Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Beroep tot nietigverklaring - Voor beroep vatbare handelingen - Begrip - Handelingen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen - Brief van instelling
(EEG-Verdrag, art. 173)
2 Beroep tot nietigverklaring - Beroep tegen weigering om vroegere handeling in te trekken of te wijzigen - Ontvankelijkheid afhankelijk van mogelijkheid om betrokken handeling aan te vechten
(EEG-Verdrag, art. 173)
3 Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Beschikking houdende vaststelling dat gemeenschapsregeling niet van toepassing is op aangemelde concentratie en weigering van intrekking - Aandeelhouder van een der betrokken ondernemingen - Niet-ontvankelijkheid
(EEG-Verdrag, art. 173, tweede alinea)
4 Mededinging - Concentraties - Onderzoek door Commissie - Verzoek om heropening van procedure op grond van ontdekking van nieuw feit - Indiening binnen redelijke termijn
(EEG-Verdrag, art. 173, tweede alinea; verordening nr. 4064/89 van de Raad)
Samenvatting
5 Het feit dat een gemeenschapsinstelling een persoon in antwoord op diens verzoek een brief zendt, volstaat niet om die brief aan te merken als een beschikking in de zin van artikel 173 van het Verdrag, waartegen beroep tot nietigverklaring openstaat. Als handelingen of beschikkingen die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 173 van het Verdrag zijn enkel te beschouwen, maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen raken doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.
6 Bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring van een afwijzende beschikking van een instelling, moet die beschikking worden beoordeeld met inachtneming van de aard van het verzoek waarop zij een antwoord vormt. In het bijzonder is de weigering van een gemeenschapsinstelling om een handeling in te trekken of te wijzigen alleen dan een voor wettigheidstoetsing in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag vatbare handeling, wanneer de handeling die de instelling weigert in te trekken of te wijzigen, zelf op grond van deze bepaling had kunnen worden aangevochten.
7 Het enkele feit dat een beschikking van de Commissie, houdende vaststelling dat een concentratie niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 4064/89 valt, van invloed kan zijn voor de relaties tussen de verschillende aandeelhouders van een vennootschap, betekent op zichzelf niet dat een van die aandeelhouders kan worden geacht, door die beschikking rechtstreeks en individueel te worden geraakt. Deze is namelijk niet van dien aard, dat zij op zichzelf reeds de inhoud of de omvang van de rechten van de aandeelhouders van de aanmeldende partijen wijzigt, ongeacht of het hun vermogensrechten betreft, dan wel de voor hen daaruit voortvloeiende mogelijkheid om deel te nemen in het beheer van de vennootschap.
8 De rechtszekerheid die de marktdeelnemers moet worden gewaarborgd en de kortheid van de termijnen, welke kenmerkend is voor verordening nr. 4064/89 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, vereisen in elk geval dat een volgens de verordening ingediend verzoek tot heropening van de procedure op grond van een beweerd nieuw feit binnen een redelijke termijn wordt ingediend.
Wordt een dergelijk verzoek laattijdig ingediend, dan kan de aandeelhouder van een van de betrokken vennootschappen niet met een beroep op dit verzoek stellen, dat hij moet worden geacht individueel te worden geraakt in de zin van artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag, door de beschikking die de Commissie aan het einde van die procedure geeft, omdat hij, indien hij dit feit van meet af aan had gekend, zou hebben verzocht om in de procedure te kunnen tussenkomen en aldus aan het einde daarvan over een beroepsgang had beschikt om zijn legitieme belangen te beschermen.
