wilson, die een persoonlijk gesprek had met vijf van de zeven sollicitanten, waaronder Tsirimokos. Met de twee andere sollicitanten, die op dat moment vakantieverlof hadden, had hij een telefonisch onderhoud. Na afloop van deze onderlinge vergelijking zond Wilson de directeur-generaal Vertalingen en algemene diensten (hierna: "directeur-generaal"), mevrouw Enterria, een advies waarin hij, gelijk blijkt uit de opmerkingen van verweerder, de respectieve verdiensten van de zeven kandidaten onderzocht aan de hand van de in de kennisgeving van vacature vereiste kwalificaties, en voorstelde één van deze kandidaten, de heer K., in het vacante ambt te benoemen. De directeur-generaal zelf had een gesprek met vier van de zeven sollicitanten (de heren D., K., M. en P.). Verzoeker had geen onderhoud met de directeur-generaal. Laatstgenoemde zond de directeur-generaal Personeel, begrotingen en financiën vervolgens een advies, waarin zij verslag deed van de uitkomst van haar onderzoek van de sollicitaties en voorstelde, zoals verweerder in zijn opmerkingen verklaart, om de reeds door de directeur voorgestelde sollicitant in het betrokken ambt te benoemen. Een dossier met daarin opgenomen het advies van de directeur-generaal en het overzicht van de vermeldingen in de beoordelingsrapporten van alle kandidaten werd aan de secretaris-generaal van het Parlement gezonden, die de voorzitter van het Parlement formeel voorstelde om in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag diezelfde sollicitant te benoemen. Dit voorstel ging vergezeld van bovengenoemd dossier. Bij besluit van 5 november 1991 besloot de voorzitter K. te bevorderen tot hoofd van de Griekse vertaalafdeling. Op 27 november 1991 werd verzoeker door middel van een standaardformulier in kennis gesteld van de afwijzing van zijn sollicitatie. Op 27 januari 1992 werd het personeel van het Parlement via het aanplakbord op de hoogte gesteld van het besluit om K. in het betrokken ambt te benoemen.
4 Op 25 februari 1992 diende verzoeker een klacht in tegen de beide besluiten houdende, respectievelijk, afwijzing van zijn sollicitatie en benoeming van K. Bij besluit van 25 juni 1992 wees de voorzitter van het Parlement deze klacht af.
5 Bij op 24 september ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker beroep ingesteld tot nietigverklaring van bovengenoemde besluiten tot afwijzing van zijn sollicitatie en tot benoeming van K. in het ambt van hoofd van de Griekse vertaalafdeling. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. De mondelinge behandeling vond plaats op 15 juli 1993.
Conclusies van partijen
6 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
- nietig te verklaren de benoeming van K. in het ambt van hoofd van de Griekse vertaalafdeling;
- nietig te verklaren het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie;
- verweerder in de kosten van de procedure te verwijzen.
Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- uitspraak te doen over de kosten naar recht.
Ten gronde
7 Verzoeker voert twee middelen aan. Het eerste is ontleend aan schending van artikel 45, lid 1, van het Statuut, bepalende dat bevordering "uitsluitend geschiedt (...), na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken". Het tweede middel houdt in, dat de nota over zijn verdiensten die, zoals voor iedere sollicitant, is opgesteld door de directeur-generaal, hem niet ter kennis is gebracht, hetgeen in strijd zou zijn met de rechten van de verdediging en met artikel 26 van het Statuut, dat in de eerste alinea bepaalt, dat het persoonsdossier van de ambtenaar dient in te houden: "a) alle bescheiden welke betrekking hebben op zijn positie als ambtenaar, alsmede alle beoordelingen van zijn kundigheden, zijn prestaties of zijn gedrag" en "b) de opmerkingen welke de betrokken ambtenaar ten aanzien van bovengenoemde stukken heeft gemaakt".
Het middel: ontbreken van een regelmatige onderlinge vergelijking van de sollicitaties
Argumenten van partijen
8 Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen. Verzoeker stelt in de eerste plaats, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet persoonlijk de in artikel 45, lid 1, van het Statuut bedoelde onderlinge vergelijking van de sollicitaties heeft verricht. In de tweede plaats heeft hij, in tegenstelling tot de andere kandidaten, geen onderhoud met de directeur-generaal gehad, hetgeen in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling en met het recht van de ambtenaren om te worden gehoord.
9 In het kader van dit middel herinnert verzoeker om te beginnen aan de vaste rechtspraak, dat wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, zoals dat het geval is bij bevordering, "de naleving van de door de communautaire rechtsorde in administratieve procedures geboden waarborgen des te meer van fundamenteel belang is", en dat "tot die waarborgen met name behoren de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, het recht van de belanghebbende om zijn standpunt kenbaar te maken, en zijn recht op een beschikking die voldoende gemotiveerd is" (arrest Hof van 21 november 1991, zaak C-269/90, Technische Universitaet Muenchen, Jurispr. 1991, blz. I-5469, en arrest Gerecht van 12 februari 1992, zaak T-52/90, Volger, Jurispr. 1992, blz. II-121).
10 Krachtens deze beginselen en artikel 45, lid 1, eerste alinea, van het Statuut diende het tot aanstelling bevoegd gezag volgens verzoeker in de eerste plaats de onderlinge vergelijking van de sollicitaties persoonlijk te verrichten, en diende het er in de tweede plaats voor te zorgen, dat alle sollicitanten door de directeur-generaal konden worden gehoord.
11 Wat meer in het bijzonder het eerste onderdeel van dit middel betreft aangaande de onderlinge vergelijking van zijn sollicitatie door het tot aanstelling bevoegd gezag, beklemtoont verzoeker, dat de voorzitter van het Parlement deze vergelijking enkel heeft verricht op basis van de nota van de directeur-generaal en van het voorstel dat de secretaris-generaal had gedaan op basis van een dossier dat uitsluitend "het overzicht van de verschillende beoordelingsrapporten en het gedetailleerde onderzoek uit de nota van de directeur-generaal" bevatte. De voorzitter heeft de persoonsdossiers van de verzoekers dus niet geraadpleegd, noch heeft hij, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, hun verdiensten alsmede de over hen uitgebrachte beoordelingsrapporten onderling vergeleken, hetgeen in strijd is met artikel 45 van het Statuut.
12 Wat het tweede onderdeel van ditzelfde middel betreft, stelt verzoeker, dat het feit dat hij in tegenstelling tot de andere sollicitanten geen onderhoud met de directeur-generaal heeft gehad, hem de mogelijkheid heeft ontnomen onder dezelfde voorwaarden als deze kandidaten zijn sollicitatie toe te lichten, hetgeen in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren in samenhang met hun recht om te worden gehoord. Deze onregelmatigheid zou het advies van de directeur-generaal aan de secretaris-generaal ongeldig hebben gemaakt, waardoor ook het voorstel van laatstgenoemde aan de voorzitter en het eindresultaat van de betrokken bevorderingsprocedure ongeldig zijn. Tot staving van deze stelling voert verzoeker aan, dat "het tot aanstelling bevoegd gezag verplicht was rekening te houden met het bovengenoemd advies en voorstel, ook al meende het hiervan te moeten afwijken". Hij baseert zich in dit verband op het arrest van het Gerecht van 30 januari 1992 (zaak T-25/90, Schoenherr, Jurispr. 1992, blz. II-63).
13 Het Parlement betwist de gegrondheid van de twee onderdelen van dit eerste middel. Wat het eerste onderdeel betreft aangaande het feit dat het tot aanstelling bevoegd gezag de verdiensten van de sollicitanten niet onderling zou hebben vergeleken, betoogt het Parlement, dat de voorzitter na het benoemingsvoorstel van de secretaris-generaal over alle noodzakelijke gegevens beschikte om een dergelijke vergelijking te kunnen maken. Zo beschikte hij over de lijst van de zeven sollicitanten, het overzicht van de vermeldingen in hun respectieve beoordelingsrapporten, het uitvoerige advies van de directeur-generaal, de hoogste hiërarchieke dienstgraad waaronder de vacante post valt, en het advies van de directeur-generaal Personeel, begrotingen en financiën. Onder deze omstandigheden is het Parlement van mening, dat de voorzitter de onderlinge vergelijking van de verdiensten van de sollicitanten persoonlijk heeft verricht.
14 Ten aanzien van het tweede onderdeel van dit middel betreffende het feit dat bepaalde sollicitanten vooraf niet zouden zijn gehoord, stelt het Parlement, dat de in deze zaak gevolgde procedure volledig in overeenstemming was met de in het arrest Volger (reeds aangehaald) neergelegde beginselen. In dit arrest wordt immers slechts verklaard, dat de administratie gebonden is aan de door haar vastgestelde procedure. In het kader van de in artikel 45 van het Statuut bedoelde onderlinge vergelijking van de sollicitaties behoeft de administratie enkel wanneer zij heeft besloten de sollicitanten te horen, alle sollicitanten te horen. Het Parlement meent, dat in de onderhavige zaak de gelijke behandeling volledig is verzekerd, aangezien alle sollicitanten door de directeur zijn gehoord. Het feit dat bepaalde sollicitanten vervolgens opnieuw zijn gehoord door de directeur-generaal, is niet in strijd met het beginsel van gelijke behandeling.
Beoordeling door het Gerecht
15 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat artikel 45, lid 1, eerste alinea, van het Statuut bepaalt: "Bevordering vindt plaats bij besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag. (...) Bevordering geschiedt uitsluitend bij keuze uit die ambtenaren welke reeds een minimumdiensttijd in hun rang hebben, na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken."
16 Hieruit volgt duidelijk, dat het tot aanstelling bevoegd gezag in het kader van een bevorderingsprocedure en, op overeenkomstige wijze, een overplaatsingsprocedure zijn keuze dient te maken op basis van een onderlinge vergelijking van de beoordelingsrapporten en de respectieve verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten. Hiertoe beschikt het volgens vaste rechtspraak over de statutaire bevoegdheid om deze vergelijking te verrichten volgens de procedure of methode die het het meest geschikt acht (zie onder meer arrest Hof van 1 juli 1976, zaak 62/75, De Wind, Jurispr. 1976, blz. 1167, r.o. 17, en arrest Gerecht van 10 juli 1992, zaak T-53/91, Mergen, Jurispr. 1992, blz. II-2041, r.o. 30).
17 In het kader van die vergelijking dient het tot aanstelling bevoegd gezag dus te beschikken over alle gegevens om de respectieve verdiensten van de sollicitanten te beoordelen. Daartoe laat het zich bijstaan door de administratieve diensten op verschillend niveau van de hiërarchische weg, overeenkomstig de beginselen die inherent zijn aan elke administratieve organisatie die hiërarchisch is opgebouwd en die gestalte hebben gekregen in artikel 21, eerste alinea, van het Statuut, bepalende dat "iedere ambtenaar, ongeacht de rang welke hij in het ambtelijk bestel bekleedt, verplicht is zijn meerderen bij te staan en van raad te dienen; hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken welke hem zijn toevertrouwd".
18 In casu kan het tot aanstelling bevoegd gezag daarom niet worden verweten, dat het niet zelf alle voor de beoordeling noodzakelijke gegevens heeft verzameld, door de beoordelingsrapporten en de persoonsdossiers van de sollicitanten persoonlijk aan een onderlinge vergelijking te onderwerpen, volgens de door verzoeker in het kader van het eerste onderdeel van dit middel verdedigde stelling. Onderzoek van het dossier toont immers aan, dat het tot aanstelling bevoegd gezag beschikte over alle voor de beoordeling noodzakelijke gegevens, die onder meer waren verzameld op basis van een gedegen onderzoek van de sollicitanten, dat in elke fase van de bevorderingsprocedure was verricht aan de hand van een nauwkeurige vergelijking van hun beoordelingsrapporten en respectieve verdiensten. Met name het advies van de directeur, die een onderhoud heeft gehad met alle sollicitanten, en de directeur-generaal geven aan, dat het tot aanstelling bevoegd gezag ervoor heeft gezorgd, bij de verantwoordelijken van de diensten waartoe het vacante ambt behoort alle relevante inlichtingen te verzamelen, opdat het in staat was met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen. Het heeft daarom op wettige wijze zijn keuze kunnen maken op basis van het voorstel van de secretaris-generaal, waarbij het uitvoerige advies van de directeur-generaal en het overzicht van de vermeldingen in de respectieve beoordelingsrapporten van alle sollicitanten waren gevoegd.
19 Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de sollicitaties, waaronder die van verzoeker, overeenkomstig artikel 45, lid 1, van het Statuut onderling heeft vergeleken. Mitsdien moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
20 Wat het tweede onderdeel van dit middel betreft, ontleend aan de schending van het beginsel van gelijke behandeling in samenhang met het recht om te worden gehoord, zij er vooraf aan herinnerd, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, in het kader van de hem toegekende beoordelingsvrijheid bij het definiëren van de modaliteiten van de onderlinge vergelijking van de sollicitaties, alsmede de verschillende hiërarchieke verantwoordelijken die in de loop van de betrokken bevorderings- of overplaatsingsprocedure worden geraadpleegd, in elke fase van het onderzoek van de sollicitaties dienen te beoordelen, of in die fase aanvullende inlichtingen of gegevens voor de beoordeling moeten worden verzameld door middel van een onderhoud met alle sollicitanten of met slechts enkelen van hen, teneinde met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen. Een dergelijke beoordelingsbevoegdheid, die het Hof in zijn arrest van 30 mei 1984 (zaak 111/83, Picciolo, Jurispr. 1984, blz. 2323, r.o. 10-13) heeft erkend voor een aanwervings- of overgangsprocedure, moet de administratie a fortiori worden toegekend in het kader van een bevorderings- of overplaatsingsprocedure waarin de sollicitanten, zoals in de onderhavige zaak, reeds bij de betrokken instelling in dienst zijn en bij haar diensten bekend. In beginsel kunnen de sollicitanten daarom niet stellen, van rechtswege recht te hebben om te worden gehoord. Alleen in het specifieke geval waarin het tot aanstelling bevoegd gezag heeft besloten zijn keuze te maken nadat, onder meer, alle sollicitanten een onderhoud hebben gehad met een verantwoordelijke van de dienst waaronder het vacante ambt valt, dient het ervoor te zorgen, dat iedere sollicitant in de loop van de betrokken procedure een dergelijk onderhoud heeft, zodat het zijn sollicitatie daadwerkelijk kan onderzoeken aan de hand van alle gegevens waarop het zijn keuze wil baseren, gelijk ook volgt uit het arrest Volger (reeds aangehaald, inzonderheid r.o. 27-29).
21 De aldus aan de administratie toegekende discretionaire bevoegdheid wordt echter beperkt door het vereiste dat de onderlinge vergelijking van de sollicitaties zorgvuldig en onpartijdig moet geschieden, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren, dat in algemene bewoordingen is neergelegd in artikel 5, lid 3, van het Statuut, dat bepaalt: "Voor de ambtenaren die tot eenzelfde categorie of groep behoren, gelden onderscheidenlijk dezelfde bepalingen met betrekking tot aanwerving en loopbaan." In de praktijk moet de onderlinge vergelijking van de verdiensten van de sollicitanten dus op voet van gelijkheid en aan de hand van vergelijkbare ambtsberichten en inlichtingen plaatsvinden, gelijk het Hof oordeelde in zijn arrest van 7 juli 1964 (zaak 97/63, De Pascale, Jurispr. 1964, blz. 1063, 1088).
22 In de onderhavige zaak moet derhalve worden vastgesteld, of de procedure van het onderzoek van verzoekers sollicitatie, gelet op de zojuist genoemde beginselen, gelijk hij stelt, als ongeldig moet worden aangemerkt, omdat hij in tegenstelling tot vier van de zes andere voor bevordering in aanmerking komende sollicitanten, met name de sollicitant die uiteindelijk is bevorderd, geen onderhoud met de directeur-generaal heeft gehad. Hiertoe moet om te beginnen worden nagegaan, of het tot aanstelling bevoegd gezag in het kader van de procedure van de onderlinge vergelijking van sollicitaties die het in deze zaak had gekozen, wilde dat iedere sollicitant een onderhoud zou hebben met de directeur-generaal. Indien dit niet zijn bedoeling was, is het toch van belang na te gaan, of de directeur-generaal verzoekers sollicitatie onder non-discriminatoire voorwaarden heeft onderzocht, dat wil zeggen op basis van inlichtingen en gegevens die vergelijkbaar zijn met die waarop hij zich heeft gebaseerd wat betreft de vier sollicitanten die hij heeft gehoord.
23 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of de procedure van de onderlinge vergelijking van de sollicitaties die het tot aanstelling bevoegd gezag had gekozen, jegens verzoeker is geëerbiedigd, stelt het Gerecht vast, dat niets in het dossier erop wijst, dat dit gezag zijn beoordeling van de verdiensten van de sollicitanten onder meer heeft willen baseren op een onderhoud van elk van hen met de directeur-generaal. In dit opzicht onderscheidt de onderhavige zaak zich van de in het arrest Volger in geding zijnde feiten, waarop verzoeker zich beroept. In casu blijkt uit het besluit van de voorzitter van het Parlement van 25 juni 1992, waarbij de klacht werd afgewezen, immers duidelijk, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de bestreden besluiten heeft genomen overeenkomstig de procedure die het wilde volgen, dat wil zeggen na een voorstel dat de secretaris-generaal heeft gedaan na raadpleging van de verantwoordelijken van de diensten waaronder het vacante ambt viel, in dit geval de directeur Vertalingen en de directeur-generaal Vertalingen en algemene diensten. Dienaangaande beklemtoont het tot aanstelling bevoegd gezag in datzelfde besluit uitdrukkelijk, dat de directeur in het kader van de betrokken procedure alle sollicitanten heeft gehoord. Het feit dat in het antwoord op de klacht niet wordt verwezen naar een onderhoud met de directeur-generaal lijkt dus juist te bevestigen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet voor alle betrokkenen een dergelijk onderhoud heeft beoogd. Alleen de directeur-generaal diende derhalve te beoordelen, of in een onderhoud over een bepaalde sollicitant aanvullende gegevens moesten worden verkregen.
24 Onder deze omstandigheden moet in de tweede plaats worden nagegaan, of de directeur-generaal verzoekers sollicitatie heeft onderzocht op basis van inlichtingen die vergelijkbaar zijn met de inlichtingen die hem ter beschikking stonden over de sollicitanten, zoals K., de uiteindelijk benoemde kandidaat, die hij een onderhoud heeft gegeven. Blijkens het dossier heeft de directeur-generaal zijn beoordeling kunnen baseren op het advies dat de directeur heeft uitgebracht na een onderhoud met alle sollicitanten, waaronder verzoeker, en op de onderlinge vergelijking van hun beoordelingsrapporten of persoonsdossiers die hem ter beschikking stonden. Op basis van deze verschillende gegevens kon hij overeenkomstig de hierboven reeds genoemde beginselen op discretionaire wijze beoordelen, of het noodzakelijk was bepaalde sollicitanten te horen, teneinde zijn informatie aan te vullen of, zoals verweerder in zijn verweerschrift uiteenzet, om "de nauwkeurige beoordeling van de directeur nader te preciseren". Onder deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat de directeur-generaal, zonder de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid te overschrijden, er terecht van heeft kunnen uitgaan, dat hij wat verzoeker betreft over voldoende informatie beschikte.
25 In het kader van deze beoordeling kon de directeur-generaal immers normaliter terecht vertrouwen op, met name, het advies van de directeur over de sollicitatie van verzoeker, die tot dezelfde diensten behoorde als die directeur, die zijn tweede beoordelaar was. De directeur-generaal kan dus geenszins worden verweten rekening te hebben gehouden met dat advies, dat hem overigens niet bond, en op die basis de onderlinge vergelijking van de sollicitaties te hebben voortgezet.
26 Het argument dat aan verzoekers stelling te gronde ligt en volgens hetwelk een onderhoud met de directeur-generaal hem niet alleen de gelegenheid zou hebben gegeven zijn sollicitatie toe te lichten, maar eveneens om enkele doorslaggevende gegevens recht te zetten die volgens hem verkeerd waren opgenomen in het advies van de directeur en door de directeur-generaal in zijn eigen advies waren overgenomen, stemt in diezelfde gedachtengang overeen met het tweede middel, ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en van artikel 26 van het Statuut. Dit argument zal daarom te zamen met het tweede middel worden onderzocht.
27 Hieruit volgt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, door er niet voor te zorgen dat verzoeker evenals de andere sollicitanten een onderhoud heeft gehad met de directeur-generaal, niet het beginsel van gelijke behandeling in samenhang met het recht om te worden gehoord heeft geschonden.
28 Mitsdien moeten de beide onderdelen van het eerste middel als ongegrond worden afgewezen.
Het middel: schending van het recht om te worden gehoord en van artikel 26 van het Statuut
Argumenten van partijen
29 In het kader van dit tweede, door verzoeker in repliek aangevoerde middel stelt hij, dat hij voor het eerst in het verweerschrift kennis heeft gekregen van de nota van de directeur-generaal, waarin de kwalificaties van iedere sollicitant ten opzichte van de vereisten van de vacante post werden beoordeeld. In zijn advies had de directeur gesteld, dat hij in zijn loopbaan geen verantwoordelijkheden op het gebied van het beleid had gedragen, terwijl dit punt in de onderhavige zaak van bijzonder belang was. Verzoeker betoogt, dat de administratie de rechten van de verdediging en artikel 26 van het Statuut heeft geschonden, door hem dit advies niet toe te zenden en het evenmin toe te voegen aan zijn dossier, zonder hem zelfs maar de mogelijkheid te hebben gegeven in een onderhoud te worden gehoord door de directeur-generaal. Ter terechtzitting heeft verzoeker gepreciseerd, dat hij, in tegenstelling tot hetgeen de directeur in zijn advies stelt, vóór zijn indiensttreding beleidservaring heeft opgedaan en dat een aantal getuigschriften die in zijn persoonsdossier zijn opgenomen dit bevestigen. Deze vergissing had kunnen worden gecorrigeerd, indien hij door de directeur-generaal was gehoord. Uitsluitend omdat een dergelijk onderhoud niet heeft plaatsgevonden, had het advies van de directeur-generaal hem moeten worden gezonden, voor zover de daarin opgenomen beoordelingen niet volgden uit zijn beoordelingsrapporten, zodat hij overeenkomstig artikel 26 van het Statuut zijn opmerkingen had kunnen maken. De administratie dient aan te tonen, dat een dergelijk verzuim geen beslissende invloed heeft gehad op de keuze van het tot aanstelling bevoegd gezag.
30 Het Parlement stelt, dat bovengenoemde adviezen voorbereidende documenten vormen voor de bevordering. Hun betekenis beperkt zich tot de betrokken procedure en de daarin opgenomen beoordelingen vallen dus niet onder artikel 26 van het Statuut. Deze beoordelingen vormen een onlosmakelijk geheel, en teneinde de noodzakelijke vertrouwelijkheid zowel in het belang van het goed functioneren van de dienst als van de sollicitanten veilig te stellen, behoeven zij dus niet te worden meegedeeld aan de betrokkenen.
31 Ter terechtzitting heeft het Parlement bovendien verklaard, dat, anders dan in de zaak Rittweger (arrest van 3 februari 1971, zaak 21/70, Jurispr. 1971, blz. 7), bovengenoemde nota's in deze zaak geen beslissende en rechtstreekse invloed hebben gehad op de bestreden besluiten, die voornamelijk zouden zijn gebaseerd op de onderlinge vergelijking van de beoordelingsrapporten.
Beoordeling door het Gerecht
32 Artikel 26 van het Statuut bepaalt, dat het persoonsdossier van de ambtenaar dient in te houden: "a) (...) alle beoordelingen van zijn kundigheden, zijn prestaties of zijn gedrag" en "b) de opmerkingen welke de betrokken ambtenaar ten aanzien van bovengenoemde stukken heeft gemaakt". Ditzelfde artikel bepaalt: "Stukken, bedoeld onder a), kan de instelling niet tegen de ambtenaar aanvoeren noch te zijnen nadele gebruiken, indien zij hem niet zijn medegedeeld voordat ze aan het dossier worden toegevoegd." Volgens artikel 43 van het Statuut wordt het periodiek rapport inzake de bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst van iedere ambtenaar, hem ter kennis gebracht en is deze bevoegd "hieraan alle opmerkingen toe te voegen die hij dienstig acht".
33 Volgens vaste rechtspraak strekken voormelde bepalingen ertoe, het recht op verweer van de ambtenaar te waarborgen door te voorkomen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn ambtelijke positie en loopbaan rakende besluiten neemt op grond van gegevens betreffende zijn gedrag, die niet in zijn persoonsdossier zijn opgenomen. Hieruit volgt, dat een op dergelijke gegevens berustend besluit in strijd is met de waarborgen van het Statuut en, waar het is genomen na een niet regelmatig gevoerde procedure, moet worden nietig verklaard (zie arrest Rittweger, reeds aangehaald, r.o. 29-41, en arresten Hof van 28 juni 1972, zaak 88/71, Brasseur, Jurispr. 1972, blz. 499, r.o. 9-11; 12 februari 1987, zaak 233/85, Bonino, Jurispr. 1987, blz. 739, r.o. 11, en arrest Gerecht van 5 december 1990, zaak T-82/89, Marcato, Jurispr. 1990, blz. II-735, r.o. 78).
34 Zo gezien doelen voormelde bepalingen in beginsel niet op de adviezen van de hiërarchieke meerderen die worden geraadpleegd in het kader van een bevorderings- of overplaatsingsprocedure. Dergelijke adviezen behoeven immers niet ter kennis van de betrokken sollicitanten te worden gebracht, aangezien zij enkel een onderlinge vergelijking van hun kwalificaties en verdiensten bevatten, gebaseerd op feitelijke gegevens die in hun persoonsdossier zijn vermeld of de betrokkenen zijn medegedeeld, zodat zij reeds de gelegenheid hebben gehad hun opmerkingen te maken. Het belang van deze adviezen beperkt zich dus tot de betrokken benoemingsprocedure. Zij vertolken de beoordelingsbevoegdheid waarover de administratie op dit punt beschikt en vallen niet onder de regels van artikel 26 van het Statuut, die het recht van verweer van de ambtenaar beogen te waarborgen en de administratie op die manier de gelegenheid willen geven met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen.
35 Dit is echter niet het geval wanneer die adviezen, naast de beoordelingen die voortvloeien uit de onderlinge vergelijking van de sollicitaties, gegevens bevatten over de kundigheden, prestaties of het gedrag van een sollicitant die vooraf niet aan zijn persoonsdossier waren toegevoegd. In een dergelijk geval verplicht artikel 26 van het Statuut de administratie deze gegevens in het persoonsdossier van de betrokkene op te nemen, gelijk het Hof oordeelde in het arrest Bonino (reeds aangehaald, r.o. 12). Niettemin zij opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak het feit dat deze gegevens de betrokkene niet zijn medegedeeld en hij dus niet de mogelijkheid heeft gehad hierover opmerkingen te maken, de besluiten tot afwijzing van zijn sollicitatie en tot benoeming van een andere sollicitant alleen dan ongeldig maken, indien zij "van beslissende invloed zijn geweest op de keus van het tot aanstelling bevoegd gezag" (zie arresten Rittweger, reeds aangehaald, r.o. 35, en Brasseur, reeds aangehaald, r.o. 18).
36 In het licht van de zojuist genoemde beginselen moet in de onderhavige zaak om te beginnen worden vastgesteld, dat, anders dan verzoeker stelt, de uitkomst van de beoordeling van zijn kundigheden ten opzichte van de specifieke vereisten van het ambt waarnaar hij solliciteerde, hem in geen geval moest worden medegedeeld en aan zijn persoonsdossier worden toegevoegd. Evenmin had verzoeker recht om door de directeur-generaal te worden gehoord, teneinde in de fase van de onderlinge vergelijking, die onder de discretionaire bevoegdheid van de administratie valt en daarom geen contradictoir karakter kan dragen, zijn sollicitatie toe te lichten. Dergelijke regels worden niet beïnvloed door de door verzoeker aangevoerde omstandigheid, dat de bedoelde vergelijkende beoordelingen niet volgden uit zijn beoordelingsrapporten. Volgens artikel 45, lid 1, van het Statuut heeft de onderlinge vergelijking immers niet alleen betrekking op de beoordelingsrapporten, maar eveneens op de respectieve verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende sollicitanten. Gelijk het Gerecht oordeelde in zijn arrest van 25 februari 1992 (zaak T-11/91, Schloh, Jurispr. 1992, blz. II-203, r.o. 52) is die beoordeling gebaseerd op een hele reeks gegevens, die niet per se in de persoonsdossiers zijn te vinden.
37 Wat meer in het bijzonder verzoekers argument betreft, dat hij op grond van de rechten van de verdediging en artikel 26 van het Statuut ofwel het advies van de directeur-generaal had moeten ontvangen, waarin melding werd gemaakt van het feit dat hij geen beleidservaring had, ofwel vooraf door diezelfde directeur-generaal had moeten worden gehoord, teneinde die verklaring te kunnen loochenen, merkt het Gerecht om te beginnen op, dat het de betrokkene vrijstond bij zijn sollicitatieformulier alle informatie te voegen die hij nuttig achtte, met name betreffende de ervaring die hij vóór zijn indiensttreding bij het Parlement had opgedaan, zelfs al waren getuigschriften over die ervaring aan zijn persoonsdossier toegevoegd, gelijk hij ter terechtzitting stelde. Opgemerkt zij evenwel, dat een dergelijke ervaring in het kader van het verloop van de loopbaan van de ambtenaar niet dezelfde beslissende betekenis kan hebben als bij de Gemeenschappen opgedane ervaring, en in het bijzonder als de beoordelingen die zijn meerderen hebben uitgebracht over zijn prestaties in het kader van de uitoefening van zijn taken.
38 Onder deze omstandigheden volstaat het op te merken, dat de verwijzing in het bedoelde advies naar het gebrek aan beleidservaring van verzoeker aldus moet worden opgevat, dat deze meer in het bijzonder betrekking heeft op de verantwoordelijkheden die de betrokkene gedurende zijn loopbaan als ambtenaar heeft gedragen. Vanuit die invalshoek moet worden vastgesteld, dat het advies niet in tegenspraak was met de beoordelingsrapporten van de betrokkene en dat het dus niet overeenkomstig artikel 26 van het Statuut aan zijn persoonsdossier diende te worden toegevoegd.
39 Bovendien stelt het Gerecht hoe dan ook vast, dat de vermelding van het gebrek aan beleidservaring in de onderhavige zaak geen beslissende invloed heeft gehad op de inhoud van de bestreden besluiten. Onderzoek van de dossierstukken en met name de beoordelingsrapporten toont immers aan, dat de redenen ontleend aan de vergelijking van de vermeldingen die verzoeker en de bevorderde sollicitant in hun beoordelingsrapport hebben gekregen, in voldoende mate rechtvaardigen waarom de administratie in elke opeenvolgende fase van de betrokken procedure aan laatstgenoemde de voorkeur heeft gegeven. Uit het besluit van 25 juni 1992 tot afwijzing van de klacht blijkt duidelijk, dat de keuze van het tot aanstelling bevoegd gezag voornamelijk was gebaseerd op de onderlinge vergelijking van de beoordelingsrapporten. Na te hebben verklaard, dat de directeur en vervolgens de directeur-generaal deze rapporten aan een uitvoerig, diepgaand en vergelijkend onderzoek hadden onderworpen, stelde het tot aanstelling bevoegd gezag in dat besluit, dat "in deze fase is gebleken, dat afgezien van de kwaliteit van [verzoekers] persoonlijke verdiensten en kennis, [zijn] beoordelingsrapport lager was dan dat van een aantal andere sollicitanten, die in ruimere mate [dan hij] voldeden aan de in kennisgeving van vacature nr. 6776 vereiste voorwaarden en kwalificaties". Volgens de informatie uit het verweerschrift lag de puntenwaardering van de bevorderde sollicitant voor het referentietijdvak 1989/1991 bruto gezien vijf punten en gecorrigeerd negen punten hoger dan die van verzoeker. Gelet op de grootte van dit verschil lijken de door verzoeker betwiste gegevens, waarnaar de adviezen van de directeur en de directeur-generaal voor zijn beleidservaring verwijzen, geen beslissende invloed te kunnen hebben gehad op de keuze van het tot aanstelling bevoegd gezag.
40 Onder deze omstandigheden kan het feit dat deze gegevens verzoeker niet zijn medegedeeld en deze evenmin aan zijn dossier zijn toegevoegd, in geen geval de regelmatigheid van de bestreden besluiten aantasten.
41 Uit een en ander volgt, dat het tweede middel, ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en van artikel 26 van het Statuut, moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
42 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Volgens artikel 88 van ditzelfde Reglement blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden, de kosten door de instellingen gemaakt echter te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy