Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Ambtenaren - Vacature - Voorziening bij wege van bevordering of overplaatsing - Vergelijking van verdiensten van kandidaten - Modaliteiten - Beoordelingsbevoegdheid van administratie - Niet horen van alle kandidaten in elke fase van onderzoeksprocedure - Toelaatbaarheid - Grenzen - Gelijke behandeling
(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1)
2 Ambtenaren - Besluit dat ambtelijke positie van ambtenaar raakt - Inaanmerkingneming van gegevens die niet in zijn persoonsdossier zijn opgenomen - Ontoelaatbaarheid - Grenzen - Inaanmerkingneming, voor verlening van bevordering, en tezamen met andere gegevens, van vergelijkende beoordeling van bekwaamheden van sollicitanten door hun hiërarchieke meerdere
(Ambtenarenstatuut, art. 26 en 43)
3 Ambtenaren - Vacature - Voorziening bij wege van bevordering of overplaatsing - Vergelijking van verdiensten van kandidaten - Beoordelingsbevoegdheid van administratie - Rechterlijk toezicht - Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1)
4 Ambtenaren - Bevordering - Klacht van niet bevorderde kandidaat - Afwijzing - Motivering - Draagwijdte
(Ambtenarenstatuut, art. 45, lid 1, en 90, lid 2)
5 Ambtenaren - Beroep - Beroep dat vordering tot nietigverklaring en vordering tot schadevergoeding omvat - Vorderingen, gebaseerd op verschillende oorzaken - Voorwaarden voor ontvankelijkheid van vordering tot schadevergoeding
(Ambtenarenstatuut, art. 90 en 91)
Samenvatting
6 In het kader van een bevorderingsprocedure en, op overeenkomstige wijze, een overgangsprocedure dient het tot aanstelling bevoegd gezag volgens artikel 45, lid 1, van het Statuut zijn keuze te maken op basis van een onderlinge vergelijking van de beoordelingsrapporten en de respectieve verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende kandidaten. Hiertoe beschikt het over de statutaire bevoegdheid om deze vergelijking te verrichten volgens de procedure of methode die het het meest geschikt acht.
Het tot aanstelling bevoegd gezag, alsmede de verschillende hiërarchieke verantwoordelijken die worden geraadpleegd, dienen in elke fase van het onderzoek van de sollicitaties te beoordelen, of in dit stadium aanvullende inlichtingen of gegevens voor de beoordeling moeten worden verzameld door middel van een onderhoud met alle sollicitanten of met slechts enkelen van hen, teneinde met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen. Een dergelijke beoordelingsbevoegdheid is des te meer gerechtvaardigd daar de sollicitanten, die reeds bij de instelling in dienst zijn, bij haar diensten bekend zijn. In beginsel kunnen de sollicitanten daarom niet stellen, dat zij recht hebben om te worden gehoord. Alleen in het specifieke geval waarin het tot aanstelling bevoegd gezag heeft besloten zijn keuze te maken nadat, onder meer, alle sollicitanten een onderhoud hebben gehad met een verantwoordelijke van de dienst waaronder het vacante ambt valt, dient het ervoor te zorgen, dat iedere sollicitant in de loop van de betrokken procedure een dergelijk onderhoud heeft.
De aldus aan de administratie toegekende discretionaire bevoegdheid wordt echter beperkt door het vereiste dat de onderlinge vergelijking van de sollicitaties zorgvuldig en onpartijdig moet geschieden, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling. In de praktijk moet de onderlinge vergelijking van de verdiensten van de sollicitanten dus op voet van gelijkheid en aan de hand van vergelijkbare ambtsberichten en inlichtingen plaatsvinden.
7 De artikelen 26 en 43 van het Statuut strekken ertoe, het recht op verweer van de ambtenaar te waarborgen door te voorkomen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn ambtelijke positie en loopbaan rakende besluiten neemt op grond van gegevens betreffende zijn gedrag, die niet in zijn persoonsdossier zijn opgenomen. Een op dergelijke gegevens berustend besluit is in strijd met de waarborgen van het Statuut en moet, waar het is genomen na een niet regelmatige procedure, nietig worden verklaard.
Gezien in het licht van hun doelstelling, doelen voormelde bepalingen in beginsel niet op de adviezen van de hiërarchieke meerderen die worden geraadpleegd in het kader van een bevorderings- of overplaatsingsprocedure. Dergelijke adviezen behoeven immers niet ter kennis van de sollicitanten te worden gebracht, aangezien zij enkel een onderlinge vergelijking van hun kwalificaties en verdiensten bevatten, gebaseerd op feitelijke gegevens die in hun persoonsdossier zijn vermeld of de betrokkenen zijn medegedeeld, zodat zij reeds de gelegenheid hebben gehad hun opmerkingen te maken. Daar het belang van deze adviezen zich dus beperkt tot de betrokken benoemingsprocedure, vallen zij niet onder de regels van artikel 26 van het Statuut, die het recht van verweer van de ambtenaar beogen te waarborgen en de administratie op die manier de gelegenheid willen geven om met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen.
Dit is echter niet het geval wanneer die adviezen, naast de beoordelingen die voortvloeien uit de onderlinge vergelijking van de sollicitaties, gegevens bevatten over de kundigheid, de prestaties of het gedrag van een sollicitant die vooraf niet aan zijn persoonsdossier waren toegevoegd. Het feit dat deze gegevens de betrokkene niet zijn medegedeeld, teneinde hem de gelegenheid te geven zijn opmerkingen te maken, kan de besluiten tot afwijzing van zijn sollicitatie en tot benoeming van een andere sollicitant, zelfs indien dit een schending van artikel 26 van het Statuut vormt, echter alleen dan ongeldig maken, indien zij van beslissende invloed zijn geweest op de keus van het tot aanstelling bevoegd gezag.
8 Het tot aanstelling bevoegd gezag beschikt bij de onderlinge vergelijking van de respectieve verdiensten van de voor bevordering of overplaatsing in aanmerking komende sollicitanten over een ruime beoordelingsbevoegdheid en de controle van het Gerecht moet zich beperken tot de vraag, of het tot aanstelling bevoegd gezag niet op kennelijk onjuiste wijze van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt of met een ander doel dan waartoe die bevoegdheid hem is verleend.
9 Ook al dient het tot aanstelling bevoegd gezag een besluit tot afwijzing van een sollicitatie te motiveren, althans in het stadium van de afwijzing van de klacht tegen een dergelijk besluit, het kan zich beperken tot een beknopte motivering die betrekking heeft op het voorhanden zijn van de wettelijke voorwaarden waarvan het Statuut de regelmatigheid van een bevordering afhankelijk stelt.
10 Wanneer een ambtenaar in het kader van een beroep tot nietigverklaring een vordering tot schadevergoeding indient, die geen verband houdt met dat beroep, moet de ontvankelijkheid van deze vordering worden onderzocht los van die van de conclusies tot nietigverklaring. Een dergelijke vordering is alleen ontvankelijk indien zij is voorafgegaan door een precontentieuze procedure in de zin van de artikelen 90 en 91 van het Statuut.
Partijen
In zaak T-78/92,
A. Perakis, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Rameldange (Luxemburg), vertegenwoordigd door C. Tagaras, advocaat te Thessaloniki, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E. Korn, advocaat aldaar, Rue de Nassau 21,
verzoeker,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door J. Campinos, jurisconsulte, bijgestaan door C. Pennera en J. Pantalis, leden van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement tot afwijzing van verzoekers sollicitatie naar het op 8 juli 1991 vacant verklaarde ambt van hoofd van de Griekse vertaalafdeling, alsmede van het besluit tot aanstelling van een andere sollicitant in dat ambt,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Vierde kamer),
samengesteld als volgt: C. W. Bellamy, kamerpresident, A. Saggio en C. P. Briët, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 15 juli 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Verzoeker, A. Perakis, trad op 1 januari 1981 als vertaler in dienst bij het Europees Parlement (hierna: "Parlement"). Bij besluit van 25 februari 1985 werd hij bevorderd tot de rang LA 4 van de loopbaan reviseur. Hij is tewerkgesteld bij de Griekse vertaalafdeling, die onder het directoraat-generaal Vertalingen en algemene diensten (DG VII) valt.
2 Bij kennisgeving van vacature nr. 6776 van 8 juli 1991 opende het tot aanstelling bevoegd gezag de procedure om, in de eerste plaats door middel van bevordering of overplaatsing, te voorzien in het ambt van hoofd van de Griekse vertaalafdeling. Zeven sollicitanten, waaronder verzoeker, werden geacht voor een bevordering in aanmerking te komen.
3 De sollicitaties werden onderzocht door de directeur Vertalingen (hierna: "directeur"), de heer Wilson, die een persoonlijk gesprek had met vijf van de zeven sollicitanten, waaronder Perakis. Met de twee andere sollicitanten, die op dat moment vakantieverlof hadden, had hij een telefonisch onderhoud. Na afloop van deze onderlinge vergelijking zond Wilson de directeur-generaal Vertalingen en algemene diensten (hierna: "directeur-generaal"), mevrouw De Enterria, een advies waarin hij voorstelde om één van deze sollicitanten, de heer K., in de vacante post te benoemen. Over Perakis maakte hij in zijn advies de volgende opmerking: "Hij was een van de eerste reviseurs op de afdeling en was gedurende de eerste jaren, toen de afdeling aanvangsproblemen kende, volledig betrokken bij het beleid. Hij heeft een aantal jaren ervaring bij de Protocoldienst. Sinds zijn terugkeer op de afdeling is hij als gevolg van een meningsverschil met zijn afdelingshoofd, niet meer betrokken geweest bij de werkverdeling noch was hij teamleider te Straatsburg. Hij was een aantal malen jurylid van een vergelijkend onderzoek. Hij lijkt kwaliteiten te bezitten op het gebied van de organisatie van het werk, ook al was zijn inmenging op dit gebied de laatste tijd niet erg opportuun. Hij zou een omstreden kandidaat zijn op een moment waarop de afdeling meer behoefte heeft om bepaalde conflicten uit het verleden bij te leggen." De Enterria had een gesprek met vier van de zeven sollicitanten (de heren K., D., M. en P.). Verzoeker had geen onderhoud met haar. Na haar onderzoek van de sollicitaties bracht De Enterria een advies uit aan de directeur-generaal Personeel, begrotingen en financiën. In dit advies onderzocht zij de respectieve verdiensten van de sollicitanten en bevestigde zij in het bijzonder de beoordeling van de directeur over de sollicitatie van Perakis, en wel met de volgende woorden: "Perakis was een van de eerste reviseurs op de afdeling en was gedurende de eerste jaren, toen de afdeling aanvangsproblemen kende, volledig betrokken bij het beleid. Hij heeft een aantal jaren ervaring bij de Protocoldienst. Sinds zijn terugkeer op de afdeling is hij niet meer betrokken geweest bij de werkverdeling noch was hij teamleider te Straatsburg. Hij was een aantal malen jurylid van een vergelijkend onderzoek. Op grond van zijn ervaring zou hij kwaliteiten moeten bezitten op het gebied van de organisatie van het werk, doch zijn inmenging op dit gebied is de laatste tijd niet erg opportuun geweest en heeft ernstige twijfel doen rijzen over zijn geschiktheid en zijn samenwerkingsgeest." Zij stelde ten slotte voor, de door de directeur reeds voorgestelde sollicitant in de vacante post te benoemen. Een dossier met daarin opgenomen het advies van de directeur-generaal en het overzicht van de vermeldingen in de beoordelingsrapporten van alle kandidaten werd aan de secretaris-generaal van het Parlement gezonden, die de voorzitter van het Parlement formeel voorstelde om in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag diezelfde sollicitant te benoemen. Dit voorstel ging vergezeld van bovengenoemd dossier. Bij besluit van 5 november 1991 bevorderde de voorzitter K. tot de post van hoofd van de Griekse vertaalafdeling. Op 27 november 1991 werd verzoeker door middel van een standaardformulier in kennis gesteld van de afwijzing van zijn sollicitatie en op 27 januari 1992 werd het personeel van het Parlement via het aanplakbord op de hoogte gesteld van het besluit om K. in het betrokken ambt te benoemen.
4 Op 24 februari 1992 diende Perakis een klacht in tegen de beide besluiten houdende, respectievelijk, afwijzing van zijn sollicitatie en benoeming van K. Bij besluit van 25 juni 1992 wees de voorzitter van het Parlement deze klacht af.
5 Bij op 24 september 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Perakis beroep ingesteld tot nietigverklaring van bovengenoemde besluiten tot afwijzing van zijn sollicitatie en tot benoeming van K. in het ambt van hoofd van de Griekse vertaalafdeling. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. De mondelinge behandeling vond plaats op 15 juli 1993.
Conclusies van partijen
6 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
- de gewraakte besluiten van het Parlement nietig te verklaren;
- het Parlement te veroordelen tot betaling aan hem van een immateriële schadevergoeding van 1 ECU en, subsidiair (in het geval de gewraakte besluiten niet nietig zouden worden verklaard), van 200 000 BFR;
- verweerder te verwijzen in de kosten van de procedure.
In repliek concludeert verzoeker wat zijn schadevordering betreft, dat het het Gerecht behage:
- het Europees Parlement te veroordelen tot betaling aan hem van een immateriële schadevergoeding van 100 000 BFR en, subsidiair (voor het geval de gewraakte besluiten niet nietig zouden worden verklaard), van 300 000 BFR.
Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- de vorderingen tot vergoeding van de immateriële schade af te wijzen;
- uitspraak te doen over de kosten naar recht.
De vordering tot nietigverklaring
7 Tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring voert verzoeker vier middelen aan, ontleend aan, respectievelijk, schending van het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren in samenhang met het recht om te worden gehoord, schending van de rechten van de verdediging en van artikel 26 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") betreffende het persoonsdossier van ambtenaren, schending van artikel 45 van het Statuut bepalende dat voor bevordering de verdiensten van ambtenaren onderling moeten worden vergeleken en, ten slotte, ontoereikende motivering.
Het middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren in samenhang met het recht om te worden gehoord
Argumenten van partijen
8 In het kader van dit eerste middel stelt verzoeker, dat het feit dat hij, in tegenstelling tot de andere sollicitanten, geen onderhoud met de directeur-generaal heeft gehad, hem "de mogelijkheid heeft ontnomen zijn verdiensten en geschiktheid toe te lichten en zijn sollicitatie staande te houden voor de persoon die bij uitstek gekwalificeerd was over de bestreden bevordering een beslissing te nemen".
9 Volgens verzoeker vormt dit verzuim van de administratie een schending van het beginsel van gelijke behandeling in samenhang met het recht om te worden gehoord, alsmede van het recht om te worden gehoord als zodanig. Verzoeker baseert zich op het arrest van 12 februari 1992 (zaak T-52/90, Volger, Jurispr. 1992, blz. II-121), waarin het Gerecht oordeelde, dat de uitsluiting van een sollicitant van een onderhoud met de verantwoordelijke van de betrokken dienst, door het tot aanstelling bevoegd gezag voorzien in het kader van een bevorderings- of overplaatsingsprocedure, de betrokkene had beroofd "van de waarborg van een echt vergelijkend onderzoek van zijn sollicitatie door het tot aanstelling bevoegd gezag" (r.o. 29).
10 Verzoeker stelt, dat in de onderhavige zaak de beslissende fase van de selectieprocedure voor de directeur-generaal plaatsvond. Deze fase vond immers op het hoogste hiërarchische niveau plaats waarop het zijn inziens mogelijk was te beoordelen, of het beginsel van gelijke behandeling en het recht om te worden gehoord waren nageleefd, aangezien de sollicitanten geen onderhoud hebben gehad met de secretaris-generaal. Voorts zou zowel de secretaris-generaal, toen hij zijn voorstel aan de voorzitter uitbracht, als de voorzitter zelf, toen hij het besluit tot bevordering nam, zich grotendeels hebben gebaseerd op het advies van de directeur-generaal. Wat het onderhoud met de directeur betreft, stelt verzoeker subsidiair, dat ook al maakte dit onderhoud, hetgeen hij betwist, eveneens deel uit van de procedure, de administratie niettemin het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden, door hem uit te sluiten van een onderhoud met de directeur-generaal, juist op basis van het advies dat de directeur zijns inziens onder onregelmatige omstandigheden had uitgebracht, aangezien twee sollicitanten slechts telefonisch waren gehoord. Voorts heeft verzoeker ter terechtzitting opgemerkt, zonder op dit punt te worden tegengesproken door verweerder, dat sollicitanten wier beoordelingsrapport lager was dan het zijne, wel een onderhoud met de directeur-generaal hadden gehad.
11 Verweerder betwist de gegrondheid van dit eerste middel. Volgens hem zijn alle sollicitanten in het kader van de selectieprocedure door de bevoegde hiërarchieke autoriteit gehoord. De directeur heeft immers iedere sollicitant een onderhoud gegeven en heeft zelfs met twee van hen, die onder zijn administratieve eenheid vielen en op dat moment buiten Luxemburg verbleven, telefonisch contact opgenomen. De beoordeling van de verdiensten geschiedt in de eerste plaats binnen het kader van de betrokken dienst en alle hiërarchieke meerderen die zich hierover moeten uitspreken nemen deel aan de bevorderingsprocedure, zonder dat hun administratieve rang de geldigheid van hun onderhoud met de sollicitanten kan beïnvloeden. Voorts kan de keuze voor de een of andere sollicitant in elke verschillende fase van de onderlinge vergelijking van de sollicitaties, daaronder begrepen die voor het tot aanstelling bevoegd gezag, verschillen.
12 Ter terechtzitting heeft het Parlement voorts gesteld, dat zelfs al lijkt verzoeker anders te zijn behandeld dan de sollicitanten die voor een onderhoud met de directeur-generaal zijn opgeroepen, hij heeft niet aangetoond, dat hij tijdens een dergelijk onderhoud aanvullende gegevens had kunnen verschaffen die de beoordeling over zijn sollicitatie hadden kunnen wijzigen.
Beoordeling door het Gerecht
13 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat volgens artikel 45, lid 1, eerste alinea, van het Statuut bevordering "uitsluitend geschiedt bij keuze uit die ambtenaren welke reeds een minimumdiensttijd in hun rang hebben, na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken".
14 Hieruit volgt duidelijk, dat het tot aanstelling bevoegd gezag in het kader van een bevorderingsprocedure en, op overeenkomstige wijze, een overplaatsingsprocedure rekening moet houden met de beoordelingsrapporten en de respectieve verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende sollicitanten. Hiertoe beschikt het volgens vaste rechtspraak over de statutaire bevoegdheid om deze rapporten en verdiensten onderling te vergelijken volgens de procedure of methode die het het meest geschikt acht (zie onder meer arrest Hof van 1 juli 1976, zaak 62/75, De Wind, Jurispr. 1976, blz. 1167, r.o. 17, en arrest Gerecht van 10 juli 1992, zaak T-53/91, Mergen, Jurispr. 1992, blz. I-2041, r.o. 30).
15 Met name dient het tot aanstelling bevoegd gezag alsmede de verschillende hiërarchieke meerderen die in de loop van de betrokken bevorderings- of overplaatsingsprocedure worden geraadpleegd, in elke fase van het onderzoek van de sollicitaties te beoordelen, of in die fase aanvullende inlichtingen of gegevens voor de beoordeling moeten worden verzameld door middel van een onderhoud met alle sollicitanten of met slechts enkelen van hen, teneinde met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen. Een dergelijke beoordelingsbevoegdheid, die het Hof in zijn arrest van 30 mei 1984 (zaak 111/83, Picciolo, Jurispr. 1984, blz. 2323, r.o. 10-13) heeft erkend voor een aanwervings- of overplaatsingsprocedure, moet de administratie a fortiori worden toegekend in het kader van een bevorderings- of overplaatsingsprocedure waarin de sollicitanten, zoals in de onderhavige zaak, reeds bij de betrokken instelling in dienst zijn en bij haar diensten bekend. In beginsel kunnen de sollicitanten daarom niet stellen, van rechtswege recht te hebben op een onderhoud. Alleen in het specifieke geval waarin het tot aanstelling bevoegd gezag heeft besloten zijn keuze te maken nadat, onder meer, alle sollicitanten een onderhoud hebben gehad met een verantwoordelijke van de dienst waaronder het vacante ambt valt, dient het ervoor te zorgen, dat iedere sollicitant in de loop van de betrokken procedure een dergelijk onderhoud heeft, zodat het zijn sollicitatie daadwerkelijk kan onderzoeken aan de hand van alle gegevens waarop het zijn keuze wil baseren, gelijk ook volgt uit het arrest Volger (reeds aangehaald, r.o. 27-29).
16 De aldus aan de administratie toegekende discretionaire bevoegdheid wordt echter beperkt door het vereiste dat de onderlinge vergelijking van de sollicitaties zorgvuldig en onpartijdig moet geschieden, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren, dat in algemene bewoordingen is neergelegd in artikel 5, lid 3, van het Statuut, dat bepaalt: "Voor de ambtenaren die tot eenzelfde categorie of groep behoren, gelden onderscheidenlijk dezelfde bepalingen met betrekking tot aanwerving en loopbaan." In praktijk moet de onderlinge vergelijking van de verdiensten van de sollicitanten dus op voet van gelijkheid en aan de hand van vergelijkbare ambtsberichten en inlichtingen plaatsvinden, gelijk het Hof oordeelde in zijn arrest van 7 juli 1964 (zaak 97/63, De Pascale, Jurispr. 1964, blz. 1063, 1088).
17 In de onderhavige zaak moet derhalve worden vastgesteld, of de procedure van het onderzoek van verzoekers sollicitatie, gelet op de zojuist genoemde beginselen, als ongeldig moet worden aangemerkt, gelijk verzoeker stelt, op grond dat hij, in tegenstelling tot vier van de zes andere voor bevordering in aanmerking komende sollicitanten, met name de sollicitant die uiteindelijk is bevorderd, geen onderhoud met de directeur-generaal heeft gehad. Hiertoe moet om te beginnen worden nagegaan, of het tot aanstelling bevoegd gezag in het kader van de procedure van de onderlinge vergelijking van sollicitaties die het in deze zaak had gekozen, wilde dat iedere sollicitant een onderhoud met de directeur-generaal had. Indien dit niet zijn bedoeling was, is het toch van belang na te gaan, of de directeur-generaal verzoekers sollicitatie onder non-discriminatoire voorwaarden heeft onderzocht, dat wil zeggen op basis van inlichtingen en gegevens die vergelijkbaar zijn met die waarop hij zich heeft gebaseerd voor de vier sollicitanten die hij heeft gehoord.
18 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of de procedure van de onderlinge vergelijking van de sollicitaties die het tot aanstelling bevoegd gezag had gekozen, jegens verzoeker is geëerbiedigd, stelt het Gerecht vast, dat niets in het dossier erop wijst, dat dit gezag zijn beoordeling van de verdiensten van de sollicitanten onder meer heeft willen baseren op een onderhoud van elk van hen met de directeur-generaal. In dit opzicht onderscheidt de onderhavige zaak zich van de in het arrest Volger in geding zijnde feiten, waarop verzoeker zich beroept. In casu blijkt uit het besluit van de voorzitter van het Parlement van 25 juni 1992, waarbij de klacht werd afgewezen, immers duidelijk, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de bestreden besluiten heeft genomen overeenkomstig de procedure die het wilde volgen, dat wil zeggen na een voorstel dat de secretaris-generaal heeft gedaan na raadpleging van de verantwoordelijken van de diensten waaronder het vacante ambt viel, in dit geval de directeur Vertalingen en de directeur-generaal Vertalingen en algemene diensten. Dienaangaande beklemtoont het tot aanstelling bevoegd gezag in datzelfde besluit uitdrukkelijk, dat de directeur in het kader van de betrokken procedure alle sollicitanten heeft gehoord. Het feit dat in het antwoord op de klacht niet wordt verwezen naar een onderhoud met de directeur-generaal lijkt dus juist te bevestigen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet heeft gewild, dat alle betrokkenen een dergelijk onderhoud hadden. Alleen de directeur-generaal diende derhalve te beoordelen, of in een onderhoud over een bepaalde sollicitant aanvullende gegevens moesten worden verkregen.
19 Onder deze omstandigheden moet in de tweede plaats worden nagegaan, of de directeur-generaal verzoekers sollicitatie heeft onderzocht op basis van inlichtingen die vergelijkbaar zijn met de inlichtingen die hem ter beschikking stonden over de sollicitanten, zoals K., de uiteindelijk bevorderde kandidaat, die hij een onderhoud heeft gegeven. Blijkens het dossier heeft de directeur-generaal zijn beoordeling kunnen baseren op het advies dat de directeur heeft uitgebracht na een onderhoud met alle sollicitanten, waaronder verzoeker, en, zo nodig, op de onderlinge vergelijking van hun beoordelingsrapporten of persoonsdossiers die hem ter beschikking stonden. Op basis van deze verschillende gegevens kon hij beoordelen, of het noodzakelijk was bepaalde sollicitanten te horen, teneinde zijn informatie aan te vullen of, zoals verweerder in zijn verweerschrift uiteenzet, om "het voorstel van de directeur te preciseren". Volgens de hierboven reeds genoemde beginselen beschikt de directeur-generaal in het kader van deze beoordeling over een discretionaire bevoegdheid en was hij niet gehouden zich uitsluitend te baseren op de vermeldingen die de betrokkenen in hun beoordelingsrapporten hadden verkregen, gelijk overigens duidelijk volgt uit de bewoordingen van artikel 45, lid 1, van het Statuut. Anders dan verzoeker stelt, kon de directeur-generaal zich dus terecht op het standpunt stellen, dat bepaalde sollicitanten wier beoordeling lager was dan de zijne, moesten worden gehoord. Evenzo kon hij, zonder de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid te overschrijden, ervan uitgaan, dat hij over verzoeker voldoende informatie had.
20 Gelet op de beginselen die inherent zijn aan het functioneren van elke hiërarchische organisatie en op de autonomie van de administratie bij de organisatie en het functioneren van haar diensten, kon de directeur-generaal normaliter terecht vertrouwen op, met name, het advies van de directeur over de sollicitatie van verzoeker, die tot dezelfde diensten behoorde als die directeur, die zijn tweede beoordelaar was. De directeur-generaal kan dus geenszins worden verweten rekening te hebben gehouden met dat advies, dat hem overigens niet bond, en op die basis de onderlinge vergelijking van de sollicitaties te hebben voortgezet. In dit verband zij opgemerkt, dat het argument dat verzoeker subsidiair heeft aangevoerd en volgens hetwelk de directeur-generaal hem op grond van het advies van de directeur nu juist niet kon uitsluiten van een onderhoud, omdat deze directeur met twee sollicitanten een telefonisch onderhoud had gehad, moet worden afgewezen. Dienaangaande volstaat het op te merken, dat verzoeker, die zelf een onderhoud had gehad met de directeur, geen enkel belang heeft bij de stelling, dat andere sollicitanten een dergelijk onderhoud niet hebben gehad, aangezien deze omstandigheid hem op geen enkele wijze kon benadelen en derhalve geen invloed kon hebben op de inhoud van de omstreden besluiten.
21 Het argument dat aan verzoekers stelling te gronde ligt en volgens hetwelk een onderhoud met de directeur-generaal hem niet alleen de gelegenheid zou hebben gegeven zijn sollicitatie toe te lichten, maar eveneens om enkele doorslaggevende gegevens recht te zetten, die volgens hem verkeerd waren opgenomen in het advies van de directeur en door de directeur-generaal in zijn eigen advies waren overgenomen, stemt in diezelfde gedachtengang overeen met het tweede middel, ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en van artikel 26 van het Statuut. Dit argument zal daarom tezamen met het tweede middel worden onderzocht.
22 Mitsdien kan niet worden gesteld, dat verzoekers sollicitatie als gevolg van het feit dat hij geen onderhoud met de directeur-generaal heeft gehad, is onderzocht onder omstandigheden die discriminatoir zijn ten opzichte van de omstandigheden waaronder de sollicitaties zijn onderzocht van de sollicitanten die een dergelijk onderhoud wel hadden gehad. Het eerste middel, ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling in samenhang met het recht om te worden gehoord, moet derhalve als ongegrond worden afgewezen.
Het middel: schending van de rechten van de verdediging en van artikel 26 van het Statuut
Argumenten van partijen
23 Tot staving van dit tweede middel stelt verzoeker in zijn verzoekschrift, dat de directeur-generaal hem niet heeft opgeroepen voor een onderhoud, omdat zijn beroepsbekwaamheden op sommige punten ongunstige beoordelingen hadden gekregen. Aangezien hij de bron noch de gegevens kende waarop deze beoordelingen waren gebaseerd, was hij niet in staat geweest deze te weerleggen. De bestreden besluiten moeten daarom nietig worden verklaard, omdat bij de vaststelling ervan zijn rechten van verdediging zijn geschonden.
24 In repliek betoogt verzoeker, dat uit het verweerschrift blijkt, dat de directeur en de directeur-generaal hem, in tegenstelling tot zijn twee laatste beoordelingsrapporten, ongunstige beoordelingen hadden gegeven. De adviezen waarin deze beoordelingen, die voornamelijk betrekking hadden op zijn capaciteiten betreffende de organisatie van het werk, waren opgenomen, zijn hem vóór de indiening van het verweerschrift niet medegedeeld en zijn evenmin toegevoegd aan zijn persoonsdossier, hetgeen in strijd is met de bepalingen van artikel 26 van het Statuut. Dergelijke adviezen kunnen daarom niet tegen hem worden gebruikt. Verzoeker leidt hieruit af, dat de bestreden besluiten, die zijns inziens op diezelfde adviezen zijn gebaseerd, krachtens de in het arrest van het Hof van 3 februari 1971 neergelegde beginselen nietig moeten worden verklaard (zaak 21/70, Rittweger, Jurispr. 1971, blz. 7, r.o. 39-41).
25 Verweerder is daarentegen van mening, dat bovengenoemde adviezen voorbereidende, interne documenten vormen van de bevorderingsprocedure. Hun betekenis beperkt zich tot de betrokken procedure en de daarin opgenomen beoordelingen vallen dus niet onder artikel 26 van het Statuut. Deze beoordelingen vormen een onlosmakelijk geheel, en teneinde de noodzakelijke vertrouwelijkheid zowel in het belang van het goed functioneren van de dienst als van de sollicitanten veilig te stellen, behoeven zij de betrokkenen dus niet te worden medegedeeld.
Beoordeling door het Gerecht
26 Artikel 26 van het Statuut bepaalt, dat het persoonsdossier van de ambtenaar dient in te houden: "a) (...) alle beoordelingen van zijn kundigheden, zijn prestaties of zijn gedrag" en "b) de opmerkingen welke de betrokken ambtenaar ten aanzien van bovengenoemde stukken heeft gemaakt". Ditzelfde artikel bepaalt: "Stukken, bedoeld onder a), kan de instelling niet tegen de ambtenaar aanvoeren noch te zijnen nadele gebruiken, indien zij hem niet zijn medegedeeld voordat ze aan het dossier worden toegevoegd." Volgens artikel 43 van het Statuut wordt het periodiek rapport inzake de bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst van iedere ambtenaar, hem ter kennis gebracht en is deze bevoegd "hieraan alle opmerkingen toe te voegen die hij dienstig acht".
27 Volgens vaste rechtspraak strekken voormelde bepalingen ertoe, het recht op verweer van de ambtenaar te waarborgen door te voorkomen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zijn ambtelijke positie en loopbaan rakende besluiten neemt op grond van gegevens betreffende zijn gedrag, die niet in zijn persoonsdossier zijn opgenomen. Hieruit volgt, dat een op dergelijke gegevens berustend besluit in strijd is met de waarborgen van het Statuut en, waar het is genomen na een niet regelmatig gevoerde procedure, moet worden nietig verklaard (zie arrest Rittweger, reeds aangehaald, r.o. 29-41; arresten Hof van 28 juni 1972, zaak 88/71, Brasseur, Jurispr. 1972, blz. 499, r.o. 9-11; 12 februari 1987, zaak 233/85, Bonino, Jurispr. 1987, blz. 739, r.o. 11, en arrest Gerecht van 5 december 1990, zaak T-82/89, Marcato, Jurispr. 1990, blz. II-735, r.o. 78).
28 Zo gezien doelen voormelde bepalingen in beginsel niet op de adviezen van de hiërarchieke meerderen die in het kader van een bevorderings- of overplaatsingsprocedure worden geraadpleegd. Dergelijke adviezen behoeven immers niet ter kennis van de betrokken sollicitanten te worden gebracht, aangezien zij enkel een onderlinge vergelijking van hun kwalificaties en verdiensten bevatten, gebaseerd op feitelijke gegevens die in hun persoonsdossier zijn vermeld of de betrokkenen zijn medegedeeld, zodat zij reeds de gelegenheid hebben gehad hun opmerkingen te maken. Het belang van deze adviezen beperkt zich dus tot de betrokken benoemingsprocedure. Zij vertolken de beoordelingsbevoegdheid waarover de administratie op dit punt beschikt en vallen niet onder de regels van artikel 26 van het Statuut, die het recht van verweer van de ambtenaar beogen te waarborgen en de administratie op die manier de gelegenheid willen geven met volledige kennis van zaken een beslissing te nemen.
29 Dit is echter niet het geval wanneer die adviezen, naast de beoordelingen die voortvloeien uit de onderlinge vergelijking van de sollicitaties, gegevens bevatten over de kundigheden, de prestaties of het gedrag van een sollicitant die vooraf niet aan zijn persoonsdossier waren toegevoegd. In een dergelijk geval verplicht artikel 26 van het Statuut de administratie deze gegevens in het persoonsdossier van de betrokkene op te nemen, gelijk het Hof oordeelde in het arrest Bonino (reeds aangehaald, r.o. 12). Niettemin zij opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak het feit dat deze gegevens de betrokkene niet zijn medegedeeld en hij dus niet de mogelijkheid heeft gehad hierover opmerkingen te maken, de besluiten tot afwijzing van zijn sollicitatie en tot benoeming van een andere sollicitant alleen dan ongeldig maken, indien zij "van beslissende invloed zijn geweest op de keus van het tot aanstelling bevoegd gezag" (zie arresten Rittweger, reeds aangehaald, r.o. 35, en Brasseur, reeds aangehaald, r.o. 18). De administratie dient aan te tonen, dat een dergelijk verzuim geen beslissende invloed heeft gehad op de keus van het tot aanstelling bevoegd gezag.
30 In het licht van de zojuist genoemde beginselen moet worden vastgesteld, of het feit dat de adviezen van de directeur en de directeur-generaal vóór de vaststelling van de bestreden besluiten niet aan verzoekers persoonsdossier zijn toegevoegd en hem evenmin zijn medegedeeld, in deze zaak, gelijk verzoeker stelt, de geldigheid van die besluiten heeft kunnen aantasten. Daartoe moet worden nagegaan, of de litigieuze adviezen verwezen naar feitelijke gegevens betreffende verzoekers kundigheden, prestaties of gedrag die niet in zijn persoonsdossier waren vermeld en, zo ja, of deze gegevens daadwerkelijk een beslissende invloed hebben gehad op de inhoud van de bestreden besluiten.
31 In casu stelt het Gerecht vast, dat bovengenoemde adviezen daadwerkelijk melding maken van feitelijke gegevens betreffende verzoekers kundigheden en gedrag, welke vóór de vaststelling van de omstreden besluiten niet aan zijn persoonsdossier waren toegevoegd noch hem ter kennis zijn gebracht. Wat in het bijzonder verzoekers kwaliteiten op het gebied van de organisatie van het werk betreft, merkte zowel de directeur als de directeur-generaal in hun advies op, dat "zijn inmenging op dit gebied de laatste tijd niet erg opportuun is geweest", terwijl de directeur-generaal hieraan toevoegde, dat deze inmenging "ernstige twijfel had doen rijzen over zijn geschiktheid en zijn samenwerkingsgeest". Onderzoek van verzoekers dossier toont aan, dat de zojuist genoemde feiten daarin niet waren vermeld.
32 Mitsdien heeft verweerder, door verzoeker dergelijke gegevens niet mede te delen en deze evenmin aan zijn persoonsdossier toe te voegen, de bepalingen van artikel 26 van het Statuut geschonden.
33 Teneinde te bepalen of deze onregelmatigheid de geldigheid van de bestreden besluiten heeft aangetast moet thans worden nagegaan, of de zojuist genoemde, voor verzoeker ongunstige gegevens een beslissende invloed hebben gehad op de afwijzing van zijn sollicitatie en de benoeming van K.
34 Uit onderzoek van de dossierstukken en met name de beoordelingsrapporten blijkt, dat de redenen ontleend aan de vergelijking van de vermeldingen die verzoeker en de bevorderde sollicitant in hun beoordelingsrapport hebben gekregen, in voldoende mate rechtvaardigen waarom de administratie in elke opeenvolgende fase van de betrokken procedure aan laatstgenoemde de voorkeur heeft gegeven. Uit het besluit van 25 juni 1992 tot afwijzing van de klacht blijkt immers duidelijk, dat het tot aanstelling bevoegd gezag zich voornamelijk heeft gebaseerd op de onderlinge vergelijking van de beoordelingsrapporten. Na te hebben verklaard, dat de directeur en vervolgens de directeur-generaal deze rapporten aan een uitvoerig, diepgaand en vergelijkend onderzoek hadden onderworpen, stelde het tot aanstelling bevoegd gezag in dat besluit, dat "in deze fase was gebleken, dat afgezien van de kwaliteit van [verzoekers] persoonlijke verdiensten en kennis, [zijn] beoordelingsrapport inferieur was aan dat van een aantal andere sollicitanten, die in ruimere mate [dan hij] voldeden aan de in kennisgeving van vacature nr. 6776 vereiste voorwaarden en kwalificaties". Volgens de in het verweerschrift verstrekte gegevens lag het totale puntenaantal dat de bevorderde sollicitant in zijn beoordelingsrapporten voor de twee referentietijdvakken 1987-1988 en 1989-1991 had verkregen, telkens twee punten hoger dan dat van verzoeker. Wat in het bijzonder bepaalde rubrieken betreft die in deze zaak beslissend zijn voor de voor een afdelingshoofd vereiste kwalificaties, blijkt uit de antwoorden die verweerder het Gerecht ter terechtzitting gaf, dat K. in de rubriek "Omgang met anderen: geschiktheid voor werken in groepsverband, teamgeest; vermogen om vertrouwen in medewerkers te hebben, om hun verantwoordelijkheden te geven", de vermelding "uitstekend" had gekregen en verzoeker de vermelding "zeer goed". Volgens die antwoorden geldt hetzelfde voor de rubrieken "Plichtsbesef: verantwoordelijkheidszin, eerbiediging van de geldende regels en ontvangen aanwijzingen, nauwgezetheid" en "Begripsvermogen en inzicht", waarvoor K. de beoordeling "uitstekend" kreeg en verzoeker "zeer goed". Alleen de vermelding "zeer goed" die verzoeker in de rubriek "Voor het uitoefenen van de functie vereiste (algemene en beroeps-) kennis" had gekregen was beter dan die van de bevorderde sollicitant "goed". Onder deze omstandigheden vormen de redenen, ontleend aan het rubrieksgewijs vergelijken van de beoordelingsrapporten van verzoeker en de bevorderde sollicitant, alsmede het totale aantal verkregen punten, voldoende rechtvaardiging voor de voorkeur die aan K. is gegeven. Hieruit volgt, dat bovengenoemde beoordelingen betreffende verzoekers capaciteiten ten aanzien van de organisatie van het werk, die zijn opgenomen in de adviezen van de directeur en de directeur-generaal, geen beslissende invloed hebben gehad op de keuze van het tot aanstelling bevoegd gezag. Het feit dat deze gegevens niet aan zijn dossier zijn toegevoegd en hem evenmin zijn medegedeeld, kan de geldigheid van de bestreden besluiten daarom niet aantasten.
35 Uit een en ander volgt, dat het tweede middel, ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en van artikel 26 van het Statuut, moet worden afgewezen, waar het is aangevoerd tot staving van het verzoek om nietigverklaring van de besluiten tot afwijzing van verzoekers sollicitatie en tot benoeming van een andere sollicitant.
Het middel: onregelmatigheid van het vergelijkend onderzoek van verzoekers sollicitatie
Argumenten van partijen
36 Wat dit derde middel betreft, stelt verzoeker, dat het tot aanstelling bevoegd gezag artikel 45 van het Statuut heeft geschonden betreffende de onderlinge vergelijking van de verdiensten van ambtenaren in het kader van een bevorderingsprocedure. Schending van het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren, van het recht om te worden gehoord en van artikel 26 van het Statuut, betekenen zijns inziens "per definitie een schending van de bepaling betreffende de onderlinge vergelijking van de verdiensten van ambtenaren, aangezien een dergelijke vergelijking ipso facto onmogelijk is, wanneer sollicitanten niet gelijk zijn behandeld noch zijn gehoord".
37 Subsidiair stelt verzoeker, dat artikel 45 van het Statuut is geschonden, omdat zijn ervaring op het gebied van de organisatie van het werk, zijn talenkennis en zijn anciënniteit in de rang LA 4 kennelijk onjuist zijn beoordeeld.
38 Zijn ervaring op organisatorisch gebied - die met name van belang is voor de vacante post - blijkt uit de taken die hij gedurende drie jaar, van 1985 tot 1988, als "teamleider" bij de Protocoldienst heeft uitgeoefend, en uit het feit dat hij ongeveer veertig keer leiding gaf aan de groep Griekse vertalers gedurende de zittingen van het Parlement te Straatsburg. De door De Enterria gehoorde sollicitanten, en in het bijzonder K., zouden zijn inziens niet over een soortgelijke ervaring beschikken.
39 Aangaande zijn talenkennis stelt verzoeker, dat de bestreden besluiten geen rekening hebben gehouden met het feit dat hij vijf talen beheerst, terwijl de uiteindelijk bevorderde sollicitant er slechts drie beheerst.
40 Zijn anciënniteit in de rang LA 4 ten slotte overtreft die van de vier sollicitanten die door de directeur-generaal voor een onderhoud zijn opgeroepen met 20 %.
41 Verzoeker erkent, dat zijn superioriteit op de drie genoemde gebieden zou kunnen worden geneutraliseerd door de inhoud van de beoordelingsrapporten, indien dat van K. daadwerkelijk zoveel beter was geweest dan het zijne, hetgeen echter niet het geval is. Onder deze omstandigheden is hij van mening, dat de administratie bij de onderlinge vergelijking van de sollicitaties een kennelijke fout heeft gemaakt, door geen rekening te houden met het minieme verschil tussen de punten van de bevorderde sollicitant (59) en zijn eigen punten (57) noch met het bestaan van erkende meningsverschillen tussen verzoeker en de opsteller van deze rapporten.
42 Verweerder wijst dit betoog af. Verzoekers beoordelingsrapport lag twee punten onder dat van de bevorderde sollicitant. Welnu, juist na een gedetailleerd, diepgaand en vergelijkend onderzoek van de beoordelingsrapporten heeft het tot aanstelling bevoegd gezag besloten, dat een andere sollicitant, namelijk K., geschikter was voor de litigieuze post.
43 Wat het argument betreffende het vermeende geringe verschil tussen deze beoordelingsrapporten betreft, stelt verweerder, dat "twee punten voorsprong de keuze van het tot aanstelling bevoegd gezag in ruime mate rechtvaardigen, te meer daar (een dergelijke keuze) gerechtvaardigd is op grond van de in de kennisgeving van vacature vereiste kwalificaties, kennis en voorwaarden". Verzoeker heeft geen enkel bewijs geleverd, dat hij op organisatorisch gebied over meer ervaring beschikte en evenmin heeft hij, in tegenstelling tot K., de laatste jaren het afdelingshoofd behoeven te vervangen. K. zou overigens voldoen aan de voorwaarden betreffende de talenkennis, die worden gesteld in de kennisgeving van vacature.
Beoordeling door het Gerecht
44 Om te beginnen zij opgemerkt, dat de grief volgens welke de onderlinge vergelijking van de sollicitaties ongeldig zou zijn, op grond dat verzoeker niet persoonlijk door de directeur-generaal is gehoord en dat de adviezen die zijn hiërarchieke meerderen over hem hadden uitgebracht hem vóór de vaststelling van de bestreden besluiten niet zijn medegedeeld, overeenstemt met de eerste twee middelen die hij tot staving van zijn verzoek om nietigverklaring heeft aangevoerd. Aangezien het Gerecht deze twee middelen ongegrond heeft verklaard, moet de grief om dezelfde redenen worden afgewezen.
45 Wat de tweede grief betreft, die subsidiair is aangevoerd en volgens welke de bestreden besluiten gebrekkig zijn wegens een kennelijke beoordelingsfout, zij er om te beginnen aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak het tot aanstelling bevoegd gezag over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt om, in het kader van een bevorderings- of overplaatsingsprocedure, het belang van de dienst en de geschiktheid van de sollicitanten die het vacante ambt moeten bezetten te beoordelen. De controle van het Gerecht moet zich op dit punt dus beperken tot de vraag, of het tot aanstelling bevoegd gezag, gelet op de overwegingen op grond waarvan het mogelijk tot zijn beslissing is gekomen, niet op kennelijk onjuiste wijze van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt (zie, onder meer, arrest Hof van 5 februari 1987, zaak 366/85, Huybrechts, Jurispr. 1987, blz. 629, r.o. 9; arrest Bonino, reeds aangehaald, r.o. 5, en arrest Gerecht van 25 februari 1992, zaak T-11/91, Schloh, Jurispr. 1992, blz. II-203, r.o. 51).
46 In casu blijkt uit het antwoord op de klacht en uit de opmerkingen van het Parlement voor het Gerecht duidelijk, dat de verwerende instelling zich bij haar keuze in elke fase van de procedure voornamelijk heeft gebaseerd op een minutieuze onderlinge vergelijking van de beoordelingsrapporten van de sollicitanten. Vanuit de invalshoek van de kundigheden op het gebied van de organisatie van het werk, kon het tot aanstelling bevoegd gezag zich bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid voorts op het standpunt stellen, dat K. geschikter was dan verzoeker die, in tegenstelling tot de bevorderde sollicitant, de laatste jaren niet het afdelingshoofd had moeten vervangen, hetgeen hij ook niet betwist. Het dossier doet overigens op geen enkel punt vermoeden, dat de administratie bij haar onderzoek geen rekening heeft gehouden met verzoekers linguïstieke kwalificaties, de verantwoordelijkheden die hij als "teamleider" heeft gedragen en zijn anciënniteit. Integendeel, uit het antwoord op de klacht en de opmerkingen van partijen voor het Gerecht blijkt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, rekening houdend met de door hem niet bestreden verdiensten van verzoeker, niettemin van mening was, dat K. de meest geschikte kandidaat voor de betrokken post was. Verzoeker heeft overigens geen enkele aanwijzing gegeven die twijfel kan doen rijzen over de kundigheden van de bevorderde kandidaat. Onder deze omstandigheden en zonder dat de argumenten van partijen meer in detail behoeven te worden onderzocht, stelt het Gerecht vast, dat de hierboven genoemde overwegingen waarop het tot aanstelling bevoegd gezag zijn keuze heeft gebaseerd, de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid niet overschrijden.
47 Bijgevolg kunnen de bestreden besluiten niet worden aangemerkt als gebrekkig wegens een kennelijke beoordelingsfout. Het derde middel moet daarom als ongegrond worden afgewezen.
Het middel: ontoereikende motivering
Argumenten van partijen
48 In het kader van dit vierde middel stelt verzoeker, dat in het antwoord van het Parlement op de klacht niet de redenen zijn aangegeven voor de afwijzing van zijn sollicitatie. Hij herinnert eraan, dat artikel 45, lid 1, van het Statuut de administratie verplicht de sollicitanten te selecteren op basis van twee criteria: de onderlinge vergelijking van de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen en hun beoordelingsrapporten. Wat dit eerste criterium betreft, het Parlement heeft slechts enkele van verzoekers argumenten als irrelevant afgewezen, zonder zelfs maar op de andere in te gaan. Wat het tweede criterium betreft, heeft het slechts de nadruk gelegd op het feit dat verzoekers beoordelingsrapport lager was dan dat van een aantal andere sollicitanten, zonder hen overigens met naam te noemen.
49 Verweerder is daarentegen van mening, dat het antwoord op de klacht zodanig was, dat het verzoeker in staat stelde de gegrondheid van de afwijzing van zijn sollicitatie en de zin van de instelling van een beroep te beoordelen.
Beoordeling door het Gerecht
50 In dit verband zij eraan herinnerd, dat het tot aanstelling bevoegd gezag een besluit tot afwijzing van een sollicitatie dient te motiveren, althans in het stadium van de afwijzing van de klacht tegen een dergelijk besluit. Aangezien bevordering bij keuze plaatsvindt volstaat het volgens vaste rechtspraak, dat deze motivering betrekking heeft op het voorhanden zijn van de wettelijke voorwaarden waarvan het Statuut de regelmatigheid van een bevordering afhankelijk stelt.
51 In casu is het Gerecht van oordeel, dat het besluit van de voorzitter van het Parlement van 25 juni 1992 houdende afwijzing van verzoekers klacht, rechtens voldoende was gemotiveerd. Het tot aanstelling bevoegd gezag gaf daarin immers uitdrukkelijk aan, dat het zijn keuze had gebaseerd op een diepgaande en gedetailleerde onderlinge vergelijking van de beoordelingsrapporten en de respectieve verdiensten van de sollicitanten. Voorts preciseerde het, dat verzoekers beoordelingsrapport lager was dan dat van een aantal andere kandidaten, die in ruimere mate dan hij voldeden aan de in de kennisgeving van vacature vereiste voorwaarden en kwalificaties. Een dergelijke motivering was voor de betrokkene voldoende om te kunnen beoordelen, of het zin had beroep in te stellen voor het Gerecht, en volstond voor het Gerecht om zijn controle te kunnen uitoefenen. Anders dan verzoeker stelt, behoefde het tot aanstelling bevoegd gezag in de motivering van zijn besluit echter in geen geval de uitkomst van de onderlinge vergelijking van de sollicitaties op te nemen.
52 Zo de motivering van het besluit tot afwijzing van de klacht onvoldoende was geweest - hetgeen in casu niet het geval was - had deze volgens vaste rechtspraak na de indiening van het onderhavige beroep in elk geval kunnen worden aangevuld door de toelichtingen van de betrokken instelling voor het Gerecht (zie, onder meer, arrest Hof van 7 februari 1990, zaak C-343/87, Culin, Jurispr. 1990, blz. I-225, r.o. 15, en arrest Schloh, reeds aangehaald, r.o. 85). Bovendien is in deze zaak de toereikende motivering van het antwoord op de klacht voor het Gerecht ruimschoots aangevuld, met name door de antwoorden van het Parlement op de vragen van het Gerecht over de specifieke beoordelingen in de respectieve beoordelingsrapporten van verzoeker en de bevorderde kandidaat.
53 Mitsdien moet het vierde middel, ontleend aan de ontoereikende motivering, als ongegrond worden afgewezen.
54 Uit het voorgaande volgt, dat de vordering tot nietigverklaring niet kan worden toegewezen.
De schadevorderingen
Argumenten van partijen
55 Volgens verzoeker hebben de bestreden besluiten hem immateriële schade berokkend, zowel binnen zijn afdeling als in de betrekkingen met zijn meerderen. Om die reden vraagt hij in het verzoekschrift om het Parlement te veroordelen tot betaling aan hem van een symbolisch bedrag van 1 ECU, voor het geval deze besluiten nietig worden verklaard.
56 Subsidiair concludeert hij tot veroordeling van het Parlement tot betaling aan hem van een bedrag van 200 000 BFR, als vergoeding voor de immateriële schade die hij heeft geleden door de onregelmatigheden die de administratie in de loop van de procedure tot voorziening in de post van afdelingshoofd heeft begaan, zelfs in het geval dat deze onregelmatigheden niet zouden leiden tot de nietigheid van de twee bestreden besluiten. Verzoeker stelt in het bijzonder, dat het Parlement, door hem op willekeurige wijze uit te sluiten van een onderhoud met de directeur-generaal, het beginsel van gelijke behandeling, de rechten van de verdediging en het beginsel van goed bestuur heeft geschonden en dat het zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid. Deze uitsluiting zou ernstige schade hebben toegebracht aan verzoekers prestige en aanzienlijke moeilijkheden hebben veroorzaakt in de betrekkingen met zijn collega's.
57 Meer subsidiair, dat wil zeggen indien geen van de hierboven genoemde, tot aansprakelijkheid leidende feiten als aangetoond mocht worden beschouwd, stelt verzoeker, dat het Parlement de in artikel 24 van het Statuut neergelegde bijstandsplicht heeft miskend. Op grond van dit artikel dient de administratie in de beoordelingsrapporten opmerkingen op te nemen die "de beoordeelde ambtenaar daadwerkelijk kunnen helpen zijn prestaties in de dienst te verbeteren". Zijn beoordelingsrapport over de referentieperiode van 1 januari 1989 tot 1 januari 1991 bevatte één keer de vermelding "uitstekend", zes keer "zeer goed" en één keer "goed". De betrokkene achtte een dergelijke beoordeling absoluut voldoende, totdat hij door het antwoord van het Parlement op zijn klacht vernam, dat een aantal andere kandidaten betere beoordelingen hadden. De administratie heeft haar bijstandsplicht miskend, door verzoeker er niet op attent te maken, dat zijn prestaties minder waren dan die van zijn collega's.
58 In repliek voert verzoeker een nieuw feit voor de aansprakelijkheid van het Parlement aan, dat is ontleend aan schending van artikel 26 van het Statuut. Uit het verweerschrift zou blijken, dat het Parlement over administratieve stukken beschikte, waarin feiten en beoordelingen waren opgenomen die een negatieve invloed konden uitoefenen op zijn loopbaan en die niet overeenkomstig artikel 26 van het Statuut aan zijn persoonsdossier waren toegevoegd. Deze omstandigheid zou zijn immateriële schade hebben vergroot. Hij wijzigt daarom de conclusies uit zijn verzoekschrift en concludeert tot veroordeling van het Parlement tot betaling aan hem van een bedrag van 100 000 BFR als vergoeding voor deze schade, voor het geval zijn hoofdvordering betreffende de nietigverklaring van de twee bestreden besluiten wordt toegewezen. Voor het geval de hoofdvordering wordt afgewezen, verzoekt hij subsidiair om het Parlement te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van 300 000 BFR als immateriële schadevergoeding.
59 Het Parlement betoogt, dat de schadevordering, die rechtstreeks verband houdt met de tot staving van het verzoek om nietigverklaring aangevoerde middelen, als ongegrond moet worden afgewezen. De nieuwe schadevorderingen, die geen verband houden met het verzoek om nietigverklaring van de bestreden besluiten, zijn volgens het Parlement niet-ontvankelijk, omdat bij het tot aanstelling bevoegd gezag in de precontentieuze fase geen verzoek om vergoeding van de beweerdelijk geleden schade in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut is ingediend.
60 Wat de schade als gevolg van de vermeende schending van artikel 24 van het Statuut betreft, verweerder betwist ten gronde zijn bijstandsplicht jegens verzoeker te hebben geschonden. De plicht om de ambtenaren aan te moedigen het niveau van hun diensten te verbeteren heeft een algemene strekking, zodat het aanmoedigen van een bepaalde ambtenaar met het oog op zijn benoeming in een hogere graad, onder meer in strijd zou zijn met het beginsel van gelijke behandeling.
Beoordeling door het Gerecht
61 Het Gerecht merkt om te beginnen op, dat de vordering tot betaling van 1 ECU als vergoeding voor de immateriële schade die verzoeker door de bestreden besluiten zou hebben geleden, inhoudelijk nauw verbonden is met het verzoek om nietigverklaring zelf. Aangezien dit laatste verzoek niet is toegewezen, moet de schadevordering eveneens als ongegrond worden afgewezen (zie arrest Hof van 24 juni 1971, zaak 53/70, Vinck, Jurispr. 1971, blz. 601, r.o. 14, en arrest Gerecht van 16 juli 1992, zaak T-1/91, Della Pietra, Jurispr. 1992, blz. II-2145, r.o. 34).
62 Wat de andere schadevorderingen betreft, zij vooraf beklemtoond, dat verzoeker volgens zijn zeggen, los van de bestreden besluiten zelf, drie soorten schade heeft geleden die elk hun eigen autonome oorzaak hebben. In de eerste plaats en voor het geval de bestreden besluiten niet onregelmatig worden verklaard, stelt hij schade te hebben geleden als gevolg van het loutere feit, dat hij geen onderhoud met de directeur-generaal heeft gehad. In de tweede plaats en meer subsidiair stelt hij, dat de administratie, door hem er niet op attent te maken dat zijn beoordelingsrapport lager was dan dat van sommigen van zijn collega's, artikel 24 van het Statuut betreffende de bijstandsplicht heeft geschonden en hem schade heeft berokkend. In de derde plaats meent hij schade te hebben geleden als gevolg van het feit dat de adviezen van de directeur en de directeur-generaal niet aan zijn persoonsdossier zijn toegevoegd, hetgeen schending van artikel 26 van het Statuut oplevert.
63 In dit verband moet worden vastgesteld, dat de drie bovengenoemde schadevorderingen op geen enkele wijze verband houden met het verzoek om nietigverklaring van de besluiten tot afwijzing van zijn sollicitatie en tot benoeming van K. De schade waarvan verzoeker de vergoeding vordert is immers niet veroorzaakt door de bestreden besluiten zelf, maar door de drie bovengenoemde feiten, die de betrokkene op autonome wijze, los van de vraag van de regelmatigheid van deze besluiten aan de orde heeft gesteld. De ontvankelijkheid van deze schadevorderingen moet dus los van die van het verzoek om nietigverklaring worden onderzocht.
64 Hieruit volgt, dat deze schadevorderingen in de onderhavige zaak niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, aangezien verzoeker niet vooraf bij het tot aanstelling bevoegd gezag een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut heeft ingediend, om een beslissing van de administratie over een eventuele vergoeding van de vermeende schade (zie arrest Gerecht van 30 juni 1993, zaak T-46/90, Devillez e.a., Jurispr. 1993, blz. II-699, r.o. 43).
65 Voorts is het Gerecht hoe dan ook van oordeel, dat de drie schadevorderingen ongegrond zijn, aangezien de drie voorwaarden die leiden tot de aansprakelijkheid van de Gemeenschap - te weten dat het aan de instellingen verweten gedrag onwettig is, dat er werkelijk schade is geleden, en dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het gedrag en de gestelde schade - in casu niet zijn vervuld (zie arrest Gerecht van 27 februari 1992, zaak T-165/89, Plug, Jurispr. 1992, blz. II-367).
66 Aangaande de vordering tot vergoeding van de gestelde schade als gevolg van het feit dat verzoeker geen onderhoud met de directeur-generaal heeft gehad, zij opgemerkt, dat het niet oproepen van verzoeker voor een dergelijk onderhoud geen aan de administratie verwijtbare dienstfout vormt en dat deze binnen de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid is gebleven, gelijk reeds is vastgesteld in het kader van het onderzoek van het eerste middel tot nietigverklaring.
67 Het bestaan van een dienstfout is evenmin aangetoond in het kader van de tweede schadevordering, die is gebaseerd op de vermeende schending van artikel 24 van het Statuut. De beoordelingsrapporten hebben een individueel en persoonlijk karakter en de statutaire bepalingen noch de praktijk verplichten de administratie, de ambtenaren het niveau van hun beoordeling mede te delen ten opzichte van dat van de andere sollicitanten. In de onderhavige zaak kan het Parlement daarom niet worden verweten, dat het zijn bijstandsplicht in de zin van artikel 24 van het Statuut heeft verzuimd, wanneer het ten opzichte van verzoeker geen enkele statutaire verplichting heeft miskend.
68 Wat de schadevordering betreft, gebaseerd op schending van artikel 26 van het Statuut, doordat de administratie bepaalde betwiste gegevens, die in de adviezen van de directeur en de directeur-generaal zijn vermeld, niet aan verzoekers persoonsdossier heeft toegevoegd, zij vastgesteld, dat verzoeker door deze onregelmatigheid geen enkele schade heeft geleden. In het kader van het onderzoek van het tweede middel tot nietigverklaring heeft het Gerecht immers vastgesteld, dat deze beoordelingen geen enkele invloed op de bestreden besluiten hebben gehad.
69 Mitsdien moeten alle schadevorderingen worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
70 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Volgens artikel 88 van ditzelfde Reglement blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, echter te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep in al zijn onderdelen.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy