Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Ambtenaren - Loopbaan - Verandering van categorie of groep na deelneming aan algemeen vergelijkend onderzoek - Indeling in salaristrap - Toepassing van regels inzake bevordering - Afwijking wegens noodzaak rekening te houden met vóór indiensttreding verworven beroepservaring - Draagwijdte
(Ambtenarenstatuut, art. 32, tweede alinea, en 46)
Samenvatting
Gelet op de respectieve doelstellingen van de artikelen 32, tweede alinea, en 46 van het Statuut moet de indeling in salaristrap van een ambtenaar die na een algemeen vergelijkend onderzoek naar een andere categorie overgaat, worden gebaseerd op de beginselen van artikel 46 en niet op die van artikel 32, tweede alinea. Deze laatste bepaling beoogt immers met name, het voor het tot aanstelling bevoegd gezag mogelijk te maken om, zij het binnen tamelijk enge grenzen, rekening te houden met de opleiding en beroepservaring die voor de indiensttreding als ambtenaar van de Gemeenschappen zijn verworven. Daartegenover heeft artikel 46 met name tot doel, de ambtenaar in de loop van zijn carrière de grootst mogelijke continuïteit te waarborgen bij de ontwikkeling van zijn anciënniteit en salaris, en dit ook in geval van verandering van categorie of groep na een vergelijkend onderzoek.
Wanneer evenwel toepassing van artikel 46 het op geen enkele manier mogelijk zou maken rekening te houden met de door de ambtenaar vóór zijn indiensttreding verworven specifieke kennis en beroepservaring, móet artikel 32, tweede alinea, worden toegepast, ongeacht de anciënniteit in de dienst die de belanghebbende bezat op het moment van publikatie van de aankondiging van het algemeen vergelijkend onderzoek waaraan hij heeft deelgenomen, aangezien er geen enkele rechtvaardiging bestaat om de voor dat vergelijkend onderzoek geslaagde kandidaten op die grondslag verschillend te behandelen.
Partijen
In de gevoegde zaken T-103/92, T-104/92 en T-105/92,
J. Baiwir, A. Gonçalves en D. Besohé, ambtenaren van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, respectievelijk wonende te Court-Saint-Étienne, Evere en Namur-Saint-Servais (België), vertegenwoordigd door G. Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Schmitt, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. Van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van de besluiten tot indeling van verzoekers in salaristrap bij hun aanstelling in de basisrang van de categorie boven die waartoe zij tevoren behoorden,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: D. P. M. Barrington, kamerpresident, K. Lenaerts en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 7 juli 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
Met betrekking tot de eerste verzoeker
1 De eerste verzoeker, J. Baiwir, werd op 1 mei 1988 door de Commissie aangeworven als ambtenaar op proef in de rang C 5. Hij werd ingedeeld in salaristrap 3, hetgeen betekende dat hem overeenkomstig artikel 32 Ambtenarenstatuut (hierna: "Statuut") een extra salarisanciënniteit van 48 maanden werd toegekend in verband met zijn eerdere beroepservaring.
2 Op 1 november 1988 werd hij in vaste dienst in zijn rang aangesteld.
3 Op 1 maart 1989 werd hij bevorderd van de rang C 5, salaristrap 3, naar de rang C 4, salaristrap 2, zonder wijziging van functie.
4 Vervolgens nam hij deel aan vergelijkend onderzoek EUR/B/21, georganiseerd door de Commissie en de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen met het oog op de vorming van een reservelijst voor de aanwerving van adjunct-assistenten (PB 1990, C 270, blz. 34). Na dit vergelijkend onderzoek werd hij op de reservelijst geplaatst en vervolgens op 27 februari 1992 aangesteld in een ambt van de categorie B, zulks met ingang van 1 maart 1992. Hij werd ingedeeld in de rang B 5, salaristrap 1.
Met betrekking tot de tweede verzoeker
5 De tweede verzoeker, A. Gonçalves, werd op 1 maart 1988 door de Commissie aangeworven als ambtenaar op proef in de rang B 4. Om dezelfde redenen als de eerste verzoeker werd hij ingedeeld in salaristrap 3.
6 Op 1 december 1988 werd hij in vaste dienst in zijn rang aangesteld.
7 Vervolgens nam hij deel aan vergelijkend onderzoek COM/LA/706, door de Commissie georganiseerd met het oog op de vorming van een aanwervingsreserve van Portugeestalige vertalers (PB 1990, C 239, blz. 28). Na dit vergelijkend onderzoek werd hij op de reservelijst geplaatst en vervolgens op 22 januari 1992 aangesteld in een ambt van de groep LA, zulks met ingang van 1 december 1991. Hij werd ingedeeld in de rang LA 7, salaristrap 1.
Met betrekking tot de derde verzoekster
8 De derde verzoekster, D. Besohé, werd op 1 januari 1988 door de Commissie aangeworven als ambtenaar op proef in de rang C 5. Evenals de eerste twee verzoekers en om dezelfde redenen werd zij ingedeeld in salaristrap 3.
9 Op 1 juli 1988 werd zij in vaste dienst in haar rang aangesteld.
10 Vervolgens nam zij deel aan het reeds genoemde vergelijkend onderzoek EUR/B/21 en na afloop daarvan werd zij op de reservelijst geplaatst en op 29 januari 1992 aangesteld in een ambt van de categorie B, met ingang van 1 januari 1992. Zij werd ingedeeld in de rang B 5, salaristrap 1.
11 Bij brieven van 11 mei 1992 dienden verzoekers een klacht op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut in tegen hun aanstellingsbesluit op grond dat bij hun indeling in de eerste salaristrap van hun nieuwe rang geen rekening was gehouden met de beroepservaring die zij voor hun eerste indiensttreding hadden verworven. Zij betoogden, dat het tot aanstelling bevoegd gezag in plaats van artikel 46 van het Statuut artikel 32 op hen had moeten toepassen, en dat zij gediscrimineerd waren ten opzichte van de "externe" kandidaten die geslaagd waren voor de vergelijkende onderzoeken waaraan zij hadden deelgenomen.
12 De Commissie heeft niet binnen de in het Statuut gestelde termijn op deze klachten geantwoord.
Het procesverloop
13 Onder die omstandigheden hebben verzoekers de onderhavige beroepen ingesteld, die op 1 december 1992 ter griffie van het Gerecht zijn ingeschreven.
14 Bij beschikking van 20 januari 1993 heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten de zaken T-103/92, T-104/92 en T-105/92 voor de schriftelijke behandeling, de mondelinge behandeling en het arrest te voegen.
15 Het Gerecht (Vijfde kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
16 Ter terechtzitting van 7 juli 1993 zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord.
Conclusies van partijen
17 De eerste en de derde verzoeker concluderen dat het het Gerecht behage:
1) het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
2) bijgevolg nietig te verklaren de besluiten van de Commissie van 27 februari en 29 januari 1992 houdende aanstelling van verzoekers in een ambt van adjunct-assistent na hun slagen voor vergelijkend onderzoek EUR/B/21, voor zover zij daarbij zijn ingedeeld in de rang B 5, salaristrap 1, zonder salarisanciënniteit;
3) de Commissie te veroordelen tot betaling van compensatoire interessen op de voet van 10 % 's jaars, vanaf de inwerkingtreding van het bestreden besluit op respectievelijk 1 maart 1992 en 1 januari 1992 tot de regularisering van de indeling van verzoekers in salaristrap;
4) verweerster te veroordelen in de kosten.
18 De tweede verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
2) bijgevolg nietig te verklaren het besluit van de Commissie van 22 januari 1992 houdende aanstelling van verzoeker in een ambt van vertaler na zijn slagen voor algemeen vergelijkend onderzoek COM/LA/706, voor zover hij daarbij is ingedeeld in de rang LA 7, salaristrap 1, zonder salarisanciënniteit;
3) de Commissie te veroordelen tot betaling van compensatoire interessen op de voet van 10 % 's jaars, vanaf de inwerkingtreding van het bestreden besluit op 1 december 1991 tot de regularisering van verzoekers indeling in salaristrap;
4) verweerster te verwijzen in de kosten.
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
1) de beroepen te verwerpen;
2) te beslissen over de kosten naar recht.
Middelen en argumenten van partijen
De beroepen tot nietigverklaring
- Argumenten van partijen
19 Verzoekers voeren voor hun beroep tot nietigverklaring drie middelen aan: schending van artikel 32 van het Statuut, doordat de Commissie hun indeling ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 46 van het Statuut; schending van het discriminatieverbod, en, subsidiair, onwettigheid van de door verweerster toegepaste criteria voor de indeling in salaristrap bij verandering van categorie. Aangezien deze middelen nauw met elkaar verband houden, moeten zij gezamenlijk worden onderzocht.
20 Verzoekers betogen, dat ambtenaren die bij wege van een algemeen vergelijkend onderzoek overgaan naar een hogere categorie, moeten worden ingedeeld op basis van artikel 32 van het Statuut, betreffende aanwerving, en niet op basis van artikel 46 van het Statuut, betreffende bevordering.
21 Zij erkennen weliswaar, dat hun situatie niet volledig kan worden gelijkgesteld met aanwerving in eigenlijke zin, doch betogen, dat er nog minder sprake is van bevordering. Het Hof heeft in deze lacune in het Statuut voorzien door er in dergelijke gevallen van uit te gaan, dat artikel 32, behoudens uitzonderingen, analogisch moet worden toegepast.
22 Verzoekers betogen, dat het beginsel inzake de toepassing van artikel 32 van het Statuut door het Hof is ontwikkeld in de arresten van 15 januari 1985 (zaak 266/83, Samara, Jurispr. 1985, blz. 189, r.o. 15) en 20 juni 1985 (zaak 138/84, Spachis, Jurispr. 1985, blz. 1939, r.o. 10 en 11).
23 In zijn arresten van 29 januari 1985 (zaak 273/83, Michel, Jurispr. 1985, blz. 347, r.o. 14 e.v.) en 14 juni 1988 (zaak 47/87, Lucas, Jurispr. 1988, blz. 3019, r.o. 11 e.v.) heeft het Hof dat beginsel bevestigd met dien verstande, dat volgens het Hof artikel 46 moet worden toegepast wanneer door toepassing van artikel 32 de normale ontwikkeling van de loopbaan ten nadele van de ambtenaar zou worden doorkruist.
24 Tot staving van hun standpunt beroepen verzoekers zich op het non-discriminatiebeginsel waarvan zij in hun tweede middel zeggen dat het is geschonden. Zij betogen in wezen, dat het Statuut moet worden uitgelegd in het licht van hogere rechtsbeginselen, zoals het non-discriminatiebeginsel. Zij menen, dat indeling in salaristrap op basis van artikel 46 van het Statuut in het geval van een ambtenaar die na een algemeen vergelijkend onderzoek naar een hogere categorie overgaat, leidt tot discriminatie van die ambtenaar ten opzichte van externe geslaagden, op wie de - per definitie gunstiger - regeling van artikel 32 van het Statuut van toepassing is. Deze stelling is door het Hof aanvaard in zijn arrest Samara (reeds aangehaald, r.o. 15).
25 Verzoekers stellen voorts, dat de Commissie de termijn overeenkomend met het begrip "kort na de indiensttreding", dat volgens de rechtspraak toepassing van artikel 32 in plaats van artikel 46 van het Statuut rechtvaardigt, volstrekt willekeurig op twee jaar heeft bepaald.
26 De Commissie is het met verzoekers eens, dat er in het Statuut een leemte bestaat, doch meent, dat het Hof in deze leemte heeft voorzien door de regels inzake bevordering en niet de regels inzake aanwerving van toepassing te verklaren. Zij geeft echter toe, dat het Hof in uitzonderingen op dit beginsel heeft voorzien.
27 De Commissie beroept zich daarvoor op dezelfde arresten als verzoekers, doch meent, dat wat verzoekers als de uitzondering (toepassing van artikel 46) zien, in werkelijkheid de regel is, en dat omgekeerd wat zij als de regel zien, in werkelijkheid de uitzondering (toepassing van artikel 32) is.
28 Het beginsel inzake de toepassing van artikel 46, aldus de Commissie, is ontwikkeld in het arrest Michel (reeds aangehaald), volgens hetwelk de indeling in salaristrap van een ambtenaar die naar een andere categorie overgaat, in de regel moet worden gebaseerd op de beginselen van de statutaire bepalingen inzake bevordering. Dit beginsel is bevestigd in het arrest Lucas (reeds aangehaald), volgens hetwelk de indeling in salaristrap van een ambtenaar die naar een andere categorie overgaat, moet worden gebaseerd op de beginselen van artikel 46 en niet op die van artikel 32, tweede alinea. In dit laatste arrest heeft het Hof echter de uitzonderingen op dit beginsel bevestigd, die het reeds had omschreven in de arresten Samara en Spachis (reeds aangehaald), door te beslissen dat een uitzondering op de toepassing van artikel 46 gerechtvaardigd is wanneer de wijziging van categorie of groep plaatsvindt kort na de indiensttreding bij de Gemeenschappen en wanneer door de toepassing van deze bepaling bij de aanstelling in een nieuw ambt het niet mogelijk is rekening te houden met de opleiding en de specifieke beroepservaring die de betrokkene voor zijn aanwerving als ambtenaar heeft verworven.
29 De Commissie wijst erop, dat de ratio van deze rechtspraak hierin is gelegen, dat de door een ambtenaar vóór zijn indiensttreding bij de Gemeenschappen verworven beroepservaring slechts één keer in aanmerking kan worden genomen.
30 Zo hebben verzoekers bij hun indiensttreding een maximale anciënniteitsbonus op basis van artikel 32 gekregen en zij kunnen uit dien hoofde dus geen tweede bonificatie verlangen. Bij hun overgang naar een hogere categorie is hun salarisanciënniteit in hun nieuwe indeling tot uitdrukking gekomen door het mechanisme van artikel 46 van het Statuut, juist zoals dat bij een bevordering gebeurt. Ter terechtzitting heeft de Commissie nog opgemerkt, dat de door verzoekers voor hun indiensttreding verworven ervaring ook in aanmerking is genomen bij hun toelating tot het algemeen vergelijkend onderzoek.
31 Volgens de Commissie is deze zienswijze zeer wel in overeenstemming met de arresten Samara en Spachis, aangezien artikel 32 van toepassing is wanneer de ambtenaar korte tijd na zijn eerste aanstelling overgaat naar een hogere categorie en de toepassing van artikel 46 dan dus niet toelaat rekening te houden met zijn ervaring.
32 Zij voegt hieraan toe, dat zij het in de rechtspraak van het Hof gehanteerde begrip "korte tijd" redelijkerwijs mocht uitleggen en bepalen op twee jaar, teneinde alle ambtenaren een gelijke behandeling te waarborgen.
33 Met betrekking tot het tweede middel antwoordt de Commissie, dat er geen sprake kan zijn van discriminatie ten opzichte van "externe" kandidaten. In zijn arrest Michel (reeds aangehaald, r.o. 24 en 25) heeft het Hof immers overwogen:
"Zulk een toepassing vormt geen discriminatie van verzoeker ten aanzien van de $externe' kandidaten bij hetzelfde vergelijkend onderzoek. Wanneer aan een vergelijkend onderzoek voor de vorming van een aanwervingsreserve voor de basisloopbaan van een categorie, naast $externe' kandidaten ook ambtenaren hebben deelgenomen die overeenkomstig artikel 45, lid 2, naar die categorie wensen over te gaan, neemt het tot aanstelling bevoegd gezag bij de indeling in salaristrap inderdaad de beroepservaring van de kandidaten van beide groepen in aanmerking. De $externe' kandidaten kunnen krachtens artikel 32, tweede alinea, en binnen de aldaar gestelde grenzen, de vóór hun indiensttreding verworven beroepservaring doen gelden. Wat de uit een lagere categorie afkomstige ambtenaren betreft, heeft het tot aanstelling bevoegd gezag in de regel reeds bij hun aanwerving in die categorie met eventuele elders verworven beroepservaring rekening gehouden, terwijl de ervaring die zij als gemeenschapsambtenaar hebben verworven, in aanmerking is genomen bij het opklimmen in salaristrap en bij bevorderingen in die categorie. Artikel 46 heeft juist tot gevolg, dat bij overgang naar een nieuwe categorie de aldus verworven anciënniteit behouden blijft.
Dat de beroepservaring volgens twee onderscheiden, op verschillende groepen kandidaten toepasselijke regelingen in aanmerking wordt genomen, levert volstrekt geen discriminatie op wanneer er een objectief onderscheid tussen die twee groepen bestaat en de twee regelingen aan hun respectieve behoeften beantwoorden; dit geldt ook indien in een concreet geval de andere regeling voor de betrokken kandidaat gunstiger zou zijn. Tegenover het nadeel waarover verzoeker zich beklaagt, staan overigens bepaalde voordelen - met betrekking tot de leeftijdsgrens en de proeftijd - waarvan hij, anders dan de $externe' kandidaten, heeft geprofiteerd en die eveneens berusten op het objectieve onderscheid tussen de situatie van de twee groepen."
- Beoordeling door het Gerecht
34 Zoals het Hof in zijn arresten Samara en Lucas (reeds aangehaald) heeft vastgesteld, bevat het Statuut geen bepaling inzake de indeling in salaristrap van een ambtenaar die na een algemeen vergelijkend onderzoek wordt aangesteld in een ambt van een hogere categorie.
35 Het Hof heeft overwogen, dat het Statuut aldus moet worden uitgelegd, dat de indeling in salaristrap van een ambtenaar die na een algemeen vergelijkend onderzoek naar een andere categorie overgaat, moet worden gebaseerd op de beginselen van artikel 46 en niet op die van artikel 32, tweede alinea, vooral gezien de strekking van laatstgenoemde bepaling. Deze beoogt immers met name, het voor het tot aanstelling bevoegd gezag mogelijk te maken om, zij het binnen tamelijk enge grenzen, rekening te houden met de opleiding en beroepservaring die de kandidaat voor zijn indiensttreding als ambtenaar van de Gemeenschappen heeft verworven. Daartegenover heeft artikel 46 met name tot doel, de ambtenaar in de loop van zijn carrière de grootst mogelijke continuïteit te waarborgen bij de ontwikkeling van zijn anciënniteit en salaris, en dit ook in geval van verandering van categorie of groep, een verandering die volgens artikel 45, lid 2, enkel na een vergelijkend onderzoek mogelijk is.
36 Blijkens de rechtspraak heeft het Hof ervan afgezien, artikel 46 toe te passen in gevallen waarin deze bepaling het onmogelijk had gemaakt bij de aanstelling van ambtenaren in een nieuw ambt kort na hun indiensttreding bij de Gemeenschappen rekening te houden met de opleiding en bijzondere beroepservaring die zij vóór hun indiensttreding hadden verworven (zie, laatstelijk, arrest Lucas, reeds aangehaald, r.o. 14).
37 In de eerste plaats moet dus worden onderzocht, welke draagwijdte deze afwijking precies heeft, en in de tweede plaats, of de door de Commissie aan die afwijking gegeven uitlegging een gelijke behandeling kan waarborgen tussen enerzijds voor een algemeen vergelijkend onderzoek geslaagde kandidaten die reeds meer dan twee jaar ambtenaar van de Gemeenschappen waren op het tijdstip van de bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek dat de overgang naar de hogere categorie mogelijk heeft gemaakt, en anderzijds de overige kandidaten die voor dit vergelijkend onderzoek zijn geslaagd.
38 Om te beginnen moet ter bepaling van de draagwijdte van deze afwijking worden nagegaan, in welke gevallen de toepassing van artikel 46 het niet mogelijk maakt, bij de aanstelling van een ambtenaar in een ambt van een hogere categorie "rekening te houden met de voor zijn indiensttreding verworven opleiding en bijzondere beroepservaring".
39 Partijen zijn het erover eens, dat de indeling in salaristrap van ambtenaren die overgaan naar een hogere categorie, ingevolge artikel 46 van het Statuut wordt vastgesteld volgens de volgende formule:
[Ta + Mn + (Ma x m/24) - Tn]
24 x --------------------
Mn
waarin:
Ta = het salaris in de oude rang Tn = het salaris in de eerste salaristrap van de nieuwe rang Ma = de verhoging in salaristrap in de oude rang Mn = de verhoging in salaristrap in de nieuwe rang m = het aantal maanden anciënniteit in salaristrap in de oude rang.
40 Vergelijkt men het resultaat van de toepassing van deze formule met de maximumbonificatie die artikel 32 van het Statuut toelaat, dan kunnen drie groepen ambtenaren worden onderscheiden. De eerste groep is die van de ambtenaren voor wie, bij toepassing van artikel 46 bij hun overgang naar de hogere categorie, de eerder verworven ervaring geen enkele rol speelt, hetzij dat het gaat om de ervaring opgedaan vóór indiensttreding bij de Gemeenschappen, die uit hoofde van artikel 32 bij de indiensttreding heeft geleid tot toekenning van een extra salaristrap, hetzij om na de indiensttreding verworven ervaring, die uit hoofde van de artikelen 44 en 45 van het Statuut in de loop van de diensttijd van de ambtenaar heeft geleid tot opklimming in salaristrap of rang. De tweede groep is die van de ambtenaren voor wie die ervaring door toepassing van artikel 46 in aanmerking kan worden genomen bij de overgang naar de hogere categorie, doch in mindere mate dan door nogmaals artikel 32 toe te passen. De derde groep ten slotte is die van de ambtenaren voor wie toepassing van artikel 46 noodzakelijkerwijs gunstiger is dan een nieuwe toepassing van artikel 32.
41 Waar het arrest Lucas voorziet in toepassing van artikel 32 "voor het geval [de toepassing van artikel 46] niet toelaat bij de aanstelling van ambtenaren in een nieuw ambt korte tijd na hun indiensttreding bij de Gemeenschappen rekening te houden met door de betrokkenen vóór hun indiensttreding verworven opleiding of specifieke beroepservaring" (r.o. 14), moet dit niet worden gelezen in de zin van twee cumulatieve voorwaarden voor de toepassing van artikel 32, doch slechts van één voorwaarde, te weten dat de toepassing van artikel 46 niet toelaat "rekening te houden met de opleiding en de specifieke beroepservaring die de betrokkenen voor hun indiensttreding hebben verworven", waarbij "de aanstelling van een ambtenaar in een nieuw ambt korte tijd na zijn indiensttreding bij de Gemeenschappen" genoemd wordt als voorbeeld van de gevallen waarin aan deze voorwaarde wordt voldaan.
42 Tussen partijen staat in casu vast, dat de toepassing van artikel 46 niet toelaat rekening te houden met de opleiding en specifieke beroepservaring die de drie verzoekers vóór hun indiensttreding hebben verworven, zoals blijkt uit hun antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht. Dit is nu juist een gevolg van het feit, dat hun overgang naar de hogere categorie korte tijd na hun indiensttreding bij de Gemeenschappen heeft plaatsgevonden.
43 Uit het voorgaande volgt, dat op basis van artikel 46 moeten worden ingedeeld alle ambtenaren voor wie de toepassing van deze bepaling het mogelijk maakt in enigerlei mate rekening te houden met de specifieke kennis en beroepservaring die zij voor hun indiensttreding hebben verworven, zelfs wanneer dat in mindere mate is dan bij toepassing van artikel 32 het geval zou zijn (zie arrest Michel, reeds aangehaald, r.o. 24), maar dat alle ambtenaren voor wie toepassing van artikel 46 niet toelaat daarmee rekening te houden, op basis van artikel 32 moeten worden ingedeeld.
44 Deze oplossing lijkt ook steun te vinden in de ratio van de artikelen 32 en 46 van het Statuut, zoals in alle voornoemde arresten door het Hof omschreven. Voor ambtenaren voor wie de toepassing van artikel 46 het mogelijk maakt rekening te houden met de vóór hun indiensttreding verworven ervaring, gezien de hoge rang en salaristrap die zij in hun categorie al hebben bereikt, past de overgang naar een hogere categorie in het normale verloop van hun loopbaan. Voor de andere ambtenaren evenwel is de overgang naar een hogere categorie een breuk in de continuïteit van loopbaanontwikkeling, gelijk te stellen met het begin van een nieuwe loopbaan, hetgeen toepassing van artikel 32 rechtvaardigt.
45 Het Gerecht stelt echter vast, dat de Commissie zich voor haar weigering om de criteria van artikel 32 van het Statuut op verzoekers toe te passen, beroept op een vaste administratieve praktijk, gebaseerd op de uitlegging van de woorden "korte tijd na" in de aangehaalde rechtspraak van het Hof. Volgens die praktijk moet onder "korte tijd" worden verstaan "een periode van maximaal twee jaar" tussen de indiensttreding en het tijdstip van de bekendmaking in het Publikatieblad van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek dat de overgang naar de hogere categorie mogelijk heeft gemaakt (verweerschrift, punt 12).
46 Afgezien van het feit dat die praktijk de keuze van de voor de indeling in salaristrap van de ambtenaar toe te passen bepaling laat afhangen van een willekeurig gegeven, zoals het tijdsverloop tussen de datum van indiensttreding en die van de bekendmaking van een aankondiging van een vergelijkend onderzoek dat overgang naar de hogere categorie mogelijk maakt, miskent zij ook de draagwijdte van de artikelen 32 en 46 van het Statuut, zoals laatstelijk uitgelegd door het Hof in het arrest Lucas, doordat zij de toepassing van artikel 32 belet in gevallen waarin de toepassing van artikel 46 het onmogelijk maakt rekening te houden met de salarisbonificatie die op basis van artikel 32 bij de indiensttreding is toegekend met het oog op de voordien verworven kennis en beroepservaring.
47 Daarenboven is deze beperking in strijd met het beginsel van gelijke behandeling. Zij leidt er namelijk toe, dat de geslaagden voor een zelfde algemeen vergelijkend onderzoek op basis van verschillende criteria worden ingedeeld in salaristrap: enerzijds de ambtenaren die, zoals verzoekers, al meer dan twee jaar ambtenaar waren op het tijdstip van bekendmaking in het Publikatieblad van de aankondiging van het algemeen vergelijkend onderzoek, in wier geval bij toepassing van artikel 46 bij hun overgang naar de hogere categorie geen rekening kan worden gehouden met hun eerdere ervaring, doch die niettemin op basis van artikel 46 worden ingedeeld, en anderzijds de ambtenaren die op dat tijdstip nog geen twee jaar ambtenaar waren en die worden ingedeeld op basis van artikel 32. Ofschoon het hierbij om een objectief onderscheidingscriterium gaat, moet worden vastgesteld dat dat onderscheid niet noodzakelijk is om het volgens de Commissie ermee nagestreefde doel te bereiken, te weten te vermijden dat tweemaal rekening wordt gehouden met door de ambtenaar vóór zijn indiensttreding bij de Gemeenschappen verworven ervaring. Immers, toepassing van artikel 46 op de eerste groep ambtenaren maakt het in het geheel niet mogelijk om voor het vervolg van hun loopbaan rekening te houden met de vóór hun indiensttreding opgedane ervaring. In dit opzicht is hun situatie dus dezelfde als die van de ambtenaren van de tweede groep. Zij moeten derhalve op dezelfde wijze als dezen worden behandeld, en bedoeld onderscheid is niet enkel niet nodig om te voorkomen dat bij de indeling in salaristrap tweemaal rekening met hun ervaring wordt gehouden, doch het belet ook, dat voor het vervolg van hun loopbaan op enigerlei wijze met die ervaring rekening wordt gehouden.
48 Ook kan die ongelijke behandeling niet worden gerechtvaardigd op grond van de voordelen die de geslaagden voor een algemeen vergelijkend onderzoek die al ambtenaar zijn, genieten, te weten dat de vereisten inzake maximumleeftijd en het doorlopen van een proeftijd voor hen niet gelden. In de eerste plaats vallen die voordelen in het niet bij de nadelen voortvloeiend uit de op hen toegepaste ongelijke behandeling; in de tweede plaats zijn zij objectief gerechtvaardigd doordat de betrokkenen reeds in vaste dienstbetrekking tot de Gemeenschappen staan; en in de derde plaats kunnen zij in geen geval het verschil in behandeling rechtvaardigen tussen ambtenaren die minder en ambtenaren die, zoals verzoekers, meer dan twee jaar in dienst waren op het tijdstip van bekendmaking in het Publikatieblad van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek dat de overgang naar de hogere categorie mogelijk heeft gemaakt.
49 Behoudens de gevallen waarin de rechten, door ambtenaren in die hoedanigheid vóór hun overgang naar een hogere categorie verworven, door toepassing van artikel 46 behouden blijven, kan derhalve enkel door indeling van alle - "interne" en "externe" - geslaagde kandidaten op basis van de criteria van artikel 32, worden voldaan aan de vereisten van het beginsel van gelijke behandeling, zoals het Hof heeft overwogen in zijn arrest Samara (reeds aangehaald, r.o. 15).
50 Voor het overige moet erop worden gewezen, dat dit stelsel overeenkomt met dat wat door het Europees Parlement, de Raad en de Rekenkamer op hun ambtenaren wordt toegepast.
51 Uit het voorgaande volgt, dat de bestreden besluiten moeten worden nietigverklaard, voor zover daarin de indeling van verzoekers in salaristrap is vastgesteld op basis van artikel 46 en niet van artikel 32 van het Statuut.
52 De Commissie zal derhalve de situatie van verzoekers opnieuw moeten onderzoeken met toepassing van de criteria van artikel 32 van het Statuut.
De schadevorderingen
53 Verzoekers vorderen een rente van 10 % 's jaars over de bedragen die hun na de regularisatie van hun financiële situatie zullen worden toegekend.
54 De Commissie verzet zich hoe dan ook tegen de door verzoekers verlangde rentevoet en meent, dat enkel een rente van 8 % 's jaars in overeenstemming is met de rechtspraak (arrest Hof van 17 februari 1987, zaak 21/86, Samara, Jurispr. 1987, blz. 795).
55 Het Gerecht stelt vast, dat de schadevorderingen prematuur zijn, daar het zich met het oog op de toepassing van de criteria van artikel 32 van het Statuut op de drie verzoekers niet in de plaats van de administratie kan stellen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
56 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van verzoekers in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart nietig de besluiten van de Commissie van 27 februari, 22 januari en 29 januari 1992, voor zover verzoekers met toepassing van artikel 46 van het Statuut daarbij zijn ingedeeld in de eerste salaristrap van hun rang.
2) Verwerpt de beroepen voor het overige.
3) Verwijst de Commissie in alle kosten van het geding.
Full & Egal Universal Law Academy