Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Ambtenaren - Vergelijkend onderzoek - Vergelijkend onderzoek op grondslag van examens - Verloop - Anonimiteitsregel - Schending toe te rekenen aan kandidaat - Nietigverklaring van examen van betrokkene
(Ambtenarenstatuut, art. 29 en bijlage III)
Partijen
In zaak T-91/92,
W. H. M. Daemen, wonende te Margraten (Nederland), vertegenwoordigd door E. J. J. M. Kneepkens, advocaat te Maastricht,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. M. P. Smulders, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de jury van algemeen vergelijkend onderzoek COM/A/720 om verzoekers schriftelijke examens wegens schending van de anonimiteitsregel te annuleren,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: A. Kalogeropoulos, kamerpresident, R. Schintgen en K. Lenaerts, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 25 november 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten en het procesverloop
1 Op 13 december 1991 nam verzoeker deel aan de drie selectieproeven [a), b) en c)] van een door de Commissie georganiseerd algemeen vergelijkend onderzoek (COM/A/720) voor de vorming van een reservelijst van administrateurs in de loopbaan A7/A6 (PB 1991, C 52 A, blz. 16). Ofschoon hij voor deze proeven niet voldoende punten behaalde, werd hij, nadat het aantal posten waarin door middel van dit vergelijkend onderzoek moest worden voorzien, was vergroot en het voor toelating tot de volgende examens vereiste minimumaantal punten was verlaagd, bij brief van 15 mei 1992 toch toegelaten tot de andere examens, namelijk d) (redactieproef) en e) (praktische proef).
2 Volgens de schriftelijke aanwijzingen die op de dag van examen e) (19 juni 1992) aan de kandidaten waren gegeven, mocht hun naam "alleen voorkomen op de omslagen en op de daartoe voorziene plaats op het zelfkopiërend papier". Volgens diezelfde aanwijzingen had "iedere handtekening, naam of een andere kenmerkende aanduiding op de andere bladzijden van de definitieve tekst, automatisch de annulering van de proef tot gevolg".(1) Omdat de kandidaten voor deze schriftelijke proef papier moesten gebruiken dat bestond uit een set van drie zelfkopiërende bladen waarbij "automatisch twee kopieën worden gemaakt", bevatten bovengenoemde aanwijzingen ook de volgende waarschuwing: "Er mag slechts één set van drie bladen tegelijkertijd worden gebruikt." Voorts werd gepreciseerd: "Alleen op de eerste set - de set waarvan de eerste twee bladen korter zijn - schrijft u onderaan op de gele kopie het nummer van het vergelijkend onderzoek, uw naam en uw voornaam (...). Alleen de antwoorden die op het zelfkopiërend papier staan worden verbeterd (...)."
3 Na afloop van deze examens kwamen de twee door de jury aangewezen correctoren tot de conclusie, dat aan verzoeker voor onderdeel e) minder punten moesten worden toegekend dan de 20 op 40 die, volgens punt VI.2 van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, voor toelating tot het mondeling examen waren vereist. Eén van de twee correctoren stelde evenwel vast, dat verzoekers naam en voornaam licht maar duidelijk waren afgedrukt op de roze kopie van de bladzijden 2 en 3 van zijn werkstuk. Het originele werkstuk, dat door de andere corrector was gecorrigeerd, bevatte geen enkele aanduiding van verzoekers identiteit. Zijn naam en voornaam kwamen echter wel voor op de gele kopie van de bladzijden 2 en 3 van het werkstuk. De jury besloot derhalve verzoekers schriftelijke examens te annuleren zonder er een cijfer voor te geven.
4 Dit besluit van de jury werd verzoeker meegedeeld bij brief van 10 september 1992. Verzoeker antwoordde hierop bij brief van 5 oktober daaraanvolgend, waarin hij de Commissie verantwoordelijk stelde voor de vergissing die hij bij het gebruik van het verstrekte papier eventueel had gemaakt en waardoor zijn identiteit aan het licht was gekomen.
5 Onder deze omstandigheden heeft verzoeker op 28 oktober 1992 het onderhavige beroep ingesteld.
6 Bij op 7 december 1992 ter griffie van het Gerecht ingeschreven akte heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, waarover verzoeker op 30 december 1992 opmerkingen heeft gemaakt. Bij beschikking van 10 maart 1993 heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten de exceptie te voegen met de zaak ten gronde. In het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het de Commissie verder verzocht, de originelen van de in geding zijnde examens over te leggen. De Commissie heeft de gevraagde stukken op 13 april 1993 overgelegd. De schriftelijke procedure heeft een normaal verloop gehad en is geëindigd met de indiening van de dupliek, die op 7 juli 1993 ter griffie van het Gerecht is ingeschreven. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.
7 Bij brief van 9 november 1993 heeft verzoeker het Gerecht doen weten, in het kader van de mondelinge behandeling af te zien van pleidooi. Ter terechtzitting van 24 november 1993 is alleen de Commissie gehoord in haar pleidooi en heeft zij mondelinge vragen van het Gerecht beantwoord. Op verzoek van het Gerecht heeft de Commissie ter terechtzitting voorts een ongebruikt voorbeeld overgelegd van het papier dat de kandidaten tijdens het in geding zijnde examen ter beschikking was gesteld, alsmede alle originele bladen van verzoekers werkstuk, waarop zijn naam was vermeld, teneinde het Gerecht in staat te stellen precies na te gaan hoe de vermelding van verzoekers naam tot stand was gekomen.
Conclusies van partijen 8 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
- het bestreden besluit nietig te verklaren, zodat de schriftelijke examens alsnog geldig worden verklaard en kan worden overgegaan tot verbetering ervan;
- verweerster te verwijzen in de kosten van de procedure.
9 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel als ongegrond te verwerpen;
- uitspraak te doen over de kosten naar recht.
Middelen en argumenten van partijen
De ontvankelijkheid
10 De Commissie stelt, dat verzoeker zich niet kan beroepen op een onregelmatigheid in de procedure die aan het bestreden besluit vooraf is gegaan, tenzij hij kan aantonen, dat hij zonder die onregelmatigheid in een betere positie zou hebben verkeerd (arresten Hof van 4 april 1974, zaak 115/73, Serio, Jurispr. 1974, blz. 341; 29 september 1976, zaak 9/76, Morello, Jurispr. 1976, blz. 1415, en 16 december 1976, zaak 124/75, Perinciolo, Jurispr. 1976, blz. 1953). De nietigverklaring van het bestreden besluit zou verzoeker in het onderhavige geval niet baten, aangezien hij voor het geannuleerde examen niet het vereiste minimumaantal punten heeft behaald en hij hoe dan ook niet zou worden toegelaten tot het volgende (mondelinge) examen van vergelijkend onderzoek COM/A/720. De Commissie leidt hieruit af, dat verzoeker er geen belang bij heeft, de wettigheid van het besluit om zijn examen te annuleren, te betwisten.
11 Ten gronde merkt de Commissie op, dat verzoeker, die kennelijk twee op elkaar liggende sets bladen heeft gebruikt, zijn naam op het daartoe bestemde blad heeft geschreven en vervolgens niet de moeite heeft genomen de andere kopieën te controleren, waardoor hij die onregelmatigheid had kunnen ontdekken, niettegenstaande de waarschuwing aan de kandidaten en de herinnering aan de consequenties van elke onregelmatigheid, die waren vervat in de duidelijke en ondubbelzinnige aanwijzingen die aan de kandidaten waren verstrekt. De vermelding van de naam van een kandidaat, al dan niet onbedoeld, brengt volgens de Commissie ipso facto de onpartijdigheid van de jury en de gelijke behandeling van de deelnemers in gevaar. Verzoeker is dan ook volledig verantwoordelijk voor de in dit geval gemaakte vergissing en de annulering van zijn schriftelijk examen is derhalve gerechtvaardigd, gezien de met de anonimiteitsregel gediende algemene belangen.
12 De Commissie betoogt voorts, dat verzoeker zelfs niet summier heeft aangegeven, op welke van de in artikel 173 EEG-Verdrag bedoelde gronden hij zijn beroep tegen het bestreden besluit baseert, en dat hij aldus artikel 19 van 's Hofs Statuut-EEG, artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en de rechtspraak van het Hof heeft miskend (arrest van 15 december 1961, gevoegde zaken 19/60, 21/60, 2/61 en 3/61, Fives Lille Cail e.a., Jurispr. 1961, blz. 593, 622).
13 Ten slotte is de Commissie van mening, dat het verwijt dat verzoeker haar maakt, niet met feiten wordt gestaafd en dat men reeds om praktische redenen niet in redelijkheid van haar kan vergen, dat zij maatregelen treft om te verzekeren dat geen van de duizenden examenkandidaten de anonimiteitsregel schendt. Zij heeft zich echter voldoende ingespannen om schending van de anonimiteitsregel tot een absoluut minimum te beperken, door bij de aanvang van elk onderdeel van het schriftelijk examen "Algemene aanwijzingen" onder de kandidaten te verspreiden, die voldoende zijn gebleken om te voorkomen dat duizenden andere kandidaten hun naam op de examenformulieren plaatsten.
14 Verzoeker beklemtoont de tegenstrijdigheid van het standpunt van de Commissie. Enerzijds ontzegt zij hem zijn belang om de wettigheid van het bestreden besluit te betwisten, met de stelling dat hij voor zijn examen niet voldoende punten heeft behaald, en anderzijds verklaart zij dat zij voor dit examen geen cijfer heeft bepaald en heeft besloten het te annuleren. Alleen al wegens de gemaakte proceskosten heeft hij belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoekschrift. In de administratieve rechtspraak van de Lid-Staten, althans van Nederland, zou zijn belang wel worden erkend. Verzoeker acht het niet uitgesloten, dat de jury haar criteria later bijstelt en andere kandidaten tot het volgende examen toelaat, zoals in het onderhavige vergelijkend onderzoek al eerder is gebeurd, zulks blijkens de brief die de Commissie hem op 15 mei 1992 zond.
15 Ten gronde stelt verzoeker, dat hij mogelijkerwijs zonder het te willen of te weten zijn naam op de betrokken kopie heeft gezet. Dat is dan te wijten aan het zelfkopiërende papier dat de Commissie aan de kandidaten ter beschikking had gesteld, waardoor zijn naam, toen hij die op de daartoe bestemde plaats vermeldde, ook op een andere, daartoe niet bestemde plaats van zijn werkstuk moet zijn doorgedrukt. Deze omstandigheid kan de Commissie worden verweten, omdat de aanwijzing die zij de kandidaten de dag van het examen heeft gegeven, niet duidelijk was over eventuele valkuilen bij het gebruik van de ter beschikking gestelde formulieren. Ofschoon hij vóór het examen kennis had genomen van de aanwijzingen waarbij de belanghebbenden er attent op werden gemaakt, dat indien hun naam voorkwam op een daartoe niet bestemde plaats, het examen zou worden geannuleerd, was deze informatie absoluut onvoldoende. De kandidaten waren niet gewaarschuwd dat ook het laatste blad van elke set bladen - waardoor volgens verzoeker de fout is veroorzaakt - zelfkopiërend was, en dat zij aan het einde van het examen hun werkstukken derhalve moesten controleren op een eventuele vermelding van hun naam daarop.
16 Verzoeker stelt voorts, dat het optreden van de Commissie kan worden aangemerkt als falend, aangezien zij bij de uitvoering van haar eigen regels onvoldoende zorgvuldig jegens de belanghebbenden heeft gehandeld, en wel doordat zij niet in voldoende mate ervoor heeft gezorgd, dat de anonimiteitsregel door de kandidaten niet onbedoeld werd overtreden. De Commissie heeft derhalve de in de Lid-Staten algemeen aanvaarde rechtsbeginselen geschonden en meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, bekend in het administratieve recht en herhaaldelijk erkend door het Hof.
Beoordeling rechtens
17 Het Gerecht acht het gewenst, eerst het beroep ten gronde te onderzoeken alvorens eventueel uitspraak te doen over de ontvankelijkheid ervan.
18 Het Gerecht stelt in de eerste plaats vast, dat elke set bladen waarover de kandidaten bij het betrokken examen beschikten, bestond uit een wit, een roze en een geel blad, en dat alleen de eerste twee bladen, het witte en het roze, zelfkopiërend waren, terwijl het laatste, gele blad dat niet was. Verzoekers bewering dat ook het laatste blad van elke set zelfkopiërend was, strookt dus niet met de werkelijkheid en de grief dat de Commissie de kandidaten hiervoor had moeten waarschuwen, is derhalve ongegrond.
19 Het Gerecht stelt in de tweede plaats vast, dat verzoekers naam conform de regels was vermeld op de daarvoor bestemde plaats onderaan het gele blad, dat langer was dan de twee andere bladen van de door hem gebruikte eerste set van drie bladen, die bladzijde 1 van zijn werkstuk vormde, en dat zijn naam eveneens voorkwam op het roze en het gele blad van de door hem gebruikte tweede set van drie bladen, die bladzijde 2 van zijn werkstuk vormde. Hieruit moet worden afgeleid, dat verzoeker, toen hij zijn naam onderaan het gele blad van de eerste set schreef, deze eerste set blijkbaar op de tweede heeft gelegd, zodat zijn naam door het carbon is doorgedrukt op het roze en het gele blad van de tweede set, doch niet op het eerste, witte blad ervan, aangezien het laatste blad van elke set niet zelfkopiërend is.
20 Ten slotte is het Gerecht van mening, dat de waarschuwing van de Commissie aan de kandidaten, dat zij niet meer dan één set bladen tegelijkertijd moesten gebruiken, voldoende was voor iedere kandidaat die de normale oplettendheid en zorgvuldigheid betrachtte. Hieruit volgt dat verzoeker, die twee sets van drie bladen op elkaar heeft gelegd die de eerste en de tweede bladzijde van zijn werkstuk vormden, geen acht heeft geslagen op die waarschuwing en zelf ten volle verantwoordelijk is voor het feit dat zijn naam voorkomt op een daarvoor niet bestemde plaats van zijn werkstuk. Daardoor heeft hij de anonimiteitsregel geschonden, die volgens de aanwijzingen aan de kandidaten bij vergelijkende onderzoeken dwingend is (zie arrest Gerecht van 15 juli 1993, zaak T-27/92, Camera-Lampitelli e.a., Jurispr. 1993, blz. II-873, r.o. 59 e.v.).
21 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep als ongegrond moet worden verworpen zonder dat de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid behoeft te worden onderzocht.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, indien dit is gevorderd. Ingevolge artikel 88 van hetzelfde Reglement evenwel blijven in gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verklaart dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen.
(1) - Vet gedrukt in de originele tekst.
Full & Egal Universal Law Academy