Partijen
In zaak T-83/92,
Zunis Holding SA, vennootschap naar Luxemburgs recht, gevestigd te Luxemburg,
Finan Srl, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Bergamo (Italië), en
Massinvest SA, vennootschap naar Zwitsers recht, gevestigd te Mendrisio (Zwitserland),
vertegenwoordigd door N. Forwood, QC, van de balie van Engeland en Wales, en S. Crossick, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J. Hoss, advocaat aldaar, Côte d'Eich 15,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Marenco, juridisch adviseur, en B. Langeheime, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking die zou zijn vervat in de brief van de Commissie aan verzoeksters van 31 juli 1992, waarbij zij weigerde de procedure in zaak IV/M.159 (Mediobanca/Generali) te heropenen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. L. Cruz Vilaça, president, D. P. M. Barrington, J. Biancarelli, C. P. Briët en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 24 juni 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Op 27 november 1991 ontving de Commissie een aanmelding krachtens verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (herziene versie, gepubliceerd in PB 1990, L 257, blz. 14, hierna: "verordening nr. 4064/89") betreffende een concentratie waarbij Mediobanca-Banca di Credito Finanziario SpA (hierna: "Mediobanca") haar aandeel in het kapitaal van Assicurazioni Generali SpA (hierna: "Generali") van 5,98 % bracht op 12,84 %.
2 Bij beschikking van 19 december 1991 krachtens artikel 6, lid 1, sub a, van verordening nr. 4064/89 concludeerde de Commissie, dat de aangemelde concentratie niet binnen het toepassingsgebied van deze verordening viel, omdat zij Mediobanca niet in staat stelde afzonderlijk of gezamenlijk met andere ondernemingen een "beslissende invloed" op Generali uit te oefenen.
3 Bij brief van 26 juni 1992 verzochten verzoeksters, allen aandeelhoudster van Generali, om heropening van de procedure naar aanleiding van een op 19 maart 1992 in de Italiaanse krant Il Sole 24 Ore verschenen artikel. Dat artikel gaf de volledige tekst weer van een op 26 juni 1985 te Parijs ondertekende en tot dan geheim gebleven overeenkomst tussen Mediobanca, Lazard Frères de Paris (hierna: "Lazard") - waarvan de dochtermaatschappij Euralux SA Generali's met een aandeel van 4,77 % op een na grootste aandeelhoudster was - en Generali zelf (hierna: de "overeenkomst"). In deze overeenkomst werd onder meer bepaald dat een stuurgroep zou worden opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van Generali en van haar twee grootste aandeelhoudsters, die de problemen van Generali van gemeenschappelijk belang zou onderzoeken en zou interveniëren bij de benoeming van bepaalde leden van de bestuurs- en directieorganen van de vennootschap zou beïnvloeden.
4 In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht hebben verzoeksters verklaard, dat zij "eind maart/begin april 1992" van dat artikel kennis hadden gekregen, en dat zij eerst op 6 mei 1992 informeel contact hadden opgenomen met de diensten van de Commissie, voordat zij bij brief van 26 juni 1992 het formele verzoek tot heropening van de procedure hebben ingediend.
5 In hun verzoek betoogden verzoeksters in wezen, dat het oordeel van de Commissie in haar beschikking van 19 december 1991 - namelijk dat de aangemelde concentratie niet binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 4064/89 viel - was te wijten aan een volstrekt verkeerd begrip van de essentiële gegevens betreffende de reikwijdte van de invloed en de zeggenschap die Mediobanca, zowel afzonderlijk als gezamenlijk met Lazard, uitoefende vóór de aangemelde concentratie. Een dergelijk verkeerde begrip kon volgens verzoeksters enkel het gevolg zijn van kennelijk onvolledige of onjuiste inlichtingen over de strekking van de overeenkomst tussen Mediobanca, Lazard en Generali en inzonderheid over het effect van deze overeenkomst. Zij betoogden verder, dat een inhoudelijk onvolledige of onjuiste aanmelding procedureel tot gevolg had, dat de Commissie bevoegd bleef de zaak te heropenen en dat een dergelijke heropening zowel in het algemeen belang als in dat van de betrokken partijen gerechtvaardigd zou zijn.
6 Bij brief van 31 juli 1992, ondertekend door de directeur-generaal Concurrentie, heeft de Commissie het verzoek tot heropening van de procedure afgewezen, in het bijzonder omdat
"de beschikking Mediobanca/Generali niet op $onjuiste inlichtingen' was gebaseerd, zoals u verklaart, aangezien de Commissie op de hoogte was van de overeenkomst van Parijs van 1985 en bij de vaststelling van haar beschikking daarmee rekening heeft gehouden. Ik verwijs naar de verklaring van de Commissie, dat $Il predetto accordo non contiene disposizioni circa l'esercizio congiunto dei diritti di voto né include qualsivoglia meccanismo societario che garantisca il risultato finale delle proposizioni concernenti la composizione degli organi sociali' [$genoemde overeenkomst bevat geen bepalingen betreffende de gezamenlijke uitoefening van het stemrecht en ook geen vennootschapsrechtelijk mechanisme dat het eindresultaat van de voorstellen inzake de samenstelling van de vennootschapsorganen moet garanderen'] (beschikking, paragraaf 9, tweede alinea).
Derhalve zijn er geen termen aanwezig om het onderzoek van de zaak te heropenen en behoeft bijgevolg geen beschikking omtrent de schorsing van de concentratie te worden gegeven (...)"
Procesverloop en conclusies van de partijen
7 In die omstandigheden hebben verzoeksters bij op 30 september 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van de beschikking die in deze brief zou zijn vervat.
8 In haar op 17 december 1992 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie heeft de Commissie overeenkomstig artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering tegen verzoeksters beroep een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
9 Verzoeksters concluderen, dat het het Gerecht behage:
- de Commissie, bij wijze van maatregel van instructie, te gelasten de volledige tekst van de beschikking van 19 december 1991, de aanmelding van Generali/Mediobanca, alsmede alle andere documenten met betrekking tot de overeenkomst en de gevolgen van deze overeenkomsten over te leggen;
- de beschikking van de Commissie, zoals ter kennis gebracht in de brief van 31 juli 1992, nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
10 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
- verzoeksters hoofdelijk en gezamenlijk in de kosten te verwijzen.
11 In hun opmerkingen betreffende de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid concluderen verzoeksters, dat het het Gerecht behage:
- de exceptie van de Commissie af te wijzen en het beroep ontvankelijk te verklaren;
- subsidiair, de vraag van de ontvankelijkheid te voegen met de zaak ten gronde en alle nodige maatregelen van instructie te nemen om vast te stellen, wat precies het karakter van de brief van 31 juli 1992 is;
- de Commissie in alle kosten te verwijzen.
12 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer) besloten, gevolg te geven aan het verzoek van de Commissie om uitspraak te doen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid zonder op de grond van de zaak in te gaan, alsmede partijen te verzoeken een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden. Verzoeksters en verweerster hebben de vragen van het Gerecht beantwoord bij op 14 juni 1993 ingeschreven stukken. Zij zijn in hun pleidooien en antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter openbare terechtzitting van 24 juni 1993.
13 Aan het einde van de terechtzitting heeft de voorzitter de mondelinge behandeling betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid gesloten verklaard.
De ontvankelijkheid van het verzoek tot nietigverklaring
Argumenten van partijen
14 Ter staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid voert de Commissie in de eerste plaats aan, dat de brief van 31 juli 1992 geen beschikking is die vatbaar is voor rechterlijke toetsing, daar verzoeksters daarin enkel wordt meegedeeld dat de Commissie, toen zij haar beschikking vaststelde, op de hoogte was van de overeenkomst en daarmee ook rekening heeft gehouden. Juridisch belet weliswaar niets de Commissie om een onderzoek betreffende een concentratie, dat tot een beschikking in de zin van artikel 6, lid 1, sub a, van verordening nr. 4064/89 heeft geleid, te heropenen, doch geen enkele gemeenschapsrechtelijke bepaling verplicht haar een dergelijk onderzoek te heropenen op verzoek van een belanghebbende onderneming en zeker niet op verzoek van een derde die een beweerd nieuw feit aanvoert. Voorts is de Commissie van mening dat zij, gelet op het beginsel van het gewettigd vertrouwen en de moeilijkheid om de gevolgen van een concentratie ongedaan te maken, haar discretionaire bevoegdheid met omzichtigheid moet uitoefenen ter zake van de heropening van een procedure op dit gebied.
15 De Commissie trekt een vergelijking met de regels die gelden voor verzoeken tot herziening van een arrest van het Hof of het Gerecht en stelt, dat een verzoek tot herziening van een beschikking uit hoofde van verordening nr. 4064/89 alleen "geldig" zou zijn na de ontdekking van een feit waarvan de Commissie of de om herziening verzoekende partij vóór de vaststelling van de beschikking niet op de hoogte was. Volgens de Commissie nu hebben verzoeksters geen enkel nieuw feit aangevoerd; evenmin stellen zij dat de Commissie, toen zij de beschikking van 19 december 1991 vaststelde, niet op de hoogte was van de overeenkomst, doch enkel dat de Commissie het effect van de overeenkomst niet juist heeft geëvalueerd.
16 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid stelt de Commissie verder, dat de brief van 31 juli 1992 niet een beschikking inhoudt en dat zowel uit de bewoordingen als uit de geest ervan blijkt dat hij is geschreven in een preliminair stadium van het onderzoek van het verzoek en slechts een eerste reactie van de diensten van de Commissie is, die geen enkel rechtsgevolg heeft. Voorts betoogt verweerster, dat een definitieve weigering tot heropening van de procedure had moeten uitgaan van dezelfde autoriteit als die welke bevoegd is een concentratiezaak te heropenen, te weten het college van Commissieleden. Ter terechtzitting heeft de Commissie evenwel verklaard dat zij dit argument niet handhaafde.
17 In de tweede plaats is de Commissie van mening dat de brief van 31 juli 1992 in geen geval kan worden gezien als een handeling die verzoeksters rechtstreeks en individueel raakt, en dat zij bijgevolg niet in rechte tegen die brief kunnen opkomen, evenmin als zij in rechte hadden kunnen opkomen tegen de beschikking van 19 december 1991, of om heropening van het aan die beschikking voorafgegane onderzoek hadden kunnen verzoeken. Daargelaten of - en wanneer - minderheidsaandeelhouders door beschikkingen op grond van verordening nr. 4064/89 rechtstreeks en individueel kunnen worden geraakt, in casu is dit beslist niet het geval voor verzoeksters, die overigens geen opmerkingen hebben geformuleerd en op generlei wijze hebben deelgenomen aan de administratieve procedure die aan de beschikking van 19 december 1991 is voorafgegaan.
18 Ten slotte en subsidiair merkt de Commissie op, dat de brief van 31 juli 1992 niet voor afzonderlijke rechterlijke toetsing in aanmerking kan komen, aangezien hij enkel de eerdere beschikking bevestigt. In deze brief wordt slechts herhaald, dat geen enkele bepaling van de overeenkomst tot gevolg had dat Mediobanca, afzonderlijk of gezamenlijk, zeggenschap over Generali werd gegeven, en wordt de desbetreffende passage geciteerd. Volgens verweerster is verzoeksters' beroep in wezen een ontoelaatbare poging om lang na het verstrijken van de in artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag gestelde termijn de eerdere beschikking alsnog aan te vechten.
19 In hun verzoekschrift benadrukken verzoeksters in limine, dat de Commissie in haar brief van 31 juli 1992 hun bevoegdheid om om heropening van de procedure te verzoeken niet heeft betwist en aldus impliciet heeft aanvaard dat zij, indien haar beschikking was gebaseerd op onjuiste inlichtingen in de aanmelding, voldoende grond zou hebben om het onderzoek van de zaak te heropenen.
20 In dit verband brengen verzoeksters in de eerste plaats in herinnering, dat de feiten die tot dit geschil hebben geleid, hun oorsprong vinden in een kapitaalverhoging van Generali in juli 1991, waarvan de ongebruikelijke structuur Mediobanca in staat heeft gesteld de controle van circa 50 000 000 van de 145 750 000 extra aandelen te verwerven en aldus haar rechtstreekse aandeel in het maatschappelijk kapitaal van 5,98 % op 12,84 % te brengen. Het voornaamste - zo niet het enige - doel van de kapitaalverhoging was volgens verzoeksters de totstandbrenging van een mechanisme waarbij Mediobanca haar invloed op Generali disproportioneel kon versterken, zodat zij te zamen met de dochtermaatschappij van Lazard, Euralux, Generali effectief kon controleren.
21 Volgens verzoeksters volgt uit de dossierstukken, dat indien Mediobanca en Generali juiste en volledige inlichtingen hadden verstrekt, zoals de toepasselijke regeling vereist, de Commissie enerzijds niet had kunnen concluderen, dat de samenstelling van de raad van bestuur van Generali bevestigde dat Mediobanca geen beslissende invloed op de organen van Generali kon uitoefenen, en anderzijds niet zou hebben nagelaten om te verwijzen naar de samenstelling van het dagelijks bestuur. Evenmin had zij, ingeval de inhoud en het effect van de overeenkomst volledig en loyaal waren meegedeeld, in punt 9 van de beschikking van 19 december 1991 kunnen concluderen dat er geen sprake was van enig "vennootschapsrechtelijk mechanisme" dat het eindresultaat van de voorstellen inzake de samenstelling van de vennootschapsorganen moest garanderen.
22 In hun opmerkingen betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid bestrijden verzoeksters in het bijzonder de interpretatie van de Commissie, dat het door hen aangevoerde "nieuwe feit" niet meer was dan de publikatie van de tekst van de overeenkomst. Het ware "nieuwe feit" dat met deze publikatie aan het licht is gekomen, was de omstandigheid dat de Commissie tijdens de administratieve procedure was misleid omtrent het daadwerkelijke effect van de overeenkomst en inzonderheid omtrent de feitelijke rol en de invloed van het cooerdinatiecomité in de bestuursorganen van Generali. Een dergelijk verkeerd begrip bij de Commissie van de ware aard van het verzoek van verzoeksters ontkracht de argumenten van de Commissie betreffende de niet-ontvankelijkheid.
23 Vervolgens bestrijden verzoeksters de stelling van de Commissie, dat voor de geldigheid van een verzoek tot herziening dezelfde voorwaarden gelden als voor een verzoek tot herziening van een arrest van het Hof of het Gerecht. Een dergelijke analogie is volgens verzoeksters om twee redenen onjuist. In de eerste plaats is de Commissie niet een rechterlijke instantie doch een administratief orgaan, zodat overwegingen betreffende de wenselijkheid van definitieve beslissingen in gerechtelijke procedures niet direct relevant zijn. In de tweede plaats wordt ook op andere gebieden van het gemeenschapsrecht algemeen erkend, dat de Commissie een eerdere met een beschikking afgeronde procedure kan heropenen op verzoek van een partij die een materieel nieuw feit heeft ontdekt.
24 Ter zake van het argument van de Commissie dat zij geen procesbevoegdheid hebben, betogen verzoeksters in het bijzonder, dat dit probleem niet aan de orde zou zijn gesteld indien zij hadden gevraagd om te mogen interveniëren in de procedure die tot de beschikking van 19 december 1991 heeft geleid, wat zij ook zouden hebben gedaan indien zij de later aan het licht gekomen feiten hadden gekend. In elk geval worden hun belangen nog meer rechtstreeks geraakt dan die van de werknemers van de betrokken ondernemingen, wier potentiële procesbelang is erkend in de beschikking in kort geding van de president van het Gerecht van 15 december 1992 in de zaak CCE Grandes Sources e.a. (zaak T-96/92 R, Jurispr. 1992, blz. II-2579, r.o. 31 e.v.). Ter terechtzitting hebben verzoeksters uitgelegd, dat het bestaan van een overeenkomst tussen Mediobanca en Lazard om hun aandelen niet aan derden over te dragen reeds geruime tijd bekend was en dat de notulen van de algemene vergadering van Generali van 1991 dat reeds vermeldden. Omdat de ware aard van deze overeenkomst hun echter niet werd geopenbaard, hebben zij noch om tussenkomst in de procedure voor de Commissie noch om mededeling van de tekst van de beschikking van 19 december 1991 verzocht.
25 Ten slotte bestrijden verzoeksters het argument van de Commissie, dat de brief van 31 juli 1992 niet vatbaar is voor afzonderlijke rechterlijke toetsing, omdat hij enkel de eerdere beschikking van 19 december 1991 bevestigt. Zij merken in het bijzonder op, dat hun verzoek om heropening van de zaak vrijwel geheel bestond in een uitwerking van deze nieuwe gegevens die sedert de oorspronkelijke beschikking van 19 december 1991 aan het licht waren gekomen, en dat de Commissie het feit dat zij deze nieuwe elementen niet in aanmerking heeft genomen, niet kan inroepen ter rechtvaardiging van de kwalificatie van haar brief van 31 juli 1992 als een loutere bevestiging van een eerdere beschikking.
Beoordeling door het Gerecht
Het rechtskader van het geschil
26 Ingevolge artikel 4 van verordening nr. 4064/89 moeten concentraties van communautaire dimensie bij de Commissie worden aangemeld binnen een week na de sluiting van de overeenkomst, de openbaarmaking van het aanbod tot aankoop of ruil of de verwerving van een zeggenschapsdeelneming. Deze aanmelding heeft schorsende werking: behoudens uitdrukkelijke ontheffing, mag de concentratie niet tot stand worden gebracht vóór de aanmelding of binnen drie weken na de aanmelding. Tegelijkertijd dient de Commissie, in het belang van de doelmatigheid van de controle en van de rechtszekerheid van de betrokken ondernemingen, overeenkomstig artikel 10 van deze verordening strikte termijnen in acht te nemen voor het inleiden van een procedure, alsmede voor de vaststelling van de eindbeschikking; doet zij dit niet, dan wordt de concentratie geacht met de gemeenschappelijke markt verenigbaar te zijn.
27 Wat meer in het bijzonder het onderzoek van de aanmelding en de inleiding van de procedure betreft, bepaalt artikel 10, lid 1, van verordening nr. 4064/89 dat de Commissie binnen een termijn van een maand bij wege van beschikking moet vaststellen dat de aangemelde concentratie niet binnen het toepassingsgebied van de verordening valt, dat zij geen ernstige twijfel doet rijzen over haar verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt, dat er geen grond is zich ertegen te verzetten, dan wel dat zij ernstige twijfel doet rijzen en de procedure moet worden ingeleid.
28 Verordening nr. 4064/89 voorziet nergens uitdrukkelijk in de mogelijkheid, de Commissie om heropening van de procedure te verzoeken. Wel kan de Commissie volgens artikel 8, lid 5, sub a, een beschikking waarin zij een concentratie uit hoofde van lid 2 van dit artikel met de gemeenschappelijke markt verenigbaar heeft verklaard, intrekken, met name wanneer deze beschikking op onjuiste of met bedrog verkregen gegevens berust.
De door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid
29 Luidens artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag kan iedere natuurlijke of rechtspersoon onder de in lid 1 genoemde voorwaarden beroep instellen "tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken".
30 Ter beoordeling van de ontvankelijkheid van onderhavig beroep zij om te beginnen opgemerkt dat, zoals het Hof heeft overwogen (beschikking van 27 januari 1993, zaak C-25/92, Miethke, Jurispr. 1993, blz. I-473), het feit dat een gemeenschapsinstelling een persoon in antwoord op diens verzoek een brief zendt, niet volstaat om die brief aan te merken als een beschikking in de zin van artikel 173 van het Verdrag, waartegen beroep tot nietigverklaring openstaat. Als handelingen of beschikkingen die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 173 van het Verdrag, zijn enkel te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen raken doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen (zie arrest Gerecht van 18 december 1992, gevoegde zaken T-10/92, T-11/92, T-12/92 en T-15/92, Cimenteries CBR e.a., Jurispr. 1992, blz. II-2667, r.o. 28).
31 In de tweede plaats zij opgemerkt, dat volgens de rechtspraak van het Hof een afwijzende handeling van de Commissie moet worden beoordeeld met inachtneming van de aard van het verzoek waarop het een antwoord vormt (zie laatstelijk arrest van 24 november 1992, gevoegde zaken C-15/91 en C-108/91, Buckl e.a., Jurispr. 1992, blz. I-6061, r.o. 22). In het bijzonder is de weigering van een gemeenschapsinstelling om een handeling in te trekken of te wijzigen alleen dan een voor wettigheidstoetsing in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag vatbare handeling, wanneer de handeling die de instelling weigert in te trekken of te wijzigen, zelf op grond van deze bepaling had kunnen worden aangevochten (zie voor handelingen met het karakter van een verordening arresten Hof van 8 maart 1972, zaak 42/71, Nordgetreide, Jurispr. 1972, blz. 105, r.o. 5; 26 april 1988, gevoegde zaken 97/86, 193/86, 99/86 en 215/86, Asteris e.a. en Griekenland, Jurispr. 1988, blz. 2181, r.o. 17, en 17 mei 1990, zaak C-87/89, Sonito, Jurispr. 1990, blz. I-1981, r.o. 8; zie ook de conclusie van advocaat-generaal M. Gulmann bij het arrest Buckl e.a., reeds aangehaald, punt 14).
32 In casu hebben verzoeksters de Commissie verzocht, de procedure betreffende de concentratie tussen Mediobanca en Generali ten aanzien waarvan de Commissie bij beschikking van 19 december 1991 had beslist, te heropenen. In deze beschikking stelde de Commissie vast, dat de aangemelde concentratie niet binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 4064/89 viel, omdat zij Mediobanca niet in staat stelde, afzonderlijk of gezamenlijk met andere ondernemingen, een "beslissende invloed" uit te oefenen op Generali (zie hierboven, r.o. 2).
33 Naar het oordeel van het Gerecht probeerden verzoeksters met hun verzoek tot heropening van de procedure in feite van de Commissie gedaan te krijgen dat zij een beschikking tot intrekking van haar eerdere beschikking van 19 december 1991 zou geven, op grond dat die op feitelijk onjuiste gegevens berustte, alsmede een nieuwe beschikking betreffende de aangemelde concentratie. De brief van 31 juli 1992 waarop dit geding betrekking heeft, moet bijgevolg worden gezien als een weigering van de Commissie om haar beschikking in te trekken en op die grond de bij haar aangemelde concentratie nogmaals te onderzoeken. Vaststaat, dat verzoeksters ten aanzien van de oorspronkelijke, aan de partijen bij deze concentratie toegezonden beschikking van 19 december 1991 moeten worden aangemerkt als derden. In die omstandigheden en overeenkomstig het hiervoor uiteengezette beginsel (r.o. 31) kunnen verzoeksters slechts intrekking van de oorspronkelijke beschikking van 19 december 1991 vorderen, voor zover zij door deze beschikking rechtstreeks en individueel worden geraakt in de zin van artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag.
34 In dit verband zij vooraf opgemerkt, dat het enkele feit dat een handeling van invloed kan zijn voor de relaties tussen de verschillende aandeelhouders van een vennootschap, op zichzelf niet betekent dat een van die aandeelhouders kan worden geacht, door die handeling rechtstreeks en individueel te worden geraakt. Alleen specifieke omstandigheden kunnen een dergelijke aandeelhouder, die stelt dat de handeling gevolgen heeft voor zijn positie binnen de vennootschap, het recht geven om op grond van artikel 173 van het Verdrag te ageren (zie arrest Hof van 10 december 1969, gevoegde zaken 10/68 en 18/68, Eridania e.a., Jurispr. 1969, blz. 459).
35 Wat de vraag betreft, of in casu sprake is van dergelijke specifieke omstandigheden, is het Gerecht in de eerste plaats van oordeel, dat verzoeksters - die zich beroepen op hun hoedanigheid van aandeelhoudster van een van de aanmeldende vennootschappen - niet behoren tot de derden wier rechtspositie of feitelijke situatie door deze beschikking kan worden beïnvloed. Immers, de vaststelling door de Commissie conform artikel 6, lid 1, sub a, van verordening nr. 4064/89, dat een aangemelde concentratie niet binnen het toepassingsgebied van de verordening valt, is niet van dien aard dat dit op zichzelf reeds de inhoud of de omvang van de rechten van de aandeelhouders van de aanmeldende partijen wijzigt, ongeacht of het hun vermogensrechten betreft, dan wel de voor hen daaruit voortvloeiende mogelijkheid om deel te nemen in het beheer van de vennootschap. In casu nu hebben verzoeksters, die enkel betogen dat "de verwerving van een dergelijke invloed door Mediobanca de effectiviteit van de stemmen van de resterende aandeelhouders, zoals verzoeksters, die voortaan permanent in de minderheid zijn, vanzelfsprekend sterk zal verminderen" (punt 3.3 van de opmerkingen betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid), niet aangetoond dat de beschikking van 19 december 1991 hun rechtspositie of feitelijke situatie heeft beïnvloed.
36 In de tweede plaats merkt het Gerecht op, dat deze beschikking, waarin wordt vastgesteld dat de aangemelde concentratie niet binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 4064/89 valt, verzoeksters als aandeelhoudsters van Generali op dezelfde wijze raakt als elke andere van de circa 140 000 aandeelhouders van deze vennootschap. Aangenomen zelfs dat, zoals verzoeksters beweren, Mediobanca afzonderlijk of gezamenlijk met andere ondernemingen de zeggenschap over Generali verworven heeft, dan nog zou een dergelijke zeggenschap de belangen van verzoeksters op dezelfde wijze raken als die van de overige aandeelhouders. Derhalve kan de beschikking van 19 december 1991 verzoeksters niet individueel raken, te meer daar enerzijds hun aandeel in het maatschappelijk kapitaal van Generali op het tijdstip van de feiten voor elk van hen minder dan 0,5 % bedroeg, en zij anderzijds niet hebben aangetoond dat zij door de beschikking in een andere situatie kwamen te verkeren dan de overige aandeelhouders. Het Hof heeft evenwel geoordeeld: "Zij die niet de adressaten zijn van een beschikking kunnen slechts stellen dat zij individueel worden geraakt, indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat" (arrest van 15 juli 1963, zaak 25/92, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 207).
37 Ten slotte betogen verzoeksters ten onrechte, tot staving van hun argument dat de beschikking van 19 december 1991 hen individueel raakt, dat hun procesbelang buiten twijfel staat, voor zover zij, indien zij hadden verzocht om te mogen interveniëren in de procedure voorafgaand aan deze beschikking - hetgeen zij ook zouden hebben gedaan indien zij op de hoogte waren geweest van de later aan het licht getreden feiten -, volgens vaste rechtspraak op het gebied van zowel de mededinging en steunmaatregelen als dumping en subsidies (zie beschikking CCE Grandes Sources e.a., reeds aangehaald, en de aldaar aangehaalde arresten van het Hof) over een beroepsgang hadden beschikt om hun legitieme belangen te beschermen.
38 Gesteld al dat deze rechtspraak op geschillen betreffende concentraties kan worden toegepast, dan zouden overwegingen betreffende de rechtszekerheid van de marktdeelnemers en de kortheid van de termijnen, welke kenmerkend is voor verordening nr. 4064/89, in elk geval vereisen dat een verzoek tot heropening van de procedure op grond van een beweerd nieuw feit binnen een redelijke termijn wordt ingediend.
39 In casu is het Gerecht evenwel van oordeel, dat het informele contact dat verzoeksters op 6 mei 1992 met de diensten van de Commissie hebben gehad, niet als een verzoek tot heropening van de procedure kan worden aangemerkt, alsook dat het verzoek van 26 juni 1992 te laat, dat wil zeggen niet binnen een redelijke termijn, bij de Commissie is ingediend, daar verzoeksters naar eigen zeggen van het beweerde nieuwe feit, in casu de volledige tekst van de zogenoemde overeenkomst van Parijs van 1985, "eind maart/begin april 1992" kennis hebben gekregen. Derhalve kan verzoeksters' argument, gebaseerd op het bestaan van een beweerd nieuw feit, niet worden aanvaard.
40 Derhalve is het Gerecht van oordeel, dat verzoeksters door de beschikking van de Commissie van 19 december 1991 niet rechtstreeks en individueel worden geraakt en dat het beroep bijgevolg niet-ontvankelijk is, zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de vraag, of in andere omstandigheden het beroep op een nieuw feit verzoeksters in staat zou hebben gesteld om aan het in het Verdrag verankerde stelsel van beroepstermijnen te ontkomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
41 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Daar verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen verzoeksters overeenkomstig de conclusie van de Commissie hoofdelijk in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
2) Verwijst verzoeksters hoofdelijk in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy